E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBMNE:2020:4483
Rechtbank Midden-Nederland, 8240577 MC EXPL 19-11159

Inhoudsindicatie:

Eiseres, een zorginstelling, en gedaagde hebben op 1 januari 2016 een overeenkomst van opdracht gesloten. Op basis van die overeenkomst was gedaagde gehouden zorgwerkzaamheden uit te voeren in opdracht van eiseres ten behoeve van cliënten van eiseres. Gedaagde heeft in strijd met de overeenkomst in de nacht van 5 op 6 december 2016 de zorg aan een terminale patiënt door een derde laten uitvoeren. Die derde heeft een bedrag van € 5.000,00 overgeboekt van de rekening van de patiënt naar haar rekening en € 250,00 contant geld ontvreemd. De patiënt is op [overlijdensdatum] 2016 komen te overlijden. Eiseres heeft een bedrag van € 5.250,00 aan de nabestaanden vergoed. Eiseres spreekt gedaagde aan tot betaling van dat bedrag aan haar, omdat gedaagde in strijd met de overeenkomst van opdracht een derde heeft ingeschakeld. De kantonrechter oordeelt dat het causaal verband tussen het handelen van gedaagde, het inschakelen van een derde, en de gepleegde diefstal door de derde in een te verwijderd verband tot elkaar staat, zodat het handelen van die derde op die grond niet aan gedaagde kan worden toegerekend. Echter op grond van artikel 6:76 BW is indien de schuldenaar (gedaagde) bij de uitvoering van de verbintenis gebruik van de hulp van een andere persoon (de derde) maakt die schuldenaar voor de gedraging van die hulpersoon op gelijk wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk. Gedaagde treft weliswaar geen schuld aan de diefstal door de derde, maar toerekening aan gedaagde vindt in dit geval op grond van de wet plaats..

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie