< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Einduitspraak. Beroep gegrond.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/1803

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven),

en

[verweerder] , verweerder

(gemachtigde: C. Ligthart).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met onmiddellijke ingang op grond van de artikelen 8:11, 16:3, eerste lid, sub h, en artikel 16:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Subsidiair heeft verweerder eiser op grond van artikel 8:9 van de ARU ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie.

Bij besluit van 23 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft verweerder de subsidiaire ontslaggrond laten vallen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 27 mei 2019 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2. In de aanvullende motivering heeft verweerder gesteld dat de rechtbank in r.o. 12 van de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de bewijslast op het punt van de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim bij verweerder ligt. Aan verweerder kan worden toegegeven dat het in beginsel aan de ambtenaar is om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. De formulering van r.o. 12 van de tussenuitspraak is in die zin ongelukkig te noemen. Waar het echter om gaat is dat de rechtbank in de tussenuitspraak in r.o. 13 heeft geoordeeld dat verweerder – gelet op de aanwijzingen vóór het primaire besluit, zoals vermeld in r.o. 13 van de tussenuitspraak – onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de toerekenbaarheid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het door eiser gepleegde plichtsverzuim hem ook valt toe te rekenen. Eiser heeft met de verwijzing naar de gesprekken met zijn leidinggevende, de informatie van de vorige bedrijfsarts en het rapport van Skils aannemelijk gemaakt dat hij (ernstige) psychische klachten had waardoor hij het ontoelaatbare van zijn handelwijze misschien niet kon overzien. Dat had voor verweerder aanleiding moeten zijn om hier nader onderzoek naar te doen. Het gaat hier dus om de zorgvuldige voorbereiding van het ontslagbesluit en niet zozeer om de bewijslastverdeling ten aanzien van de toerekenbaarheid.

3. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen met een aanvullende motivering of met een nieuwe beslissing op bezwaar.

4. In reactie op de tussenuitspraak heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde medische stukken niet blijkt dat het plichtsverzuim hem niet valt toe te rekenen. Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat de bedrijfsarts op grond van alle door eiser ingebrachte medische informatie en haar eigen bevindingen tijdens het spreekuurbezoek heeft geoordeeld dat er ten tijde van het plichtsverzuim bij eiser geen sprake was van een gestoorde waarneming of een afwijking in oriëntatie van plaats of tijd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder verwezen naar:1) een e-mailbericht van Martine Korevaar (de bedrijfsarts) van 27 juni 2019, en2) een advies van J.K. van der Veer ( Van der Veer ), werkzaam als psychiater bij DC Expertise Centrum van 23 juli 2019. Aan Van der Veer heeft verweerder – bij wijze van second opinion – de vraag voorgelegd of uit de overgelegde medische informatie kan worden afgeleid dat eiser als gevolg van zijn psychische problematiek de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet kon inzien en niet overeenkomstig dat inzicht kon handelen. Volgens verweerder heeft Van der Veer geconcludeerd dat dit niet uit de door eiser overgelegde medische stukken kan worden afgeleid. Op grond hiervan stelt verweerder dat het plichtsverzuim eiser valt toe te rekenen.

5. Eiser heeft de onder 4. opgenomen reactie van verweerder bestreden.

6. In het e-mailbericht van 27 juni 2019 heeft de bedrijfsarts, kort gezegd en voor zover hier relevant, vermeld dat zij bij haar adviezen over eisers situatie in de periode van 5 februari 2016 tot en met 16 mei 2017 als relevante medische informatie heeft betrokken:1) het rapport Skils van april 2016, en 2) informatie van een andere behandelaar (4-2016). Zij beschikte niet over het interventieadvies van de toenmalige bedrijfsarts A. Reus van 18 februari 2016, maar alleen over informatie van de andere behandelaar (4-2016).

De bedrijfsarts vermeldt dat het rapport van Skils haar geen aanleiding gaf om aan te nemen dat eiser, in de te beoordelen periode, de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet kon inzien en dat hij niet in staat was overeenkomstig te handelen. Dit kon de bedrijfsarts ook niet afleiden uit de informatie die zij bij de andere behandelaar van eiser had opgevraagd en die volledig in lijn was met het rapport van Skils . Verder vermeldt de bedrijfsarts dat de spreekuren haar ook geen aanleiding gaven om aan te nemen dat eiser niet in staat was de consequenties van zijn gedrag te overzien.

7. De rechtbank is van oordeel dat de bedrijfsarts met de verwijzing naar het rapport van Skils en de andere behandelaar (4-2016) niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij tot haar oordeel is gekomen dat eiser in staat was om de gevolgen van zijn gedrag/handelwijze te overzien. Op de vraag van verweerder op grond van welke relevante informatie de bedrijfsarts tot haar oordeel is gekomen, heeft de bedrijfsarts geantwoord dat beide behandelaren haar adviseerden om een tijdcontingente re-integratie te volgen en dat werk een positieve bijdrage zou leveren in het herstel van eiser. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in hoe het door de bedrijfsarts genoemde werkadvies van Skils (p. 172 van de gedingstukken) – informatie/inzicht geeft over de vraag of eiser de gevolgen van zijn handelwijze/gedrag kon inzien. De rechtbank heeft hiervoor in het rapport van Skils ook geen concrete aanknopingspunten gevonden. In het rapport van Skils staat bij “Advies Specialistische GGZ” dat in het geval van eiser sprake is van zware problematiek waarbij multidisciplinaire aanpak noodzakelijk is. Daarin is tevens vermeld dat deze behandeling door Skils zal worden uitgevoerd. De voorgestelde behandeling door Skils is echter niet doorgegaan, zoals blijkt uit het e-mailbericht van Jeroen van Rijswijk aan Merle Kersten, werkzaam als neuropsycholoog bij Skils , van 26 mei 2016 (p.191). Op grond waarvan de bedrijfsarts stelt dat Skils een behandelaar van eiser is geweest, is de rechtbank dan ook niet duidelijk. Evenmin is duidelijk naar welke andere behandelaar (4-2016) wordt verwezen die in lijn met Skils zou hebben geadviseerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan die laatste vraag onbeantwoord blijven, nu in het werkadvies van Skils en de rest van dat rapport geen informatie staat of eiser in staat was om de gevolgen van zijn gedrag/handelwijze te overzien. Daar komt nog bij dat eiser medische stukken heeft overgelegd die van na april 2016 (4-2016) dateren en dat in r.o. 13 van de tussenuitspraak aanwijzingen zijn genoemd die betrekking hebben op een latere periode dan april 2016. De bedrijfsarts heeft echter alleen verwezen naar het Skils rapport van april/mei 2016 en de andere behandelaar (4-2016), zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat zij alle relevante (medische) informatie over de te beoordelen periode (14 maart 2017 tot 18 april 2017, zie r.o. 7 van de tussenuitspraak) heeft betrokken.

8. Het voorgaande betekent dat verweerder met het e-mailbericht van de bedrijfsarts van 27 juni 2019, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.

9. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder in het standpunt kan worden gevolgd dat uit het advies van Van der Veer volgt dat het door eiser gepleegde plichtsverzuim hem kan worden toegerekend.

10. Uit het advies van Van der Veer blijkt dat de volgende documenten zijn betrokken:

interventieadvies van A. Reus van 18 februari 2016;

het rapport van Skils ;

een brief van Wendy Bosman , GZ-psycholoog, van 30 januari 2018;

een brief van C. Rompas en B. Beenackers , psycholoog en GZ-psycholoog, van 26 maart 2018;

een brief van [huisarts] , huisarts, van 6 februari 2019.

Daarbij heeft Van der Veer , voor zover relevant, het volgende geschreven:

“Beantwoording van uw vragen:

1. Kan uit de overgelegde medische informatie worden afgeleid dat betrokkene als gevolg van zijn psychische problematiek de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet kon inzien en niet overeenkomstig kon handelen?

Antwoord: uit de brieven van diverse behandelaren is af te leiden, dat betrokkene akkoord is gegaan met het behandeladvies en in staat was deze behandeling (bijvoorbeeld cognitieve behandeltherapie) aan te gaan. Een duidelijk beschrijving/onderzoek van het denkproces bij betrokkene ontbreekt . Blijkbaar is men en er impliciet van uitgegaan (zie boven bij A) dat betrokkene besluitvaardig en wilsbekwaam was.

Er wordt gesproken van depressieve klachten, eenmaal wordt gesproken van een depressieve stoornis en in het advies van Skils zelfs van een of meerdere DSM diagnoses, maar een duidelijke onderbouwing (beschrijving van de bevindingen bij status mentalis onderzoek) ontbreekt. Verder is uit de overgelegde informatie niet op te maken of betrokkene depressief (en in welke mate) was tijdens het verwijtbare gedrag, en blijft de vraag of een depressie ten tijde van het verwijtbare gedrag zijn gedragskeuzes heeft beïnvloed onbeantwoord.

Het antwoord op uw vraag is daarmee: Nee, op basis van de beschikbare informatie kan er geen uitspraak gedaan worden of betrokkene wel of niet in staat was de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag in te zien en overeenkomstig te behandelen.” (onderstrepingen door rechtbank)

11. De rechtbank is – zoals eiser in de zienswijze ook heeft aangevoerd – van oordeel dat

verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat uit het advies van Van der Veer volgt dat eiser de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag kon inzien en overeenkomstig kon handelen. Uit wat hiervoor is geciteerd, volgt dat Van der Veer de vraag of eiser in staat was om de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag in te zien en overeenkomstig te handelen op grond van de overgelegde de medische stukken niet kan beantwoorden. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat Van der Veer onder 2. van zijn advies aanleiding ziet voor een nader onderzoek, bestaande uit een psychiatrische expertise en een neuropsychologisch onderzoek, om de vraag (zoals verwoord onder 1. van het advies van Van der Veer ) te kunnen beantwoorden. Dit betekent dat verweerder zijn standpunt ook met het advies van Van der Veer niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

12. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek niet heeft hersteld. Verweerder was daarom niet bevoegd om eiser de maatregel van disciplinair ontslag op te leggen.

13. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of verweerder (nogmaals) het gebrek te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dat betekent dat het ontslag ongedaan wordt gemaakt.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.304,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.304,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. C. Karman en mr. J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van Centrale Raad van Beroep van 29 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY2607.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature