< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Turboliquidatie; bestuurdersaansprakelijkheid

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/277968 / HA ZA 20-264

Vonnis bij vervroeging van 7 april 2021

in de zaak van

POSTCO GROUP B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

advocaat mr. F.H.C. Aarts,

tegen:

1 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,

en

2. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

advocaat mr. A.L. Stegeman.

Eiseres in conventie zal hierna Postco genoemd worden, gedaagde in conventie sub 1 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , gedaagde in conventie sub 2 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] en gedaagden in conventie gezamenlijk [gedaagden in conventie, eisers in reconventie]

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met zeven producties;

de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie met 11 producties;

de conclusie van antwoord in reconventie met de producties acht tot en met 13;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1

[naam bv 1] en [naam bv 2] waren tot 5 december 2011 de enige aandeelhouders van Postco. Postco is werkzaam op het gebied van post- en pakketdiensten.

2.2

Bestuurster en volledig aandeelhoudster van H.J. [naam bv 2] is [naam zus] . [naam zus] is een zus van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] .

2.3

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bv 2] is ontbonden met ingang van 14 augustus 2017 (productie 1 en 2 antwoord in conventie).

2.4

Op 28/29 november 2011 hebben [naam bv 2] en H.J. [naam bv 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 2 dagvaarding). In die overeenkomst is in artikel 1 4 – zakelijk weergegeven – overeengekomen dat de rekening-courantschuld van [naam bv 2] aan Postco zou worden omgezet in een lening tegen 4% rente per jaar. De maandelijkse aflossing dient minimaal € 500,-- te bedragen. De betalingen dienen plaats te vinden vóór het einde van iedere maand. Vervroegde, volledige of gedeeltelijke terugbetaling is steeds toegestaan. In geval van overschrijding van een betalingstermijn of van enige som ter zake van de aflossing, zal de lening met onmiddellijke ingang opzegbaar en opeisbaar zijn. De rekening-courantschuld van [naam bv 2] aan Postco bedroeg op 28/29 november 2011 € 75.719,02.

2.5

Op 5 december 2011 heeft [naam bv 1] de aandelen die [naam bv 2] hield in Postco overgenomen. [naam bv 1] werd daarmee enig aandeelhouder van Postco. Op dat moment had [naam bv 2] een schuld in rekening-courant aan Postco van € 75.719,02.

2.6

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft een enkele aflossing verricht op de in rov. 2.4 genoemde lening; [naam bv 2] geen enkele.

2.7

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] had ultimo 2012 een schuld aan zijn Holding van € 128.347,-. Hij heeft niets daarvan betaald.

2.8

Postco heeft per 31 december 2016 haar vordering op [naam bv 2] , toen begroot op € 85.579,49, als oninbaar uit haar boeken gehaald.

2.9

Naar aanleiding van een zogenaamde turboliquidatie heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] per 16 augustus 2017 [naam bv 2] uitgeschreven uit het handelsregister. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft Postco niet gewaarschuwd dat hij als bestuurder van [naam bv 2] zou overgaan tot turboliquidatie van de Holding.

2.10

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde de echtelijke woning aan het adres [adres] te [woonplaats] . Postco heeft op deze woning in maart 2020 beslag gelegd. Na veel vijven en zessen is de woning overgedragen aan een derde en kleeft het beslag uiteindelijk alleen op bij een notaris gedeponeerd bedrag van € 55.000,-. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zijn in 2020 eigenaar geworden van een andere woning, die zij thans bewonen.

3 Het geschil

In conventie:

3.1.1

Postco vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

1. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] veroordeelt, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 86.316,00, dit vermeerderd met de overeengekomen rente ad 4%, vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

2. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] veroordeelt, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 10.357,92, dit vermeerderd met de overeengekomen rente ad 4%, vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

3. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] veroordeelt, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 1.635,00 (de oude buitengerechtelijke kosten), dit vermeerderd met de wettelijke rente,

vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

4. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] veroordeelt, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 1.635,00 (de nieuwe buitengerechtelijke kosten, dit vermeerderd met de wettelijke rente,

vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

5. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] veroordeelt in de kosten van Postco van deze procedure, inclusief de kosten van het door Postco ten laste van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] gelegde conservatoire beslag, alsmede [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] te veroordelen tot betaling van de nakosten, met bepaling dat indien deze (na)kosten niet binnen twee (2) weken na betekening van het vonnis zijn betaald daarover wettelijke

rente is verschuldigd, vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

3.1.2

Postco legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] als bestuurder van [naam bv 2] dermate onrechtmatig heeft gehandeld dat hij in persoon de vordering van Postco op [naam bv 2] moet betalen. De betreffende handelingen zijn de volgende:

de jaarrekening van 2013 van [naam bv 2] deugt niet, want is dezelfde als haar jaarrekening van 2012, met alleen verandering van jaartallen en na de jaarrekening van 2013 zijn over de verdere jaren geen jaarrekeningen meer gepubliceerd;

de turboliquidatie van [naam bv 2] was onrechtmatig omdat deze Holding in elk geval nog een vordering had op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft Postco niet gezegd dat hij van plan was om [naam bv 2] via turboliquidatie te ontbinden. Er zijn onvoldoende pogingen ondernomen om die vordering geheel of gedeeltelijk te innen;

een redelijk handelend en redelijk bekwaam curator zou bij een faillissement van [naam bv 2] minstens een deel van de vordering van deze Holding op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] hebben geïncasseerd via in elk geval de overwaarde van de woning van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie]

Dit alles moet worden bezien in de context van het feit dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] via zijn holding onrechtmatig gelden heeft onttrokken aan Postco, en de daaruit ontstane terugbetalingsverplichting omgezet is in de in rov. 2.4 genoemde vaststellingsovereenkomst.

De totale hoofdsom bedraagt thans € 86.316,- te vermeerderen met € 10.357,92 rente. De onder 3 gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn kosten gemaakt op [naam bv 2] en de onder 4 gevorderde buitengerechtelijk kosten op [gedaagden in conventie, eisers in reconventie]

3.2

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] voeren aan dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] ten onrechte in dit geding is betrokken omdat zij niets heeft uit te staan met enig handeling die aan de vordering ten grondslag is gelegd.

Zij betwisten dat de turboliquidatie onrechtmatig was en voeren aan dat indien [naam bv 2] in staat van faillissement zou zijn verklaard, de in het faillissement benoemde curator voor zover hij al een vordering op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] zou hebben gehad, die vordering in elk geval niet zou hebben kunnen verhalen wegens gebrek aan geld bij [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] . Die vordering op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] was al afgeboekt als oninbaar. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] voert verder aan dat het hem, behoudens de enkele betaling in privé aan Postco, altijd heeft ontbroken aan middelen om zijn schuld aan zijn Holding te betalen. Er zijn zelfs plannen geweest om toelating tot de WSNP aan te vragen in het kader waarvan de Kredietbank onder meer als voorwaarde stelde uitschrijving van [naam bv 2] [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] betwist verder de hoogte van de vordering.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] meent verder dat de vordering van Postco op [naam bv 2] is verjaard op grond van art. 3:307 lid 1 BW. De vordering was volledig opeisbaar in januari 2012 omdat de eerste aflossingstermijn al niet is betaald. Postco heeft binnen vijf jaar daarna geen daad van vervolging ingesteld noch de verjaring anderszins gestuit. Pas in januari 2019 heeft Postco de vordering op [naam bv 2] opgeëist. Tenslotte is sprake van rechtsverwerking omdat Postco zelf haar vordering op [naam bv 2] als oninbaar heeft afgeboekt.

In reconventie:

3.3

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] vorderen dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Postco jegens ieder van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] onrechtmatig handelt, c.q. heeft gehandeld;

2. Postco veroordeelt tot volledige vergoeding van de schade aan ieder van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , welke aan het onrechtmatig handelen van Postco is toe te rekenen;

3. deze zaak verwijst naar de schadestaatprocedure teneinde de schadevergoeding te doen opmaken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van Postco tot vergoeding aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] van de proceskosten, de kosten van hun raadsman daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 2e dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige voldoening.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] leggen daaraan ten grondslag dat het op hun woning in Voerendaal gelegde beslag onrechtmatig is gelegd. De daardoor ontstane schade moet door Postco worden vergoed.

3.4

Postco betwist dat sprake is van onrechtmatig beslag. De vordering op grond waarvan het beslag is gelegd, bestaat.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1

De vorderingen in conventie en reconventie hangen zodanig met elkaar samen dat zij niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld.

4.2

De vordering tegen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] moet worden afgewezen. Postco heeft geen feiten aangevoerd die door haar gepleegd zouden zijn of die vallen onder haar verantwoordelijkheid die zouden meebrengen dat zij onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Postco. Het ten laste van haar gelegde beslag is dan ook onrechtmatig om de volgende reden. Art. 3:276 BW bepaalt dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen. Daaruit volgt dat alleen conservatoir beslag kan worden gelegd op de goederen van de schuldenaar, tenzij de wet expliciet anders regelt, hetgeen niet het geval is. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] was noch is schuldenaar van Postco, zodat geen conservatoir beslag op haar goederen kan worden gelegd. Dat art. 1:96 lid 1 BW bepaalt dat alle gemeenschapsgoederen kunnen worden uitgewonnen, maakt niet dat zolang er geen titel voor uitwinning is, ook het aandeel van de niet-schuldenaar in de huwelijksgemeenschap kan worden geconserveerd door beslag totdat ten laste van de andere echtgenoot een executoriale titel is verkregen. Een andere opvatting past ook niet in het stelsel van de wet: het conservatoire beslag moet immers krachtens art. 700 Rv worden gevolgd door het instellen van een eis in de hoofdzaak. Postco heeft in arren moede kennelijk niet anders weten te doen dan ook maar tegen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] een vordering in te stellen inhoudende veroordeling van haar tot betaling van schade uit een gestelde onrechtmatige daad waaraan zij part noch deel heeft, zoals ook Postco wist. Uit dit alles volgt dat het conservatoire beslag voor zover gelegd op het vermogen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] onrechtmatig is gelegd. Haar vordering om dit voor recht te verklaren, zal daarom worden toegewezen. Het is voldoende aannemelijk dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] schade heeft geleden door de onrechtmatige blokkering van haar aandeel in de woning en/of het in depot gestorte bedrag. Die schade zal door Postco moeten worden vergoed, zodat ook dit deel van haar vordering zal worden toegewezen, evenals haar vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure.

4.3

Gelet op hetgeen onder 4.1 is geoordeeld, zal hierna alleen nog de vordering tegen en van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] worden beoordeeld.

4.4

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft niet, in elk geval onvoldoende gemotiveerd betwist dat [naam bv 2] ten tijde van de dagvaarding uit hoofde van de in rov. 2.4 genoemde vaststellingsovereenkomst nog een schuld had aan Postco van het bij dagvaarding gevorderde bedrag aan hoofdsom van € 86.316,-. De rechtbank laat hierbij meewegen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] als bestuurder van [naam bv 2] tot de liquidatie van die Holding op de hoogte moet zijn geweest van de ins en outs van de Holding, waaronder haar schulden. Dit betekent dat hij in elk geval voldoende gemotiveerde bezwaren tegen de hoogte van de gevorderde hoofdsom had moeten aanvoeren. Hij heeft echter niet meer aangevoerd (randnrs. 6 en 39 antwoord conventie) dan dat zijn Holding nooit een aflossing heeft verricht en dat hij zelf in privé € 5.500,- en € 3.500,- heeft betaald in 2014 en 2015.

4.5

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft niet of onvoldoende gemotiveerd betwist dat [naam bv 2] in elk geval per 31 december 2012 een vordering op hem had ter hoogte van minimaal het in dit geding door Postco aan hoofdsom gevorderde. Zie wat dit betreft ook de door Postco overgelegde balans per 31 december 2012 waar onder kortlopende schulden en overlopende passiva is vermeld € 144.189,-.

Al met al moet er dus van worden uitgegaan dat Postco aan hoofdsom van [naam bv 2] heeft te vorderen minimaal € 86.316,- en dat deze Holding op het moment van haar liquidatie een vordering had op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] van tenminste dit bedrag van € 86.316,-.

4.6

Als norm wordt in dit geschil het volgende voorop gesteld. Allereerst heeft een bestuurder van een zo kleine rechtspersoon als [naam bv 2] , die als doel niet veel meer had dan het zijn van bestuurder van Postco, ervoor te zorgen dat de rechtspersoon haar crediteuren betaalt. De bestuurder zal zich wat dit betreft tot het uiterste dienen in te spannen en enige bevoordeling van zijn eigen financiële positie is hierbij uit den boze. Deze zorgplicht is nog sterker indien de bestuurder wil overgaan tot turboliquidatie. Een dergelijke liquidatie betekent immers dat elke crediteur in beginsel kansloos is om zijn vordering nog op de debiteur, de rechtspersoon, te verhalen. Juist dit aspect van de turboliquidatie legt een extra zorgplicht op de bestuurder die overgaat tot een dergelijke ontbinding van de rechtspersoon.

In concreto betekent dit dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] als bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt als hij in die hoedanigheid niet alles op alles heeft gezet om [naam bv 2] aan liquide middelen te laten komen zodat deze Holding de vordering van Postco kon betalen. Uit niets blijkt echter dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] zich als bestuurder voldoende heeft ingespannen om in elk geval [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] privé te dwingen aflossingen te doen op zijn schuld aan de Holding. Gesteld noch gebleken is dat hij minstens jaarlijks als bestuurder van [naam bv 2] serieus onderzoek heeft gedaan naar de vermogenspositie van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en de mogelijkheden die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] had om welk bedrag dan ook aan [naam bv 2] te betalen. Dat er vermogen is geweest, is voldoende aannemelijk: [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft immers naar eigen zeggen als natuurlijke persoon in 2014 en 2015 rechtstreeks aan Postco betaalt € 5.500,- en € 3.500,-. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft dus liquide middelen gehad. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] is verder in staat geweest een huis te kopen voordat [naam bv 2] was geliquideerd. Gelet op deze twee betalingen en de aankoop van het huis had tenminste van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] als bestuurder van [naam bv 2] verwacht mogen worden dat hij deze Holding beslag zou laten leggen op het vermogen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] . Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] als bestuurder van [naam bv 2] voldoende en niet aflatende inspanningen heeft verricht die ertoe zouden leiden dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] zijn schuld aan [naam bv 2] geheel of gedeeltelijk zou betalen. Gesteld noch gebleken is dat hij als bestuurder van [naam bv 2] bijvoorbeeld een afbetalingsregeling met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft gesloten of proberen te sluiten waarin [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] maandelijks enig bedrag aan [naam bv 2] zou betalen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft feitelijk gezien juist het tegendeel gedaan. Om het [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] privé kennelijk mogelijk te maken om toegelaten te worden tot de WSNP heeft hij als bestuurder van [naam bv 2] de vordering van deze Holding op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] privé afgeboekt als oninbaar. Daarna is hij zonder enig overleg met Postco overgegaan tot turbo-liquidatie. Tot dit overleg was hij als bestuurder gehouden, alleen al om bijvoorbeeld met Postco, kennelijk nog de enige crediteur, te overleggen over bijvoorbeeld cessie van de vordering van [naam bv 2] op [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] . Dergelijk overleg is er niet geweest. Door dit alles is aan het eind van de rit het resultaat dus geweest dat hij, [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , geen schuld meer had aan [naam bv 2] en dat Postco geen verhaal meer had op haar debiteur [naam bv 2] zonder dat Postco als enig crediteur van [naam bv 2] op enig moment tijdig van dit alles op de hoogte is gesteld. Een bestuurder die aldus handelt in zo’n kleine familie constellatie van natuurlijke en rechtspersonen als de onderhavige, handelt ernstig verwijtbaar. In beginsel is de vordering dus toewijsbaar.

4.7

Het recht kent in een zaak als de onderhavige geen regel inhoudende dat Postco in een situatie als deze eerst het faillissement van [naam bv 2] zou moeten aanvragen. Postco is vrij om te kiezen welke weg zij wenst te bewandelen ter inning van haar vordering. Dat de onderhavige keus om [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] aan te spreken zoals is gedaan in dit geding misbruik van recht oplevert valt niet in te zien. Het tegendeel lijkt eerder het geval te zijn, waar met het onderhavige geschil in elk geval worden bespaard de kosten aanvraag faillissement en de kosten van een aan te stellen curator.

4.8

Niet relevant is het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , dat Postco haar vordering op [naam bv 2] heeft afgeboekt. Dit betreft immers enkel een boekhoudkundige handeling, ingegeven door het voorzichtigheidsbeginsel, om een dubieuze vordering af te boeken. Deze heeft niet de bedoeling om jegens [naam bv 2] afstand te doen van die vordering. Bovendien is die handeling niet gericht tot die holding en kan die holding daar dan ook geen rechten aan ontlenen.

4.9

Dat [naam bv 2] aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] décharge zou hebben verleend en daarmee afstand zou hebben gedaan van ieder recht om hem als bestuurder achteraf nog aan te spreken, is niet relevant. Het gaat in deze zaak immers om de aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] jegens Postco. In die verhouding mist de décharge door [naam bv 2] van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] elke relevantie.

4.10

Ter zake het verweer dat de vordering van Postco op H. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] Holding B.V. wegens de geldlening op grond van het bepaalde in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst is verjaard, geldt het volgende. Anders dan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] stelt, is de verjaringstermijn ten aanzien van de gehele geldlening niet al aangevangen in 2012, op het moment dat de eerste aflossingstermijn verviel doch niet is betaald. Dat in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat in geval van de overschrijding van een betalingstermijn, of van de opeisbaarheid van enige som ter zake van de aflossing, de lening met onmiddellijke ingang opzegbaar is en opeisbaar is, betekent enkel dat Postco in dat geval gerechtigd is, en dus niet verplicht is, (het restant van) de lening ineens in zijn geheel vervroegd op te eisen, noch dat [naam bv 2] van rechtswege gehouden is vanaf dat moment (het restant van) de lening ineens in haar geheel terug te betalen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:308 BW verjaren de afzonderlijke aflossingstermijnen vijf jaar nadat deze opeisbaar zijn geworden, in dit geval voor het einde van iedere maand. Voordat het restant van de vordering uit de lening geheel kan worden geïnd, moet deze, nadat Postco gerechtigd is geworden om over te gaan opzegging en opeising van de lening, vervolgens ook daadwerkelijk worden opgezegd en opgeëist. Pas bij schrijven van 20 september 2018 heeft Postco gesommeerd het restant van de geldlening in haar geheel terug te betalen. Het standpunt van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] vindt derhalve geen steun in het recht.

4.11

Bij brief van 11 september 2015 (productie bij de beslagstukken) heeft Postco [naam bv 2] gewezen op het feit dat zij haar aflossingsverplichtingen uit de leningsovereenkomst niet nakomt en dat op dat moment de betalingsachterstand € 1.000,-- bedraagt (juli en augustus 2015). Voorts is M. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] Holding in die brief gesommeerd en in gebreke gesteld om het bedrag van € 1.000,-- te betalen uiterlijk op 21 september 2015. De inhoud van dit schrijven is door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet betwist. De bedoelde vordering zag, omdat daarvan uitdrukkelijk melding wordt gemaakt, op de betaling van maandtermijnen die toen (nog) achterstallig waren, te weten die van de maanden juli en augustus 2015. De maandtermijnen die sedertdien nog zouden moeten vervallen, zijn nog niet verjaard, nu sedertdien geen vijf jaren zijn verstreken. Niet juist is dan ook het verweer van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] dat de sommatiebrief van 20 september 2018 pas is verstuurd nadat de verjaring al was voltooid. Dat [naam bv 2] toen al een jaar niet meer bestond, betekent, anders dan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] betoogt, evenmin dat Postco Group dus geen vordering meer heeft.

4.12

Naast het vorenstaande faalt het verjaringsverweer ook omdat met de betalingen in 2014 en 2015 aan Postco van € 5.500,- en € 3.500,- [naam bv 2] de schuld heeft erkend in de zin van art. 3:318 BW. Weliswaar zijn die betalingen gedaan door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in persoon, maar uit niets blijkt dat die betalingen vallen binnen het bereik van art. 6:30 lid 1 BW en niet hebben te gelden als een betaling van en door [naam bv 2]

4.13

In randnr. 5 van zijn conclusie van antwoord in conventie heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] aangevoerd dat Postco na de overdracht door [naam bv 2] van de door die Holding gehouden aandelen Postco aan [naam bv 1] , heel goed wist dat [naam bv 2] geen middelen meer had om de schuld aan Postco terug te betalen. Voor zover [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] dit als verweer aanvoert, ziet de rechtbank de relevantie daarvan niet. Voor zover uit deze stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] kan worden afgeleid dat hij impliciet erkent dat hij als bestuurder van [naam bv 2] de leningsovereenkomst heeft gesloten wetende dat deze niet zal worden nagekomen door [naam bv 2] , kan daar in deze instantie aan worden voorbij gegaan. Postco heeft immers aan haar vordering niet ten grondslag gelegd het verwijt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] als bestuurder van [naam bv 2] deze Holding een leningsovereenkomst heeft laten sluiten, wetende dat deze Holding niet zou kunnen voldoen aan de terugbetalingsverplichting.

4.13

Resteert de stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] dat als [naam bv 2] was blijven bestaan, Postco haar vordering niet, in elk geval niet geheel vergoed zou hebben gehad. Het antwoord op de vraag hoeveel van haar vordering Postco in de loop van de tijd had kunnen verhalen op [naam bv 2] , is door ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] niet meer te geven. Dat maakt dat niet te hoge eisen mogen worden gesteld aan het oordeel om aannemelijk te achten dat de vordering verhaald had kunnen worden. Er zijn voldoende feiten waaruit deze mate van aannemelijkheid voortvloeit. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] is ondanks zijn beweerdelijke financiële problemen mede-eigenaar geworden van een woning. Die woning had kennelijk zoveel overwaarde dat na de verkoop daarvan een nieuwe woning is gekocht waarna € 55.000,- overbleef. Dat is namelijk op dit moment het bedrag dat zich in depot bij een notaris bevindt. Van het resterende bedrag is voldoende aannemelijk dat dit in de loop van de nodige jaren had kunnen worden afgelost via maandelijkse betalingen. Verder is [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in staat geweest om (rechtstreeks) € 9.000,- af te lossen. Dit betekent dat de hoofdsom vermeerderd met hetgeen aan rente is gevorderd, voor toewijzing gereed ligt. Daarmee heeft te gelden dat het ten laste van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] gelegde beslag niet onrechtmatig is gelegd, zodat zijn reconventionele vordering moet worden afgewezen.

4.14

Postco heeft gevorderd de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verzetten zich hiertegen omdat er een levensgroot restitutierisico bestaat omdat Postco geen actief meer heeft, maar wel een schuld van € 80.000,-. De hoofdregel is dat een vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt toegewezen. De belangen van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] om van deze hoofdregel af te wijken, zijn niet voldoende groot. Afwijking zou immers alleen al betekenen dat Postco, indien [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in hoger beroep gaan van dit vonnis, geen middelen meer heeft om haar advocaat te betalen en zich dus behoorlijk te verdedigen. Alleen dit al maakt dat niet zal worden afgeweken van de hoofdregel.

4.15

In het conventionele geschil tussen Postco en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] heeft Postco te gelden als in het ongelijk gesteld en dient zij de proceskosten te betalen. Die worden aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] , gelet op de eenvoud van het verweer, begroot op een half punt van het liquidatietarief V.

In het reconventionele geschil tussen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] en Postco heeft Postco ook te gelden als in het ongelijk gesteld en dient zij de proceskosten te betalen. Die worden aan de zijde van begroot op 2 x de helft van liquidatietarief II, in totaal € 563,-.

In het conventionele geschil tussen Postco en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] te gelden als in het ongelijk gesteld en dient hij de proceskosten, inclusief de kosten beslag, te betalen. Die worden aan de zijde van Postco begroot op € 1.386,- aan griffierecht, € 83,38 kosten betekening dagvaarding en € 3.540,- (twee punten tarief V) salaris advocaat en wat de beslagkosten betreft op € 656,- griffierecht, € 1.770,- verzoekschrift en € 301,96 beslagexploten.

In het reconventionele geschil tussen Postco en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ook te gelden als in het ongelijk gesteld en dient hij de proceskosten te betalen. Die worden begroot op 2 x de helft van het liquidatietarief II, in totaal € 563.

5 De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

5.1

wijst af de vordering voor zover ingesteld tegen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] ;

5.2

veroordeelt Postco in de kosten van het geding gevoerd tussen Postco en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] , aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] begroot op € 885,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de tweede dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening;

5.3

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 86.316,00, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 4%, vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 10.357,92, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 4%, vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 1.635,00 (de oude buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de wettelijke rente,

vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

5.6

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen aan Postco € 1.635,00 (de nieuwe buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente,

vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

5.7

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in de kosten van de procedure tussen Postco en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , voor zover gerezen aan de zijde van Postco begroot op € 7.737,34 te vermeerderen met de nakosten, met bepaling dat indien deze (na)kosten niet binnen twee (2) weken na betekening van het vonnis zijn betaald daarover wettelijke rente is verschuldigd, vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

5.8

verklaart de hiervoor gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

5.9

wijst af de vordering van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] tegen Postco;

5.10

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in de kosten van de procedure tussen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en Postco, voor zover gerezen aan de zijde van Postco tot op heden begroot op € 563,-

5.11

verklaart in de procedure tussen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] en Postco dat Postco jegens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] onrechtmatig handelt, c.q. heeft gehandeld;

5.12

veroordeelt in de procedure tussen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] en Postco Postco tot volledige vergoeding van de schade aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] , welke aan het onrechtmatig handelen van Postco is toe te rekenen;

5.13

verwijst de zaak tussen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] en Postco naar de schadestaatprocedure teneinde de schadevergoeding te doen opmaken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.14

veroordeelt Postco in de procedure tussen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] en Postco in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 2] tot op heden begroot op € 563,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 2e dag na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige voldoening.

5.15

verklaart de veroordelingen in 5.10, 5.12, 5.13 en 5.14 uitvoerbaar bij voorraad;

In conventie en reconventie:

5.16

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature