< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Levensverzekering die in 1977 is afgesloten. Geen zorgplichtschending tussenpersoon. In 1977 bestond geen verplichting om consument mee te delen hoe de brutopremie zou worden gebruikt en welk deel daarvan zou worden gebruikt voor de kapitaalopbouw.

Uitspraak



vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.18476

Vonnis van 11 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,eiser, hierna te noemen: [eiser] ,advocaat H.J. Tulp te Drachten,

tegen

de naamloze vennootschapVOLKSBANK N.V., handelend onder de naam SNS BANK ,gevestigd te Utrecht,verweerster, hierna te noemen: SNS,advocaten M.E.G. Murris en P.M.A. Staal te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de procesinleiding

het verweerschrift

de akte van [eiser]

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 17 juli 2019

de schriftelijke reacties van partijen op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Wat is de kern van het geschil?

2.1

[eiser] heeft in 1977 een levensverzekering afgesloten bij De Centrale Levensverzekering N.V. (hierna: De Centrale). Stichting FBA (later FBA B.V., hierna te noemen: FBA) was als tussenpersoon betrokken bij het aangaan van de verzekering. De levensverzekering is afgesloten voor de duur van 37 jaar. De premie was ƒ 2.686,48 (€ 1.285,01) per half jaar. Het verzekerd kapitaal was ƒ 240.000 (€ 108.907). De Centrale is een rechtsvoorganger van Reaal Levensverzekeringen N.V. (hierna: Reaal).

2.2

In de polis is vermeld dat een groot deel van de hiervoor genoemde premie, ter hoogte van ƒ 2.656,57, betrekking heeft op Rubriek A: ‘ƒ 240.000, uit te keren als de verzekerde op 1 juni 2014 nog in leven is, of terstond bij overlijden van de verzekerde voor 1 juni 2014’. Hoe dit premiedeel door de verzekeraar werd opgesplitst en waarvoor die deelbedragen door de verzekeraar zouden worden gebruikt, staat niet in de polis of in andere stukken die in 1977 aan [eiser] zijn verstrekt. Het is hem toen ook niet verteld. Pas in 2010 heeft Reaal [eiser] desgevraagd schriftelijk meegedeeld dat het bedrag van

ƒ 2.656,57 als volgt was opgesplitst:

€ 455,04 spaarpremie

€ 399,58 premie voor de dekking van het overlijdensrisico

€ 354,60 voor de dekking van kosten, bijvoorbeeld afsluitprovisie, kosten voor medische waarborgen, administratiekosten en incassokosten.

2.3

Bij het eind van de looptijd (in 2014) heeft Reaal aan [eiser] een bedrag van € 170.222 betaald. [eiser] verwachtte dat hij een veel hoger bedrag uitgekeerd zou krijgen, namelijk € 313.761. Hij heeft SNS aansprakelijk gesteld en vordert schadevergoeding ter hoogte van € 143.539 (het verschil tussen € 313.761 en € 170.000), althans een door de rechtbank te bepalen bedrag. Hij stelt dat FBA rechtsvoorganger is van SNS en dat zij in haar hoedanigheid van tussenpersoon in 1977 een op haar rustende zorgplicht (informatieplicht) heeft geschonden. Dit levert volgens [eiser] een onrechtmatige daad op van SNS of wanprestatie, omdat SNS is tekortgeschoten onder de overeenkomst van opdracht tot bemiddeling. Daarnaast betoogt [eiser] dat SNS met

€ 143.539 ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van [eiser] , althans dat hij dit bedrag, via Reaal, onverschuldigd heeft betaald aan SNS.

Voorvraag: is SNS de rechtsopvolger van FBA?

2.4

SNS betwist dat zij de rechtsopvolger is van FBA, maar zij heeft in haar verweerschrift erkend dat rond 1990 de verzekeringen van Reaal zijn ondergebracht bij SNS als assurantietussenpersoon. SNS heeft twee uittreksels van de Kamer van Koophandel overgelegd. Hieruit volgt alleen dat FBA in 1998 is opgehouden te bestaan en is opgegaan in Reaal Hypotheken B.V. Tijdens de mondelinge behandeling is namens SNS verklaard dat Reaal en SNS rond 1994 zijn samen gegaan als SNS Reaal. Hieruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat FBA – dat immers in 1998 is opgegaan in Reaal Hypotheken B.V. – vanaf dat moment deel ging uitmaken van SNS Reaal (dat omstreeks 2016 weer is gesplitst). Desgevraagd kon SNS tijdens de mondelinge behandeling niet verklaren waarom SNS dan geen rechtsopvolger van FBA zou zijn. Gelet op wat de rechtbank hierna oordeelt, kan de vraag of FBA een rechtsvoorganger is van SNS echter in het midden blijven, en zal de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat FBA een rechtsvoorganger is van SNS.

Heeft SNS haar zorgplicht geschonden?

2.5

[eiser] verwijt SNS dat zij in 1977 aan hem onvolledige en/of onjuiste informatie heeft gegeven. Hij stelt daarvoor het volgende. De heer [A] , een werknemer van FBA, heeft hem in 1977 verteld dat de verzekeraar 70% van de premie zou gebruiken voor zijn kapitaalopbouw en dat met een looptijd van 37 jaar een verdrievoudiging van de opbrengst mogelijk was, uitgaande van een rendement van 7%. Ook heeft de heer [A] hem toen verteld dat als de rente zou dalen, de verzekeraar in ieder geval een rekenrente van 4% zou hanteren. [eiser] ging er op grond van deze informatie van uit dat aan het einde van de rit een kapitaal van ongeveer € 313.000 mogelijk was. Pas in 2010 heeft hij van Reaal vernomen dat van zijn premie voor Rubriek A (zie 2.2) slechts ongeveer 35,4% werd gebruikt voor de opbouw van het kapitaal. Als SNS hem dat in 1977 had verteld zou hij de verzekeringsovereenkomst niet hebben gesloten en zou hij in plaats daarvan een bedrag gelijk aan 70% van de uiteindelijk door hem betaalde premie hebben gebruikt voor het kopen van bijvoorbeeld staatsobligaties. Daarnaast zou hij in dat geval een losse overlijdensrisicoverzekering hebben gesloten. Uit het arrest [achternaam 1] / [achternaam 2] (HR 15 november 1957, NJ 1958/67) volgt dat SNS hem in 1977 informatie had moeten verstrekken om de wezenlijke bestanddelen van de polis, zoals de samenstelling van de premie en de wijze van opbouw van kapitaal, te doorgronden.

2.6

SNS is van mening dat zij in 1977 geen specificatie van de premie hoefde te geven. SNS verwijst hiervoor naar de in 1977 geldende Wet assurantiebemiddeling en stelt dat deze wet geen normen bevatte die door SNS zijn geschonden. SNS onderbouwt haar standpunt ook met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Toezicht van de Verzekeringskamer onder meer op de N.V. Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or; Verslag van een schriftelijk overleg, TK 1995-1996, 24 456 en 23 669, nr. 12). SNS betwist daarnaast dat de heer [A] in 1977 gezegd heeft dat de verzekeraar 70% van de premie zou gebruiken voor kapitaalopbouw.

2.7

Om te beoordelen of SNS in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld, wordt hierna ingegaan op de vraag of (a) SNS naar de stand van het recht in 1977 gehouden was [eiser] inzicht te geven in de opbouw van zijn premie en [eiser] , door hem die informatie niet te geven, onvolledig heeft geïnformeerd, en (b) of SNS in 1977 onjuiste informatie aan [eiser] heeft verstrekt.

a) Was SNS naar de stand van het recht in 1977 gehouden om [eiser] informatie te geven over de opbouw van zijn premie?

2.8

Voor een assurantietussenpersoon geldt dat hij de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De maatstaven waar assurantietussenpersonen aan moeten voldoen, zijn in de loop van de afgelopen decennia veranderd en aangescherpt. Tot na het jaar 2000 was de op verzekeraars toepasselijke regelgeving voor wat betreft informatieverschaffing aan consumenten gebaseerd op het uitgangspunt van indirecte transparantie. De gedachte daarbij was dat moest worden voorkomen dat de consument, door over meer informatie te beschikken dan de prijs en de potentiële opbrengst, juist minder begrip zou krijgen voor de kenmerken en de werking van de verzekeringsproducten. Gedetailleerde informatie over kosten en risicopremie zou volgens de toen geldende inzichten niet bijdragen aan een geïnformeerde beslissing. Vergelijkbaarheid van de verschillende verzekeringen, wat betreft prijs en opbrengst, stond destijds voorop (vergelijk rechtbank Den Haag 28 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7072).

2.9

Het voorgaande blijkt bijvoorbeeld uit de parlementaire geschiedenis van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (TK 1989/1990, 20 925, nr. 10, p. 11):

“Aparte vermelding van de aan de assurantietussenpersoon uitbetaalde provisie leidt tot meer complicaties dan men op het eerste gezicht zou denken en geeft o.i. slechts aanleiding tot het ontstaan van een vertekend beeld bij de consument. (…) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; ‘kale’ prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijs vergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is.”

2.10

Dat de wetgever het ook omstreeks 1994 nog niet nodig vond dat verzekeraars gedetailleerde informatie aan de consument gaven over de besteding van de door hen te ontvangen verzekeringspremie blijkt ook uit het door SNS genoemde Verslag van een schriftelijk overleg, TK 1995-1996, 24 456 en 23 669, nr. 12, p. 16-17. In dit verslag staat onder meer opgenomen:

“De Regeling [Regeling informatieverstrekking aan verzekeringsnemers 1994, (‘RIAV 1994’) toevoeging rechtbank] regelt de precontractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer. Verzekeraars zijn, evenmin als de producenten van andere (financiële) producten niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.”

2.11

In de toelichting van de minister van Financiën op de RIAV 1994 (Staatscourant 1994, nr. 97, p. 19) is vermeld dat de toepassing van die regeling wordt beheerst door het burgerlijk recht, waaronder de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Om aan te nemen dat een verzekeraar in 1977 op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid (in die tijd: de goede trouw) verplicht was om meer informatie aan de consument te geven dan de prijs en de opbrengst had het op de weg van [eiser] gelegen om te onderbouwen dat daarvoor in 1977 een breed gedragen maatschappelijke opvatting bestond. Het beroep van [eiser] op het arrest [achternaam 1] / [achternaam 2] is daarvoor onvoldoende. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding en dat dit meebrengt dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Dit brengt volgens de Hoge Raad in dat arrest onder meer mee dat voor degene die overweegt een overeenkomst aan te gaan, tegenover de wederpartij een gehoudenheid bestaat om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder de invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft. Uit deze overwegingen kan niet worden afgeleid dat specifiek voor verzekeraars in 1977 al een verplichting bestond tot het geven van inzicht in de kostenstructuur, mede gelet op wat de rechtbank in 2.8 tot en met 2.10 heeft overwogen.

2.12

De rechtbank is daarom van oordeel dat SNS in 1977 niet verplicht was om inzicht te geven in de kostenstructuur van de premie. Dit brengt mee dat SNS geen zorgplicht heeft geschonden door [eiser] in 1977 niet mee te delen dat slechts ongeveer 35,4% van de door hem te betalen premie door de verzekeraar zou worden gebruikt voor de opbouw van zijn kapitaal.

b) Heeft SNS in 1977 onjuiste informatie verstrekt aan [eiser] ?

2.13

[eiser] stelt dat in 1977 de heer [A] van SNS hem heeft verteld dat de verzekeraar 70% van de premie zou gebruiken voor kapitaalopbouw. Die stelling heeft [eiser] echter onvoldoende onderbouwd. Het blijkt niet uit enig document, ook niet uit alle brieven die [eiser] van Reaal heeft ontvangen en die hij in deze procedure heeft overgelegd. Daarnaast vindt de rechtbank het ook vanwege de werking van deze polis niet aannemelijk dat de tussenpersoon in 1977 heeft gezegd dat 70% van de premie zou worden gebruikt voor kapitaalopbouw. Hieronder ligt de rechtbank dit toe.

2.14

[eiser] heeft over deze kwestie twee keer een klacht tegen Reaal ingediend bij het Kifid. In 2010 is die klacht namens het Kifid behandeld door de Ombudsman Financiële Dienstverlening (hierna: de ombudsman). De klacht uit 2012 is behandeld door de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid (hierna: de geschillencommissie). [eiser] heeft de geschillencommissie toen verzocht om Reaal (SRLEV) te veroordelen tot betaling aan hem van € 340.882. Beide klachten zijn ongegrond verklaard. De ombudsman heeft voor de beoordeling van de klacht uit 2010 een actuaris ingeschakeld om een controleberekening te maken van de kapitaalopbouw. In zijn beslissing heeft de ombudsman uitgebreid geciteerd uit het door hem ontvangen rapport van de actuaris. Uit dit rapport blijkt het volgende. De levensverzekering voorzag in een gegarandeerde uitkering van € 108.907 op de einddatum in 2014 (of eerder in geval van overlijden van de verzekerde). Dit bedrag is gebaseerd op de veronderstelling van de verzekeraar dat zij in ieder geval 4% rendement (de rekenrente) zal maken op de spaarpremie. Daarnaast kende de levensverzekering een variabel deel: een aandeel in de winst van de verzekeraar, te rekenen over het verzekerde bedrag van € 108.907. Deze winstdeling wordt uitgedrukt in een percentage van het verzekerde kapitaal. Als Reaal een rendement behaalde van meer dan 4%, werd winst bijgeschreven op de polis. Als het rendement in een jaar bijvoorbeeld 6,3% was, werd voor de berekening van het aan [eiser] uit te keren bedrag uitgegaan van een winstdeling van 2,3% over € 108.907. Conform deze systematiek is bijvoorbeeld in 1983 een winstdeling van ƒ 76.320 (€ 34.633) schriftelijk gegarandeerd.

2.15

De spaarpremie plus de rekenrente van 4% vormden dus de basis voor de hoogte van het gegarandeerde kapitaal van € 108.907. Die spaarpremie bedroeg (omgerekend)

€ 455,04 per halfjaar. Dat is ongeveer 35% van de totale premie die [eiser] ieder halfjaar betaalde. De hoogte van het spaardeel van die totale premie moet voor SNS als tussenpersoon in 1977 duidelijk zijn geweest. Zij wist dus dat er geen sprake van was dat (afgerond) € 900 van de totale door [eiser] te betalen premie (70% van € 1.285,01) werd gebruikt voor de opbouw van het gegarandeerde kapitaal van € 108.907. Daarom is niet aannemelijk dat de tussenpersoon in 1977 een percentage van 70 heeft genoemd. Het is ook niet aannemelijk op grond van het volgende. Hierboven is het systeem van de polis, inclusief de winstbijschrijvingen, uitgelegd. De rechtbank gaat er vanuit dat de tussenpersoon in 1977 op de hoogte was van dat systeem. Tijdens de zitting heeft [eiser] namelijk verklaard dat hij ervan uitging dat hij extra kapitaal ging opbouwen met de winstbijschrijvingen en aannemelijk is dat hem dit is verteld door de tussenpersoon. En zoals [eiser] ook heeft verklaard, heeft de tussenpersoon hem in 1977 verteld dat een verdrievoudiging van de opbrengst (het verzekerde kapitaal) mogelijk was, uitgaande van een rendement van 7%, maar dat als de rente zou dalen, [eiser] in ieder geval nog de rekenrente van 4% had. Deze mededelingen zijn in overeenstemming met de werking van de polis.

2.16

[eiser] heeft, kennelijk subsidiair, ook nog het volgende gesteld. In 2011 hebben twee werknemers van Reaal hem verteld dat Reaal vanaf 1994 een andere berekeningswijze voor het op te bouwen kapitaal heeft gehanteerd dan De Centrale. Waaruit die verandering bestaat weet [eiser] niet, maar hij vermoedt dat Reaal vanaf 1994 een groter deel van de door [eiser] halfjaarlijks betaalde brutopremie heeft gebruikt ter dekking van de kosten. De rechtbank begrijpt uit het betoog van [eiser] dat hij niet uitsluit dat het kostendeel van zijn totale premie in de periode van 1977 tot en met 1993 lager was dan € 354,60 (zie 2.2) en dat zijn spaarpremie in die periode 70% van het totaal bedroeg, maar in 1994 is verlaagd tot ongeveer 35,4% daarvan. Als dat zo is, zo voert [eiser] aan, dan heeft het schadetoebrengend handelen in 1994 plaatsgevonden.

2.17

Hierover oordeelt de rechtbank als volgt. Dat Reaal sinds 1994 een andere berekeningswijze heeft toegepast, is in het licht van eerdergenoemd rapport van de actuaris niet aannemelijk. In dat rapport staat dat er geen sprake is van onregelmatigheden of van een “kapitaal-gijzeling”. Maar zelfs als juist zou zijn dat Reaal sinds 1994 een andere berekeningswijze heeft toegepast, dan staat SNS daar buiten. Niet gesteld of gebleken is dat SNS op de hoogte is geweest van (het voornemen tot een) aanpassing door Reaal van de berekeningswijze in 1994. Daarom valt niet in te zien dat SNS een verwijt valt te maken van een aanpassing van de berekeningswijze door Reaal (als die er al is geweest). Dit levert dan ook geen tekortkoming op van SNS als tussenpersoon.

Tussenconclusie

2.18

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van schending van een zorgplicht van SNS. SNS heeft dus niet onrechtmatig gehandeld en er is ook geen sprake van een tekortkoming van SNS onder de overeenkomst van opdracht.

Ten overvloede

2.19

Ten overvloede geldt nog het volgende. [eiser] heeft niets aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij in de hypothetische situatie waarin hij in plaats van de polis (bijvoorbeeld) staatsobligaties zou hebben gekocht en daarnaast een overlijdensrisicoverzekering zou hebben afgesloten, per saldo financieel beter af was geweest. [eiser] heeft dus het causaal verband tussen de door hem gestelde precontractuele zorgschending en de door hem gestelde schade onvoldoende onderbouwd, althans hij heeft onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden. De daarmee verband houdende vorderingen van [eiser] zouden dus ook daarom kunnen worden afgewezen.

2.20

Daarnaast geldt dat ook als wordt aangenomen dat SNS [eiser] in 1977 onjuist en/of onvolledig heeft geïnformeerd, de op die zorgplichtschending gebaseerde vorderingen zouden kunnen worden afgewezen wegens verjaring. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW (dat op grond van het overgangsrecht van oud naar huidig BW van toepassing is ) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Het gaat bij deze twintigjaarstermijn om het objectieve tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond. Dit was in 1977, bij het aangaan van de verzekering. Deze vordering is in 1997 dus verjaard. [eiser] heeft - met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, NJ 2000/430 ( [achternaam 3] /De Schelde) - betoogd dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is omdat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval en neemt daarbij in aanmerking de aard van de door [eiser] gestelde schade (vermogensschade en geen persoonsschade, zoals in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad).

Ongerechtvaardigde verrijking

a) ongerechtvaardigde verrijking door SNS als pandhouder

2.21

[eiser] stelt dat SNS ongerechtvaardigd is verrijkt. SNS en Reaal hebben beide een expiratiebrief gestuurd in februari 2014. In de brief van SNS stond dat een kapitaal was opgebouwd van € 170.222, in de brief van Reaal stond een kapitaal van € 143.539 vermeld. [eiser] heeft daaruit afgeleid dat hij zowel een bedrag van € 170.222 als een bedrag van

€ 143.539 had opgebouwd. [eiser] stelt dat het bedrag van € 143.539 door Reaal aan SNS als pandhouder moet zijn betaald, omdat zij ook na 2004 nog als pandhouder in de polis was vermeld. SNS betwist dat zij enige betaling bij expiratie van de polis heeft ontvangen. Volgens SNS berust de vermelding in de brief van Reaal van een kapitaal van

€ 143.539 op een administratieve fout. Die fout is later dat jaar gecorrigeerd doordat Reaal in twee termijnen in totaal € 170.222,- aan [eiser] heeft uitgekeerd, vermeerderd met een kleine rentevergoeding. Daarnaast voert SNS aan dat zij sinds 2004 geen pandhouder meer was, en dat de vermelding in de polis onjuist was.

2.22

Tussen partijen staat vast dat SNS een pandrecht heeft gehad op de levensverzekering. Het pandrecht strekte tot zekerheid van terugbetaling van een hypothecaire lening. Deze hypothecaire lening is in 2004 door [eiser] afgelost. Omdat het pandrecht een afhankelijk recht is, is met het aflossen van deze lening in 2004 het pandrecht teniet gegaan. Dit volgt uit het systeem van de wet (artikel 3:81 lid 2 sub a en 3:82 BW ). SNS, die in 2004 en daarna niet in het bezit is geweest van de polis, heeft in een brief van 30 november 2004 (productie 6 bij verweerschrift) aan Reaal laten weten dat de verpanding kan komen te vervallen. Op een kopie van de polis uit 2008 is SNS nog steeds als pandhouder en eerste begunstigde op de polis blijven staan. Dat Reaal dit in 2004 of daarna niet heeft aangepast is slordig, maar heeft niet tot gevolg dat het pandrecht daarmee is blijven bestaan.

2.23

Het rapport van de actuaris dat in opdracht van de ombudsman is opgesteld geeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat op grond van de polis – naast het bedrag van € 170.222 – nog een bedrag van € 143.539 is opgebouwd. De actuaris heeft in zijn rapport uit 2010 over een groot deel van de looptijd van de polis (namelijk van 1 juni 1977 tot 1 juni 2009) per jaar vermeld: het winstpercentage, de winsttoename en de opbouw van de winsttoekenning. De winsttoekenning werd op 1 juni 2009 berekend op € 58.919. Daarnaast heeft de actuaris vermeld dat als de winsttoekenning voor de komende jaren ongewijzigd blijft, op de einddatum een kapitaal zal worden uitgekeerd van € 170.440,- (€ 108.907,- gegarandeerd + € 58.919,- opgebouwde winst + nog 4 jaren x € 653,-). Uiteindelijk is in 2014 een bijna gelijk bedrag, namelijk € 170.222,- uitgekeerd. In het licht van dit rapport van de actuaris en de gemotiveerde betwisting van SNS heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit volgt dat SNS een bedrag van € 143.539 heeft ontvangen.

b) Is SNS ongerechtvaardigd verrijkt door ontvangen provisie?

2.24

[eiser] neemt het standpunt in dat SNS, voor het geval zij niet op grond van het aan haar verleende pandrecht een bedrag van € 143.539 heeft ontvangen, datzelfde bedrag als provisie moeten hebben ontvangen, althans in ieder geval een lager bedrag, waarvan [eiser] de hoogte niet weet. De tekst van de polis en de daarop toepasselijke algemene voorwaarden bieden volgens hem geen grondslag voor de betaling door Reaal van enige provisie aan de tussenpersoon. Ook daarom is SNS volgens [eiser] ongerechtvaardigd verrijkt met € 143.539 (of een lager bedrag), althans heeft hij die provisie via Reaal onverschuldigd aan SNS betaald. Ook dit standpunt slaagt niet. Hierna wordt toegelicht waarom.

2.25

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld is er geen aanleiding om te veronderstellen dat Reaal op grond van de polis, bovenop het bedrag van € 170.222, nog een bedrag van € 143.539 heeft opgebouwd. Alleen al daarom kan niet worden aangenomen dat Reaal een provisie van € 143.539 aan SNS heeft betaald, nog afgezien van het feit dat een dergelijke provisie extreem hoog en zeer in het nadeel van Reaal zou zijn.

2.26

Hoewel de tekst van de polis en de algemene voorwaarden niets zegt over provisiebetaling door de verzekeraar aan de tussenpersoon, mocht Reaal wel een provisie betalen aan SNS als tussenpersoon. Tot de invoering van het provisieverbod op 1 januari 2013 waren provisiebetalingen door verzekeraars aan tussenpersonen gebruikelijk, en [eiser] was daarvan op de hoogte, zodat hij daarmee stilzwijgend heeft ingestemd. Volgens [eiser] waren dergelijke provisies namelijk ook al in 1977 gebruikelijk (zie de akte van [eiser] van 17 juli 2019, randnummer 16). En tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij er in 1977 van uitging dat hij een paar procent provisie aan de tussenpersoon betaalde.

2.27

In deze procedure is niet komen vast te staan dat Reaal (of haar rechtsvoorganger De Centrale) een provisie heeft betaald aan SNS (of haar rechtsvoorganger FBA). Tijdens de mondelinge behandeling heeft SNS, onder verwijzing naar de in 1977 geldende Wet assurantiebemiddeling, aangevoerd dat in 1977 waarschijnlijk een eenmalige afsluitprovisie is betaald, maar dat zij van Reaal had gehoord dat die in haar administratie niets kon terugvinden over enige provisiebetaling. In haar schriftelijke reactie op het proces-verbaal heeft SNS meegedeeld dat zij inmiddels van Reaal had vernomen dat in het geheel geen provisie is betaald omdat FBA toen optrad als loondienstagent. [eiser] heeft dat vervolgens in zijn schriftelijke reactie op het proces verbaal betwist.

2.28

Het antwoord op de vraag of Reaal provisie heeft betaald aan (de rechtsvoorganger) van SNS en, zo ja, hoe hoog dat bedrag is, kan echter in het midden blijven. De door de ombudsman ingeschakelde actuaris was in 2010 van mening dat geen sprake is van onregelmatigheden of van een ‘kapitaalgijzeling’. [eiser] heeft ook niets aangevoerd op grond waarvan rekening moet worden gehouden met een onzakelijk hoge, dus niet-marktconforme, provisiebetaling. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat aan (de rechtsvoorganger van) SNS een provisie is betaald, heeft de rechtbank daarom geen reden om aan te nemen dat die provisie hoger is geweest dan wat gebruikelijk was. Van ongerechtvaardigde verrijking van SNS, of van onverschuldigde betaling aan SNS, is daarom geen sprake.

Conclusie en kostenveroordeling

2.29

De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

2.30

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SNS worden begroot op:

- griffierecht 3.946,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.360,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

wijst de vorderingen af,

3.2

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van SNS tot op heden begroot op € 7.360,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019. Het is digitaal ondertekend op het voorblad.

LdV


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature