< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdeling van gemeenschap van winst en verlies. Partijen verschillen met name van mening over de vraag in hoeverre de onderneming van de man binnen de gemeenschap valt.

De winsten vallen er wel in, de onderneming niet.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 68089 / HA ZA 09-297

Vonnis van 4 juli 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Schoondijke,

eiseres,

advocaat mr. D.J.A. Burlet te Terneuzen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Oostburg,

gedaagde,

advocaat mr. H.M. den Hollander te Oostburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 augustus 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 17 november 2009

- de akte, tevens houdende vermeerdering/wijziging van eis van [eiseres]

- de antwoordakte na deskundigenbericht van [gedaagde]

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn gehuwd op [datum] 1981 na het maken van huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van 8 maart 2006 is in dit huwelijk de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum] 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. In de akte van huwelijkse voorwaarden van 4 juni 1981 is onder meer vermeld:

“Artikel 1

Tussen de echtelieden zal geen andere gemeenschap van goederen bestaan dan die van winst en verlies.

Ieder der echtegenoten behoudt derhalve de zaken door hem of haar ten huwelijk aangebracht, dan wel staande huwelijk aan hem of haar krachtens erfenis, making, schenking of op andere wijze om niet opgekomen, alsmede de belegging of wederbelegging van ieders bijzondere vermogen. (…)

Artikel 2.

Tot de gemeenschap van verlies en winst behoren alle baten voor zover deze niet aan een der echtgenoten toebehoren, terwijl ten laste van die gemeenschap komen alle schulden en uitgaven voor zover deze niet ten laste van het vermogen van een der echtgenoten komen.

(…)

Artikel 5.

Wanneer tot de gemeenschap behorende baten tijdens het bestaan der gemeenschap zijn besteed tot het doen van uitgaven welke volgens vorenstaande bepalingen niet ten laste van de gemeenschap komen, moet bij de ontbinding der gemeenschap aan deze gemeenschap het onttrokken bedrag worden vergoed door degene der echtelieden te wiens behoeve die baten werden aangewend.

(…)

Artikel 7.

(…)

De comparanten verklaren voorts:

dat door hen ten huwelijk wordt aangebracht:

door comparant sub I:

Zijn aandeel in de vennootschap onder firma: “Firma J.J. [achternaam gedaagde] en Zoon”, gevestigd te Oostburg

een personenauto, merk Renault 14, bouwjaar 1977

door comparante sub II:

volledige inboedel en stoffering ter waarde van veertig duizend gulden

kontanten en spaartegoeden tot een bedrag van vijf en twintig duizend gulden (…).”

2.3. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw van haar ouders vier maal een gift ontvangen van fl. 7.500,--, in totaal dus fl. 30.000,--. Deze bedragen zijn op de gezamenlijke bankrekening van partijen gestort.

2.4. De man exploiteerde sinds 1978 samen met zijn vader een melkveehouderijbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma. Per 1 mei 1983 bedroeg het eigen vermogen van de onderneming fl. 112.201,--. Per 1 mei 1988 heeft vader [gedaagde] zijn aandeel in de vennootschap overgedragen aan de man. Na 1988 heeft de man investeringen gedaan in het bedrijf door de aankoop van weilanden, melkquotum en de bouw van een stal en een mestsilo.

2.5. Op verzoek van partijen heeft VanderSlikke rentmeesters BV de waarde van het melkveehouderijbedrijf getaxeerd. De economische verkeerswaarde, vrij van huur en gebruik, exclusief melkquota, is daarbij vastgesteld op € 1.433.620,-- per maart 2006 en op € 1.980.820,-- per april 2010.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert, na wijziging van eis, zonder processueel bezwaar van de man, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

a. de man veroordeelt om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 11.345,-- wegens door de vrouw bij het huwelijk aangebrachte contanten en spaartegoeden;

b. de man veroordeelt om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 13.613,-- wegens aan haar toekomende schenkingen;

c. de man veroordeelt om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 569.244,50,-- wegens aan haar toekomende winst, eventueel te vermeerderen met de helft van de waarde van het melkquotum, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair

a. de man veroordeelt om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 11.345,-- wegens door de vrouw bij het huwelijk aangebrachte contanten en spaartegoeden;

b. de man veroordeelt om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 13.613,-- wegens aan haar toekomende schenkingen;

c. vaststelt dat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 569.244,50,-- wegens aan haar toekomende winst, eventueel te vermeerderen met de helft van de waarde van het melkquotum, althans een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

d. de man veroordeelt om het perceel [perceelnummer] liggende aan de [adres] te Oostburg te verkopen en de opbrengst van de verkoop als voorschot op de haar toekomende winst aan de vrouw te voldoen;

alles te voldoen tegen behoorlijke kwijting, binnen twee weken na betekening van het vonnis;

e. aan het bovenstaande onder subsidiair a t/m b de voorwaarde verbindt dat als de man overgaat tot verkoop of liquidatie van de onderneming, subsidiair als de man binnen een door de rechter te betalen periode overgaat tot verkoop/liquidatie van de onderneming hij de overwinst met de vrouw moet delen;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2. De vrouw stelt dat zij recht heeft op teruggave van de waarde van de door haar ten huwelijk aangebrachte contanten en spaartegoeden, zijnde € 11.345,-- en tijdens huwelijk ontvangen schenkingen van € 13.613,--. Verder maakt zij aanspraak op de helft van het ondernemingsvermogen van het door de man uitgeoefende bedrijf; zij stelt dat dit vermogen in de (beperkte) huwelijksgoederengemeenschap is gevallen. Het uitgangsvermogen per huwelijksdatum bedroeg niet – zoals de man stelt – fl. 100.000,--, maar fl. 112.000,-- (blijkens de overgelegde jaarstukken over 1983/1984). De onderneming is per april 2010 getaxeerd op € 1.980.820,--, exclusief het melkquotum. Na aftrek van de schulden (voor zover de vrouw bekend € 506.763,--), de belastinglatentie (€ 260.000,--), uitgesloten schenkingen en erfenissen (€ 64.223,--) en de inbreng van de vrouw (€ 11.345,-), resteert een waarde van de (beperkte) huwelijksgoederengemeenschap van € 1.138.489,--, exclusief het melkquotum. Het vermogen van de man is tijdens het huwelijk dus wel degelijk toegenomen. Daarvan komt de helft toe aan de vrouw. De man is pas in 1988 volledig eigenaar geworden van de onroerende zaken en is pas toen gaan betalen/aflossen op schulden. Aflossingen zijn alleen voldaan tijdens het huwelijk uit gezamenlijk/te verrekenen vermogen. Er dient daarom volledige verdeling/verrekening plaats te vinden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de boekwinst bij fictieve staking (inclusief stille en fiscale reserves).

Het ontbreken van inleencapaciteit staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Van de man mag worden verwacht dat hij de onderneming verkoopt, nu de bedrijfsvoering nauwelijks rendabel is. Bij verkoop zal de man van het rendement van het vrijkomende vermogen meer te besteden hebben dan thans het geval is. Beide partijen kunnen dan onder normale omstandigheden verder leven. In elk geval dient de man reeds nu het bedrag te voldoen dat de vrouw heeft ingebracht.

3.3. De man betwist dat de vrouw een vordering op hem heeft uit hoofde van de verdeling van een beperkte huwelijksgoederengemeenschap. De gemeenschap van winst en verlies is niet tot stand gekomen. Het agrarisch bedrijf behoort tot het privévermogen van de man. De door de vrouw ingebrachte contanten en schenkingen zijn volgens hem tijdens het huwelijk verbruikt, of mogelijk op de bankrekening van de vrouw geplaatst. De man is eigenaar geworden van het aandeel dat hij uit de vennootschap met zijn vader heeft overgenomen. De eventuele waardevermeerdering van de onderneming dient niet verrekend te worden met de vrouw, nu deze ofwel door de geldontwaarding, ofwel door investeringen na verkoop van een deel van de gronden is tot stand gekomen. Bovendien heeft de man tijdens het huwelijk (van de gemeenschap uitgesloten) schenkingen en nalatenschappen ontvangen tot een bedrag van € 46.681,--.

Bij aanvang van het huwelijk bedroeg het eigen vermogen van (de onderneming van) de man omstreeks fl. 100.000,--. De bezittingen van de man zijn tijdens het huwelijk niet of nauwelijks in omvang toegenomen. Het bedrijf dat hij van zijn ouders overnam, is nog steeds hetzelfde. Uit de jaarstukken blijkt dat er door de jaren heen geen of weinig winst werd gemaakt. De privé-opnamen waren veelal te hoog ten opzichte van de bedrijfsresultaten. De man kan thans van de opbrengst van dat bedrijf in zijn levensonderhoud en dat van zijn kinderen voorzien. Anders dan de vrouw heeft hij geen andere inkomsten. Van hem kan daarom niet worden verwacht dat de onderneming wordt verkocht. Verkoop zou netto ook onvoldoende opleveren om tot zijn pensionering in zijn levensonderhoud en dat van zijn kinderen te voorzien. Bij verkoop zou bovendien het woonhuis, dat op het erf staat, moeten worden verkocht. Verkoop van een deel van de grond is ook geen optie omdat de grond noodzakelijk is voor de rentabiliteit van het bedrijf en bij verkoop de bank haar lening zal opeisen. Voor het opnemen van een meerwaardeclausule met onbeperkte duur bestaat geen redelijke grond.

4. De beoordeling

4.1 Gelet op de aard van onderhavige zaak heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

4.2. De vrouw vordert – naast “teruggave” van door haar aangebrachte gelden en tijdens huwelijk ontvangen erfenissen – verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende gemeenschap van winst en verlies. Deze beperkte gemeenschap is geregeld in art. 1:128 BW (tot 1 januari 1992: art. 128 BW); dat artikel bepaalt dat de artikelen 1:124 tot en met 1:126 BW (voor 1 januari 1992: artikelen 124 tot en met 126 BW ), geschreven voor de gemeenschap van vruchten en inkomsten, van overeenkomstige toepassing zijn. Voor zover voormelde artikelen op 1 januari 1992 zijn gewijzigd, gelden in het onderhavige geval de artikelen zoals die ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden luidden (art. 69 Overgangswet NBW). Hierna zal daarom steeds van de in 1981 geldende (oude) bepalingen worden uitgegaan.

4.3. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag in hoeverre de (waarde van de) huidige onderneming van de man valt in de gemeenschap van winst en verlies. Daarvoor is van belang hetgeen bepaald is in art. 126 BW (oud). Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat buiten de gemeenschap vallen de goederen en schulden die behoren tot een door één der echtgenoten uitgeoefend bedrijf of vrij beroep, met uitzondering van registergoederen op naam van de andere echtgenoot. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat ten bate of ten laste van de gemeenschap komen vergoedingen ten bedrage van winsten en verliezen van het bedrijf of beroep, vast te stellen naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd. Uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel blijkt dat bij “winsten” moet worden gedacht aan zowel de uitgekeerde als de in het bedrijf gehouden winsten. Van de uitgekeerde winst – die gebruikelijk al tijdens het huwelijk in de gemeenschap terechtkomt en dan wordt besteed aan gezamenlijke (huishoudelijke) kosten – vordert de vrouw in onderhavig geval (althans zo begrijpt de rechtbank haar vordering) geen verdeling. De ingehouden winst blijft in het bedrijf en kan eerst bij ontbinding van de gemeenschap worden verdeeld. De vordering van de vrouw is op die laatstgenoemde verdeling gericht.

4.4. In het licht van het vorenstaande is de stelling van de vrouw dat zij recht heeft op de helft van de huidige waarde van de onderneming van de man onjuist. De onderneming op zich valt immers niet in de gemeenschap. Wel valt daarin de in de onderneming gebleven winsten; op de helft daarvan maakt de vrouw terecht aanspraak. Voor zover met de in de onderneming gebleven winsten is geïnvesteerd, zal bij de vaststelling van de waarde van het deel waarop de vrouw recht heeft van de huidige waarde van die investering dienen te worden uitgegaan. Dat betekent dat in ieder geval zal moeten worden vastgesteld (a) wat de winsten in de onderneming van de man gedurende het huwelijk zijn geweest (waarbij de gelden, die zijn besteed aan investeringen in het bedrijf als winst – en niet als bedrijfskosten – moeten worden aangemerkt), (b) wat er in de loop der jaren met die winsten is gedaan (direct geïnvesteerd, gebruikt voor aflossing van schulden, die ten behoeve van investeringen waren aangegaan, toegevoegd aan eventuele reserves) en (c) in geval er (direct of indirect) mee is geïnvesteerd, waarin dat is gebeurd, voor welk deel van de betreffende aanschaf, wat die aanschaf destijds heeft gekost en wat de huidige waarde ervan is. In dat kader is ook van belang te weten (d) wat de waarde van de onderneming was toen partijen huwden, (e) of de man een deel daarvan zelf in eigendom had en (f) hoe hij de bij de verdeling van het vennootschapsvermogen in 1988 de aan hem toegedeelde overbedeling heeft gefinancierd (met name in hoeverre voor die financiering toen of later ingehouden winsten zijn benut). Voor beantwoording van voormelde vragen zijn nadere stukken – door de man te leveren – nodig; voor beantwoording van de (centrale) vraag (c) zal, naar de rechtbank thans voorziet, noodzakelijk zijn dat een deskundige wordt gevraagd aan de hand van de dan beschikbare gegevens een berekening te maken. De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen stukken te overleggen, waarmee zoveel mogelijk antwoord wordt gegeven op de onder (a) tot en met (f) genoemde vragen. Hij dient zich tevens uit te laten over het voornemen van de rechtbank (een) deskundigen te benoemen en daarbij zijn eventuele voorkeur voor (een) bepaalde deskundige(n) (discipline, eventueel namen) de aan die deskundige (n) voor te leggen vragen aan te geven. De vrouw zal daarop de gelegenheid krijgen te reageren, en zich daarbij eveneens over de persoon en discipline van de te benoemen deskundig(n) en de aan die deskundige(n) voor te leggen vragen uit te laten. De verdere bespreking van dit onderdeel van de vordering zal worden aangehouden.

4.5. Met haar vordering tot verdeling van de waarde van het ondernemingsvermogen van de man lijkt de vrouw, gelet op hetgeen zij aanvoert, ook te willen stellen dat er uit haar privévermogen in de onderneming – in beginsel het privévermogen van de man – is geïnvesteerd en dat zij daarvoor een vergoeding wenst. Een grondslag voor een dergelijke vordering draagt zij niet aan, terwijl zij voorts onvoldoende feitelijk onderbouwt waarop zij deze vordering baseert. Dit deel van de vordering zal moeten worden afgewezen.

4.6. Tenslotte vordert de vrouw teruggave van hetgeen zij ten huwelijk heeft aangebracht (kontanten en spaargeld) en een bedrag van fl. 30.000,-- aan tijdens huwelijk (in de jaren 1993-1996) ontvangen schenkingen. Het gaat hier om het eigen vermogen van de vrouw. Onduidelijk is of de vrouw teruggave uit de gemeenschap van winst en verlies of uit het privévermogen van de man vordert. Voor zover zij bedoelt teruggave uit de gemeenschap te vorderen, neemt de rechtbank aan dat zij een beroep doet op de in artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden vastgelegde vergoedingsrechten. Dat artikel bepaalt dat in geval een privézaak van een echtgenoot niet meer aanwezig is, die echtgenoot verhaal heeft op de gemeenschap wanneer hij bewijst dat de verdwenen zaak ten voordele van de gemeenschap heeft gestrekt. De vrouw heeft evenwel niet gesteld dat de betreffende gelden – in beginsel onderdeel van haar privévermogen – niet meer aanwezig zijn; ondanks verzoeken daartoe heeft de vrouw geen inzage gegeven in haar privévermogen op het moment van de echtscheiding. Evenmin heeft zij gesteld, laat staan bewezen, dat de gelden ten voordele van de gemeenschap hebben gestrekt. Voor zover zij ook hier bedoeld heeft te stellen dat de gelden in het privévermogen van de man zijn terechtgekomen, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.5 is overwogen. Ook dit deel van de vordering moet dan ook worden afgewezen.

4.7. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte, eerst aan de zijde van de man.

4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 1 augustus 2012 voor het nemen van een akte als bedoeld in 4.4, eerst aan de zijde van de man;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk, mr. J. de Graaf en mr. S. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012.?


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature