< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor mishandeling de dood ten gevolge hebbende. Verdachte wordt vrijgesproken van de primair tenlastegelegde doodslag en ook van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende. De rechtbank acht de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling de dood ten gevolge hebbende wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer geslagen en geduwd en het slachtoffer is gevallen. Verdachte heeft het slachtoffer ook na die val meerdere malen tegen zijn hoofd geslagen, waarna het slachtoffer een paar uur later is overleden aan hersenletsel. De rechtbank verwerpt het beroep noodweer van de verdediging.

Uitspraak



RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/048911-20

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 januari 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1956,

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, locatie Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.B. Chylinska, advocaat, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 januari 2021. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte opzettelijk het slachtoffer heeft gedood, dan wel het slachtoffer zwaar heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden, dan wel het slachtoffer heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de primair tenlastegelegde doodslag moet worden vrijgesproken. Het opzet op de dood van het slachtoffer kan volgens de officier van justitie niet worden bewezen, ook niet in voorwaardelijke zin. De subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer meermalen hard tegen het hoofd geslagen. Daarmee heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hoofd is een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam en verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. Tevens heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het dronken slachtoffer door de klap zou komen te vallen en daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Of het letsel is ontstaan door het slaan of door de daaropvolgende val maakt volgens de officier van justitie niet uit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte van de gehele tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van de primair tenlastegelegde doodslag heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Ten aanzien van de subsidiair en meer subsidiair verweten (zware) mishandeling heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het onderdeel de dood ten gevolge hebbende niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier blijkt namelijk dat het slachtoffer ook uit zichzelf meerdere malen is gevallen en dat ook [naam 1] het slachtoffer zou hebben geslagen. Volgens de raadsman blijft dan enkel een mishandeling over waarvoor verdachte een geslaagd beroep op noodweer kan doen. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat de getuigenverklaringen in het dossier onbruikbaar zijn voor het bewijs, omdat deze onbetrouwbaar, ongeloofwaardig, tegenstrijdig en op sommige onderdelen onaannemelijk zijn.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Het bewijs

Verbalisanten [naam 2] en [naam 3] relateerden – zakelijk weergegeven – onder meer:

Op zondag 23 februari 2020 omstreeks 06:00 uur ontvingen wij de melding om te gaan naar de [adres] gelegen te Simpelveld in de gemeente Simpelveld. Wij hoorden de dienstdoende centralist van het Operationeel Centrum Limburg zeggen dat aldaar een persoon onwel was geworden en er vermoedelijk een reanimatie opgestart diende te worden. Tijdens het rijden naar deze locatie hoorden wij deze centralist zeggen dat de persoon vermoedelijk al langer geleden was overleden en dat het een vakantiehuisje met nummer [getal] zou betreffen. Omstreeks 06:10 uur betraden wij deze woning. Wij zagen dat onmiddellijk na binnenkomst aan de rechterzijde een klein gangetje was en dat de rechterdeur van dit gangetje naar een slaapkamer leidde. Ik, [naam 2] , zag dat de deur van die slaapkamer openstond en er een man op het bed lag. Ik zag dat de man met een ontblote bovenlijf op het bed lag en er bloed op zijn neus en linkeroog zat.

Verbalisanten [naam 4] en [naam 5] relateerden – zakelijk weergegeven – onder meer:

Op zondag 23 februari 2020 om 08:40 uur werd door de aangewezen schouwarts dr. H. van der Loo, in het bijzijn van ons, ter plaatse in de bungalow een lijkschouw verricht. De overledene betrof [slachtoffer] , geboren [geboortegegevens] te [plaats] in [land] . Wij zagen uitgebreide bloeduitstortingen, verspreid over het gelaat tot in de hals. Wij zagen een klein (open) wondje bij de linker wenkbrauw, waaruit bloed was gedruppeld. Verder zagen wij opgedroogd bloed in beide neusgaten. Wij zagen dat de neus scheef stond en dat er een streepvormige bloeduitstorting zichtbaar was over de linkerzijde van de neus. Verder zagen wij een blauw/groene verkleuring (bloeduitstorting) op de bovenzijde van de linkerhand. Wij voelden dat er sprake was van (beginnende) lijkstijfheid en de aanwezige wegdrukbare lijkvlekken waren conform de aangetroffen houding van het stoffelijk overschot. Met behulp van een post mortem app is er onderzoek gedaan naar een indicatie van de tijd van overlijden van het slachtoffer. Op basis hiervan lag de tijd van overlijden van het slachtoffer, hoogstwaarschijnlijk, tussen zaterdag 22 februari 2020 om 22:06 uur en zondag 23 februari 2020 om 03:42 uur.

Het verslag van de lijkschouwer vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer:

De ondergetekende H. van der Loo, lijkschouwer van de gemeente Simpelveld verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd en bericht u er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Bijzonderheden zijn: meervoudige letsels, bloeduitstortingen, kraswonden, schaafwonden ter hoogte van het linker jukbeen, linkerzijde voorhoofd, linker wenkbrauw, neus, bloedneus, linker heup, linker hand, die wijzen op geweld van buitenaf. Niet passend bij een klap met de vlakke hand en de meervoudigheid van letsels past ook niet bij klap tegen deur/ wc-pot. Dus niet natuurlijk overlijden.

Het NFI rapport vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer:

Het overlijden van [slachtoffer] , 50 jaren oud, wordt verklaard door bij leven opgelopen hevig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (trauma) op het hoofd met als gevolg uitgebreid hersen(vlies)letsel en hersenfunctiestoornissen.

Bij sectie werden uitwendig verspreid aan het hoofd op meerdere plaatsen letsels

vastgesteld en werden inwendig aan de binnenzijde van de schedelhuid tot op het

botvlies links en aan de rand van de linkerslaapspier bloeduitstortingen vastgesteld.

Ook werd er een hersen(vlies)letsel vastgesteld. Er was uitgebreide bloeduitstorting

onder het harde hersenvlies (subduraal) rechts, met geringe uitbreiding onder de

zachte hersenvliezen rechts en afplatting van de rechterhersenhelft (massawerking).

Voorts waren er tekenen van vochtophoping in de hersenen (sub B4). Deze letsels waren bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch hevig stomp botsend geweld (trauma) op het hoofd, zoals door één of meerdere vallen, meervoudig slaan (al of niet met voorwerpen) of een combinatie daarvan. Bovengenoemde geweldsinwerking op het hoofd heeft geleid tot bovengenoemde verwikkelingen, waaronder bloedophopingen in de schedelholte en vochtophoping in de hersenen. Dit gaat doorgaans gepaard met hersenfunctiestoornissen, waarmee het overlijden kan worden verklaard.

Getuige [naam 6] verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer:

[slachtoffer] en [verdachte] hadden ruzie. [slachtoffer] is een stuk groter en [verdachte] wilde [slachtoffer] slaan in het gezicht, maar raakte hem op de borst. [slachtoffer] viel hierdoor om. Hij raakte toen waarschijnlijk met zijn hoofd de grond want hij had bloed op zijn hoofd, bij zijn wenkbrauw.

Getuige [naam 7] verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer:

[verdachte] sloeg [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] naast de verwarming meerdere keren sloeg. [slachtoffer] lag op de grond en [verdachte] was naast hem. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] meerdere keren met zijn vuisten sloeg. Op zijn hoofd en zijn gezicht raakte hij hem.

Getuige [naam 8] verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer:

[verdachte] is opgestaan en begon [slachtoffer] met beide vuisten te boksen. [slachtoffer] was aan het bloeden bij zijn oog en slaap en oor. Toen [verdachte] hem zo aan het boksen was is [slachtoffer] gevallen. Hij kwam naast de verwarming voor het toilet op de grond. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag ging [verdachte] door met boksen. Houding van [verdachte] was gebukt, voorover gebukt en boksend.

3.3.2

De overwegingen

Op grond van voormelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 22 februari 2020 is er in bungalow [getal] op het vakantiepark in Simpelveld een ruzie ontstaan tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer hierbij geduwd en geslagen. Als gevolg hiervan is het slachtoffer gevallen. Verdachte heeft het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, meerdere malen tegen het hoofd geslagen. Dit is door meerdere getuigen gezien. Het slachtoffer is tussen zaterdag 22 februari 2020 om 22:06 uur en zondag 23 februari 2020 om 03:42 uur overleden. Het slachtoffer had meervoudig letsel wat wijst op geweld van buitenaf. Het slachtoffer is overleden aan uitgebreid hersen(vlies)letsel en hersenfunctiestoornissen. Dit letsel is ontstaan door uitwendig mechanisch hevig stomp botsend geweld op het hoofd, zoals door één of meerdere vallen, meervoudig slaan of een combinatie daarvan.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen. De verklaringen die zijn afgelegd over het door verdachte toegepaste geweld komen op wezenlijke punten met elkaar overeen en passen bij het door de deskundigen geconstateerde letsel bij het slachtoffer.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de primair tenlastegelegde doodslag.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank is, gelet op de aard en de mate van het toegepaste geweld alsmede de context waarbinnen dit heeft plaatsgevonden, van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat bij verdachte sprake is geweest van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bij dit oordeel weegt de rechtbank ook de omstandigheden mee dat het slachtoffer zelf meerdere malen de confrontatie met verdachte heeft gezocht en dat zowel verdachte als het slachtoffer dronken waren en die fatale avond uiteindelijk een opeenstapeling van afzonderlijke confrontaties is geweest. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht de rechtbank de mishandeling de dood ten gevolge hebbend wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer geslagen en geduwd. Dit handelen is gericht geweest op het toebrengen van pijn dan wel letsel bij het slachtoffer. Ten gevolge van dit handelen is het slachtoffer ten val gekomen. Verdachte heeft het slachtoffer ook na die val meerdere malen tegen zijn hoofd geslagen, waarna het slachtoffer een paar uur later is overleden. Het letsel van het slachtoffer kan worden gekenmerkt als lichamelijk letsel dat is ontstaan door het handelen van verdachte. De dood is ingetreden als gevolg van dit letsel en dus is er sprake van mishandeling, de dood ten gevolge hebbende.

Dat de dood van het slachtoffer is veroorzaakt door een andere omstandigheid dan het handelen van verdachte, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet aannemelijk.

Noodweer

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer kan doen, omdat [naam 1] – getuige [naam 9] – door het slachtoffer op enig moment werd aangevallen en verdachte haar daartegen heeft verdedigd.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie. Verdachte heeft immers ter zitting aangegeven dat de confrontaties die hij die avond met het slachtoffer had niet anders waren dan anders en niet aangegeven dat zijn handelen het gevolg was van het (telkens) verdedigen van [naam 1] tegen een aanval door het slachtoffer. Het handelen van verdachte was derhalve niet geboden ter verdediging van [naam 1] tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

in de periode van 22 februari 2020 tot en met 23 februari 2020 in de gemeente Simpelveld [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen, op/tegen het hoofd, van die [slachtoffer] te stompen/boksen/slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

meer subsidiair

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Zoals onder 3.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet. Ook zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte al te lang vast zit en heeft de rechtbank verzocht om de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op te heffen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op een verjaardagsfeest ruzie gekregen met zijn collega met wie hij ook samenwoonde. Beiden waren dronken. Tijdens die ruzie heeft verdachte het slachtoffer geduwd en geslagen op zijn hoofd. Het slachtoffer is hierbij ook ten val gekomen en is een paar uur later ten gevolge van hersenletsel overleden. Hierdoor is door verdachte onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, waaronder zijn vier kinderen.

Gelet op de ernst van de gevolgen van het feit – de dood van het slachtoffer – is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf passend en geboden is.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat het slachtoffer de confrontatie met verdachte heeft gezocht en de ruzie grotendeels heeft uitgelokt. In feite is er sprake geweest van een door het slachtoffer uitgelokte dronkenmansvechtpartij die ongewild fataal is afgelopen. Dit werkt strafverlagend.

De rechtbank rekent het verdachte wel aan dat hij tijdens de vechtpartij is doorgegaan met het slaan van het slachtoffer terwijl het slachtoffer al op de grond lag. Ook rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij tot op heden geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen door te stellen dat hij het slachtoffer hooguit een of twee keer heeft geslagen. Tot slot rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij bewijs heeft proberen weg te maken door schoon te maken, spullen weg te gooien en bloed van het gezicht van het slachtoffer weg te vegen. Dit alles werkt strafverzwarend.

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 december 2020 blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad geeft derhalve geen aanleiding tot strafvermeerdering.

De rechtbank vindt alles overziend een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel moet de verdachte ervan weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, nu zij verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft vrijgesproken.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de raadsman af. Bij een eventueel hoger beroep is het aan het Hof om over de voorlopige hechtenis te oordelen.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De volgende personen hebben zich in de strafzaak gevoegd als benadeelde partijen:

[naam 10] (zijnde de zoon van [slachtoffer] ) vordert een schadevergoeding van in totaal € 21.605,60. Deze vordering bestaat voor € 4.105,50 aan materiële schade en voor

€ 17.5000,00 aan affectieschade. De gestelde materiële schade bestaat uit begrafeniskosten, kosten voor repatriëring en de kist, kosten voor de geboorte- en overlijdensakte, kosten voor de locatie van het graf, kosten voor de begrafenisonderneming, kosten voor het mortuarium en het transport en de kosten voor rouwkransen.

[naam 11] (zijnde de zoon van [slachtoffer] ) vordert een schadevergoeding van in totaal € 17.500,00, bestaande uit affectieschade.

[naam 12] (zijnde de dochter van [slachtoffer] ) vordert een schadevergoeding van in totaal € 17.500,00, bestaande uit affectieschade.

[naam 13] (zijnde de dochter van [slachtoffer] ) vordert een schadevergoeding van in totaal €17.500,00, bestaande uit affectieschade.

Alle benadeelden hebben tevens verzocht om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van alle benadeelde partijen volledig toewijsbaar zijn. De officier van justitie heeft tevens verzocht om ten aanzien van alle vorderingen de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen moeten worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het slachtoffer niet is overleden door toedoen van verdachte en dat er daarom geen wettelijke grond voor schadevergoeding bestaat.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De materiële kosten

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade van de benadeelde partij [naam 10] rechtstreeks voortvloeit uit het meer subsidiair bewezen verklaarde feit.

Nu de vordering voor wat betreft de materiële schadeposten niet door verdachte is betwist en zij de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de rechtbank de vordering met betrekking tot de materiële schade toewijzen.

De affectieschade

De regeling omtrent vergoeding van affectieschade voorziet in een vergoeding voor geleden immateriële schade uit hoofde van verdriet en pijn, veroorzaakt door het ernstig gewond raken of overlijden van een persoon waarmee de benadeelde een affectieve band heeft. De wetgever heeft in artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat een beperkte kring van naasten aanspraak kan maken op affectieschade. In lid 4 wordt gedefinieerd wie juridisch tot de kring van “naasten” behoort, waaronder in ieder geval begrepen een kind van de overledene (lid 4 sub d). De rechtbank stelt vast dat [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] en [naam 13] , als kinderen, tot de kring van naasten behoren en aan hen aldus een wettelijk recht hebben op vergoeding van affectieschade toekomt. Het bedrag dat voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is in het Besluit vergoeding affectieschade vastgesteld. Volgens artikel 1 lid 1 van dit Besluit geldt, in het geval van overlijden door een misdrijf, een vergoeding van € 17.500,00 voor de categorie van naasten waar de kinderen van het slachtoffer onder vallen.

De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van affectieschade dan ook toewijzen.

Conclusie

De rechtbank zal aan [naam 10] in totaal een bedrag van € 21.605,50 toewijzen. Aan [naam 11] , [naam 12] en [naam 13] zal de rechtbank ieder in totaal € 17.5000,00 toewijzen.

Algemeen

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding en in de kosten door de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormelde bedragen te maken, tot heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal per benadeelde partij tevens aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Over de te vergoeden schade is wettelijke rente verschuldigd met ingang van 23 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 300 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte voor het feit tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 10] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 21.605,60 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 23 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 11] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 17.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 23 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 12] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 17.5000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 23 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 13] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 17.5000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 23 februari 2020 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

Schadevergoedingsmaatregelen

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de hierna te noemen benadeelde partijen van de daarbij vermelde bedragen, bij niet betaling en verhaal te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen gijzeling:

[naam 10] € 21.605,50 143 dagen gijzeling 23 februari 2020,

[naam 11] € 17.500,00 122 dagen gijzeling 23 februari 2020,

[naam 12] € 17.500,00 122 dagen gijzeling 23 februari 2020,

[naam 13] € 17.500,00 122 dagen gijzeling 23 februari 2020,

met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf de datum, genoemd bij bovenvermelde bedragen, tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.M.A. van Atteveld, voorzitter,

mr. A.M. Koster-van der Linden en mr. R.J.M.G. Rulkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2021.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2020 tot en met 23

februari 2020 in de gemeente Simpelveld [slachtoffer] opzettelijk van

het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, op/tegen het

hoofd, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] te

stompen/boksen/slaan (ten gevolge waarvan die Kamecki ten val is

gekomen);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2020 tot en met 23

februari 2020 in de gemeente Simpelveld aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, heeft toegebracht, door

meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans het

bovenlichaam, van die [slachtoffer] te stompen/boksen/slaan (ten gevolge

waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), terwijl het feit de dood ten

gevolge heeft gehad;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2020 to en met 23 februari

2020 in de gemeente Simpelveld [slachtoffer] heeft mishandeld door

meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd, althans het

bovenlichaam, van die [slachtoffer] te stompen/boksen/slaan (ten gevolge

waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen), terwijl het feit de dood ten

gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 3 Wetboek van

Strafrecht )

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Parkstad-Limburg, districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 18 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 267.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 februari 2020 p. 25-26.

Proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [slachtoffer] d.d. 27 februari 2020 p. 118-122.

Verslag betreffende niet-natuurlijke dood van H. van der Loo d.d. 23 februari 2020 p. 123-124.

NFI rapport pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijke niet-natuurlijke dood d.d. 23

maart 2020 p. 143-150.

Proces-verbaal verhoor getuige [naam 6] d.d. 23 februari 2020 p. 44.

Proces-verbaal verhoor verdachte [naam 7] d.d. 25 februari 2020 p. 238.

Proces-verbaal verhoor verdachte [naam 8] d.d. 24 februari 2020 p. 252-258.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature