< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Dreigende ontruiming door het OM van gekraakt bedrijfspand in Utrecht; krakers vorderen in kort geding een (tijdelijk) verbod op de aangekondigde ontruiming; vordering afgewezen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/518865 / KG ZA 21-155

Vonnis in kort geding van 23 april 2021

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3],

4. [eiser sub 4],

5. [eiseres sub 5],

6. [eiser sub 6],

7. [eiseres sub 7],

8. [eiser sub 8],

allen wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaten: mrs. J. van Lunen en M.A.R. Schuckink Kool te ’s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat: mr. J. Perenboom te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna eisers en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de producties 1 tot en met 8 van eisers

de conclusie van antwoord met 14 producties van de Staat

de pleitnota van de Staat

de pleitnota van eisers

de mondelinge behandeling, gehouden op 8 april 2021 op de locatie van deze rechtbank in Amersfoort. Mr. Schuckink Kool heeft op zijn verzoek de zitting bijgewoond via Skype . De griffier heeft aantekening gemaakt van wat er ter zitting is besproken. De Staat heeft een aanvullende productie overgelegd (een e-mailbericht van 29 maart 2021). Eisers hebben de schriftelijke verklaringen die zij ter zitting hebben voorgelezen en een artikel van De Utrechtse Internet Courant in het geding gebracht. Aan het slot van de zitting heeft de rechter meegedeeld dat op 23 april 2021 vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

In november 2019 hebben (onder andere) eisers het bedrijfspand gelegen op de adressen [adres 1] en [adres 2] in [vestigingsplaats] (hierna: het pand) zonder toestemming en medeweten van de gezamenlijke eigenaren in gebruik genomen, oftewel gekraakt.

2.2.

Na ontdekking van de ingebruikneming hebben de eigenaren op 14 november 2019 bij de politie aangifte gedaan van huisvredebreuk.

2.3.

Eisers hebben zich bij brief van 18 november 2019 gemeld bij de door de eigenaren aangestelde beheerder, [bedrijf] B.V. Zij presenteren zich in die brief als [woongroep] en berichten dat zij het pand gelegen op de adressen [adres 1] en [adres 2] in [vestigingsplaats] een week geleden in hergebruik hebben genomen. Wegens het uitblijven van een reactie hebben zij op 3 december 2019 een gelijkluidende brief verstuurd, rechtstreeks aan [A] , één van de eigenaren.

2.4.

De eigenaren hebben eisers bij brieven van 9 december 2019, 13 januari 2021 en 1 februari 2021 gesommeerd het pand te verlaten. Eisers hebben dat geweigerd. De eigenaren hebben het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) op 13 januari 2021 verzocht om tot ontruiming over te gaan.

2.5.

Het OM heeft vervolgens bij brief van 12 maart 2021 aangekondigd voornemens te zijn het pand te ontruimen binnen 8 weken na dagtekening van de brief, te weten uiterlijk op 7 mei 2021. De brief is geadresseerd aan “hen die wonen of vertoeven in het pand [adres 1] te [vestigingsplaats] ”.

2.6.

Het naastgelegen bedrijfspand met de adressen [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] in [vestigingsplaats] (hierna: het bedrijfspand aan de [straat] ) is van dezelfde eigenaren en is ook gekraakt. Beide panden zijn gelegen op een bedrijventerrein.

2.7.

Op 29 januari 2021 heeft [bedrijf] B.V. met betrekking tot beide panden een huurovereenkomst gesloten met de Stichting Maskerade Utrecht, ingaande 1 februari 2021 en lopende tot 1 oktober 2021. De panden en de bijbehorende terreinen zullen door de Stichting worden ingericht en gebruikt ten behoeve van festiviteiten ter gelegenheid van het 41ste lustrum van het Utrechtsch Studenten Corps, die zullen plaatsvinden in de periode juli tot oktober 2021. De huurprijs bedraagt € 40.000,00. De overeenkomst is gesloten onder de opschortende voorwaarde dat de krakers uiterlijk op 1 maart 2021 het gehuurde hebben verlaten. Op 29 maart 2021 is tussen verhuurder en huurder afgesproken die termijn te verlengen tot 1 mei 2021.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat – dat de voorzieningenrechter de Staat, en via haar de officier van justitie in Utrecht , zal verbieden om tot strafrechtelijke ontruiming van het pand aan de [adres 1] in [vestigingsplaats] over te gaan totdat eventueel in hoogste instantie door de strafrechter bewezen is verklaard dat het verblijf van eisers wederrechtelijk is alsmede een individuele belangenafweging is gemaakt ten aanzien van de vraag of de belangen van de Staat bij de ontruiming zwaarder wegen dan de belangen van eisers bij voortzetting van het gebruik.

3.2.

Eisers leggen aan hun vordering – samengevat – ten grondslag dat zij het pand bewonen en dat de ontruiming van een woning de meest vergaande inbreuk is op het huisrecht. Om die reden moet de proportionaliteit van de inbreuk door een onafhankelijke rechter worden getoetst op grond van artikel 8 EVRM . In dit geval zal de ontruiming leiden tot (al dan niet tijdelijke) leegstand terwijl zij dakloos worden, reden waarom de belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen. Zij vragen de voorzieningenrechter dan ook de aangekondigde ontruiming primair te verbieden, subsidiair voor bepaalde tijd te verbieden en in beide gevallen de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

De Staat voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisers hebben gevorderd dat de voorzieningenrechter de door de officier van justitie aangekondigde ontruiming van het pand waarin zij verblijven, zal verbieden. Die vordering is naar haar aard spoedeisend. Eisers zijn ontvankelijk in hun vordering.

Het pand aan de [adres 1]

4.2.

Er bestaat tussen partijen verschil van mening over de vraag op welk(e) (gedeeltes van het) bedrijfspand de aankondiging tot ontruiming van de officier van justitie precies betrekking heeft. Eisers wijzen erop dat in de brief van de officier van justitie van 12 maart 2021 wordt gesproken over “het pand aan de [adres 1] ” en dat de overige adressen, te weten [adres 6] en [adres 2] , daarin niet worden genoemd.

4.3.

Op vragen van de rechter ter zitting hebben eisers toegelicht dat het door de bouwkundige indeling niet mogelijk is om vanuit het gedeelte met huisnummer [huisnummer 1] binnendoor te gaan naar het gedeelte met huisnummer [huisnummer 2] , terwijl de gedeeltes [huisnummer 2] en [huisnummer 3] intern wel met elkaar zijn verbonden. Om die reden is volgens hen sprake van twee panden en hebben zij de aanzegging tot ontruiming van het pand [adres 1] zo mogen opvatten dat deze geen betrekking heeft op de naastgelegen gedeeltes met de huisnummers [huisnummer 2] en [huisnummer 3] , maar alleen op het adres [adres 1] en de daarachter gelegen gedeeltes met de huisnummers [huisnummer 4] en [huisnummer 5] en het adres [adres 2] (de lange zijde van de L-vorm), omdat die achtergelegen gedeeltes vanuit huisnummer [huisnummer 1] binnendoor wèl bereikbaar zijn en daarmee één geheel vormen. Daarbij speelt volgens eisers ook mee dat in de aankondiging tot ontruiming die is ontvangen voor het bedrijfspand aan de [straat] wèl alle betrokken adressen expliciet zijn vermeld.

4.4.

Verder hebben eisers toegelicht dat er feitelijk meer woongroepen in het pand woonachtig zijn. De bewoners van het pand, waaronder ook eisers, hebben zich in de brieven aan de beheerder en de eigenaren alleen voor het gemak gepresenteerd als één woongroep, onder de naam [woongroep] . In het gedeelte met de huisnummers [huisnummer 2] en [huisnummer 3] wordt de eerste verdieping bewoond door [woongroep] en op de begane grond zijn gemeenschappelijke gedeeltes, die door alle bewoners worden gebruikt. Het gedeelte met de huisnummers [huisnummer 4] en [huisnummer 5] wordt ook door een groep bewoond. Eisers bewonen met elkaar het gedeelte met huisnummer [huisnummer 1] . De binnenplaats wordt door alle woongroepen gebruikt, zo hebben eisers ter zitting verklaard.

4.5.

De Staat heeft als productie 13 een kadastrale kaart overgelegd waarop het pand is ingetekend. Op die kaart is een pand te zien dat de vorm heeft van een L. Aan de zijde van de [straat] (het korte deel van de L-vorm) heeft het pand drie huisnummers, te weten [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] . Daarachter, in de richting van de [straat] (het lange deel van de L-vorm), heeft het pand de adressen [adres 7] en [adres 2] . Niet in geschil is dat (onder andere) eisers dit hele pand in gebruik hebben genomen.

4.6.

Volgens de Staat gaat het om één groot bedrijfspand. Zij betwist dat het gedeelte met huisnummer [huisnummer 2] vanuit het gedeelte met huisnummer [huisnummer 1] binnendoor niet bereikbaar is, zoals eisers hebben aangevoerd. Het pand is eerder gekraakt geweest en de ontruiming van het hele pand heeft in september 2019 plaatsgevonden via alleen de ingang van huisnummer [huisnummer 1] . Als die doorgang tussen [huisnummer 1] en [huisnummer 2] nu niet meer mogelijk is, dan moeten eisers dat zelf hebben bewerkstelligd. Eisers hebben het hele bedrijfspand in gebruik genomen en het moet daarom voor hen direct duidelijk zijn geweest dat de aanzegging op het hele pand betrekking heeft, aldus de Staat.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt dat de bewoners, waaronder ook eisers, kort nadat zij het bedrijfspand in gebruik hadden genomen daarvan schriftelijk melding hebben gemaakt bij de beheerder en één van de eigenaren van het pand. In die brieven presenteren zij zich als één woongroep, [woongroep] , en schrijven zij dat zij “het pand aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] ” in hergebruik hebben genomen (zie hiervoor onder 2.3.). Uit die formulering blijkt dat zij op dat moment net als de Staat uitgaan van één bedrijfspand, dat zij gezamenlijk in gebruik hebben genomen. In de schriftelijke reactie van de beheerder van 9 december 2019, waarin de bewoners worden gesommeerd het pand per direct te verlaten, zijn alle adressen van het pand genoemd. Ook de latere sommaties beperken zich niet tot het adres [adres 1] . Het ligt daarnaast niet bepaald voor de hand om - mede gelet op die voorgeschiedenis - uit de aanduiding van het pand met alleen het adres “ [adres 1] ” te begrijpen dat ook wordt gedoeld op de achtergelegen gedeeltes met de adressen [adres 7] en [adres 2] , maar er tegelijkertijd van uit te gaan dat de naastgelegen gedeeltes met de adressen [adres 8] daar niet toe behoren. Ook de adressen [adres 7] en [adres 2] worden immers in de aankondiging tot ontruiming niet genoemd. Verder blijkt uit het door eisers geschetste feitelijke gebruik van het pand dat zij niet alleen gedeelte 164, maar ook de naastgelegen gedeeltes [huisnummer 2] en [huisnummer 3] gebruiken.

4.8.

Daarnaast hebben eisers hun stelling dat het niet mogelijk is om binnendoor vanuit het gedeelte met huisnummer [huisnummer 1] het gedeelte met huisnummer [huisnummer 2] te bereiken tegenover de gemotiveerde betwisting van de Staat niet, met foto’s of anderszins, onderbouwd. In deze kort geding procedure kan er daarom niet vanuit worden gegaan dat die gedeeltes van het pand intern niet (langer) met elkaar in verbinding staan.

4.9.

De voorzieningenrechter is op grond van al hetgeen onder 4.2. tot en met 4.8. is overwogen van oordeel dat het voor eisers voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de van de officier van justitie ontvangen aankondiging tot ontruiming betrekking heeft op het gehele bedrijfspand dat zij gezamenlijk in gebruik hebben genomen, met de bijbehorende adressen [adres 1] en [adres 2] . De voorzieningenrechter ziet dus geen aanleiding om te overwegen dat de aankondiging tot ontruiming van 12 maart 2021 alleen betrekking heeft op een gedeelte van het pand, zoals door eisers is verzocht.

De strafvorderlijke ontruiming

4.10.

Op grond van artikel 138a Sr is niet alleen wederrechtelijk binnendringen, maar ook wederrechtelijk verblijven in een gekraakt pand strafbaar gesteld. De wetgever heeft daarmee niet alleen het recht van de eigenaar van het pand willen beschermen, maar heeft ook het belang van de openbare orde bij het voorkomen van kraken en het voorkomen van strafbare feiten in het algemeen voor ogen gehad.

4.11.

Het OM is belast met de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Mede op grond van artikel 551a Sv is het daarom in beginsel bevoegd de onder zijn gezag gestelde politie opdracht te geven over te gaan tot de strafrechtelijke ontruiming van een gekraakt pand, mits het de krakers in de gelegenheid heeft gesteld de rechtmatigheid van de voorgenomen ontruiming door de onafhankelijke rechter te laten beoordelen, bijvoorbeeld in kort geding. Aan die voorwaarde is in dit geval voldaan. Voor de uitoefening van de aan het OM en de politie verleende ontruimingsbevoegdheid is daarnaast niet een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter noodzakelijk (aldus uitdrukkelijk rov 3.2.2, slot, van het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880, NJ 2013/153). Anders dan in de dagvaarding is betoogd is het OM/de Staat ook niet gehouden zich tevoren tegenover de krakers te verantwoorden met betrekking tot de gronden waarop het in een concreet geval gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot strafvorderlijke ontruiming en welke belangenafweging hij daarbij heeft gemaakt.

Het huisrecht

4.12.

Wel is het zo dat ook aan krakers van een woning bescherming toekomt in hun door artikel 12 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde huisrecht. De wetgever heeft echter binnen de grenzen van de hem toekomende “margin of appreciation”, in overeenstemming met artikel 8 EVRM , geoordeeld dat de hiervoor bedoelde wettelijke bevoegdheid tot strafrechtelijke ontruiming een legitiem doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Het gebruik van deze ontruimingsbevoegdheid moet evenwel, kort gezegd, de proportionaliteitstoets kunnen doorstaan. Weliswaar zal het belang van de eigenaar doorgaans het zwaarst wegen, maar niet uitgesloten kan worden dat, gelet op de zeer ernstige inbreuk op het huisrecht en de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming, het belang van de krakers in het concrete geval, bijvoorbeeld voor beperkte tijd, toch zwaarder weegt, aldus de Hoge Raad in zijn voormelde arrest van 28 oktober 2011.

4.13.

De bewijslast van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden die in het concrete geval tot een andere (dan de door de wetgever gemaakte) afweging zouden moeten leiden, ligt niet bij de Staat, maar bij de krakers. Het zijn immers de krakers die zich beroepen op de aanwezigheid van omstandigheden die een uitzondering op de in abstracto in het voordeel van – in dit geval – de eigenaren gemaakte belangenafweging rechtvaardigen.

De wederzijdse belangen

4.14.

Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat zij een zwaarwegend belang hebben bij het gebruik van het pand als woonruimte, omdat betaalbare woonruimte in Utrecht voor hen niet beschikbaar is. Zij geven de voorkeur aan wonen in groepsverband en vinden het daarnaast prettig wonen en werken te kunnen combineren. Dat is in dit pand nu allemaal mogelijk, terwijl een alternatieve locatie niet gemakkelijk te vinden is. Het pand heeft daarnaast een sociale functie voor de omgeving: er is een weggeefruimte, moestuin, bibliotheek, muziekstudio, skatepark, fietsenwerkplaats en atelierruimte. Als het pand wordt ontruimd zal het weer leeg staan, terwijl zij tijdens de coronacrisis dakloos dreigen te raken. Eisers vinden dat hun huisrecht niet mag wijken voor een feestje van studenten voor de duur van een week, dat wegens corona hoogstwaarschijnlijk toch niet door zal gaan.

4.15.

De Staat heeft als zijn belang bij de ontruiming aangevoerd – kort samengevat – het beëindigen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde en het beschermen van rechten van derden, te weten de eigenaren van het pand en de huurder. De Staat heeft toegelicht dat de eigenaren plannen hebben om het pand te slopen en dat het pand leegstond in afwachting van de uitkomst van een verplicht onderzoek naar beschermde diersoorten. Dat onderzoek is nu afgerond en zij beschikken nu over een sloopvergunning. Voor de periode voorafgaand aan de feitelijke sloop hebben de eigenaren dit pand en het pand aan de [straat] met de bijbehorende terreinen verhuurd aan een studentenvereniging voor het organiseren van lustrumactiviteiten. Het is dan ook niet juist dat het pand na de ontruiming leeg zal staan, zoals eisers hebben aangevoerd. Ook hebben de eigenaren al vergevorderde plannen voor een nieuw te bouwen bedrijfsruimte op die plek, nadat het huidige pand zal zijn gesloopt, zo stelt de Staat.

4.16.

De voorzieningenrechter overweegt dat de door eisers gestelde belangen, zoals onder 4.14. weergegeven, kunnen worden samengevat als een woonbelang. Daarvoor geldt dat de wetgever dit belang al heeft meegewogen bij de beslissing om kraken strafbaar te stellen. De inmiddels langdurige coronasituatie betekent daarnaast niet dat een woning of een pand niet ontruimd kan worden. Daarover kan in het individuele geval anders geoordeeld worden als er zwaarwegende feiten en omstandigheden zijn gesteld die aan een ontruiming in de weg staan, maar daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken. Het pand is gelegen op een bedrijventerrein. Eisers hebben mede in dat licht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het pand een belangrijke sociale functie heeft voor de omgeving. Ook dit argument van eisers legt daarom onvoldoende gewicht in de schaal tegenover de belangen van de Staat.

4.17.

Die belangen van de Staat bij een spoedige ontruiming, waaronder ook valt de bescherming van het recht van de eigenaren om vrij te kunnen beschikken over hun eigendom en van het recht van de huurder om het gehuurde pand nu snel in gebruik te kunnen nemen, moeten in dit geval de doorslag geven. Voldoende aannemelijk is namelijk geworden dat de eigenaren na de ontruiming aanzienlijke huurinkomsten zullen genereren door het pand met het omliggende terrein aan de betreffende huurder ter beschikking te stellen. Zij hebben dat eerder op die manier gedaan en de toenmalige huurder heeft destijds kennelijk ook de benodigde vergunningen van de Gemeente verkregen voor een feest op die locatie. Dat het nu door de coronacrisis onzeker is wanneer de Gemeente weer dergelijke evenementen zal toestaan alsook het feit dat in kort geding nog niet is beslist over het door de bewoners gevorderde verbod tot ontruiming van het naastgelegen pand aan de [straat] , dat ook is verhuurd en voor het feest zal worden gebruikt, doet daaraan niet af. Vast staat immers dat eisers door het illegale gebruik van dit pand de eigenaren en huurder elke mogelijkheid ontnemen om over het pand te beschikken en het te gebruiken zoals zij willen. Het is overigens ook niet zo dat eisers moeten wijken voor een feestje van een week: de huur is aangegaan voor ruim een half jaar, om de huurder de gelegenheid te geven beide panden en het terrein in te richten voor de geplande festiviteiten. Verder is ook voldoende aannemelijk geworden dat de eigenaren het pand daarna op korte termijn zullen slopen, omdat zij inmiddels beschikken over de benodigde sloopvergunning.

Conclusie

4.18.

Het gevorderde verbod om tot ontruiming over te gaan zal worden afgewezen. Omdat de huurovereenkomst al is gesloten en de eigenaren zich in die overeenkomst hebben verplicht om op korte termijn het pand aan de huurder ter beschikking te stellen, is er ook geen grond om de aangekondigde ontruiming voor beperkte tijd te verbieden, zoals eisers ter zitting subsidiair hebben gevorderd.

Proceskosten

4.19.

Eisers hebben ongelijk gekregen. Zij moeten daarom de proceskosten van de Staat betalen, tot vandaag begroot op € 667,00 griffierecht en € 1.016,00 aan salaris advocaat. De wettelijke rente over die bedragen zal worden toegewezen als hierna in de beslissing te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Staat, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 667,00 griffierecht en € 1.016,00 aan salaris advocaat,

te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam en bij haar afwezigheid getekend door

mr. S.H. Bokx-Boom, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2021.

type: AW/4074

coll:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature