< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Een 31-jarige man moet zich verplicht laten opnemen in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank Midden-Nederland legt de man de zogenoemde ISD (Inrichting Stelselmatige Daders)-maatregel op voor een viertal oplichtingen in de gemeente Wijdemeren.

De modus operandi van de man was telkens hetzelfde. Hij vertelde een verhaal dat hij in de buurt woont en dat hij zichzelf buitengesloten had. Hij vroeg vervolgens of hij een klein bedrag, dat uiteenliep van 20 tot 50 euro, van hen kon lenen. Met het geld wilde hij een (trein)reis naar een bekende van hem bekostigen om de reservesleutel op te halen. In één geval heeft de man zelfs een kopie van zijn rijbewijs achtergelaten. De man gaf telkens een vals adres op en beloofde de slachtoffers het geld snel terug te betalen. Geen van de vier slachtoffers is door de verdachte terugbetaald.

De man is de afgelopen jaren vaker veroordeeld voor soortgelijke feiten. Volgens de deskundige van de reclassering is de kans op herhaling groot. De man heeft een persoonlijkheidsstoornis en hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn daden. Een voorwaardelijke ISD-maatregel of een taakstraf zou niet voldoende zijn om het herhalingsrisico aan te pakken. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de maat vol is en dat alleen een ISD-maatregel voldoende bescherming biedt aan de maatschappij.

Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet een verdachte in de 5 jaar voor het begane misdrijf ten minste 3 keer onherroepelijk veroordeeld zijn tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf. De opgelegde straffen moeten geheel ten uitvoer zijn gelegd zijn.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16-198707-17 en 16/034884-19 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 mei 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1987] te [geboorteplaats] ,gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol te Badhoevedorp.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 april 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. F. Rethmeier en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.I.B. Hoffman, advocaat te Hilversum, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16-198707-17

op 7 oktober 2017 in Hilversum zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk;

16-034884-19

1.

op 8 december 2018 in [vestigingsplaats] [benadeelde 1] heeft opgelicht;

2.

op 3 januari 2019 in [woonplaats] [benadeelde 2] heeft opgelicht;

3.

op 13 januari 2019 in [woonplaats] [benadeelde 3] heeft opgelicht;

4.

op 25 januari 2019 te ’ [woonplaats] [benadeelde 4] heeft opgelicht.

3 VOORVRAGEN

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het in de zaak met parketnummer 16/198707-17 ten laste gelegde feit en de in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de feiten die ten laste zijn gelegd in de zaak met parketnummer 16/034884-19. Ten aanzien van het feit dat in de zaak met parketnummer 16/198707-17 ten laste is gelegd, heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/198707-17

Bewijsmiddelen

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van huisvredebreuk gepleegd op 7 oktober 2017 in Hilversum. Aangever heeft onder meer het volgende verklaard. De heer [verdachte]

heeft een gebiedsverbod gekregen voor het gehele mediapark. De Willem Ruisweg maakt

onderdeel uit van het Mediapark. Het gebiedsverbod is aan de heer [verdachte] in persoon uitgereikt en hij heeft deze ondertekend.

Aan verdachte is een Ontzegging Toegang Media Park uitgereikt. Verdachte heeft de ontzegging ondertekend. De ingangsdatum van de ontzegging was 4 januari 2017. De duur van de ontzegging was 18 maanden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 7 oktober 2017 op het terrein van het Media Park aan de Willem Ruisweg te Hilversum was en dat hij daar is aangehouden door de beveiliging.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/198707-17

Bewijsmiddelen – ten aanzien van alle feiten

[benadeelde 2] heeft aangifte gedaan en heeft onder meer het volgende verklaard:Op 3 januari 2019 bevond ik mij in mijn woning in [woonplaats] . Ik hoorde dat er werd aangebeld. Ik zag daar een man staan. Ik hoorde de man tegen mij zeggen dat hij op de [adres] woonde en dat hij zichzelf had buiten gesloten. Zijn reservesleutel lag bij zijn schoonouders en hij wilde de bus en dan de trein nemen om de sleutels daar op te halen. De man vroeg aan mij een paar tientjes voor de bus en de trein. De man zei dat hij het geleende geld terug zou brengen. Ik heb een foto van zijn rijbewijs gemaakt. Hierna heb ik de man een briefje van 50 euro gegeven en is de man weggegaan. De volgende dag ben ik naar de [adres] gelopen. Ik heb aangebeld, maar daar was niemand thuis. Ik heb op internet gezocht naar de man. Ik kreeg door dat ik opgelicht was.

Bij de aangifte is als bijlage opgenomen de foto die aangever van het rijbewijs heeft gemaakt. Het rijbewijs staat op naam van [verdachte] .

Ter terechtzitting van 24 april 2019 heeft verdachte erkend dat hij van [benadeelde 2] geld heeft ontvangen en dat hij dit geld nog niet heeft terugbetaald.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen opzet had om [benadeelde 2] op te lichten, omdat hij de bedoeling had het geld aan [benadeelde 2] terug te geven. Dat hij dit tot op heden nog niet heeft gedaan, is er volgens verdachte in gelegen dat dit hem, vanwege de ziekte van Peiffer, was ontschoten.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en neemt daarbij in aanmerking dat verdachte ter verkrijging van het geld diverse leugens aan [benadeelde 2] heeft verteld. Verdachte heeft immers gelogen over zijn woonadres door een ander adres dan zijn eigen adres op te geven. Daarnaast heeft verdachte tegen [benadeelde 2] gezegd dat hij de sleutel van zijn woning bij zijn schoonouders zou ophalen, terwijl verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat hij geen schoonouders heeft maar dat hij toch wat moest verzinnen. De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [benadeelde 2] door een opeenstapeling van leugens heeft opgelicht.

Bewijsmiddelen - ten aanzien van de feiten 1, 3, en 4 voorts [aangever 2] heeft aangifte namens [benadeelde 1] gedaan en daarbij onder meer het volgende verklaard: Op 8 december 2018 was ik in de winkel, gevestigd te [vestigingsplaats] . Ik zag toen dat er een mij onbekende man binnen kwam. Ik hoorde dat hij mij mededeelde dat hij de bewoner van huisnummer [huisnummer] (de rechtbank begrijpt: van [straat] ) was en dat door de storm zijn deur was dichtgewaaid. Hij moest nu per openbaar vervoer naar Soest reizen waar zijn vriendin werkzaam zou zijn in een hotel. Hij zou daar een sleutel van de woning gaan halen. De man vroeg of hij wat geld mocht lenen. Ik gaf hem 20 euro Hij zou het geld van mij lenen en later op de dag terug brengen als hij weer in zijn huis kon. Enkele dagen later ben ik naar huisnummer [adres] te [vestigingsplaats] gelopen om te informeren of men niet vergeten was het geleende geld terug te brengen. Daar bleken andere mensen te wonen. De man aan wie ik het geld geleend heb woont daar niet en heeft mij opgelicht.

Het is een blanke man van rond 1.80 m lang met zeer kort haar.

[benadeelde 3] heeft aangifte gedaan en daarbij onder meer het volgende verklaard: Op 13 januari 2019 verscheen bij mij aan de deur, in [woonplaats] , een man die vertelde de nieuwe buurman te zijn van het [adres] te [woonplaats] en dat hij zichzelf had buitengesloten. De man vroeg mij of ik geld had voor een treinkaartje. De man vroeg aan mij of ik contant geld in huis had. Ik vertelde hem dat ik dat niet had. Samen zijn we naar het Wapen van Ankeveen gereden om te pinnen. Ik heb een bedrag van 30 euro gepind. Dit heb ik de man overhandigd.

De man kan ik als volgt omschrijven:

Leeftijd: 30/35 jaar;

Postuur: tenger;

Haar: zwart, kort haar met een terugtrekkende haargrens;

Lengte: ca 180/185 cm.

Bij de balie hebben ze mij een foto laten zien van de man die mij geld afhandig heeft gemaakt. De man stond bekend als ‘de schrik van Laren’. Hierna ben ik dit gaan googelen en kwam een foto tegen van de man, genaamd [verdachte] .

Bij de aangifte is als bijlage opgenomen een uitdraai van een bankafschrift van een opname van € 30,00 bij Het Wapen van Ankeveen op 13 januari 2019.

[benadeelde 4] heeft aangifte gedaan en daarbij onder meer het volgende verklaard: Op 25 januari 2019 kwam er een man in de winkel, gevestigd te [vestigingsplaats] . Hij vertelde mij dat hij de nieuwe buurman van de [naam] was en zichzelf buiten had gesloten zonder telefoon en geld. Ik hoorde dat hij zei dat hij ongeveer 20 euro nodig had om naar het werk van zijn vriendin te komen die in het NH Hotel te Zaandam werkte. Hij vroeg aan mij of ik kon kijken wat een kaartje voor de trein kostte. Ik heb hem 50 euro gegeven omdat ik het niet kleiner had. Nadat ik hem de 50 euro had gegeven hoorde ik dat hij zei: "Ik kom het zaterdag terugbrengen met mijn vriendin". Ik ben gaan kijken op internet en heb als eerste de zoekterm: "oplichting 20 euro Hilversum omstreken ingevoerd". Ik zag vervolgens een link met de tekst:" 20 euro man in Hilversum". Toen ik hierop klikte kwam ik uit bij een item in de Gooi en Eemlander. Onder het item zag ik toen ook de tekst: "de 20 euro man is de schrik van Laren" staan. Ik kwam bij de afbeelding van de persoon die ik 50 euro heb gegeven op het moment dat ik schrik van Laren invoerde en zag staan dat [verdachte] de schrik van Laren was. Het signalement van de man is als volgt:

- huidskleur; blank;

- leeftijd; eind 30;

- normaal postuur;

- haardracht; kort hoge haargrens met inhammen;

- lengte; ik denk 180 a 185 cm.

Bewijsoverweging ten aanzien van feiten 1, 3 en 4 Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die [aangever 2] (van [benadeelde 1] ), [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft opgelicht door hen om geld te vragen waarbij hij hen heeft beloofd dit geld te zullen terugbetalen, hetgeen hij niet gedaan heeft. De rechtbank maakt voor de bewezenverklaring gebruik van schakelbewijs. De rechtbank overweegt daartoe dat aan [aangever 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] telkens hetzelfde verhaal is verteld en dat dit verhaal overeenkomt met het verhaal dat verdachte aan [benadeelde 2] heeft verteld. Verdachte heeft zich tegenover hen alle vier voorgedaan als een buurman dan wel buurtbewoner, heeft steeds verteld dat hij zichzelf had buiten gesloten dan wel dat zijn deur was dichtgevallen en dat hij geld nodig had om met het openbaar vervoer bij zijn schoonouders dan wel zijn vriendin een (reserve)sleutel op te kunnen halen. De aangevers hebben overeenkomstige signalementen gegeven en verdachte past in deze signalementen. Bovendien hebben de aangevers verdachte (al dan niet op aanraden van de politie) herkend op foto’s die van verdachte op internet staan. Daarnaast liggen de plaatsen waar de feiten zijn gepleegd allen in hetzelfde gebied, te weten de gemeente Wijdemeren, en zijn alle feiten gepleegd in een beperkte periode, te weten anderhalve maand.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/198707-17:

op 7 oktober 2017 te Hilversum op het terrein gelegen rondom de Willem Ruisweg van het Media Park wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 4 januari 2017 schriftelijk de toegang tot dat Media Park ontzegd voor de duur van

18 maanden;

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/034884-19:

1.

op 8 december 2018 te ’ [vestigingsplaats] , gemeente Wijdemeren, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 20,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de woning aan het [adres] te [vestigingsplaats] , en

- te zeggen dat zijn deur dichtgewaaid was en dat hij geld nodig had voor het openbaar vervoer, en

- te doen alsof hij het te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen;

2.

op 3 januari 2019 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 50,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , en

- te doen alsof hij zichzelf had buitengesloten,

- te doen alsof hij geld nodig had voor de bus en de trein, en

- te doen alsof hij het te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen;

3.

op 13 januari 2019 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 30,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de woning aan het [adres]

te [woonplaats] , en

- te doen alsof hij zichzelf had buitengesloten, en

- te doen alsof hij geld nodig had voor de trein, en

- te doen alsof hij het te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen;

4.

op 25 januari 2019 te ’ [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

door een samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 50,-,

door:

- zich voor te doen als bewoner van de [naam] te [woonplaats] , en

- te doen alsof hij zichzelf had buitengesloten, en

- te doen alsof hij geld nodig had voor de bus en de trein, en

- te doen alsof hij het te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 16/198707-17 meer of anders is ten laste gelegd en hetgeen en in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van de zaak met parketnummer 16/198707-17:

in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen

ten aanzien de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder feit 1, 2, 3 en 4, telkens:

oplichting

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd

verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna:

ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit geen ISD-maatregel op te leggen en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Oplegging van de ISD-maatregel is een ultimum remedium en dat is in de onderhavige zaak nog niet aan orde. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet is voldaan aan alle gestelde eisen voor de oplegging van de ISD-maatregel, zodat deze maatregel niet kan worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier oplichtingen en aan huisvredebreuk. Door middel van babbeltrucs heeft verdachte welwillende burgers die bereid waren om iemand in een netelige situatie de helpende hand te bieden opgelicht. Hij heeft misbruik gemaakt van hun vertrouwen en hulpvaardigheid. Weliswaar ging het om relatief kleine geldbedragen, maar de oplichtingen hebben een grote impact gehad op de slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk bij het Mediapark. Dit is een hinderlijk en overlast gevend feit.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van 3 april 2019, opgesteld door M. Rovers, reclasseringswerker. Daaruit blijkt onder meer het volgende. De reclassering vermoedt dat persoonlijkheidsproblematiek en daarmee samenhangende procriminele overtuigingen de belangrijkste criminogene factor van verdachte vormt. In samenhang daarmee toont verdachte onvoldoende lijdensdruk en is hij sterk geneigd tot het externaliseren en bagatelliseren van problemen. (Mede) hierdoor is sprake van onvoldoende responsiviteit ten aanzien van begeleiding en (ambulante) behandeling. Sancties in de vorm van een taakstraf hebben herhaling niet voorkomen. Een voorwaardelijk kader en de wetenschap dat reeds enige tijd sprake is van een dreigende oplegging van de ISD-maatregel is eveneens onvoldoende gebleken om verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan voor het opleggen van de ISD-maatregel. Bewezen is verklaard dat verdachte meerdere misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 21 maart 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Deze straffen zijn, blijkens een door de officier van justitie overgelegd executieoverzicht, ten uitvoer gelegd. Uit de hiervoor genoemde rapportage blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de aard en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Tot nu toe heeft niks verdachte er van kunnen weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie. Verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader. Hij is een persoon van ouder dan 18 jaar die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.

De rechtbank acht in dit geval de ISD-maatregel noodzakelijk en zal die opleggen.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijk ISD-maatregel. Uit het voornoemde reclasseringsadvies volgt dat eerdere hulpverlening en voorwaardelijke veroordelingen bij verdachte geen gedragsverandering teweeg hebben gebracht en dat ook de wetenschap dat reeds enige tijd sprake is van een dreigende oplegging van een ISD-maatregel heeft hem niet weerhouden van het (opnieuw) plegen van strafbare feiten. Een strenger en voor de maatschappij veiliger kader is noodzakelijk.

Om het recidiverisico te verminderen, de problematiek van verdachte te behandelen en de maatschappij optimaal te beschermen, is het naar het oordeel van de rechtbank van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel uit te voeren. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen.

De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal de rechtbank dan ook niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

Ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 16/198707-17 bewezen verklaarde huisvredebreuk, zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, nu voor dit feit geen voorlopige hechtenis is toegelaten en aldus ten aanzien van dit feit niet voldaan is aan de voorwaarde voor oplegging van de ISD-maatregel. Het opleggen van een aparte straf voor dit feit dient naar het oordeel van de rechtbank geen enkel doel meer, nu voor de andere feiten de ISD-maatregel zal worden opgelegd.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 50,00, bestaande uit materiële schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 2 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, betoogd dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen moet worden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 50,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 50,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[benadeelde 3]

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 30,00, bestaande uit materiële schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 3 ten laste gelegde feit.

9.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, betoogd dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen moet worden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 30,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 januari 2019 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 30,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 januari 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 138, 326 van het Wetboek van Strafrecht , zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het in de zaak met parketnummer 16/198707-17 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 16/034884-19 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

- bepaalt dat ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16/198707-17 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Oplegging maatregel

- legt aan verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer 16/034884-19 bewezen verklaarde op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

- wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 50,00;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat

€ 50,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 3]

- wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 30,00;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 30,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en M. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van Klompenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 mei 2019.

mrs. C.A.M. van Straalen en M. Hoekstraen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16-198707-17

hij op of omstreeks 7 oktober 2017 te Hilversum in/op het erf/terrein gelegen rondom/aan de Willem Ruisweg van het Media Park, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 4 januari 2017 schriftelijk de toegang tot dat Media Park ontzegd voor de duur van 18 maanden;

16-034884-19

1.

hij op of omstreeks 8 december 2018 te [vestigingsplaats] , gemeente Wijdemeren, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 20,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de woning aan het [adres] te [vestigingsplaats] , en/of

- te zeggen dat zijn deur dichtgewaaid was en dat hij geld nodig had voor het openbaar vervoer, en/of

- te doen alsof hij het verkregen/te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen;

2.

hij op of omstreeks 3 januari 2019 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 50,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , en/of

- te doen alsof hij zichzelf had buitengesloten, en/of

- te doen alsof hij geld nodig had voor de bus en de trein, en/of

- te doen alsof hij het verkregen/te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen;

3.

hij op of omstreeks 13 januari 2019 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid

en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 30,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de woning aan het [adres] te [woonplaats] , en/of

- te doen alsof hij zichzelf had buitengesloten, en/of

- te doen alsof hij geld nodig had voor de trein, en/of

- te doen alsof hij het verkregen/te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen;

4.

hij op of omstreeks 25 januari 2019 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 50,-, door:

- zich voor te doen als bewoner van de [naam] te [woonplaats] , en/of

- te doen alsof hij zichzelf had buitengesloten, en/of

- te doen alsof hij geld nodig had voor de bus en de trein, en/of

- te doen alsof hij het verkregen/te verkrijgen geldbedrag zou terugbetalen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 oktober 2017, genummerd 2017308243, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd (digitale paginanummering) 1 tot en met 37. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Pagina 5.

een geschrift, inhoudende een Ontzegging Toegang Media Park (conform artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht ).

De verklaring van verdacht ter terechtzitting van 24 april 2019.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 februari 2019, genummerd 2019043439, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 53. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Pagina 1-2.

Pagina 3.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 april 2019.

Pagina 9-10.

Pagina 4-5.

een geschrift, inhoudende een bankafschrift van Rabo Bankieren van 14 januari 2019, pagina 7 van het procesdossier.

Pagina 13-14.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature