< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Een 26-jarige man uit Scherpenzeel is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Ook mag hij vier jaar niet autorijden. De man reed op 10 februari van dit jaar in Renswoude een vrouw aan, die later aan haar verwondingen overleed. Hij reed na het ongeluk door en meldde zich pas 17 dagen later bij de politie.

De verdachte reed op zondagavond 10 februari vanuit Veenendaal naar zijn woonplaats Scherpenzeel. Hij was samen met een paar vrienden in een café geweest en had daar naar eigen zeggen ook drie tot vijf flesjes bier gedronken. Op de Dorpsstraat in Renswoude zag de man een overstekende vrouw op een zebrapad over het hoofd. In plaats van na de aanrijding te stoppen, reed hij door. Pas 17 dagen na het ongeluk meldde hij zich bij de politie. Toen was het 76-jarige slachtoffer al aan haar verwondingen overleden.

Volgens de rechtbank reed de verdachte als bestuurder van de auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Hij reed dan wel de toegestane 50 kilometer per uur, maar aangezien het regende en de weg waarop hij reed slecht verlicht was, had hij zijn rijgedrag aan moeten passen. De verdachte verklaarde bovendien dat hij zich bewust was van het feit dat het drukker was op straat. De kerk was net uit en mensen waren op weg naar huis. Daarbij komt dat de verdachte met alcohol op achter het stuur zat.

Verdachte heeft door zijn schuld een ongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer is overleden. Hij is daarna doorgereden en heeft zich niet gemeld. Om die reden is niet bekend hoeveel alcohol er in zijn bloed zat ten tijde van het ongeval. Dit gegeven weegt de rechtbank niet in het voordeel van verdachte mee. Daarnaast verleende de verdachte geen voorrang aan het slachtoffer, is hij doorgereden en bracht hij vlak na het ongeluk zijn auto naar de sloop. Met dat laatste hoopte hij sporen te vernietigen. Volgens de rechtbank heeft de verdachte hiermee bewust handelingen verricht om zijn straf te ontlopen. Gelet op dit alles, plus het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens rijden onder invloed, veroordeelt de rechtbank hem tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Ook legt de rechtbank hem een rijontzegging op van vier jaar. Dit is gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/050406-19; 96/131520-18 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2019.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie, mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen verdachte en diens raadsman mr. M. Hoevers naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er kort en feitelijk op neer dat verdachte:

Feit 1 primair

op 10 februari 2019 te Renswoude als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval op een zebrapad op de Dorpsstraat heeft veroorzaakt door roekeloos, althans (zeer) onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, namelijk na gebruik van alcohol, terwijl het wegdek nat was en het buiten donker was, bij voornoemd zebrapad met onverminderde snelheid heeft doorgereden en tegen de daar overstekende voetganger [slachtoffer] , is gebotst, waardoor [slachtoffer] op 22 februari 2019 is overleden;

Feit 1 subsidiair

op 10 februari 2019 te Renswoude, als bestuurder van een voertuig gevaar op de weg heeft veroorzaakt en vervolgens is gebotst tegen de overstekende [slachtoffer] , waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden;

Feit 2

op 10 februari 2019 te Renswoude als bestuurder van een motorrijtuig betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat aan een ander, te weten [slachtoffer] , letsel en/of schade was toegebracht en zij daardoor in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde, omdat verdachte slechts een enkel moment van onachtzaamheid kan worden verweten. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Ook voor het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd, zij het dat hij partiële vrijspraak heeft bepleit voor het onderdeel achterlaten in hulpeloze toestand omdat er ter plaatse omstanders aanwezig waren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen

Getuige [getuige 1] verklaart over het ongeval het volgende.

Toen ik de Dorpsstraat wilde oversteken, zag ik van rechts uit de richting de Klomp (…) een personenauto naderen. Ik besloot over te steken via de oversteekplaats. Nadat ik en mijn zoon waren overgestoken, zag en hoorde ik dat de groene auto fel optrok en wegreed richting Scherpenzeel. Ineens hoorde ik een knal. Ik zag een persoon over het fietspad rollen.

Getuige [getuige 2] , de echtgenoot van getuige [getuige 1] , verklaart het volgende.

Op zondag 10 februari 2019 omstreeks 19.45 uur verliet ik de kerk te Renswoude. Ik zag dat mijn vrouw en zoon via de voetgandersoversteekplaats overstaken ter hoogte van [adres] te Renswoude. Mijn dochter en ik wilden oversteken. Ik heb mijn dochter tegengehouden aangezien ik het idee had dat de bestuurder van het groene voertuig wilde doorrijden. Ik zag dat de bestuurder toch bleef staan en mijn dochter en ik zijn vervolgens overgestoken. Op het moment dat ik net de voetgangersoversteekplaats verliet, hoorde ik dat het voertuig met piepende banden en al toeterend wegreed in de richting van Scherpenzeel. Ik draaide mij direct om en gebaarde naar de bestuurder dat hij vaart moest minderen. Ik hoorde vervolgens een harde klap en ik zag wat rollen over het wegdek. Ik zag vervolgens dat de veroorzaker van de aanrijding hard wegreed. Het was op dat moment zeer slecht weer en het regende heel hard.

Verdachte heeft bij de politie onder meer het volgende verklaard.

A: [I]k reed terug en in Renswoude daarzo, die provinciale weg zogezegd, is heel slecht verlicht.

(…)

V: En dan, je rijdt Renswoude in, want daar praten we over.

A: Ja, bij dat Zebrapad daar.

V: Wat gebeurt er dan.

A: Een klap.

V: Alleen een klap?

A: Ja een klap ja.

(…)

V: Waarom stop je niet?

A: Je bent, je bent gruwelijk in de war plus ik zag eigenlijk nog meer mensen lopen zogezegd.

(…)

A: Als het bijvoorbeeld een mens was dat je dat toch niet alleen laat zogezegd. Je hoopt dat het natuurlijk geen mens is, maar er gaat wel wat door je kop heen. En je rijdt gewoon door.

(…)

V: Hoeveel had je zelf gedronken? A: Ah, ik denk 3, 4, 5 bier over de hele middag.

(…)

V: Hoe hard reed je toen je richting de aanrijding reed?

A: Rond de 50.

V: Vlak voor de aanrijding hoe was het zicht aldaar?

A: Niet goed.

Uit de verkeersongevalsanalyse blijkt onder meer het volgende.

Het ongeval had plaatsgevonden op de Dorpsstraat. Genoemde weg was voor het openbaar verkeer opengesteld. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid voor motorvoertuigen bedroeg 50 km/h. De voetgangersoversteekplaats werd, gezien vanuit de rijrichting van de

personenauto, aangeduid middels twee borden conform model L2 van bijlage 1 van het RVV 1990 (de rechtbank begrijpt: een bord dat is uitgevoerd met retroreflecterend materiaal, in lijn met de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens). Eén bord rechts naast de rijbaan en één aan een portaal boven de rijbaan. Het incident had plaats gevonden bij nacht. (…) De voetgangster stak op een voetgangersoversteekplaats de rijbaan van de Dorpsstraat te Renswoude over (…). Zij liep hierbij, gezien de rijrichting van de personenauto, van links naar rechts. Op de voetgangersoversteekplaats werd de voetgangster vervolgens aangereden door een personenauto.

In het pathologisch rapport wordt het volgende geconcludeerd.

[ [slachtoffer] ] is overleden op 22 februari 2019. (...)

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] (…) wordt het intreden van de

dood verklaard door verwikkelingen van bij leven doorgemaakt hevig uitwendig

mechanisch stomp botsend, deels mogelijk comprimerend, geweld op het lichaam.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Inleidende opmerkingen

Niet ter discussie staat dat verdachte op 10 februari 2019 als bestuurder van een personenauto betrokken is geweest bij een tragisch ongeval, aan de gevolgen waarvan het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] op 22 februari 2019 is komen te overlijden. Eveneens staat niet ter discussie dat mevrouw [slachtoffer] op het moment van de aanrijding een zebrapad overstak, waarbij verdachte haar voorrang had moeten verlenen.

De raadsman heeft in zijn pleidooi gesteld dat verdachte niet meer dan een enkel moment van onachtzaamheid kan worden verweten. Wanneer de rechtbank tot een gelijke conclusie komt, zou dit moeten leiden tot een vrijspraak van het primair ten laste gelegde. Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat de drempel voor de aanname van schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW), hoger ligt. Verdachte moet, kortgezegd, méér worden verweten dan een enkel moment van onoplettendheid.

De belangrijkste vraag die de rechtbank hier dan ook moet beantwoorden, is of verdachte meer kan worden verweten dan een moment van onoplettendheid, en zo ja, in welke mate hem de schuld aan het ongeval valt aan te rekenen. Voor de beantwoording van die vraag zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

De relevante omstandigheden

De snelheid waarmee verdachte reed op het moment van het ongeval, is naar eigen zeggen rond de 50 kilometer per uur. De toegestane maximumsnelheid ter plaatse was ook 50 kilometer per uur. Deze maximumsnelheid geldt echter onder normale omstandigheden. De weersomstandigheden waren op het moment van het ongeval zeer slecht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het hard regende, waardoor het wegdek nat was. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat het donker was en de Dorpsstraat slecht verlicht was. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zich ervan bewust was dat er die avond meer mensen op straat waren. De kerkdienst was zojuist afgelopen. De mensen gingen huiswaarts. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het snel optrekken bij een voetgangersoversteekplaats en met 50 kilometer per uur toerijden op een volgende voetgangersoversteekplaats moet worden beschouwd als het rijden met een voor veilig verkeer ter plaatse hogere snelheid dan verantwoord.

Ook staat vast dat verdachte voorafgaand aan het ongeval alcohol had gedronken, dat verklaart hij immers zelf ook. Hoeveel alcohol verdachte in zijn bloed had, is niet gemeten. Dit komt doordat verdachte is doorgereden na het ongeval. Zelf verklaart hij 3, 4 of 5 flesjes á 25 cl te hebben gedronken.

Wat valt verdachte te verwijten?

Onder bovenstaande omstandigheden mag van weggebruikers zeer oplettend rijgedrag worden verwacht. Verdachte was zich bewust van die omstandigheden. Hij kende de (slecht verlichte) weg ter plaatse en verklaarde bij de politie ook dat zijn zicht vlak voor het ongeval slecht was.

Verdachte was ook gewaarschuwd. Een zebrapad éérder op de Dorpsstraat was verdachte immers nog gestopt voor een aantal overstekende personen, getuige [getuige 2] en zijn dochter. Maar ook die omstandigheid heeft verdachte niet doen beslissen zijn rijgedrag aan te passen. Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] , die ter plaatse overstaken, hebben verklaard dat verdachte bij het doorrijden zelfs “fel optrok” en “met piepende banden wegreed”. Kort daarop is verdachte met het slachtoffer in botsing gekomen.

Wanneer verdachte wordt gevraagd naar het ongeval, meldt hij dat er schijnbaar uit het niets een klap plaatsvond. Op geen moment heeft verdachte het slachtoffer gezien. En juist dat gegeven komt in aanmerkelijke mate voor zijn rekening, omdat hij onder alle voormelde omstandigheden veel voorzichtiger had moeten rijden. Het ongeval komt dus niet slechts voort uit een kort moment van onoplettendheid.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte is tekortgeschoten in de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder van een auto mocht worden verwacht. Het handelen van verdachte houdt meer in dan een enkele onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Verdachte had zijn rijgedrag moeten aanpassen aan de omstandigheden op de weg. Het was donker, het wegdek was nat, de straat was slecht verlicht en er keerden op dat moment veel lopende mensen huiswaarts. Daar komt nog bij dat verdachte alcohol had gedronken. Al deze omstandigheden maken dat er sprake was van een situatie waarbij oplettend en terughoudend rijgedrag mocht worden verwacht.

De rechtbank komt concluderend tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de WVW . Hij heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden.

Ten aanzien van feit 2

Gezien de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en de getuigenverklaringen ter plaatse, staat vast dat verdachte de plaats van het, door hem veroorzaakte, ongeval heeft verlaten. Ook staat vast dat hij had kunnen vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht. Zoals hij zelf verklaarde: "Je hoopt dat het natuurlijk geen mens is, maar er gaat wel wat door je kop heen".

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel dat verdachte het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten, omdat er omstanders aanwezig waren die zich over haar konden ontfermen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het feit dat er omstanders aanwezig waren, leidt niet tot de conclusie dat daarmee geen sprake kon zijn van een hulpeloze toestand. Verdachte heeft zich immers in het geheel niet vergewist waar hij tegenaan was gereden en of de omstanders reeds adequate (medische) hulp hadden verzocht, indien nodig. Hij is direct doorgereden. Dat er omstanders waren die zich konden bekommeren om het slachtoffer ontslaat verdachte bovendien niet van zijn plicht om op de plaats van het ongeval te blijven totdat de professionele hulpdiensten daadwerkelijk waren gearriveerd.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1, primair

op 10 februari 2019, te Renswoude, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Dorpsstraat, komende uit de richting van de Klomp en gaande in de richting van Scherpenzeel, een voetgangersoversteekplaats op die Dorpsstraat is genaderd en zich daarbij zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden, doordat hij,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en

- terwijl het wegdek nat was en

- terwijl het donker was en

- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg was aangeduid en met een reflecterend bord was aangeduid en

- gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord was heeft gereden en

- zich er daarbij niet van heeft vergewist dat een voetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats

- gezien verdachtes rijrichting van links naar rechts

- over te steken

- daarbij geen voorrang heeft verleend aan die [slachtoffer] en

- vervolgens niet heeft afgeremd en niet heeft uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] en

- vervolgens tegen die [slachtoffer] is gebotst,

waardoor die [slachtoffer] op 22 februari 2019 is overleden;

Feit 2

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Renswoude op de Dorpsstraat, op 10 februari 2019 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht, en in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft

waardoor een ander wordt gedood

Feit 2

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als (bijzondere) voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.

- een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dat hij zijn rijbewijs nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Door dit ongeval is het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer] 12 dagen later om het leven gekomen. Verdachte is na het ongeval doorgereden en heeft zich pas 17 dagen later gemeld bij de politie. Dit maakt dat verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het verlaten van de plaats van het ongeval. Het overlijden van mevrouw [slachtoffer] heeft een enorme impact gehad op het leven van de nabestaanden. Bij hen is groot en onherstelbaar leed veroorzaakt.

Uit de slachtofferverklaring die tijdens de terechtzitting is voorgelezen door de dochter van [slachtoffer] spreekt het onbeschrijfelijke verdriet dat het verlies voor de nabestaanden betekent.

De persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 9 oktober 2019. Hieruit volgt dat aan verdachte op 4 oktober 2018 voor rijden onder invloed een geldboete van € 1.200 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 210 dagen, waarvan 199 voorwaardelijk is opgelegd. Verdachte is dus eerder veroordeeld voor verkeersfeiten en was een gewaarschuwd mens. Daar komt bij dat verdachte hierna (eind 2018) een EMA-cursus heeft voltooid, waardoor hij doordrongen was van het gevaar van het gebruik van alcohol in het verkeer. De rechtbank weegt dit alles mee in het nadeel van verdachte.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op een advies van Reclassering Nederland van 17 juni 2019, opgemaakt door M. van der Graaf. Hierin valt te lezen dat het voor de reclassering niet mogelijk is een inschatting te maken van de kans op recidive of gerichte interventies te adviseren die de kans op recidive zullen verkleinen, doordat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en een alcoholprobleem ontkent. Dit maakt dat de

reclassering niet kan overgaan tot het adviseren van een verplicht reclasseringscontact. Wel merkt de reclassering op dat dat het belangrijk is dat verdachte professionele hulp en begeleiding krijgt wanneer hij contact met de nabestaanden krijgt. Dit laatste lijkt onvermijdelijk, omdat verdachte woont in Scherpenzeel, een kleine woonplaats waar ook een deel van de nabestaanden woont, aldus de reclassering.

De straf De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht kan doen aan het verlies en het verdriet dat het overlijden van mevrouw [slachtoffer] bij de nabestaanden heeft veroorzaakt. De rechtbank merkt in dit kader op dat verdachte verwijtbare schuld heeft aan het verkeersongeval, waarbij zij om het leven is gekomen, maar dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om haar van het leven te beroven. Verdachte zal dit voor de rest van zijn leven met zich mee moeten dragen. In het algemeen geldt dat in verkeerszaken waarin door schuld van een ander iemand om het leven is gekomen, andere straffen worden opgelegd dan in zaken waarin sprake is van opzet op de dood.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. Het toepassen van de oriëntatiepunten is in deze zaak lastig, omdat die oriëntatiepunten in sterke mate rekening houden met middelengebruik, zoals alcoholinname. Vaststaat dat verdachte alcohol had gedronken. Juist op dat punt wringt de schoen. Verdachte is doorgereden nadat het ongeval heeft plaatsgevonden en daardoor kan niet worden vastgesteld hoeveel alcohol hij heeft genuttigd voorafgaand aan het ongeval. Dit weegt de rechtbank niet mee in het voordeel van verdachte. Het is immers onwenselijk als dat het gevolg zou zijn van doorrijden na een ongeval wanneer men alcohol heeft gedronken.

Dit doorrijden zorgt er eveneens voor dat verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet. De rechtbank tilt zwaar aan dit doorrijden. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet dat verdachte zich, zoals de raadsman heeft aangevoerd, slechts heeft gemeld uit wroeging. Verdachte heeft zich pas zeventien dagen na het ongeval gemeld, daags nadat bekend werd gemaakt dat de aanrijding hoogstwaarschijnlijk had plaatsgevonden met een groene Opel Astra; de auto die verdachte na het ongeval naar de sloop had gebracht. Van dit nieuwsbericht (en de omstandigheid dat de naam van verdachte al was genoemd in het onderzoek) waren verdachte en zijn vrienden blijkens het dossier (o.a. de tapgesprekken op pagina’s 379 en 399 van het pv) op de hoogte.

Dit rechtvaardigt de conclusie dat verdachte na het ongeval is gevlucht en actief handelingen heeft verricht om zijn straf te ontlopen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat dit doorrijden en het niet melden de nabestaanden in negatieve zin ontzettend heeft geraakt en nog steeds bezig houdt.

Gelet op de ernst en de gevolgen van de bewezenverklaarde feiten en de hiervoor genoemde omstandigheden, kan niet met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf worden volstaan. De rechtbank acht het wenselijk en noodzakelijk om aan verdachte een voorwaardelijk strafgedeelte op te leggen en hoopt hiermee verdachte hulp en steun te bieden en te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst aan soortgelijke feiten schuldig maakt.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank zal daarom opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich meldt bij de reclassering. In afwijking van hetgeen de officier heeft geëist, zal de rechtbank geen ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde opleggen, nu de reclassering dit niet heeft geadviseerd en de rechtbank geen informatie heeft over het (eventueel problematische) alcoholgebruik van verdachte. Daarbij dient vermeld te worden dat een dergelijke behandeling (altijd nog) in een vrijwillig kader kan plaatsvinden.

Hoewel de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om te voorzien in zijn levensonderhoud, acht de rechtbank de veiligheid van andere verkeersdeelnemers belangrijker dan het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank zal daarom, mede gelet op zijn documentatie, aan verdachte ter zake de overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 4 jaren.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

- 14 a, 14b, 14c, 14d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de politierechter te Roermond van 4 oktober 2018 (96/131520-18) is aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 199 dagen voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor onder rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

- bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen zeven werkdagen na de uitspraak van dit vonnis meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Ten aanzien van feit 1

- ontzegt verdachte ter zake het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd/ingehouden is geweest;

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96/131520-18

- wijst de vordering toe en gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 4 oktober 2018 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 199 (honderdnegenennegentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. Vonk, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en S.B. Smit-Colenbrander, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.A.E.J. Koster[griffier], griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 november 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij, op of omstreeks 10 februari 2019, te Renswoude, althans in het arrondissement Midden-

Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmee rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Dorpsstraat,

komende uit de richting van de Klomp en gaande in de richting van Scherpenzeel en/of een

voetgangersoversteekplaats op die Dorpsstraat is genaderd, en zich daarbij zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden,

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- terwijl het wegdek (in ieder geval op de plaats van het ongeval) nat was en/of

- terwijl het donker was en/of

- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg was aangeduid en/of

met een reflecterend verlicht bord was aangeduid en/of

- ( gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats) met onverminderde

snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord

was heeft gereden en/of

- zich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en/of in onvoldoende mate van heeft vergewist dat een

voetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats –

gezien verdachtes (rij)richting van links naar rechts – over te steken, althans die zich (daartoe)

op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of

- ( daarbij) geen voorrang heeft verleend aan die [slachtoffer] , althans niet voor heeft laten gaan

en/of

- ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet

tijdig en/of voldoende heeft uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) op/tegen die [slachtoffer] is gebotst, waardoor die [slachtoffer] op 22 februari 2019

is overleden;

(Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij, op of omstreeks 10 februari 2019, te Renswoude, althans in het arrondissement Midden-

Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, te

weten de Dorpsstraat, komende uit de richting van de Klomp en gaande in de richting van Scherpenzeel en/of een voetgangersoversteekplaats op die Dorpsstraat heeft genaderd

- na voorafgaand gebruik van alcohol en/of

- terwijl het wegdek (in ieder geval op de plaats van het ongeval) nat was en/of

- terwijl het donker was en/of

- terwijl voornoemde voetgangersoversteekplaats met strepen op de weg was aangeduid en/of

met een reflecterend verlicht bord was aangeduid en/of

- ( gekomen ter hoogte van voornoemde voetgangersoversteekplaats) met onverminderde

snelheid, althans met een hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse verantwoord

was heeft gereden en/of

- zich er (daarbij) niet, althans niet tijdig en/of in onvoldoende mate van heeft vergewist dat een

voetganger, te weten [slachtoffer] doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats –

gezien verdachtes (rij)richting van links naar rechts – over te steken, althans die zich (daartoe)

op die voetgangersoversteekplaats bevond en/of

- ( daarbij) geen voorrang heeft verleend aan die [slachtoffer] , althans niet voor heeft laten gaan

en/of

- ( vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende heeft afgeremd en/of niet, althans niet

tijdig en/of voldoende heeft uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) op/tegen die [slachtoffer] is gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de

Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994)

Feit 2

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al

dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had

plaatsgevonden in Renswoude op/aan de Dorpsstraat, op of omstreeks 10 februari 2019 de

(voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij

wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of

schade was toegebracht en/of terwijl daardoor naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

aan een ander (te weten [slachtoffer] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in

hulpeloze toestand werd achtergelaten;

(Artikel art 7 lid 1 ahf /ond a Wegenverkeerswet 1994)

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 juni 2019, genummerd PL0900-2019042068, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 305. Tenzij anders vermeld, zijn de processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 312.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 318.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, p. 319.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 113.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, 115.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, 119.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 121.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 139.

Wanneer wordt verwezen naar het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, wordt verwezen naar een pagina in het Forensisch Dossier 034Zebra van 17 mei 2019, genummerd 2019042068, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 123. Tenzij anders vermeld, zijn de processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 6.

Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 11.

Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse, p. 28.

Een geschrift, te weten een NFI pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 3.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature