< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling tot 15 jaar gevangenisstraf, tbs met dwangverpleging en oplegging maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (ex art. 38z WvSr) wegens doodslag. Overwegingen t.a.v. onder meer voorbedachten rade (vrijspraak moord), recidive (art. 43a WvSr), verminderde toerekeningsvatbaarheid, schokschade en affectieschade.

Uitspraak



RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummers : 03/308834-21 en 03/700351-18 (tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 december 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1991,

thans gedetineerd in de [P.I.] .

Raadsvrouw: mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 december 2022. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, is ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, die ter zitting werd gewijzigd/aangevuld, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 13 november 2021 in Heerlen:

[slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade, heeft gedood door met een vuurwapen op die [slachtoffer] te schieten terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert dat de verdachte rechtens zijn vrijheid was ontnomen wegens het plegen van een aan het tenlastegelegde soortgelijk misdrijf.

een vuurwapen van de categorie II voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

Inleiding

Op 13 november 2021, omstreeks 22.40 uur, ontving de politie melding van een schietpartij aan de [adres] te Heerlen. Ter plekke trof de politie een gewonde man aan. Deze werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij op 14 november 2021 omstreeks 5.30 uur overleed. Het slachtoffer bleek te zijn: [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt overigens dat zijn roepnaam [slachtoffer] was), geboren op [geboortedatum] te Schaesberg. Hij is komen te overlijden als gevolg van een inschot door de buik (met beschadiging van de bloedvaten van de linker nier), waarbij drie overige inschoten en een doorschot door bloedverlies kunnen hebben bijgedragen aan de snelheid van het overlijden.

De verdachte en zijn bekennende verklaring

Het opsporingsonderzoek leidde tot de identificatie van de verdachte als de vermoedelijke schutter. Hij werd op 20 december 2021 aangehouden in Duitsland en op 12 januari 2022 overgedragen aan de Nederlandse politie.

Nadat de verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beriep, legde hij in het derde verhoor, tegenover ambtenaren van de politie een (deels) bekennende verklaring af. Die hield – kort gezegd – in dat hij met een vuurwapen gericht op [slachtoffer] heeft geschoten.

Doodslag

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank in elk geval bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen meermalen (gericht) op hem te schieten.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd: of het kwalificeert als moord?

Net als de officier van justitie en de raadsvrouw beantwoordt de rechtbank die vraag negatief. Daartoe overweegt zij als volgt. Allereerst geven de in het dossier opgenomen documenten geen aanwijzingen dat de verdachte met het vooropgezette plan om [slachtoffer] van het leven te beroven naar de woning van [slachtoffer] is gegaan. Evenmin kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte ter plekke voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad en aldus niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Nadat in eerste instantie niets aan de hand leek, is in een tijdsbestek van nog geen minuut ruzie ontstaan tussen de verdachte en [slachtoffer] in de woning van [slachtoffer] , waarna de verdachte die woning verliet en enkele seconden later het besluit nam om met het vuurwapen, dat hij kennelijk al langere tijd gewoonlijk bij zich droeg, te schieten op het lichaam van [slachtoffer] . Mede bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel, concludeert de rechtbank dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dat de verdachte enkele seconden na de eerste twee schoten nogmaals twee schoten afvuurt, maakt dat in dit geval niet anders.

Recidiveregeling ex art. 43a WvSr.

De verdachte is op 29 april 2008 wegens onder meer gekwalificeerde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en aan hem is toen de maatregel opgelegd van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Het vonnis is op 14 mei 2008 onherroepelijk geworden en de executie (naar de rechtbank begrijpt: van de gevangenisstraf met aftrek van voorarrest) vond plaats van 16 mei 2008 tot en met 10 augustus 2009. Bij beslissing d.d. 27 juli 2017 is de dwangverpleging beëindigd.

De rechtbank concludeert dat de op het misdrijf gestelde maximale gevangenisstraf met een derde wordt verhoogd doordat tijdens het plegen daarvan, nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte en de daaruit gevolgde termijn van detentie en van tbs met dwangverpleging wegens een soortgelijk misdrijf op 27 juli 2017 eindigden.

Het vuurwapen

Aan de verdachte is onder 2. ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – op 13 november 2021 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring hiervan en de verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdachte verklaarde ter terechtzitting van 12 december 2022 dat hij met een klein handvuurwapen, kaliber 7.65mm, op [slachtoffer] heeft geschoten. Op de plaats delict zijn drie hulzen aangetroffen. Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] werden vier projectielen (kogels) aangetroffen en in beslag genomen. Het onderzoek aan de drie hulzen en aan de vier projectielen geeft aanleiding tot een sterk vermoeden, dat deze projectielen (kogels) zijn verschoten met een semiautomatisch vuurwapen: een gas-/alarmpistool van het merk Zoraki, dat geschikt is gemaakt voor het semiautomatisch verschieten van kogelpatronen van het kaliber 7.65mm Browning. De afvuursporen in de vier projectielen (kogels) passen namelijk eveneens bij een vuurwapen van dat soort.

Op basis van het sterke vermoeden dat door de verdachte de aangetroffen projectielen (kogels) zijn afgeschoten uit een vuurwapen van dat soort, is de rechtbank overtuigd dat de verdachte een dergelijk vuurwapen voorhanden heeft gehad. Een dergelijk vuurwapen is in de Wet wapens en munitie ingedeeld in categorie II.

3.1

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

1. op 13 november 2021 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meermalen te schieten op die [slachtoffer] , zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de termijn van vijf jaren werd verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

2. op 13 november 2021 in de gemeente Heerlen een vuurwapen van categorie II voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1. of onder 2. meer of anders aan de verdachte is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1: doodslag, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Na een periode van observatie en onderzoek van de verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) hebben P. Kristensen (GZ-psycholoog) en M. van Berkel (psychiater) over de geestvermogens van de verdachte een rapport uitgebracht, gedateerd 24 augustus 2022. De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen tot de conclusie dat er geen omstandigheden zijn, de verdachte persoonlijk betreffende, die tot de conclusie moeten leiden dat het handelen van de verdachte, niet aan hem kan worden toegerekend en waardoor zijn strafbaarheid zou zijn uitgesloten. De bevindingen van de deskundigen zullen in de navolgende paragraaf nader worden geduid.

De verdachte is aldus strafbaar, omdat – ook voor het overige – geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren en aan hem de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen. In het kader van de op te leggen gevangenisstraf heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat, doordat de verdachte is gerecidiveerd en de eerdere dwangverpleging in het kader van tbs als mislukt moet worden beschouwd, thans vergelding, algemene preventie en beveiliging van de maatschappij voorop moet staan en prevaleert boven resocialisatie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf in elk geval niet langer te laten duren dan acht jaren. Voorts heeft de verdediging gewezen op de noodzaak van de maatregelen van tbs met dwangverpleging en eventueel de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking overeenkomstig het artikel 38z WvSr. Ten aanzien van de duur van de gevangenisstraf heeft de verdediging verzocht om in matigende zin uitdrukkelijk rekening te houden met de persoon van de verdachte, die sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, zijn proceshouding, zijn bekentenis, de betoonde spijt en zijn medewerking aan het onderzoek in het PBC. Er dient daarbij ook rekening te worden gehouden met het gegeven dat een langere gevangenisstraf de mogelijkheden van een succesvolle behandeling gedurende de tbs aanzienlijk zal beperken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

De strafbare feiten

De verdachte, destijds 30 jaar oud, heeft op 13 november 2021 de toen 51-jarige [slachtoffer] om het leven gebracht door vier projectielen (kogels) in zijn lichaam te schieten.

De verdachte ging die avond naar de woning van [slachtoffer] ; kennelijk niet om [slachtoffer] zelf te ontmoeten, maar voor andere personen die ook in die woning aanwezig waren. Daartoe betrad hij eerst korte tijd de woning om vervolgens tot drie keer toe met een ander buiten op de stoep voor de woning een gesprek te voeren. Omdat [slachtoffer] geen rumoer wilde op de stoep voor zijn woning, is de verdachte wederom naar binnen gegaan. Waar er eerder nog niets aan de hand leek te zijn, ontstond er in de volgende 51 seconden ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer] . Hoe die ruzie precies is ontstaan, is niet duidelijk geworden. De verdachte stelt dat [slachtoffer] vanuit het niets ‘ontplofte’, mogelijk naar aanleiding van opmerkingen van de verdachte over druggebruik in de woning in het bijzijn van een kind of over uitbuiting van een meisje, waar de verdachte ‘een oogje op had’. Anderzijds zijn er ook aanwijzingen dat juist de verdachte de persoon was die schreeuwde tegen [slachtoffer] .

De ruzie leidde ertoe dat de verdachte met slaande (tussen)deur de woning verliet en op enig moment weer buiten bij de voordeur stond, circa gedurende 8 seconden. In dat tijdbestek is [slachtoffer] de verdachte achterna gekomen, tot in de hal bij de voordeur van de woning. Op dat moment schoot de verdachte, kennelijk direct tweemaal, gericht op [slachtoffer] . Een van de twee schoten zou al dodelijk zijn. Doch direct daarna boog de verdachte zich door de opening van de voordeur, deels in het halletje van de woning en schoot opnieuw twee keer op [slachtoffer] , om vervolgens te vluchten.

De maatregel van terbeschikkingstelling (tbs)

Net als de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van ter beschikking moet worden opgelegd en daarbij moet worden bepaald dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt:

Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien zij tot het oordeel komt dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (art. 37a WvSr). Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechtbank tevens verpleging van overheidswege gelasten (art. 37b WvSr).

De verdachte is in de periode van 6 mei 2022 tot 16 juni 2022 opgenomen, geobserveerd en onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Op basis daarvan hebben P. Kristensen (GZ-psycholoog) en M. van Berkel (psychiater) gerapporteerd. Ter terechtzitting van 12 december 2022 zijn zij als deskundigen gehoord.

a. Gebrekkige ontwikkeling / ziekelijke stoornis

Ten eerste stelt de rechtbank op basis van de bevindingen van de deskundigen vast dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Zo vermeldt de rapportage van het PBC (pag. 75) onder meer het volgende:

‘Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis, bestaande uit een duurzaam patroon van gedragsproblemen, die samengaan met hechtingsproblematiek en een verstoorde identiteitsontwikkeling. Er is verder sprake van antisociale cognities. Vanuit deze gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling is betrokkene niet goed in staat om met spanningen en stress om te gaan en komt hij zonder begeleiding op vrijwel alle levensgebieden in de problemen. Samenvattend is sprake van antisociale, borderline en vermijdende trekken binnen de persoonlijkheid. Daarnaast is sprake van een ernstige stoornis is gebruik van cocaïne en alcohol, welke moet worden gezien als een vorm van coping om met stressvolle gebeurtenissen om te gaan.’

b. Gevaar

De rechtbank constateert voorts dat er een hoog recidiverisico is. Zo vermeldt de rapportage van het PBC (pag. 78) voorts nog onder meer het volgende:

‘Van de ernstige stoornis is er vanuit klinisch oogpunt een hoog risico op recidive zodra betrokkene weer aan zichzelf wordt overgelaten. De verwachting is namelijk dat hij dan ook spoedig weer aan de nodige stress zal blootstaan, temeer hij vanuit de persoonlijkheidsstoornis niet goed in staat is om een stabiel leven te leiden. Deze stress zal opnieuw tot een decompensatie van de persoonlijkheidsstoornis leiden en waarschijnlijk tot een toename van gebruik van verslavende middelen, waarbij soortgelijke situaties kunnen ontstaan als ten tijde van het ten laste gelegde.’

c. Oplegging tbs met verpleging van overheidswege (dwangverpleging)

Tot slot vermeldt de rapportage van het PBC (pag. 79) onder meer nog het volgende:

‘Op basis van de aard en de ernst van de stoornis wordt ingeschat dat er een langer durende behandeling nodig is om het risico op recidive voldoende in te perken. Gezien de ernst van de stoornis, het hoge risico op recidive en de ernst van de feiten wordt geadviseerd dat er een tbs-kader nodig is om betrokkene te behandelen.’

De rechtbank is van oordeel dat het onverantwoord is om verdachte zonder enige vorm van behandeling op termijn weer deel te laten nemen aan de samenleving. Daarvoor acht de rechtbank de persoon van de verdachte te gevaarlijk ten gevolge van het risico dat onbehandeld het gevaar dat de verdachte opnieuw een levensdelict zal plegen of een delict waarbij de veiligheid of de gezondheid van personen ernstig gevaar zal lopen groot is. Hoewel de deskundigen de mogelijkheid van een tbs met voorwaarden zagen, puur vanuit gedragskundig perspectief, deelt de rechtbank die visie niet. Dat baseert zij op het negatieve advies van de reclassering d.d. 1 november 2022 alsmede de omstandigheid dat de vorige tbs-maatregel – achteraf gezien – te snel is afgeschaald en beëindigd. Nog los van de (zoals hierna zal blijken) juridische onmogelijkheid van een tbs met voorwaarden, acht de rechtbank die variant ook niet adequaat teneinde het gevaar dat van de verdachte uitgaat voldoende te beteugelen. Dat gevaar is zodanig, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen ook daadwerkelijk eist dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld én van overheidswege zal worden verpleegd.

e. Niet-gemaximeerde tbs

De tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

e. Advies ingevolge artikel 37b, tweede lid WvSr

Op grond van art. 37b, tweede lid WvSr kan de rechtbank een advies opnemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen indien naast tbs met dwangverpleging, de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding te adviseren tot een eerdere aanvang van de tbs. Dat zou wellicht geïndiceerd kunnen zijn als (spoedige) behandeling dringend noodzakelijk is, gelet op ernstige problematiek. De rechtbank is echter van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheid dat sprake is van recidive, vergelding dient te prevaleren. Bovendien blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting dat deze recidive niet zozeer in relatie staat tot inadequate behandeling van de verdachte gedurende de vorige tbs, maar eerder tot een onvoltooide resocialisatie.

De straf

De grootste discrepantie tussen de officier van justitie en de verdediging betrof de duur van de gevangenisstraf waartoe de rechtbank de verdachte zal veroordelen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Moord en doodslag zijn relatief zeldzame delicten. Recidive daarvan is nog zeldzamer. Desalniettemin zal de verdachte, ondanks zijn relatief jonge leeftijd én een eerdere tbs-maatregel, voor de tweede keer in zijn leven veroordeeld worden wegens het opzettelijk doden van een andere persoon.

De verdachte heeft niet alleen het slachtoffer het leven ontnomen, maar ook het leven van de nabestaanden volledig overhoop gegooid. Hoe moeilijk dit is en nog zal worden, bleek ter terechtzitting uit de verklaringen van de moeder en (half)zussen van [slachtoffer] . Zij zullen door toedoen van de verdachte verder moeten leven zonder de aan hen dierbare zoon en (half)broer. Zij beschreven treffend de impact van, het verdriet en het onbegrip over de dood, zoals zij dat voelen en de grote invloed die dit nog steeds op hun leven heeft.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de eerdere tbs-maatregel niet het gewenste effect heeft gehad. Hoewel de (klinische) behandeling volgens de deskundigen wel zijn vruchten heeft afgeworpen, is ook duidelijk geworden dat de verdachte snel na beëindiging van de tbs verviel in druggebruik en delictgedrag. Bovendien wist hij de reclassering, onder wiens toezicht hij stond na nieuwe veroordelingen, om de tuin te leiden: de ambtenaren hadden geen idee van het dubbelleven dat de verdachte leidde, bestaande uit onder meer drugshandel en -gebruik/verslaving.

Hoewel buiten kijf staat, vandaar ook de op te leggen tbs-maatregel met dwangverpleging, dat behandeling nodig is, is de rechtbank net als de officier van justitie van oordeel dat vergelding dit keer dient te prevaleren. De verdachte heeft inmiddels meerdere kansen gehad, zowel bestaande uit een relatief korte gevangenisstraf voor een gekwalificeerde doodslag als een tbs-maatregel en daaropvolgende reclasseringstoezichten, maar dat heeft allemaal niet mogen baten.

De verdachte moet dan ook letterlijk als levensgevaarlijk worden beschouwd. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een langdurige gevangenisstraf, langer dan de door de verdediging voorgestelde acht jaren.

De rechtbank zal evenwel ook rekening houden met de omstandigheid dat de feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Zoals omschreven in de rapportage van het PBC, hebben zijn – hiervoor omschreven – stoornissen het gedrag en de keuzes van de verdachte beïnvloed ten tijde van de gepleegde strafbare feiten. De rapportage vermeldt in dat kader onder meer het volgende (pag. 77):

‘In de aanloop naar het ten laste gelegde ervoer betrokkene steeds meer stress en spanningen waardoor hij steeds meer psychische klachten ontwikkelde. Betrokkene kreeg angstklachten en last van een sombere stemming waarbij hij onverschillig werd. Op het moment van het ten laste gelegde is sprake van een enorme angst en achterdocht bij betrokkene waarbij hij vanuit een impuls heeft geschoten. Hij is vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek (en de decompensatie daarvan) slecht in staat om contact te maken met zijn emoties zoals boosheid en angst, waardoor deze hem zeer waarschijnlijk als het ware overspoeld hebben en de impulscontrole ernstig onder druk kwam te staan.’

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw uitgebreid stilgestaan bij de persoon van de verdachte, in het bijzonder zijn miserabele jeugd en de gevolgen daarvan voor zijn ontwikkeling, en die omstandigheden mede ten grondslag gelegd aan het verzoek tot beperking van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. Hoewel de rechtbank oog heeft voor die omstandigheden, zijn die omstandigheden voldoende betrokken in de overwegingen van de deskundigen, die mede hebben geleid tot het advies het aan de verdachte ten laste gelegde, aan hem in verminderde mate toe te rekenen. Een verdere matiging van de duur van de gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet geïndiceerd.

Aan de andere zijde constateert dat de rechtbank dat de eis van de officier van justitie bijna het strafmaximum raakt, terwijl die eis bovendien meer in de lijn van de verwachting ligt in het geval van een moord. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat niet is gebleken van een vooropgezet plan om het slachtoffer van het leven te beroven, maar van een uit de hand gelopen ruzie, waarbij de verdachte weliswaar beïnvloed door zijn persoonlijkheids-problematiek, zijn impulsen niet onder controle heeft kunnen houden.

Gezien de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheid dat de verdachte voor de tweede maal iemand van het leven heeft beroofd, het leed dat de verdachte daarmee ook de nabestaanden heeft aangedaan, en de onbenutte kansen die de verdachte heeft gehad, vergelding voorop moet staan bij de afdoening van deze zaak. Dat daarmee de kans op een succesvolle behandeling en resocialisatie mogelijk beperkt wordt, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. De tbs biedt te zijner tijd voldoende mogelijkheden en tijd om de resocialisatie van de verdachte vorm te geven.

De rechtbank zal de verdachte wegens de doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen van de categorie II veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)

Op grond van art. 38z WvSr kan de rechtbank – ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen – een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. Dit betreft – kort gezegd – een mogelijk levenslange toezichtsmaatregel die na afloop van de tbs tenuitvoergelegd kan worden. Uit het voorgaande blijkt reeds van enerzijds de problematiek bij de verdachte en anderzijds het gevaar dat van hem uitgaat. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte, ook na de tbs-maatregel, onder toezicht kan blijven voor behandeling en begeleiding die hij nodig heeft om het recidivegevaar te beteugelen en om zo goed mogelijk te kunnen functioneren. Aldus acht de rechtbank de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Het Openbaar Ministerie dient te zijner tijd de tenuitvoerlegging van deze maatregel te vorderen.

Conclusie

De rechtbank zal de verdachte dus veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 jaren met aftrek van voorarrest, zal de verdachte ter beschikking stellen met dwangverpleging en zal aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38z WvSr opleggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de tbs-maatregel met dwangverpleging aanvangt.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

In het strafproces hebben de moeder, de stiefvader en de (half)zus van het overleden slachtoffer zich gevoegd. Elk heeft een vordering ingediend tot vergoeding van hun schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1. tenlastegelegde. De vorderingen zijn zowel schriftelijk als – ter terechtzitting – mondeling onderbouwd door mr. Oehlen, die door hen daartoe werd gemachtigd. Het gaat om (deels toekomstige) materiële schade, affectieschade en shockschade.

Hiervoor heeft de rechtbank geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1. tenlastegelegde. De verdachte heeft daarmee een onrechtmatige daad gepleegd, die hem kan worden toegerekend en jegens de benadeelden is hij daardoor gehouden tot vergoeding van de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade, zulks voor zover de wet – in het bijzonder de artikelen 6:106, 6:107 en 6:108 BW – jegens hen een plicht tot schadevergoeding in het leven roept.

7.1

De vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]

(de moeder van [slachtoffer] ) vordert vergoeding van haar schade als gevolg van de dood van haar zoon tot een bedrag van 52.513,50 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

reiskosten: 13,50 euro

toekomstige schade: 5.000 euro

shockschade: 30.000 euro

affectieschade: 17.500 euro

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, met vermeerdering met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd aan de deze schadevergoeding de schadevergoedingsmaatregel te verbinden.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot:

niet-ontvankelijkverklaring van [moeder slachtoffer] voor wat betreft de vordering wegens materiële schade (sub a. en b.), dan wel in elk geval voor wat betreft de toekomstige schade (sub b.);

niet-ontvankelijkverklaring van [moeder slachtoffer] voor wat betreft de shockschade (sub c.), dan wel gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van 20.000 euro;

toewijzing van de affectieschade (sub d.).

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Reiskosten (a.)

De reiskosten van 13,50 euro zijn niet betwist door de verdediging, voldoende onderbouwd en aan te merken als rechtstreekse schade. Daarmee ligt in zoverre de vordering voor toewijzing gereed.

Toekomstige kosten (b.)

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de toekomstige kosten onvoldoende onderbouwd zijn. Hoewel het geestelijk letsel aannemelijk is gemaakt en de benadeelde daartoe is doorverwezen naar een specialistisch GGZ-traject, kan niet vastgesteld worden dat dit tot kosten zal gaan leiden en moeilijk valt te voorzien hoe hoog die kosten zullen zijn. De rechtbank acht zich niet in staat deze toekomstige kosten redelijk te schatten. Een juiste beoordeling vergt daarom een nadere onderbouwing en aldus aanhouding van de behandeling van de behandeling van de strafzaak, hetgeen de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding acht. Daarom zal de rechtbank de benadeelde in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Affectieschade (d.)

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, de aansprakelijke verplicht is tot vergoeding van schade aan bepaalde naasten voor nadeel dat zulk een naaste als gevolg van het overlijden heeft ondervonden. De ouder van de overledene is op grond van het vierde lid van genoemd artikel een naaste in de zin van de wet. De benadeelde is de moeder van [slachtoffer] en heeft dus recht op een vergoeding van haar schade. Uit het Besluit vergoeding affectieschade volgt dat zij recht heeft op compensatie van 17.500 euro, zoals zij ook gevorderd heeft. De vordering is dus in zoverre toewijsbaar.

Shockschade (c.)

Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958).

De rechtbank is van oordeel dat uit de onderbouwing van de vordering alsmede het daarbij gevoegde schrijven van de huisarts voldoende blijkt dat bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel, opgelopen als gevolg van de hevige emotionele schok die de confrontatie met haar overleden zoon teweeg heeft gebracht. Zo blijkt daaruit van onder meer een depressie, lichamelijke klachten als gevolg van spanningen, klachten die passen bij PTSS, een en ander waardoor de benadeelde – in vervolg op een verwijzing naar de GZ-psycholoog – verwezen is naar de specialistische GGZ. De omstandigheid dat de confrontatie niet onverhoeds en ook niet onvermijdbaar was, doet daaraan – gelet ook op het belang om [slachtoffer] tot het moment van overlijden in het ziekenhuis terzijde te staan na het op hem zichtbaar toegepaste geweld en de directe familieband tussen [slachtoffer] en [moeder slachtoffer] – niet af. Aldus deelt de rechtbank niet het standpunt van de verdediging dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van 30.000 euro, mede gezien bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen, redelijk en billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering dus toewijzen.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering aldus gedeeltelijk toe tot een bedrag van 47.513,50 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 (datum overlijden slachtoffer) voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 16 november 2022 (datering vordering) voor wat betreft de materiële schade. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de procedure en zal aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f WvSr opleggen.

7.2

De vordering van de benadeelde partij [stiefvader slachtoffer]

De benadeelde partij [stiefvader slachtoffer] (de stiefvader van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van 17.500 euro, bestaande uit affectieschade, als gevolg van de dood van zijn stiefzoon, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, met vermeerdering met de wettelijke rente en gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, nu een stiefvader volgens de wet geen aanspraak heeft op vergoeding van affectieschade.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 6:108, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, zoals bedoeld in het derde lid van dat artikel. Naar de letter van de wet vallen stiefouders daar niet onder. Echter, bij goedkeuring van het wetsvoorstel dat vergoeding van affectieschade mogelijk maakt, is eveneens een motie (Kamerstukken II 2016/17, 34257, nr. 10) aangenomen om “stiefouders en/of stiefkinderen van een slachtoffer dezelfde bedragen ter vergoeding van de affectieschade toe te kennen als bij biologische verwanten, indien sprake is van een relatie in gezinsverband met een duurzaam karakter” (Handelingen TK 2016/2017, nr. 72, item 13).

De benadeelde is stiefvader van [slachtoffer] . Uit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat het slachtoffer jarenlang, namelijk tot zijn 20e, bij zijn moeder en [stiefvader slachtoffer] inwoonde en dat [stiefvader slachtoffer] feitelijk als vader van [slachtoffer] fungeerde, terwijl de biologische vader buiten beeld was. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat tussen het overleden slachtoffer en [stiefvader slachtoffer] een relatie in gezinsverband bestond, dat een duurzaam karakter had. Dat [slachtoffer] op het moment van overlijden niet meer thuiswonend was bij [stiefvader slachtoffer] en zijn moeder doet daaraan niet af. Dat maakt dus dat [stiefvader slachtoffer] terecht aanspraak maakt op een vergoeding wegens affectieschade, overeenkomstig hetgeen geldt voor biologische ouders. Uit het Besluit vergoeding affectieschade volgt dat hij recht heeft op 17.500 euro, zoals hij ook gevorderd heeft. De vordering is dus toewijsbaar.

De rechtbank wijst de vordering aldus volledig toe tot een bedrag van 17.500 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 (datum overlijden slachtoffer). De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde en zal aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f WvSr opleggen.

7.3

De vordering van de benadeelde partij [halfzus slachtoffer]

(een halfzus van het slachtoffer) vordert een vergoeding van haar schade als gevolg van de dood van haar halfbroer (onder 1. tenlastegelegde) tot een bedrag van 26.727,85 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

kosten uitvaart: 621,35 euro

kosten koffietafel: 747,50 euro

kosten bloemenpreparatie: 359 euro

shockschade: 25.000 euro

7.3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, met vermeerdering met de wettelijke rente en daarnaast is door de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot het aan [halfzus slachtoffer] toe te wijzen bedrag.

7.3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd tot:

toewijzing van de kosten voor de uitvaart en koffietafel (sub a. en b.);

niet-ontvankelijkverklaring voor wat betreft de kosten voor de bloemenpreparatie (sub c.), nu dat geen rechtstreekse schade is;

niet-ontvankelijkverklaring voor wat betreft de shockschade (sub d.), dan wel gedeeltelijke toewijzing tot een bedrag van 20.000 euro.

7.3.3

Het oordeel van de rechtbank

Kosten voor de uitvaart (a.) en koffietafel (b.)

De kosten voor de uitvaart en koffietafel (van tezamen 1.368,85 euro) zijn niet betwist door de verdediging, voldoende onderbouwd en aan te merken als rechtstreekse schade. Daarmee ligt in zoverre de vordering voor toewijzing gereed.

Kosten voor bloemenpreparatie (c.)

Anders dan de benadeelde is de rechtbank van oordeel dat de kosten van bloemenpreparatie niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade als gevolg van het bewezenverklaarde, strafbare feit. Daarom zal de rechtbank de vordering in zoverre afwijzen.

Shockschade (d.)

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor in zijn algemeenheid over shockschade heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat uit de onderbouwing van de vordering alsmede het daarbij gevoegde schrijven van de GZ-psycholoog voldoende blijkt dat [halfzus slachtoffer] geestelijk letsel heeft opgelopen door de hevige emotionele schok, die de confrontatie met haar overleden (half-)broer teweeg heeft gebracht. Zo blijkt daar van onder meer uit een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij EMDR-therapie volgt. De omstandigheid dat de confrontatie niet onverhoeds en ook niet onvermijdbaar was, doet daaraan – gelet ook op het belang om [slachtoffer] in het ziekenhuis tot het moment van overlijden terzijde te staan na het op hem zichtbaar toegepaste geweld en de directe familieband tussen [slachtoffer] en [halfzus slachtoffer] – niet af. Aldus deelt de rechtbank niet het standpunt van de verdediging dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van 25.000 euro, mede gezien bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen, redelijk en billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering aldus toewijzen.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering aldus gedeeltelijk toe tot een bedrag van 26.368,85 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 (datum overlijden slachtoffer) voor wat betreft de immateriële schade en vanaf 18 januari 2022 (factuurdatum uitvaart) voor wat betreft de materiële schade. Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de procedure en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f WvSr opleggen.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De zaak onder het parketnummer 03/700351-18 is aangebracht bij vordering van 3 maart 2022. Deze vordering heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg op 2 juli 2019 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

De vordering voldoet aan alle daaraan krachtens de wet te stellen eisen, terwijl tot de beoordeling van deze vordering de rechtbank bevoegd is verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in deze vordering in de weg staan.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij voormelde uitspraak vastgestelde proeftijd aan de hiervoor bewezenverklaarde strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Daarmee is de vordering in beginsel voor toewijzing vatbaar. De rechtbank ziet ook geen bijzondere omstandigheid om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarom zal de rechtbank de vordering toewijzen.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het onder 1. en 2. aan de verdachte tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 3.1 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat aan hem onder 1. of onder 2. meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert, zoals deze hierboven onder 4 zijn omschreven;

verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in detentie in het buitenland ingevolge het Nederlands verzoek om zijn uitlevering of om overlevering is doorgebracht, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregelen

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- legt de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [moeder slachtoffer] , van een bedrag van 47.513,50 euro, bestaande uit 13,50 euro materiële schade en 47.500,00 euro immateriële schade. De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten, die ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, aan de zijde van [moeder slachtoffer] tot heden begroot op nihil;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [moeder slachtoffer] , van 47.513,50 euro; voormeld bedrag bestaat uit 13,50 euro materiële schade en 47.500,00 euro immateriële schade; deze materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening; de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 180 dagen; verstaat dat de toepassing van deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat de verdachte van de verplichting tot betaling aan de Staat is bevrijd, indien en in zoverre is voldaan aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [stiefvader slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [stiefvader slachtoffer] , van een bedrag van 17.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, aan de zijde van [stiefvader slachtoffer] tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [stiefvader slachtoffer] , van een bedrag van 17.500,00 euro; voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 60 dagen; verstaat dat de toepassing van deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat de verdachte van verplichting tot betaling aan de Staat is bevrijd, indien en in zoverre is voldaan aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [halfzus slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [halfzus slachtoffer] , van een bedrag van 26.368,85 euro, bestaande uit 1.368,85 euro materiële schade en 25.000,00 euro immateriële schade. De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten, die ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, aan de zijde van [halfzus slachtoffer] tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [halfzus slachtoffer] van 26.368,85 euro; voormeld bedrag bestaat uit 1.368,85 euro materiële schade en 25.000,00 euro immateriële schade. De materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 120 dagen; verstaat dat deze maatregel de betalingsverplichting niet opheft;

verstaat dat de verdachte van de verplichting tot betaling aan de staat is bevrijd, indien en in zoverre is voldaan aan de betalingsverplichting jegens de benadeelde;

Vordering tenuitvoerlegging (03/700351-18)

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 2 juli 2019, gewezen onder het parketnummer 03/700351-18, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2022.

Buiten staat

Mr. S.L.M. van Venrooij en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 13 november 2021 in de gemeente Heerlen [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meermalen te schieten op die [slachtoffer] , zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de termijn van vijf jaren wordt verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen (art. 43a, 289 Wetboek van Strafrecht);

2. hij op of omstreeks 13 november 2021 in de gemeente Heerlen een wapen van categorie II, onder 1, te weten een (omgebouwd) gas-alarmpistool, kaliber 7.65, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad (art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie).

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, districtsrecherche Parkstad-Limburg, onderzoek Austin (LB2R021112 / 2021179178), gesloten d.d. 11 juli 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 644.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2022, pg. 52-53.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2021, pg. 54-55.

Proces-verbaal forensisch dossier d.d. 4 april 2022, pg. 191.

Proces-verbaal forensisch dossier d.d. 4 april 2022, pg. 192.

Het deskundigenverslag getiteld “Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood” van D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog / NFI-deskundige forensische pathologie, d.d. 7 december 2021, pg. 325-332.

Proces-verbaal van bevindingen achterhalen identiteit verdachte d.d. 14 november 2021, pg. 152.

Stamproces-verbaal, pg. 47.

Het proces-verbaal van overname en terbeschikkingstelling aan de Nederlandse Justitie d.d. 12 januari 2022, pg. 563.

Het woordelijk verslag van het verdachtenverhoor van 15 april 2022, opgemaakt d.d. 3 februari 2022, pg. 579-638.

Het geschrift, te weten het uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte d.d. 20 oktober 2022.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] Heerlen).

Het deskundigenverslag getiteld “Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood” van D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog / NFI-deskundige forensische pathologie, d.d. 7 december 2021, pg. 325-332.

De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 november 2022, pg. 343-344.

Het deskundigenverslag getiteld “Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Heerlen op 13 november 2021” van B. Jacobs, NFI-deskundige wapens en munitie, d.d. 3 februari 2022, pg. 399.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature