< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Dealen in softdrugs kort na eerdere veroordeling.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/243065-20 (P) en 16/653150-17 (TUL)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1991] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] , gedetineerd te P.I. Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen verdachte en mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1

in de periode van 13 september 2018 tot en met 25 september 2020 te Houten heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven, te weten de handel in softdrugs;

2

in de periode van 13 september 2018 tot en met 25 september 2020 te Houten heeft gehandeld in softdrugs;

3

in de periode van 25 juli 2020 tot en met 25 september 2020 te Houten in het bezit is geweest van softdrugs.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde pleegperiode als volgt dient te worden beperkt:

Bewezen kan worden dat de deelneming aan een criminele organisatie (onder 1 tenlastegelegd) is gepleegd in de periode van 1 juli 2020 tot en met 25 september 2020. Bewezen kan worden dat het bezit van softdrugs (onder 3 tenlastegelegd) is gepleegd op 25 september 2020.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de tenlastegelegde feiten aangevoerd dat verdachte de feiten bekent. Verdachte betwist echter de tenlastegelegde periode waarin hij heeft gehandeld en de periode waarin hij met anderen heeft samengewerkt. Bewezen kan worden dat verdachte vanaf maart 2020 heeft gehandeld (onder 2 ten laste gelegd) en dat hij gedurende de laatste twee maanden met anderen heeft samengewerkt (onder 1 ten laste gelegd).

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of de samenwerking van verdachte ‘deelneming aan een criminele organisatie’ betreft.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van hetgeen onder 1 en 2 is ten laste gelegd

Verdachte heeft ter zitting als volgt verklaard:

“Ik heb gedeald in softdrugs. [getuige 1] en ‘ [bijnaam] ’ hebben voor mij gelopen.

Personen die wiet wilden kopen, namen contact met mij op. Vervolgens stuurde ik [getuige 1] een bericht. Hij kwam de wiet bij mij ophalen en bracht die naar de klant. Aan het eind van de dag gaf ik [getuige 1] zijn deel. Dat was een kwart van de opbrengst. [getuige 1] liep alleen op vrijdag. Hij heeft ongeveer acht keer voor mij gelopen.

‘ [bijnaam] ’ (toevoeging rechtbank: medeverdachte [medeverdachte] ) liep de afgelopen dagen ook voor mij. Zij belde mij op een dag waarop ik zelf niet kon en heeft vanaf dat moment voor mij gelopen. Zij liep niet op de vrijdag. Ze kreeg ook een kwart van de opbrengst.”

[getuige 1] heeft als volgt verklaard:

“Ik ben met [verdachte] overeen gekomen dat ik één keer in de week voor hem ging lopen. [verdachte] appt mij, ik heb wat klaar liggen, kom maar halen. Daarna krijg

ik appjes van hem waar ik naartoe moet om de drugs af te leveren. Thuis bewaar ik

niks. Ik krijg 25%. Ik doe dit nu ongeveer 2 maanden.”

[medeverdachte] heeft als volgt verklaard:

Toelichting door de rechtbank:

V = vraag verbalisant

A = antwoord [medeverdachte]

“ Ik heb voor [verdachte] wiet verkocht. Ik ben begonnen met het verkopen van drugs voor [verdachte] op de dag van de eerste app (toevoeging rechtbank:14 september 2020). Dat is anderhalve week voor hij die inval kreeg (toevoeging rechtbank: 25 september 2020). De verdovende middelen die haal ik op bij [verdachte] , dat ligt bij hem thuis. Ik krijg een kwart van [verdachte] . Op een gegeven moment was [verdachte] weer actief en was weer aan het lopen, en heb ik weer bij hem wiet gekocht. Dat was nadat hij los was gekomen.

V: Heb je in 2018 nadat hij vrij kwam weer drugs bij hem gekocht?

A: Ja. Dat was in 2018.

V: Dus voor de duidelijkheid, in 2018 heb je weer drugs bij hem gekocht?

A: Ja.

Hij is toen gepakt voor die cocaïne lijn, maar daarna is hij met die

wietlijn begonnen.”

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij op 12 januari 2018 is veroordeeld voor onder meer handel in cocaïne en dat hij op 12 september 2018 is vrijgekomen uit detentie.

Ten aanzien van hetgeen onder 3 is ten laste gelegd

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 januari 2021;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 27 september 2020, genummerd PL0900-2020155791-57, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, waaruit het exacte gewicht van de in de woning van verdachte in beslag genomen hasjiesj en hennep blijkt, pagina 72;

- de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 26 september 2020, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , van onderzoek van de monsters van de in de woning van verdachte in beslag genomen hasjiesj en hennep, waaruit blijkt dat alle monsters THC bevatten, pagina 67 tot en met 71.

Bewijsoverwegingen

Criminele organisatie en handel in softdrugs

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de toepassing van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht onder een organisatie wordt verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één andere persoon’. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Het oogmerk van deze organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd. Om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken is vereist dat verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en dat hij een aandeel heeft in – of ondersteuning geeft aan – gedragingen die strekken tot óf rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie het plegen van misdrijven beoogt.

De rechtbank is van oordeel dat het criminele samenwerkingsverband tussen verdachte, [getuige 1] en [medeverdachte] (hierna: mededaders) een gestructureerd en planmatig karakter had, zodat aan de vereisten voor het aannemen van een criminele organisatie is voldaan.

Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte in zijn huis een voorraad softdrugs bewaarde die hij verkocht en afleverde aan klanten. Verdachte kocht de softdrugs in. Verdachte werd gebeld door personen die softdrugs wilden kopen (hierna: klanten). Verdachte leverde de drugs zelf af of liet die afleveren door mededaders. [getuige 1] werkte op vrijdag; [medeverdachte] werkte op de andere dagen. De mededaders kwamen de drugs bij verdachte thuis ophalen en leverden die af bij de klanten. Verdachte liet zich vervangen als hij de drugs zelf niet kon afleveren. De mededaders kregen een kwart van de opbrengst en kregen korting bij aankoop van drugs voor eigen gebruik. De observaties van het huis van verdachte, het uitlezen van de telefoons van verdachte en de mededaders en de getuigenverklaringen bevestigen deze gang van zaken. Verder blijkt uit de verklaringen van verdachte en de mededaders dat hun oogmerk was gericht op de handel in softdrugs. Verdachte had geen andere bron van inkomsten. Voor de mededaders was het een bijverdienste en een manier om voordelig in eigen gebruik te voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat uit de weergegeven bewijsmiddelen volgt dat verdachte en mededaders in de periode vanaf omstreeks 25 juli 2020 tot en met 25 september 2020 hebben deelgenomen aan een criminele organisatie.

Periode dealen in softdrugs

Ten aanzien van de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank kan op grond van het dossier geen exacte begindatum vaststellen, maar gaat er op grond van de onder de bewijsmiddelen weergegeven verklaring van [medeverdachte] vanuit dat verdachte in ieder geval vanaf 1 januari 2019 opnieuw is begonnen met het dealen van drugs. De verklaring van verdachte dat hij pas begin 2020 is begonnen met dealen acht de rechtbank niet aannemelijk, mede omdat de verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 2] (geboren [2002] ) dat hij ongeveer één jaar drugs koopt bij verdachte.

De verdediging heeft erop gewezen dat onderzoek van de telefoon van verdachte in dit opzicht geen bewijs heeft opgeleverd, maar de rechtbank hecht daaraan geen betekenis, reeds omdat verdachte heeft verklaard dat hij zijn berichten steeds heeft gewist. Nu de rechtbank geen exacte datum kan vaststellen maar wel is komen vast te staan dat verdachte na zijn vrijlating in 2018 opnieuw is begonnen met dealen, komt de rechtbank in ieder geval tot een bewezenverklaring voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 september 2020.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

in de periode van 25 juli 2020 tot en met 25 september 2020 te Houten,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit

een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere

[getuige 1] , welke organisatie tot oogmerk had

het plegen van misdrijven, namelijk het verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van een of meerdere hoeveelheden softdrugs;

2

in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 september 2020 te Houten,

in de uitoefening van een beroep opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een of meerdere hoeveelheden hennep en hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj,

zijnde hennep en hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

op 25 september 2020 te Houten, aanwezig heeft gehad 100 gram

hennep en 850,9 gram hasjiesj, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

1

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

2

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat passend is een gevangenisstraf gelijk aan de duur doorgebracht in voorlopige hechtenis en een taakstraf van een door de rechtbank te bepalen aantal uren.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna twee jaar bezig gehouden met de handel in softdrugs en heeft daarbij gedurende twee maanden samengewerkt met twee andere personen. Verdachte heeft een handelsvoorraad softdrugs aanwezig gehad. Zodoende heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en leiden veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. Uit het dossier blijkt dat verdachte ook softdrugs heeft verkocht aan een minderjarige, wat de ernst van de gepleegde feiten onderstreept.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 25 november 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer handel in harddrugs en softdrugs en dat hij ten tijde van de tenlastegelegde feiten in een proeftijd liep. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 16 november 2020, waarin onder meer wordt geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

De strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat het bijzonder kwalijk is dat verdachte kort nadat hij is vrijgekomen uit detentie vanwege een veroordeling voor handel en bezit van harddrugs en softdrugs, opnieuw is begonnen met de handel in softdrugs. Terwijl verdachte nog in een proeftijd liep, heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Verder is strafverzwarend dat hij daarbij heeft samengewerkt met twee andere personen en dat hij de ‘leider’ was binnen dit samenwerkingsverband.

De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden is.

De rechtbank legt de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan verdachte op in het kader van de vordering tot tenuitvoerlegging.

9 BESLAG

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een telefoon Alcatel, goednummer 2702900; en

- een geldbedrag (biljetten), te weten € 315, goednummer 2702904;

- een geldbedrag (muntgeld), te weten € 1.807,96, goednummer 2703107,

verbeurd verklaren.

De strafbare feiten zijn met behulp van de telefoon gepleegd en het geld is geheel of grotendeels uit baten van de strafbare feiten verkregen.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van 2 januari 2018 van deze rechtbank (parketnummer 16/653150-17) is verdachte onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk opgelegd.

De rechtbank zal, conform de vordering van de officier van justitie en met instemming van de verdediging, de eerder vastgestelde proeftijd met één jaar verlengen en de aan die straf gekoppelde voorwaarden wijzigen. Als bijzondere voorwaarden worden – conform het advies van de reclassering van 16 november 2020– opgenomen:

- Meldplicht bij de reclassering;

- Houden aan afspraken en aanwijzingen van de reclassering;

- Ambulante behandeling/begeleiding;

- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

- Het hebben en behouden van een zinvolle daginvulling in de vorm van werk of dagbesteding. Indien geïndiceerd meewerken aan begeleiding door een jobcoach

Bij de beslissing is rekening gehouden met de persoon en omstandigheden van de veroordeelde.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

57, 140 van het Wetboek van Strafrecht en

3, 11 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

een telefoon Alcatel, goednummer 2702900;

een geldbedrag (biljetten), te weten € 315, goednummer 2702904;

een geldbedrag (muntgeld), te weten € 1.807,96, goednummer 2703107.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/653150-17

- verlengt de bij vonnis van 2 januari 2018 door de meervoudige kamer in deze rechtbank aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden verbonden proeftijd met één jaar; en

- stelt als algemene en bijzondere voorwaarden dat verdachte

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* Meldplicht bij reclassering

Verdachte meldt zich binnen drie dagen na zijn vrijlating bij Inforsa reclassering Utrecht op het adres Wittevrouwenkade 6, 3512 CR Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* Houden aan afspraken en aanwijzingen

Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de reclassering.

* Ambulante begeleiding/behandeling

Verdachte laat zich begeleiden/behandelen door een nader te bepalen instelling voor ambulante behandeling/begeleiding of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk . De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

* Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Verdachte verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

* Hebben en behouden van een zinvolle daginvulling in de vorm van werk of dagbesteding.

Indien geïndiceerd meewerken aan begeleiding door een jobcoach.

Verdachte werkt mee aan het toeleiden naar een vorm van zinvolle daginvulling in de vorm van werk of dagbesteding. Indien door de reclassering geïndiceerd werkt hij mee aan begeleiding door een jobcoach.

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. S.B. Smit-Colenbrander en B.M. Blom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 januari 2021.

Mr. S.B. Smit-Colenbrander is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij in de periode van 13 september 2018 tot en met 25 september 2020 te Houten,

in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit

een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)

[getuige 1] , welke organisatie tot oogmerk had

het plegen van misdrijven, namelijk

het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een of

meerdere hoeveelheden softdrugs;

( art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2018 tot en met 25 september

2020 te Houten, in elk geval in Nederland, in de uitoefening van een bedrijf of

beroep opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

een of meerdere hoeveelheden hennep en/of hasjiesj, althans een hoeveelheid van

een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelheid van meer

dan 30 gram hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj, een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 3 ahf/ond B Opiumwet )

3

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2020 tot en met 25 september 2020 te

Houten, in elk geval in Nederland, aanwezig heeft gehad (ongeveer) 100 gram

hennep en/of 850,9 gram hasjiesj, althans een grote hoeveelheid, hennep en/of

hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj,

zijnde hennep en/of hasjiesj,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, opgemaakt door politie Midden-Nederland, genummerd PL0900-2020155791,

- van 28 september 2020, pagina 1 tot en met 131;

- van 2 oktober 2020, pagina 132 tot en met 268;

- van 7 november 2020, pagina 269 tot en met 379.

Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

De verklaring van verdachte ter zitting van 7 januari 2021.

Een proces-verbaal van verhoor op 26 september 2020 van verdachte [getuige 1] , pagina 126.

Een proces-verbaal van verhoor op 26 september 2020 van verdachte [getuige 1] , pagina 128.

Een proces-verbaal van verhoor op 29 oktober 2020 van verdachte [medeverdachte] , pagina 345.

Een proces-verbaal van verhoor op 29 oktober 2020 van verdachte [medeverdachte] , pagina 347.

Een proces-verbaal van verhoor op 29 oktober 2020 van verdachte [medeverdachte] , pagina 348.

Een proces-verbaal van verhoor op 29 oktober 2020 van verdachte [medeverdachte] , pagina 349.

Een proces-verbaal van verhoor op 29 oktober 2020 van verdachte [medeverdachte] , pagina 345.

Een geschrift, te weten een uittrekstel van de Justitiële documentatie van 25 november 2020, pagina 2 en 3.

Een proces-verbaal van verhoor op 26 oktober 2020 van getuige [getuige 2] , pagina 324.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature