< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

fraude/witwassen

Uitspraak



RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702588-12

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 januari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. D. Nieuwenhuis, advocaat kantoorhoudende te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 12, 14, 19, 20, 27 en 29 november 2018. Op 15 januari 2019 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, die ter terechtzitting is gewijzigd, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met anderen postzegels heeft nagemaakt of vervalst;

Feit 2: al dan niet samen met anderen valse postzegels heeft gebruikt, te koop aangeboden, afgeleverd of in voorraad heeft gehad;

Feit 3: al dan niet samen met anderen natuurlijke- of rechtspersonen heeft opgelicht door hun valse postzegels te verkopen;

Feit 4: zich al dan niet samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen;

Feit 5: al dan niet samen met anderen Aegon Schadeverzekering N.V. heeft opgelicht;

Feit 6: deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die onder meer tot oogmerk had het namaken of vervalsen van postzegels.

3 De voorvragen

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft dit verweer ter terechtzitting al verworpen, nu wel sprake is van een overschrijding, maar deze niet leidt tot niet-ontvankelijkheid. De rechtbank zal hier in dit vonnis daarom niet verder op ingaan.

Er zijn ook geen andere omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is verder gebleken dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is en er geen gronden voor schorsing van de vervolging zijn.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van feit 5 (het medeplegen van het oplichten van verzekeraar Aegon).

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte samen met anderen op grote schaal valse postzegels heeft verkocht. Die valsheid van de postzegels is vastgesteld door meerdere deskundigen. De verdachte heeft de valse zegels zelf geproduceerd en vervolgens in het verkeer gebracht door deze via verschillende sites aan te bieden en te verkopen (feiten 1 en 2).

Nietsvermoedende klanten bestelden via deze sites postzegels in de veronderstelling dat de zegels echt waren. De zegels die geleverd werden bleken echter vals te zijn. Door via de sites voor te spiegelen dat er echte zegels verkocht werden, heeft de verdachte zijn klanten opgelicht (feit 3).

Verder is de officier van justitie van mening dat de verdachte met de verkoop van valse zegels minimaal € 1.704.774,- heeft verdiend. Dat illegaal verkregen geld heeft hij witgewassen (feit 4).

Tot slot concludeert de officier van justitie dat de verdachte bij het plegen van voornoemde misdrijven structureel heeft samengewerkt met anderen en daarom deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie (feit 6).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat er geen sluitend bewijs is dat de door de verdachte verkochte zegels vals waren. Door deskundigen wordt wel geconcludeerd dat de bij verschillende afnemers in beslag genomen zegels vals waren, maar de verdediging trekt dit in twijfel, nu geen sprake is geweest van onafhankelijke deskundigen. In de visie van de verdediging heeft iedere deskundige die in deze zaak heeft gerapporteerd op de een of andere manier een link met PostNL. PostNL had er een groot belang bij dat de uitkomst van het onderzoek zou uitwijzen dat de zegels die door de verdachte werden verkocht vals waren.

Voor het geval de rechtbank wel waarde zal hechten aan de uitkomsten van de onderzoeken door de deskundigen, ontbreekt het bewijs in het dossier dat de verdachte degene is geweest die de valse zegels heeft geproduceerd. Bovendien ontbreekt in het dossier het bewijs voor de wetenschap van de verdachte dat de zegels vals zouden zijn, wat maakt dat hij niet veroordeeld kan worden voor de feiten 2 en 3.

De verdachte stelt de zegels legaal ingekocht en weer doorverkocht te hebben. Er is dan dus ook geen criminele winst geweest die is witgewassen, zodat de verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken. Er kan eventueel nog wel geld zijn witgewassen, maar dan alleen omdat de verdachte heeft nagelaten de opbrengst uit de handel in zegels fiscaal te verantwoorden. Ten aanzien van de vraag of belastingfraude als gronddelict voor het witwassen kan worden beschouwd, heeft de raadsman zich daarom gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. In dat geval dient het witgewassen bedrag veel lager te zijn dan het bedrag waarvan de officier van justitie uitgaat.

Voorts stelt de raadsman dat er geen sprake van is geweest dat de verdachte de werkelijke aard, herkomst vindplaats e.d. van het geld heeft verhuld of verborgen. Om dit te kunnen bewijzen moet sprake zijn van een reeks van handelingen, wat in deze zaak niet het geval is. Voor alle bedragen door de officier van justitie genoemd heeft de verdachte een aannemelijke verklaring.

Ten aanzien van de oplichting van Aegon (feit 5) stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen bewijs in het dossier voorhanden is van betrokkenheid van de verdachte bij dit feit.

Ook voor deelname aan een criminele organisatie (feit 6) ziet de verdediging geen bewijs, gelet op voorgaande verweren. Bovendien, als al sprake zou zijn geweest van criminele activiteiten, dan moet tussen de verdachten een samenwerkingsverband hebben bestaan met een bepaalde structuur en duurzaamheid. Aan dit criterium is echter in deze zaak bij lange na niet voldaan, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding

Naar aanleiding van meldingen uit het midden- en kleinbedrijf dat er valse postzegels in omloop waren, heeft PostNL in 2011 een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek bleek PostNL dat er op grote schaal valse postzegels in het verkeer waren gebracht. Het onderzoek leidde naar diverse personen en bedrijven. PostNL heeft aangifte gedaan en de zaak is vervolgens door de politie onderzocht. Dit heeft geleid tot de vervolging van de verdachte en zes andere personen, onder wie familieleden van de verdachte.

Kern van het verwijt is dat de verdachte postzegels heeft gedrukt en dat hij die in omloop heeft gebracht. Alleen PostNL mag postzegels (laten) maken die gebruikt kunnen worden voor haar diensten. De zegels worden in opdracht van PostNL gedrukt. De verdachte heeft nooit zo’n opdracht van PostNL gehad.

De verdachte heeft niet betwist dat hij bedrijfsmatig postzegels heeft aangeboden via verschillende sites. Klanten hebben die zegels besteld en geleverd gekregen. Ook staat niet ter discussie dat de handel in zegels de verdachte geld heeft opgeleverd. Vanaf januari 2009 ontving de verdachte ruim 1,8 miljoen euro aan betalingen van klanten, op een rekening van de rechtspersoon [naam bv 1] van waaruit hij zijn onderneming in postzegels exploiteerde.

De verdachte houdt echter vol dat hij geen zegels heeft gedrukt. Hij heeft geen nagemaakte en dus valse zegels in omloop gebracht. Alle verwijten die voortvloeien uit het kernverwijt, zoals oplichting, witwassen en lidmaatschap van een criminele organisatie zijn onterecht, aldus de verdachte.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er voldoende bewijs is voor vier van de zes verwijten aan het adres van de verdachte: de zegels die hij verkocht heeft, zijn vals en dat wist de verdachte. Door die als echt te verkopen heeft hij klanten opgelicht en de opbrengst heeft hij witgewassen. Er is ook sprake van medeplegen en van een criminele organisatie, zij het dat die zich beperkt tot twee personen, waar de officier van justitie uitgaat van vier.

De rechtbank kan niet buiten gerede twijfel vaststellen dat de verdachte de valse zegels zelf gedrukt heeft of dat hij dat samen met anderen heeft gedaan. Dat levert vrijspraak op van feit 1. Feit 5, de oplichting van Aegon, heeft niets te maken met valse postzegels. Voor een aandeel van de verdachte bij dit feit ontbreekt het bewijs en dit leidt tot vrijspraak voor dit verwijt.

De rechtbank zal hierna eerst de bewijsmiddelen weergeven die het onderzoek van PostNL, de politie en deskundigen heeft opgeleverd. Naar de vindplaatsen wordt in de eindnoten verwezen. Uit de bewijsmiddelen zal de rechtbank conclusies trekken voor de feiten 1 en 2. Daarna komen de overige feiten aan de orde.

Omdat er nogal wat personen, B.V.’s en ondernemingen in het dossier voorkomen, begint de rechtbank met een kort “who is who”.

4.3.2

Het onderzoek en de betrokken (rechts)personen

Naar aanleiding van meldingen uit het midden- en kleinbedrijf dat er valse postzegels in omloop waren, heeft PostNL een onderzoek ingesteld. Hieruit bleek dat er valse zegels waren verzonden vanuit ondernemingen die gelieerd waren aan de rechtspersoon [naam bv 1] (hierna [naam bv 1] ). De zegels waren te bestellen via de website van [naam bv 1] : [naam website 1] (hierna [naam website 1] ). Men kon via deze website tegen een lager tarief dan bij PostNL postzegels bestellen. De verdachte stond sinds 28 september 2011 geregistreerd als enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bv 1] . Voor die tijd werd deze rechtspersoon bestuurd door een persoon genaamd [medeverdachte 2] , medeverdachte in dit dossier.

Uit het onderzoek bleek dat [naam bv 1] samenwerkte met de onderneming [naam bv 2] . Dit was een bedrijf in postzegels en munten. De medeverdachte [medeverdachte 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van de rechtspersoon die deze onderneming dreef. [medeverdachte 1] had ook nog een eenmanszaak met de naam [naam eenmanszaak] . [medeverdachte 1] had meer B.V.’s, met de handelsnamen [naam bv 3] / [naam bv 4] en [naam bv 5]

Niet alleen via de site [naam website 1] , maar ook via verschillende affiliate sites kon men tegen een lager tarief postzegels bestellen. Wederverkopers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] beheerden twee van deze affiliate sites. [benadeelde 1] beheerde de website [naam website 2] en [benadeelde 2] beheerde de website [naam website 3] . [naam bv 1] / [naam website 1] verzorgde de verzending en de financiële afhandeling van de zegels en [benadeelde 2] en [benadeelde 1] ontvingen een commissie van 10%. [benadeelde 2] had een bedrijf genaamd [bedrijfsnaam 1] te Utrecht en [benadeelde 1] had een webshop genaamd [bedrijfsnaam 2] .

4.3.3

Bewijsmiddelen, deel 1: Het onderzoek van PostNL en de aangifte door PostNL

Op 9 december 2011 deed aangever [naam security officer] , werkzaam als security officer, namens PostNL aangifte van de verkoop van valse postzegels, die via meerdere sites te koop werden aangeboden aan met name het midden- en kleinbedrijf. PostNL is door het midden- en kleinbedrijf in het bezit gesteld van deze vermoedelijk valse zegels. PostNL heeft de zegels laten onderzoeken door H.W. van der Vlist, deskundige op het gebied van filatelie. Hij heeft geconcludeerd dat het telkens een combinatie betrof van echte en valse zegels.

Naast het onderzoek naar de valsheid deed PostNL onderzoek naar de herkomst van de valse zegels. De zegels werden aangeboden op sites waar men postzegels kon kopen voor een aanzienlijk lager tarief dan bij PostNL gehanteerd werd. De sites waren onderling vergelijkbaar: ze gebruikten dezelfde voorbeelden van postzegels. Vanuit twee plaatsen kon besteld worden: Utrecht en Sittard.

Het ging voornamelijk om [naam website 1] en andere affiliate sites. [naam website 1] was gelieerd aan de rechtspersoon [naam bv 1] , waarvan een persoon genaamd [verdachte] vanaf 28 september 2011 enig aandeelhouder en bestuurder was. PostNL heeft daarop een bestelling gedaan op de site [naam website 1] en heeft postzegels ontvangen. Het bleek weer om een combinatie te gaan van echte en valse zegels.

In december 2011 plaatste PostNL nog een bestelling bij de affiliate site [naam website 3] . Bij de bevestiging van deze bestelling stond het e-mailadres van [benadeelde 2] .

Ook nu bleek het weer te gaan om een combinatie van echte en valse zegels, die aan de kernmerken voldeden zoals deskundige Van der Vlist aan de hand van de eerste controle al had omschreven.

Tevens heeft PostNL diverse controles uitgevoerd in verschillende sorteercentra. Bij die controles kwam naar voren dat gebruik werd gemaakt van dezelfde vervalsingen met dezelfde waardes: telkens zegels van 44 eurocent (Van Halemzegel), 1 en 3 euro (Beatrixzegels) en zegels van de Struycken serie van onder andere 6,50 en 7 gulden (Beatrixzegels).

In de nacht van 7 op 8 december 2011 is een groot aantal zendingen opgehouden in sorteercentra, afkomstig van de verschillende websites, zoals hiervoor genoemd.

In een van de enveloppen zat voor meer dan € 1.000,- aan valse postzegels. Ook de envelop zelf was gefrankeerd met valse zegels. Deze waren aangebracht op stickers.

In de nacht van 8 op 9 december 2011 werden 59 poststukken aangetroffen, afkomstig van een van de sites. Dit bleek uit de gegevens van de afzender. Ook op deze 59 enveloppen zat telkens een sticker met daarop valse postzegels.

Vervolgens zijn medewerkers van PostNL op 9 december 2011 naar het adres [adres 1] in Sittard gegaan. Uit het onderzoek was namelijk gebleken dat in augustus 2011 bij PostNL door klant [naam bv 1] met het adres [adres 2] 250 verzendbiljetten voor pakketten werden aangevraagd. Bij de bestelling was echter een ander afleveradres opgegeven: [adres 1] in Sittard. De medewerkers van PostNL constateerden dat hier het bedrijf [naam bv 2] gevestigd was, een postzegel- en muntenhandel. Verwezen naar een kantoortje achterin het pand werden de medewerkers van PostNL te woord gestaan door een man die hun uiteindelijk stickervellen met postzegels overhandigde, samen met een zogenaamde transportbon en factuur op naam van [naam bv 2] . Het bedrag dat hiervoor betaald moest worden, kon overgemaakt worden.

Bij de aangetekende stukken die van de verdachte sites afkomstig waren, trof PostNL op 8 en 12 december 2011 vier aangetekende stukken aan van [naam bv 2] uit Sittard. Op deze poststukken werd als frankering ook een stickervel met valse postzegels aangetroffen. De firma [naam bv 2] was, zoals hiervoor omschreven, naar voren gekomen als afleveradres voor bestellingen van [naam bv 1] bij PostNL.

Na 12 december 2011 bleek dat nagenoeg geen aangetekende stukken meer werden ontvangen op het sorteercentrum die herkenbaar waren aan het adres van de afzenders van de verdachte sites of aan het gebruik van stickers met valse postzegels.

Op 15 december 2011 werd namens PostNL Security een bestelling geplaatst bij [naam website 1] . Twee dagen later werd de bestelling ontvangen: op de stickervellen bleken wederom telkens de kenmerkende valse postzegels te zitten, telkens in combinatie met 1 of 2 echte zegels van een lage waarde. Bij deze zending was het opmerkelijk dat geen gebruik meer werd gemaakt van een frankering met valse zegels, maar dat de envelop waarin de stickervellen zich bevonden voorzien was van een zogenoemde digitale postzegel. Deze digitale zegel was gekoppeld aan de klant van PostNL: [verdachte] van [naam bv 1] .

In het sorteercentrum voor aangetekende stukken in Arnhem werden op 16 december 2011 twee zendingen achterhaald, verzonden door [naam bv 1] , waarop stickers zaten met valse zegels. Een van deze zendingen was geadresseerd aan [naam bv 2] aan de [adres 1] in Sittard.

Civiel beslag

Vervolgens werd op 19 december 2011 namens PostNL civiel beslag gelegd op verschillende plaatsen, zo ook bij het bedrijf [bedrijfsnaam 1] van [benadeelde 2] in Utrecht, bij [naam bv 1] en bij [naam bv 2] in Sittard.

Bij [bedrijfsnaam 1] in Utrecht werden stickervellen aangetroffen met merendeels valse postzegels en lege enveloppen met valse zegels. Op een deel van deze enveloppen stond als afzender [naam website 3] , [naam bv 1] in Sittard.

Bij [naam bv 2] werden 77 enveloppen met aan [naam bv 2] retour gezonden post aangetroffen met daarop valse zegels van 44 eurocent en 107 reclamefolders van [naam bv 2] met daarop valse postzegels van 44 eurocent, 3 enveloppen van [naam bv 4] met daarop valse postzegels van 44 eurocent en 4 valse postzegels van 0,44 euro, 7 gulden, 6,50 gulden en 2 gulden.

Aangever [naam security officer] en zijn collega [naam collega] van PostNL brachten op 21 december 2011 een bezoek aan [benadeelde 2] . [benadeelde 2] verklaarde tegenover hen dat hij via [benadeelde 1] in contact is gekomen met [naam website 1] , [naam bv 1] en [verdachte] . [verdachte] had voor [benadeelde 1] reeds een affiliate site geregistreerd en heeft vervolgens hetzelfde voor [benadeelde 2] gedaan. [benadeelde 1] kreeg de site [naam website 2] en [benadeelde 2] [naam website 3] . Zij kregen van [naam website 1] hiervoor ieder 10% commissie over de verkopen. Ook verklaarde [benadeelde 2] dat [verdachte] ook andere affiliate sites had opgezet, namelijk: [naam website 4] , [naam website 5] , [naam website 6] , [naam website 7] , [naam website 8] .

In de periode van 19 tot en met 23 januari 2012 werden in diverse sorteercentra voor brieven nog 16 poststukken aangetroffen met valse zegels.

Strafrechtelijk beslag

In het strafrechtelijk onderzoek is later een doorzoeking geweest in de woning/verblijfplaats van de verdachte aan de [adres 3] in Keulen in Duitsland. Daar werd een aantal foto’s aangetroffen op één van zijn computers. Eén van de foto’s toont vier stickervellen, waaronder één stickervel met daarop postzegels met de waarde 44 eurocent en een onbekende waarde (Beatrixzegels).

Door [naam bv 2] zijn niet alleen op 9 december 2011 aan de medewerkers van PostNL stickervellen verkocht, zoals hiervoor vermeld. [naam bv 2] deed dit vaker. In de op 8 en 12 december 2011 bij de controle aangetroffen vier aangetekende stukken van [naam bv 2] werden ook namaakzegels aangetroffen, die [naam bv 2] aan vier klanten had verzonden (gefrankeerd met valse zegels).

Een medewerker van [naam bv 2] , [benadeelde 14] , heeft verklaard dat [naam bv 2] ook een eigen verkoop had van stickervellen. [naam bv 2] deed dat voor een kleine groep klanten in de regio. Het ging om andere aantallen dan bij [naam website 1] . Het was veel kleiner van opzet.

Een andere medewerkster, [getuige 1] , verklaarde dat zij stage liep bij [naam bv 2] en dat [naam bv 2] postzegels op stickervellen verkocht aan [naam website 1] . Het waren postzegels die op stickervellen geplakt waren. Zij heeft geholpen met het plakken van stickers, maar ze kregen ook vaker al complete stickervellen met daarop al postzegels geplakt. Zij weet niet waar die vandaan kwamen. In haar herinnering nam [medeverdachte 1] die zelf mee. Ze heeft weleens gezien dat [medeverdachte 1] complete stickervellen met postzegels uit zijn tas haalde.

Verder hebben klanten van [naam bv 2] naar aanleiding van de civiele zaak die PostNL tegen [medeverdachte 1] heeft aangespannen, zegels retour gestuurd. Dit betreft een verkoop van twee vellen met stickers. Deze verkoop moet gelet op de datering van de begeleidende brief van de klant voor 1 januari 2012 hebben plaatsgevonden. Nog drie andere klanten van [naam bv 2] hebben zegels retour gestuurd.

Valsheid zegels: deskundigenonderzoeken

Door verschillende deskundigen op het gebied van filatelie zijn de inbeslaggenomen zegels onderzocht.

Als eerste heeft deskundige H. van der Vlist, in opdracht van PostNL, onderzoek gedaan naar de zegels die door klanten aan PostNL waren overhandigd en die hem ter hand werden gesteld.

De zegels die hij heeft onderzocht, waren geplakt op een adresstrook en vermeldden de volgende waardes: 1 euro, 3 euro, 6,50 gulden, 7 gulden en 44 eurocent. Van der Vlist heeft in zijn rapport van 21 november 2011 vermeld dat hij de valsheid aan de hand van een aantal criteria heeft vastgesteld, namelijk druktechniek, beeldopbouw, inktkleuren, wijze van perforatie, papiersoort, gomsoort en reactie onder UV-licht. Hij concludeerde dat op de adresstroken naast voornoemde valse zegels ook echte zegels waren bij gefrankeerd (onder andere van 2 cent).

Van der Vlist verklaarde in zijn verhoor dat de zegels vals waren en dat deze in groten getale zijn aangemaakt. Gelet op de manier van drukken, het vervaardigen en het slitsen vergt dit een dermate grote investering dat men dat niet zomaar even kan doen. Ter illustratie gaf Van der Vlist aan dat een slitsvorm € 1.500,- kost en een perforatievorm € 10.000,- tot € 15.000,-.

Deskundige M.H.M. van Eert is op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris benoemd om onderzoek te doen aan de postzegels. De zegels die hij heeft onderzocht waren afkomstig van de diverse sorteercentra en van gedupeerden die de zegels via internet hadden aangeschaft. Van Eert heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de karakteristieken die aanwezig zouden moeten zijn, uitgaande van de originele zegels, ontbreken bij de onderzochte zegels. Hij heeft afwijkingen geconstateerd bij de druktechniek, de kleuren en de aanstraling onder UV-licht. Bij al de hem aangeboden documenten (zegels van 0,44 eurocent, 1,50 gulden, 2 gulden, 2,50 gulden, 6,50 gulden en 7 gulden en 1 en 3 euro) zijn valse zegels gebruikt van eenzelfde origine. Gelet op de productiemethode en de kwaliteit van de zegels mag worden uitgegaan van een aanzienlijke partij.

Omdat het een dusdanig grote hoeveelheid te onderzoeken zegels betrof, heeft opsporingsambtenaar [verbalisant 1] onderzoek gedaan aan een groot aantal bij de benadeelden inbeslaggenomen zegels aan de hand van de instructie die hij had ontvangen van deskundige Van Eert. Van Eert heeft hierbij verbalisant [verbalisant 1] gewezen op de glanslaag die over het hele zegelbeeld te zien was, de tanding van de namaakzegels (wel of geen scheurschade) en de wijze waarop de inkt zich op de zegel bevond door de offsetdruktechniek. Verbalisant [verbalisant 1] heeft aan de hand van deze criteria vastgesteld dat het in bijna alle gevallen ging om valse zegels. Het ging hierbij voor het merendeel om dezelfde waardes.

In opdracht van de rechtbank van 13 mei 2014 zijn de inbeslaggenomen zegels steekproefsgewijs onderzocht door deskundige A. Christie van Walsall Security Printers Limited en door deskundigen J. Vos en O. Postmus van Joh. Enschedé Banknotes. Deze drukkers hebben in opdracht van PostNL (en/of haar voorgangers) de typen postzegels vervaardigd waarvan blijkens het onderzoek valse versies in omloop waren.

Deskundige Christie verklaart dat Walsall voor PostNL Beatrixzegels van 1 en 3 euro heeft gedrukt. Geen van de voorbeeldzegels die hem ter beschikking zijn gesteld zijn echter gedrukt door Walsall. Hij gelooft ook niet dat die zegels gedrukt zijn bij een andere, erkende leverancier van PostNL en is er daarom zeker van dat ze zijn vervalst (de rechtbank begrijpt dat hiermee de juridische term vals wordt bedoeld). Na vergelijking met de door de politie voorgelegde voorbeeldzegels zijn de volgende afwijkingen geconstateerd:

het kenmerkende cellulaire drukpatroon en de inktdichtheid van de gedrukte elementen komen niet overeen,

de schaduwen en kleuren van de gedrukte afbeeldingen komen niet overeen,

op de verdachte zegels is geen fosforinkt gebruikt en

de vorm, kwaliteit en consistentie van de gestanste perforaties zijn allemaal verschillend.

Deskundigen Vos en Postmus van Joh. Enschedé hebben toegang gekregen tot een representatief deel (opgenomen in 4 mappen) van de ongeveer 200.000 inbeslaggenomen postzegels.

Dit waren zegels met de eerder genoemde waardes: 1,50 gulden, 2 gulden, 2,50 gulden, 6,50 gulden, 7 gulden en de 44 eurocent Van Halemzegel. Zij concluderen dat de zegels op essentiële punten afwijken van de originele, door Joh. Enschedé gedrukte zegels. Dit concluderen zij na onderzoek naar de manier van drukken, het papier waarop ze gedrukt zijn, de tanding, de afbeelding op de zegels, de lijnen en de fosforlaag. Deze postzegels zijn nooit door derden gedrukt. Zij concluderen dat deze zegels niet door hen gedrukt zijn.

4.3.4

Overwegingen en conclusies van de rechtbank en het verweer van de verdediging omtrent de valsheid

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er wettig bewijs voorhanden is dat op grote schaal valse postzegels geleverd zijn door de verdachte via de sites die hij daarvoor had geregistreerd. Ook door [naam bv 2] , het bedrijf van [medeverdachte 1] , zijn volgens dit bewijs valse zegels geleverd. De rechtbank vindt dit bewijs niet alleen voldoende, maar ook overtuigend. Zij ziet geen reden het bewijs voor de valsheid terzijde te stellen en het verweer van de raadsman te volgen. De rechtbank overweegt als volgt.

De raadsman en de verdachte hebben de volgende punten aangevoerd. Voornoemde deskundigen zijn niet onafhankelijk omdat zij door PostNL zijn ingeschakeld of voor PostNL zegels drukken. Alle deskundigen zijn dus op een of andere manier verbonden met PostNL en hadden daarmee belang bij de conclusie dat de zegels vals waren. Bovendien hebben de deskundigen van de drukkerijen, Christie, Vos en Postmus, niet geconcludeerd dat de zegels vals waren, maar alleen aangegeven dat deze niet bij hen zijn gedrukt. De zegels kunnen dus evengoed bij andere drukkers vandaan gekomen zijn die voor PostNL werkten. Daar komt nog bij dat het economisch belang van PostNL bij de uitkomst van het deskundigenonderzoek heel groot was. Deze zaak heeft er immers mede toe geleid dat met ingang van 1 november 2013 alle guldenzegels ongeldig zijn verklaard door PostNL. Het voordeel dat PostNL hiermee heeft gehad is aanzienlijk en een geduchte tegenspeler op de postzegelmarkt, de verdachte, heeft men zo effectief uitgeschakeld, aldus de verdediging.

Verder heeft de verdediging de criteria in twijfel getrokken op basis waarvan de valsheid door de deskundigen is vastgesteld: het al dan niet ontbreken van een fosforlaag, de wijze van perforatie en de gebruikte druktechniek (offset in plaats van diepdruk). Er zijn namelijk door PostNL en/of haar rechtsvoorgangers zegels in omloop gebracht zowel met als zonder fosforlaag, de perforatie is ook bij echte zegels niet altijd hetzelfde en de zegels zijn in opdracht van PostNL of haar rechtsvoorgangers niet alleen in diepdruk geproduceerd, maar ook in offset. De criteria kunnen dus geen stand houden, aldus de verdediging.

Tot slot kan de verdediging zich niet verenigen met de conclusies die verbalisant [verbalisant 1] heeft getrokken, met name gelet de manier waarop hij zijn onderzoek heeft uitgevoerd (enkel en alleen met een loep, terwijl volgens andere deskundigen de valsheid niet zo valt waar te nemen). Ook zijn conclusies kunnen geen stand houden, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt het verweer. Zij heeft geen aanwijzingen dat de deskundigen partijdig zouden zijn of dat zij belang zouden hebben bij de conclusie dat de zegels vals waren. Dat is een stelling die wel is opgeworpen, maar die niet aannemelijk is gemaakt. De deskundigen hebben hun deskundigheid genoegzaam onderbouwd. Van Eert is bovendien niet door PostNL ingeschakeld, maar door de rechter-commissaris.

De deskundigen van de twee drukkerijen hebben met de (negatieve) beantwoording van de vraag of zij de voorgelegde zegels hebben gedrukt ook uitgebreid gemotiveerd waarom de zegels vals waren. Zij hebben daarbij ook vermeld dat het niet aannemelijk is dat deze zegels door een andere drukker in opdracht van PostNL zijn gedrukt. Hun rapporten vullen de bevindingen van de andere deskundigen aan en dragen dus ook bij aan het bewijs van de valsheid.

Verbalisant [verbalisant 1] tot slot heeft de zegels onderzocht na instructie van specialist Van Eert. [verbalisant 1] heeft afwijkingen geconstateerd aan de hand van het onderzoek dat hij heeft verricht op de manier die hem is opgedragen. Telkens heeft [verbalisant 1] in zijn processen-verbaal vermeld dat de zegels beschikbaar waren voor nader onderzoek, voor contra-expertise. Nimmer heeft de verdediging gevraagd om zo’n onderzoek. De rechtbank ziet dus niet in waarom de processen-verbaal van [verbalisant 1] buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten.

Verder is van belang dat alle deskundigen niet op basis van één enkel kenmerk concluderen dat de zegels vals waren, maar telkens op basis van meerdere kenmerken. De bevindingen van de deskundigen komen overeen: bij ieder onderzoek worden de zegels op meerdere fronten vals bevonden.

Daar kan niet aan afdoen dat er bijvoorbeeld van de 44 cent zegels ook een speciale versie in omloop is gebracht die in offset is gedrukt zoals de verdediging heeft aangevoerd omdat de aangetroffen 44 cent zegels alle ook nog andere kenmerken van valsheid hadden. Zo vertoonden de in het onderzoek aangetroffen zegels van [naam website 1] en [naam bv 2] volle grijze lijnen in de achtergrond in plaats van rasters. Zowel Van der Vlist als Van Eert hebben dit verschil ten opzichte van de originele zegels waargenomen.

Ook een ander argument van de verdediging snijdt geen hout. Volgens de verdediging is het ontbreken van scheurschade bij de zegels die de verdachte verkocht geen kenmerk van valsheid. De zegels die geperforeerd werden uitgebracht door PostNL werden volgens de verdediging niet altijd door de gebruiker of verzamelaar afgescheurd maar dikwijls afgesneden. Daaruit concludeert de verdediging dat er veel zegels in omloop zijn geweest die netjes losgesneden waren, zodat het geconstateerde kenmerk op het punt van tanding en perforatie (geen scheursporen) niet mee mag tellen.

De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij neemt wel aan dat er frankeergeldige zegels in omloop zijn geweest die zijn losgesneden in plaats van losgescheurd, maar dat kan de verdachte niet baten, net als het gegeven dat er een editie van de 44 cent zegel is geweest die in offset was gedrukt. In dat geval namelijk hadden de in het onderzoek aangetroffen zegels meer variatie op die punten moeten laten zien, gelet op de stelling van de verdachte dat hij de zegels uit diverse inkoopkanalen gedurende vele jaren vanaf eind jaren 90 vergaard had (van veilingen, particulieren/verzamelaars, van bedrijven en uit faillissementen). Die variatie was er niet, want de aangetroffen zegels waren alle onbeschadigd (niet gescheurd), alle in offset gedrukt en hadden duidelijk eenzelfde productiewijze. En zoals gezegd, de zegels vertoonden op (nog) meer fronten kenmerken van valsheid, waaronder ook een afwijkende vorm van perforatie (ondiepe inkepingen). De conclusie dat zij vals waren, blijft dus overeind.

De verdachte voelt zich, zo bleek ter terechtzitting, het slachtoffer van een complot tussen PostNL, de deskundigen en de politieambtenaar, die dan dus kennelijk hun bevindingen op elkaar moeten hebben afgestemd om PostNL van dienst te zijn. PostNL zou zo niet alleen een concurrent hebben uitgeschakeld, maar vervolgens ook deze zaak hebben aangegrepen om aanzienlijk financieel voordeel te kunnen halen door de guldenzegels vanaf 1 november 2013 niet meer als geldig frankeermiddel te accepteren. De rechtbank heeft voor dit alles geen enkele aanwijzing. In de uitspraak van de civiele rechter dienaangaande is juist uitgemaakt dat PostNL zich niet verrijkt heeft door de guldenzegels af te schaffen en dat PostNL goede argumenten had voor haar beslissing, waaronder het argument dat de oude zegels makkelijker konden worden nagemaakt dan de nieuwere zegels. Dat was niet de enige reden. In de strafzaak heeft de verdediging niet kunnen onderbouwen waarom de rechtbank nu een andere conclusie zou moeten trekken.

8 typen zegels

Wat verder opvalt en de overtuiging sterkt is het volgende. Het ging bij de controles van PostNL steeds om het aantreffen van dezelfde 8 typen zegels: zegels van waardes 1,50 gulden, 2 gulden, 2,50 gulden, 6,50 gulden en 7 gulden en 1 en 3 euro, met telkens dezelfde afbeelding van Beatrix en om de zegel met strepenpatroon van 0,44 eurocent (zakelijke Van Halemzegels). Gelet op de productiewijze moet het om een aanzienlijke partij zijn gegaan en aangenomen mag worden – zie ook het deskundigenbericht van Van der Vlist – dat deze valse zegels uit één bron kwamen.

Op de aangetroffen stickervellen is een duidelijk patroon te herkennen voor de wijze waarop de zegels moesten worden aangebracht. Dit leidt de rechtbank af uit het uiterlijk van de in het dossier opgenomen afbeeldingen van de stickervellen en de instructie op een vel zegels uit het beslag bij de verdachte: een handgeschreven instructie in de Duitse taal dat enkele plekken vrijgelaten moesten worden naast de Beatrix- en Van Halemzegels. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij opdracht heeft gegeven tot het maken van de onderhavige stickers en stickervellen. Het is dus zijn instructie geweest die is aangetroffen.

Het gaat iedere keer om een reeks van de voornoemde valse zegels waarbij steeds één specifieke plek over is bedoeld voor een echte zegel van een lage waarde, zoals van twee eurocent, de zogenaamde bijplakzegel. Deze 2 centzegel werd geplakt bij de valse

44 centzegel, opdat een geldend tarief voor verzending werd bereikt: in 2011 was dat

46 eurocent voor gewone brieven. Het tarief voor pakketten was € 6,75. Op de instructie staat dan vermeld dat op de vrije plekken zegels van 45 of 75 cent moeten komen.

Die bijplakzegels hebben vervolgens een uiterlijk dat juist sterk varieert (bijvoorbeeld van de serie Vier Jaargetijden of kinderpostzegels). Dit patroon van echte en valse zegels is dus doelbewust gekozen.

Het kan voor de rechtbank niet anders zijn dan dat die keus verband houdt met de manier waarop PostNL de zegels afstempelde. De postverwerkingsmachines van PostNL reageren namelijk op de opgedrukte fosforescerende of fluorescerende balk of in papier aangebrachte strijklaag. Door de toegevoegde stof, die bij de valse zegels ontbrak, kon de machine de plaats bepalen waar een stempel moest komen. PostNL controleerde de zegels dus op echtheid, maar controleerde niet alle zegels: slechts 1 zegel per pakket/envelop op 1 specifieke plek op het poststuk volstond om de zending door te laten. Dit was bij veel filatelisten bekend.

Als het zo zou zijn geweest dat de verdachte over vele jaren vanaf eind jaren 90 tot en met 2011 vanuit vele verschillende kanalen had ingekocht zoals hij zelf zegt, dan waren er niet op de onderhavige schaal valse zegels aangetroffen van hetzelfde type met dezelfde valsheidskenmerken en met iedere keer dezelfde manier van aanbrengen op stickers. Dan had daar veel meer variatie in te zien moeten zijn. De beweerdelijke inkoop van al de aangetroffen zegels via verschillende kanalen vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk. De modus operandi van de bedenker dan wel maker van de stickers, de verdachte dus, is er op gericht geweest controle te omzeilen en ontdekking van zijn valse praktijk te voorkomen.

De rechtbank stelt dan ook niet alleen vast dat het ging om valse postzegels, maar dat het gelet op de modus operandi ook niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de valsheid. Hij heeft dus met opzet valse postzegels te koop aangeboden en verkocht, zoals ten laste is gelegd bij feit 2. Dat feit zal de rechtbank dan ook bewezen verklaren. Op het medeplegen komt de rechtbank terug in paragraaf 4.3.6.

4.3.5

Wie heeft de valse zegels gemaakt? Vrijspraak

Vervolgens is de vraag of de verdachte de valse zegels zelf heeft geproduceerd (zoals onder feit 1 ten laste is gelegd) of dat hij alleen gebruik heeft gemaakt van de valse zegels door deze te verhandelen (zoals onder feit 2 ten laste is gelegd en hiervoor is besproken).

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte in november 2011 heeft geïnformeerd naar een offsetdrukmachine waarmee postzegels gedrukt kunnen worden, dat hij in 2010 stansplaten heeft gekocht die ingebouwd kunnen worden in een drukmachine om de zegels te stansen en dat hij speciale inkt gekocht heeft. Dat duidt er op dat de verdachte plannen had om zelf zegels te gaan drukken. Tot een concrete levering van de beoogde machine is het echter niet gekomen. De enkele interesse voor die machine van de verdachte levert daarom voor de rechtbank geen bewijs op dat hij in november 2011 of al eerder een drukmachine had waarmee hij de aangetroffen valse zegels zelf heeft gedrukt en gestanst.

Van de in het onderzoek betrokken modellen van de stansplaten is er één in verband te brengen met de aangetroffen valse zegels. Daarmee is echter niet gezegd wie die plaat feitelijk heeft gebruikt en wanneer dat is geweest. Dat de verdachte zelf de plaat feitelijk heeft gebruikt om valse zegels te maken, kan op basis van dit enkele verband niet worden vastgesteld. Het is voor de rechtbank hooguit aannemelijk dat hij de valse zegels heeft laten produceren en de desbetreffende drukker van de benodigde stansplaten heeft voorzien. Een verdergaande conclusie laat het dossier niet toe. De rechtbank is, in tegenstelling tot de officier van justitie, van oordeel dat voornoemde suspecte gedragingen van de verdachte niet de bewijssituatie opleveren die -simpel gezegd- om uitleg schreeuwt, zodat bij uitblijven van een geloofwaardige legitieme uitleg voor die gedragingen van de kant van de verdachte een veroordeling kan volgen. Door wie er gedrukt is, is in dit onderzoek niet opgehelderd. Er is te weinig bewijs dat dit de verdachte is geweest. Het laten produceren valt niet onder de tekst van de tenlastelegging. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

4.3.6

Bewijsmiddelen, deel 2. Medeplegen? Wederom: het inkoopverhaal kan niet kloppen.

Er is bij feit 2 sprake van medeplegen. Niet alleen [naam website 1] verkocht de kenmerkende stickervellen met valse zegels, ook het bedrijf [naam bv 2] van [medeverdachte 1] deed dit. Daarbij is volgens de rechtbank nauw en bewust door de verdachte en [medeverdachte 1] samengewerkt.

De verdachte en [medeverdachte 1] hebben handel gezien in het verkopen van frankeergeldige (gulden-)zegels. [naam bv 2] van [medeverdachte 1] was een zaak in postzegels, munten en bankbiljetten. De rechtbank twijfelt er niet aan dat bij [naam bv 2] als gevolg van het inkopen van verzamelingen een voorraad is ontstaan van frankeergeldige zegels die geen bijzondere (verzamel-)waarde hadden, maar nog wel konden worden gebruikt om post mee te frankeren. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de verdachte ten behoeve van [naam website 1] zelf frankeergeldige zegels inkocht, zoals hij verklaard heeft, niet alleen bij verzamelaars en andere handelaars, maar ook bij [medeverdachte 1] . Die zegels konden voordelig worden ingekocht, doorgaans met minstens 50% korting ten opzichte van de frankeerwaarde. Zo konden de oude zegels voor een lager tarief dan het geldende PostNL-tarief worden aangeboden aan derden en bleef er ook nog winst over voor de verdachte en [medeverdachte 1] . Dat alles staat wat de rechtbank betreft in zijn algemeenheid niet ter discussie.

Wat er volgens de rechtbank (en de officier van justitie) gebeurd is, is dat de verdachte en [medeverdachte 1] in deze handel hun voorraden aangevuld hebben met valse zegels. In 2011, met de toenemende bestellingen via internet, ging het uiteindelijk vrijwel uitsluitend om valse zegels (in combinatie met de echte bijplakzegels van lage waarden) en zijn de verdachten tegen de lamp gelopen. De verkopen voorafgaand aan de ontdekking van de valse zegels vonden plaats op dusdanig grote schaal, dat het op zichzelf valide verhaal van de verdachte en [medeverdachte 1] van inkopen van frankeergeldige zegels niet meer op kan gaan. Vervolgens is dat met nepfacturen gemaskeerd in de administratie van [naam bv 2] en met nepbetalingen in de omschrijvingen bij overboekingen van [naam bv 1] naar een rekeningen van de verdachte en zijn familieleden. Dat blijkt uit het hierna weer te geven bewijs, naast uit wat de rechtbank hiervoor al heeft vermeld ter zake van de valsheid en wetenschap van de verdachte (een aanzienlijke partij gelet op de productiewijze die duidt op één bron en de modus operandi).

Om meer zicht te krijgen op de financiën van [naam bv 1] en [naam bv 2] is geprobeerd de boekhouding en de administratie van deze twee bedrijven tegen het licht gehouden.

Tijdens het opsporingsonderzoek kon de administratie van [naam bv 1] en [naam website 1] niet worden getraceerd, op ongeveer 2500 verkoopfacturen van de internetverkopen na. Wel zijn er nog financiële gegevens in de vorm van de bankafschriften van [naam bv 1] . Van [naam bv 2] zijn er stukken en andere administratieve/financiële informatiebronnen voorhanden.

De inkoopadministratie van de verdachte is dus niet boven water gekomen. De portakabin die gebruikt werd voor de handel van [naam website 1] was vrijwel leeg toen op 22 december 2011 een doorzoeking werd verricht, terwijl die portakabin op 1 december 2011 nog volop in gebruik was volgens de getuige [benadeelde 2] . De stickervellen waren toen nog voorradig en ter plaatse werden bestellingen klaargemaakt. Er werden op 22 december 2011 wel nog 10 stickers met valse zegels aangetroffen, drukwerk en facturen, maar van de bedrijvigheid die [benadeelde 2] beschreef, was niets te bespeuren.

In de periode kort voor de inval ontdekte de verdachte dat er problemen waren en dat justitie bij [naam bv 2] was. Dat blijkt uit aangetroffen Skypeberichten van die periode. De sites moesten van de verdachte op zwart. In een Skypebericht van 20 december 2011 werd vervolgens aan de verdachte gemeld dat de spullen waren opgeruimd en de laatste dingen in een container langs de A2 waren geduwd. Dat betekent volgens de rechtbank dat de portakabin van [naam website 1] in allerijl voor de verdachte is leeggemaakt. Alleen dat al maakt dat getwijfeld moet worden aan het waarheidsgehalte van het inkoopverhaal van de verdachte, die zoals gezegd ook nog eens geen inkoopadministratie had. Maar er is meer dan dat: getuigenverklaringen van handelaren en van leveranciers van de verdachte schetsen een duidelijk beeld: er zijn geen inkopen van postzegels van de hoge waarden zoals die zijn aangetroffen op de stickervellen. Wél inkopen van lagere waardes.

Getuigen

Een postzegelhandelaar bij wie de verdachte inkopen heeft gedaan, de getuige [benadeelde 21] , heeft verklaard dat de verdachte bij hem alleen zegels heeft gekocht van lage waarden, 40 tot 80 guldencent en enkele keren ook van 90 guldencent. Dat was vanaf ongeveer januari 2011. Om guldenzegels met hoge waarden heeft de verdachte hem niet gevraagd. Deze zegels waren ook zeldzamer. Als de verdachte die bij hem in grote aantallen besteld zou hebben, zou hij er niet aan hebben kunnen komen, zelfs niet als hij er 100 procent van de frankeerwaarde voor zou willen betalen. Dat [benadeelde 21] alleen zegels van lage waardes heeft aangeboden en verkocht aan de verdachte, blijkt ook uit een berichtenuitwisseling tussen beiden.

[benadeelde 21] werd verder ondervraagd over overboekingen van [naam bv 1] van bedragen die onder vermelding van zijn naam naar de privé bankrekening van de verdachte zijn geboekt in de periode van 22 juli 2011 tot en met 19 december 2012, voor in totaal € 65.492,10.

Daarvan wist de getuige niets. Alleen het geld dat op zijn rekening is bijgeschreven, had hij van [verdachte] ontvangen en dat betrof ongeveer € 79.000,-. Hij verklaarde dit extra bedrag aan geld van de privé-overboekingen niet te hebben ontvangen.

Hieruit maakt de rechtbank op dat de verdachte het voor deed komen dat hij meer bij [benadeelde 21] heeft ingekocht dan alleen de bijplakzegels van lage waarde. In werkelijkheid zijn er helemaal geen zegels geleverd door [benadeelde 21] voor nog eens ruim € 65.000,-, laat staan zegels met een hoge frankeerwaarde.

Ook heeft de verdachte zaken gedaan met een getuige genaamd [getuige 2] met wie de verdachte in de periode oktober 2010 tot medio december 2010 heeft gemaild. [getuige 2] heeft tegen de politie verteld dat het ging om postzegels met waarden van 55 guldencent tot en met 1 gulden.

Een andere getuige, [getuige 3] , van veilingbedrijf en beursorganisatie [naam veilingbedrijf] heeft verklaard dat in aangeboden verzamelingen relatief weinig zegels zaten van hogere waarden. Een kavel van uitsluitend hogere waarden kwam misschien 1 keer op de 1000 kavels voor. De namen [naam bv 1] , [naam website 1] en [verdachte] zeiden de getuige niets. [naam bv 2] en [medeverdachte 1] kende hij wel. [medeverdachte 1] had wel eens wat gekocht bij [naam veilingbedrijf] , maar dat betrof geen frankeergeldige zegels.

Toen met hem over stickervellen werd gesproken waarop onder andere waarden zijn geplakt van 6,5 gulden, 7 gulden en 1 en 3 euro en gevraagd werd of die postfris in grote hoeveelheden aan te kopen waren antwoordde hij: “Ik weet ze niet te zitten. Ze zijn er natuurlijk wel. Ik denk als je dit bestelt bij een van de groothandels, je ze daar wel kunt kopen. Als ik hogere waardes wil hebben voor bijvoorbeeld 100.000 euro nominaal, dan is dat wel te koop bij een groothandel, maar je moet dan de hele veiling opkopen om die aantallen te kunnen kopen.” Verder verklaarde [getuige 3] dat bij een veiling je een veilingnota, een factuur kreeg en dat die per bank werd betaald.

De rechtbank constateert dat de verdachte nimmer zo’n grote veilingaankoop kan hebben gedaan in 2011. Dat blijkt namelijk niet uit de gegevens van de bankrekening van [naam bv 1] : in het politieonderzoek zijn er geen posten gevonden op die rekening die te herleiden zijn naar zulke aankopen.

Een vergelijkbare verklaring over de verkrijgbaarheid van zegels met hoge waarden komt van een andere handelaar, de getuige [getuige 4] , van het bedrijf [naam bedrijf 1] Deze getuige verklaarde ook dat het grootste aanbod lage guldenzegels betrof, zoals van 45 cent tot en met 1 gulden. Aan hogere waarden was veel minder te komen. Het bedrijf kon met geen mogelijkheid voor grote bedragen aan zegels met waarden van 1 en 3 euro komen. De namen [naam bv 1] , [naam website 1] en [verdachte] kwamen in zijn administratie niet voor. [naam bv 2] kende hij wel, maar daaraan zijn geen frankeergeldige zegels geleverd.

Een volgende getuige, [getuige 5] , die veelal op buitenlandse veilingen kocht, verklaarde eveneens dat hij vrijwel geen aanbod van frankeergeldige zegels van hogere waarden tegenkwam. Bij verzamelingen schatte hij het percentage op minder dan 5 procent. De namen [naam bv 1] , [naam website 1] en [verdachte] zeiden hem niet. Postzegels van waarden zoals op de stickervellen kwam hij niet tegen.

Kortom: er blijkt niets van inkopen op enige schaal door de verdachte van de 8 typen zegels die in het onderzoek op de stickervellen zijn aangetroffen. Er zijn geen posten op de bankrekening van [naam bv 1] te vinden die te herleiden zijn tot inkopen daarvoor, maar alleen naar nepaankopen, zoals bij [benadeelde 21] . Zegels van hoge waarden waren slecht verkrijgbaar.

Bij [getuige 2] heeft de verdachte ook alleen zegels van lage waardes aangekocht. Opvallend genoeg laat de verdachte een grote partij van 44 centzegels lopen. Een persoon genaamd [naam 1] bood de verdachte namelijk rond november 2010 een grote partij zegels van 44 cent aan. Op dat aanbod ging de verdachte niet in.Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat van inkopen ook niet kan blijken, omdat de zegels uit een illegale productiebron afkomstig waren. De verdachte had de 44 centzegels van [naam 1] dan ook helemaal niet nodig. Alleen bijplakzegels om ontdekking te voorkomen en die heeft hij bij herhaling ook gekocht.

De inkopen en de administratie van [naam bv 2] : ook nepfacturen

Ook ten aanzien van [medeverdachte 1] geldt wat er door de hiervoor genoemde getuigen is verklaard over de zeldzaamheid van zegels van hogere waarden. Daarnaast hebben die getuigen geen frankeergeldige zegels aan hem geleverd. Er zijn nog meer getuigenverklaringen die het inkoopverhaal van [medeverdachte 1] onderuit halen: geen inkopen van postzegels van de hoge waarden zoals die zijn aangetroffen op de stickervellen.

Zo heeft de getuige [getuige 6] aan [medeverdachte 1] in 2011 frankeergeldige guldenzegels verkocht, maar die partijen bestonden voor 90 % uit postzegels met een lage waarde.

Verder heeft ook [medeverdachte 1] een nepinkoop gedaan bij de getuige [getuige 7] . In de inkoopadministratie van [naam bv 2] staat dat er op 10 maart 2011 een aankoop is gedaan bij getuige [getuige 7] voor € 25.500,-. Dit bedrag blijkt volgens het kasboek door [medeverdachte 1] contant te zijn opgenomen. Aan [getuige 7] werd de aankoopnota getoond op briefpapier van [naam bv 2] . [getuige 7] verklaarde hierover dat hij slechts bemiddeld heeft voor de verkoop van albums. Die werden zonder factuur gekocht door [medeverdachte 1] . Het bedrag van € 2.500,- kon kloppen, maar het bedrag van € 23.000,- niet. De handtekening op de bon was wel zijn handtekening, maar dit bedrag moet er later bij zijn gezet. Hij verklaarde in ieder geval aan [medeverdachte 1] geen postzegels te hebben verkocht.

Er zijn meer administratieve bescheiden van [naam bv 2] die de politie heeft kunnen onderzoeken. Er zijn facturen aangetroffen van [naam bv 2] aan [naam website 1] voor geleverde frankeergeldige zegels. In de woning van [medeverdachte 1] werden 99 verkoopfacturen aangetroffen uit 2011 bestemd voor [naam website 1] . Er bleek in totaal voor € 428.761,10 gefactureerd te zijn aan [naam website 1] .

Een bedrag van € 27.837,- had volgens de omschrijving betrekking op bijplakzegels en € 5.860,- op verrichte werkzaamheden. In tegenstelling tot de facturen gericht aan derden werd op deze facturen geen specifieke frankeerwaarde of specifiek kortingspercentage vermeld.

Van de rekening van [naam bv 1] is door [naam website 1] veel geld overgeboekt naar [naam bv 2] en andere bedrijven van [medeverdachte 1] : naar [naam bv 2] is in 2011 € 377.732,93,- overgeboekt. In 2009 en 2010 ging het nog om een bedrag van € 9.118,79. De politie heeft becijferd dat in 2011 het aandeel in de omzet van [naam bv 2] die door de handel met [naam bv 1] / [naam website 1] werd gegenereerd 43% bedroeg. In 2010 was dit nog ruim 2%.

In een periode van nog geen twee maanden voordat de valse praktijken aan het licht kwamen, heeft [naam bv 2] aan [naam website 1] 11 facturen gestuurd voor omvangrijke bedragen, maar zonder enige specificatie. De officier van justitie heeft deze facturen in zijn schriftelijk requisitoir opgesomd: voor een totaalbedrag van € 179.080,- aan postzegels geleverd, met factuurdata van 28 oktober 2011 tot en met 12 december 2011.

Aan deze leveringen kunnen echter niet in evenredigheid werkzaamheden ten grondslag hebben gelegen. Daarvan blijkt helemaal niets. Uitgaande van het grote facturatiebedrag van [naam bv 2] aan [naam website 1] , dat volgens de verdachte betrekking had op de postzegeltransacties, zou je ervan kunnen uitgaan dat er, gelet op de hoeveelheid zegels die daarvoor ingekocht zouden moeten zijn, medewerkers bij [naam bv 2] en [naam website 1] in 2011 veelvuldig zegels hebben moeten sorteren uit ingekochte verzamelingen en andersoortige partijen. De in rekening gebrachte werkzaamheden gedurende heel 2011 zijn echter niet gespecificeerd en het bedrag is niet erg hoog.

Over al dat meerwerk wordt niet alleen niets vermeld op papier, maar ook niets verklaard door de diverse medewerkers of stagiaires van [naam bv 2] . Alleen medewerker [benadeelde 14] heeft over sorteerwerkzaamheden verklaard, maar ook dat het dan niet om allemaal dezelfde zegels ging. Daaruit maakt de rechtbank op dat die verklaring geen betrekking heeft gehad op de 8 typen zegels, waar het in deze zaak nu juist om draait.

Enkele van die verklaringen van werknemers of stagiaires komen hierna nog aan de orde. Zij verklaren wel over de stickervellen, maar niet over sorteerwerkzaamheden of enige intensivering daarvan.

Met dit alles, getuigenverklaringen, evidente nepfacturen en daarbij behorende nepbetalingen, blijkt voor de rechtbank dat de zegels die de verdachte en [naam bv 2] leverden aan klanten niet legaal ingekocht waren, maar uit een niet legale bron kwamen. Gezamenlijk werd deze valse handelspraktijk verhuld. Dat levert een nauwe en bewuste samenwerking op: medeplegen.

De verklaringen van medewerkers

Die nauwe en bewuste samenwerking komt ook naar voren uit de verklaringen van medewerkers. Zij zijn gehoord over de dagelijkse gang van zaken en één medewerkster, [getuige 8] verklaarde met betrekking tot de facturen bij de politie dat zij aan de hand van e-mails of mondelinge instructies van [medeverdachte 1] (verkoop-)facturen opmaakte van [naam bv 2] aan [naam website 1] . Zij wist niet in hoeverre deze facturen conform de waarheid waren. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij aankoopnota’s moest schrijven in opdracht van [medeverdachte 1] . Zij kon deze niet controleren op juistheid. [medeverdachte 1] bepaalde voor hoeveel de nota’s geschreven moesten worden. [medeverdachte 1] en [verdachte] praatten dagelijks met elkaar, met de deur dicht. De inkopen die [medeverdachte 1] deed, zag zij feitelijk niet langskomen.

[getuige 8] heeft verder verklaard dat zij eigenlijk niet wist voor wie zij werkte. Tot 1 april 2012 was haar baas [medeverdachte 1] . Daarna zou het bedrijf in de kantoormeubelen overgenomen worden door de verdachte. Vanaf dat moment was de verdachte haar werkgever. [medeverdachte 1] zou de postzegelhandel houden.

[getuige 9] heeft verklaard dat zij werkzaam was voor [naam bv 5] , een bedrijf van [medeverdachte 1] , maar dat zij werkte voor de verdachte en [medeverdachte 1] . Zij waren partners. In opdracht van [medeverdachte 1] heeft zij postzegels op etiketten geplakt. Zij is aangenomen door de verdachte, maar [medeverdachte 1] heeft haar arbeidscontract getekend.

[getuige 1] verklaarde dat zij van eind april 2011 tot 1 juli 2011 stage liep bij [naam bv 2] en dat [naam bv 2] postzegels op stickervellen verkocht aan [naam website 1] . Het waren postzegels die op stickervellen geplakt waren. Zij heeft geholpen met het plakken van stickers, maar ze kregen ook vaker complete stickervellen met daarop postzegels geplakt. Zij weet niet waar die vandaan kwamen. In haar herinnering nam [medeverdachte 1] die zelf mee. Ze heeft wel eens gezien dat [medeverdachte 1] complete stickervellen met postzegels uit zijn tas haalde.

Uit deze getuigenverklaringen blijkt dat het voor de medewerkers van zowel [naam bv 2] als [naam website 1] niet helemaal duidelijk was voor wie zij werkten. De verdachte en [medeverdachte 1] zijn duidelijk partners geweest die op dagelijkse voet met elkaar verkeerden en die als leidinggevenden werden beschouwd. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben hun zaken niet strikt gescheiden gehouden, zoals zij zelf verklaard hebben. Beiden verkochten dus samen, in nauwe samenwerking met elkaar stickervellen met valse zegels.

Pleegperiode

De handel in valse postzegels heeft zich tot grote proporties ontwikkeld in 2011, maar daarvoor zijn er ook al duidelijke aanwijzingen dat er valse zegels in omloop waren. Deskundige Van der Vlist heeft verklaard dat hij gezien heeft dat een adressticker afgestempeld was op 13 december 2010. Gelet op de investeringen die gedaan moeten worden om de onderhavige vervalsingen op de markt te kunnen brengen, waardoor het alleen loont door grote hoeveelheden te produceren, de productiewijze die wijst op één bron van de zegels, moet de handel eerder zijn aanvang hebben genomen. De rechtbank hanteert daarom als startdatum het begin van het laatste kwartaal van 2010. Het einde van de pleegperiode stelt de rechtbank vast op 20 december 2011, als de handel van [naam website 1] wordt opgedoekt met het leeghalen van de portakabin. Daarna zijn er geen blijken meer van handel in voornoemde 8 typen zegels.

4.3.7

Oplichting particulieren en ondernemingen (feit 3)

De verdachte heeft met [naam website 1] en de andere sites veel klanten getrokken. De postzegels werden tegen gemiddeld 70% van de vermelde frankeerwaarde te koop aangeboden, voornamelijk via de site [naam website 1] , als ook via de affiliate sites [naam website 3] , [naam website 7] ., [naam website 2] en [naam website 3] .

De klanten die via deze sites postzegels bestelden waren in de veronderstelling dat zij echte postzegels kochten. Toen zij erachter kwamen dat de aangekochte zegels vals waren, hebben zij aangifte gedaan. De zegels die zij nog in voorraad hadden, hebben zij aan de politie gegeven. Deze zegels konden niet meer door hen gebruikt worden waardoor zij financieel nadeel leden.

De verdachte heeft door willens en wetens valse in plaats van echte zegels aan te bieden op de verschillende sites een onjuiste voorstelling van zaken gegeven om daar vervolgens misbruik van te maken. Hij heeft, niet alleen door deze valse zegels aan te bieden, maar ook door personen en bedrijven via e-mail en/of twitter te benaderen, bewogen tot het kopen van deze, naar later bleek, valse zegels.

Verbalisant [verbalisant 1] en de deskundigen Van Eert hebben een representatieve steekproef van de overgelegde zegels onderzocht. Zij hebben geconcludeerd dat een groot deel van deze zegels vals was. De valsheid is hiervoor reeds uitvoerig besproken.

In de meeste ten laste gelegde gevallen acht de rechtbank oplichting bewezen. De navolgende personen hebben aangifte gedaan van de levering van valse postzegels dan wel verklaard over de door hen bestelde en vals gebleken zegels. Het betreft de aangevers [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14], [benadeelde 15], [benadeelde 16], [benadeelde 17], [benadeelde 18] namens [naam bedrijf 2], [benadeelde 19], [benadeelde 20], [benadeelde 21], [benadeelde 22], [benadeelde 23], [benadeelde 24], [benadeelde 25], [benadeelde 26], [benadeelde 27], [benadeelde 28], [benadeelde 29], [benadeelde 30], [benadeelde 1] en [benadeelde 31].

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de zegels onderzocht die in beslag genomen zijn bij de volgende aangevers: [benadeelde 10], [benadeelde 11], [benadeelde 12], [benadeelde 13], [benadeelde 14], [benadeelde 15], [benadeelde 1], [benadeelde 6], [benadeelde 28], [benadeelde 31], [benadeelde 7] en [benadeelde 4]. [verbalisant 1] relateert dat ook deze zegels vals waren.

Verbalisant [naam collega] relateert dat hij zegels overhandigd heeft aan deskundige Van Eert die inbeslaggenomen zijn bij de aangevers: [benadeelde 3], [benadeelde 23], [benadeelde 22], [benadeelde 21], [benadeelde 20], [benadeelde 19], [benadeelde 18], [benadeelde 17], [benadeelde 27], [benadeelde 26], [benadeelde 25], [benadeelde 24] en [benadeelde 30]. Van Eert heeft aangegeven dat deze zegels alle vals waren.

Ten aanzien van de zegels die in beslag zijn genomen bij de aangevers [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 16] en [benadeelde 29] is er geen deskundigenrapport of proces-verbaal omtrent de valsheid voorhanden. De aangevers hebben wel verklaard dat PostNL of het postkantoor hen aangaf dat hun pakketjes valse zegels bevatten. Ondanks dat er met betrekking tot deze zegels geen deskundigenrapport dan wel een proces-verbaal van een verbalisant voorhanden is, is de rechtbank van oordeel dat de mededelingen van PostNL of postkantoor, voldoende zijn om bewezen te verklaren dat ook deze zegels vals waren en dat ook deze aangevers zijn opgelicht.

In de overige gevallen is de valsheid niet buiten gerede twijfel vast te stellen. In die zaken is er geen deskundigenrapport of proces-verbaal voorhanden en is er ook geen relevante mededeling van PostNL of postkantoor. Dit is het geval bij de volgende aangevers: [benadeelde 32] , [benadeelde 33] , [benadeelde 34] , [benadeelde 35] , [benadeelde 36] en [benadeelde 37] . In één geval bleken de zegels bovendien echt te zijn ( [benadeelde 34] ). Omdat het voor de rechtbank aannemelijk is dat de verdachte ook echte zegels heeft verkocht en geleverd, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het oplichten van deze personen.

Tot slot zij bij dit feit nog vermeld dat de rechtbank [medeverdachte 1] bij de oplichting ook als medepleger beschouwt. De klanten die op de tenlastelegging zijn vermeld, zijn allen door [naam website 1] , de verdachte, bewogen tot het betalen van geld. Het waren dus niet de klanten van [medeverdachte 1] . Op het eerste gezicht is hij dan juridisch niet degene die de oplichting begaat. De bijdrage van [medeverdachte 1] aan het handelen van de verdachte is echter zodanig daarmee verweven dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het product dat de klanten van de verdachte afnamen. Hij stelde de verdachte in staat zijn praktijken te ontwikkelen en voort te zetten. Hun samenwerking is hiervoor al beschreven. Het gezamenlijke business-idee, de omzettoename die het voor [medeverdachte 1] meebracht, het overboeken van gelden en de leveranties van bijplakzegels, waaraan [medeverdachte 1] verdiende en het verhullen van de praktijken door middel van valse facturen: de verdachte en [medeverdachte 1] waren partners in crime.

4.3.8

Witwassen (feit 4)

Onder feit 4 wordt de verdachte verweten dat hij samen met anderen geld heeft witgewassen, dat wil zeggen dat de verdachte de criminele herkomst ervan verhuld heeft. Dit geld is volgens het verwijt afkomstig uit de handel in valse postzegels. De misdrijven die ten grondslag liggen aan het witwassen in deze zaak zijn het verhandelen van valse postzegels en de oplichting van de kopers van de valse zegels. Deze misdrijven (de feiten 2 en 3) acht de rechtbank bewezen. De rechtbank [verbalisant 4] hiervoor naar wat hiervoor bij deze feiten aan bewijs en bewijsoverwegingen is vermeld.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir het standpunt ingenomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen in de periode van 3 december 2010 tot en met 31 januari 2012 voor een bedrag van € 1.704.774,-. Dit bedrag is verkregen door de verkoop van de valse postzegels, aldus de officier van justitie.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dit geld niet heeft witgewassen, nu dit niet van een misdrijf afkomstig was, omdat de verdachte niet gehandeld heeft in valse postzegels. Hooguit had de verdachte belasting moeten betalen over deze inkomsten. De verdachte heeft de inkomsten echter niet opgegeven. De besparing die dit oplevert is dan afkomstig uit het misdrijf belastingfraude en mogelijk witgewassen, maar naar het oordeel van de verdediging is geen sprake geweest van verhullen.

De rechtbank acht met de officier van justitie gewoontewitwassen bewezen. Zij komt wel tot een ander bedrag dan de officier van justitie.

De rechtbank heeft al vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 1] samen hebben gehandeld in valse postzegels. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of het geld dat is verdiend met de handel in deze valse zegels, ook is witgewassen: verhuld of verborgen door de verdachte en/of [medeverdachte 1] . Omdat het gaat om een misdrijf dat zij zelf gepleegd hebben, is voor een veroordeling vereist dat zij gedragingen hebben verricht die gericht waren op het daadwerkelijk verhullen of verbergen van hun opbrengst. Het enkele voorhanden hebben van de opbrengst is dan niet genoeg. Volgens de rechtbank is voldaan aan dit extra vereiste.

Wat is nu die opbrengst geweest en hoe hebben de verdachte en [medeverdachte 1] die verhuld?

Bij feit 2 is al aan de orde gekomen dat de verdachte en [medeverdachte 1] gebruik hebben gemaakt van nepfacturen en nepbetalingen in het kader van de gefingeerde inkoopkant. Daarmee is verhuld dat zij geld verdienden met het verkopen van valse postzegels. Bij [medeverdachte 1] gingen die verkopen op in zijn voor het overige volkomen legaal gebleken handel in zegels, munten en bankbiljetten. Illegale inkomsten kregen zo een legale glans: dat op zichzelf al levert witwassen op.

Verder factureerde [medeverdachte 1] veelvuldig en boekte [naam bv 1] van de verdachte geld over naar [naam bv 2] . Uit bankafschriften en facturen van [naam bv 2] uit 2008 tot en met 2011 bleek verder dat in deze periode voor een totaalbedrag van € 103.950,- is overgemaakt van de bankrekening van [naam bv 2] naar de privébankrekening van de verdachte met nummer [rekeningnummer 1] . Bij de betreffende mutaties werden geen betalingskenmerken aangetroffen waaruit kon worden herleid waarop deze betalingen door [naam bv 2] aan de verdachte betrekking hadden. Evenmin werden facturen of andere bescheiden aangetroffen waaruit de verplichting tot deze betalingen kon blijken.

Hierdoor werd de handel in valse zegels onzichtbaar. Dat levert witwassen op.

Uit die kluwen van handelingen en stukken valt echter niet meer op te maken wat nu exact het witgewassen bedrag is geweest. Aanknopingspunt is in elk geval het volgende.

Op de bankrekening van [naam bv 1] (met nummer 57.60.204) zijn Idealbetalingen binnengekomen en een groot aantal rechtstreekse overboekingen van de klanten van [naam website 1] . In totaal gaat dat om een bedrag van € 1.806.448,08,-, binnengekomen van 13 januari 2009 tot 2 februari 2012. Uit het Excel overzicht van de politie kan worden berekend dat vanaf eind december 2010 tot in 2011 met deze betalingen in elk geval een bedrag van 1,2 miljoen euro gemoeid was. De verdachte kon, hoewel [naam bv 1] toen formeel nog niet door hem was overgenomen, al vanaf december 2010 over die rekening beschikken. Dat kan gebaseerd worden op de verklaring van [medeverdachte 2] , degene op wiens naam de B.V. voor september 2011 stond.

In de visie van de officier van justitie moet het geldbedrag dat uit de handel in stickervellen is binnengekomen worden verminderd met een bedrag in verband met aangekochte -echte- bijplakzegels. Dit is in het dossier berekend aan de hand van de verhouding echte en valse zegels op de stickers van de aangetroffen zegels. (5,38 %). Wanneer de rechtbank dat toepast, dan komt zij op een bedrag van minstens € 1.135.440,-.

De verdachte heeft naast met de hiervoor genoemde verhullende gedragingen het geld dat binnenkwam op de rekening van [naam bv 1] ook nog verborgen door het door te sluizen naar zijn eigen rekening en vervolgens weer contant op te nemen. Ook is er geld door [naam bv 1] overgeboekt naar familie van de verdachte. Het contant opgenomen geld is niet meer te traceren.

In de periode van 3 december 2010 tot en met 2011 werd namelijk van de bankrekening van [naam bv 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] via 80 overboekingen een bedrag van € 826.871,00 overgemaakt naar verschillende bankrekeningen van de verdachte in Nederland en in Duitsland. Vervolgens nam hij van deze privérekeningen in die periode weer een bedrag van € 640.613,- contant op.

Uit de bankafschriften van [naam bv 1] bleek dat er in 2010 en 2011 voor een totaalbedrag van

€ 121.050,- overgemaakt is naar bankrekeningen ten name van [medeverdachte 3] , de moeder van de verdachte. Tevens is er geld overgemaakt naar zijn vader, [medeverdachte 4] , en een persoon genaamd [naam 2] . In totaal ging het om een bedrag van € 301.842,48. Nergens blijkt uit dat deze personen enige vordering hadden op [naam bv 1] of de verdachte. Dit betroffen dus onverschuldigde betalingen. De verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] over de grond van de betalingen aan hen, lopen uiteen. Het geld zou geleend zijn, maar dat lag niet vast en over de geleende bedragen blijven zij vaag.

Tot slot werden de inkomsten door de verdachte buiten het zicht van de fiscus gehouden.

Bij alle in- en verkopen van frankeergeldige zegels werd door [naam bv 1] , [naam website 1] en door [medeverdachte 1] de margeregeling toegepast voor de omzetbelasting. Dit wil zeggen dat op de facturen werd vermeld “margeregeling van toepassing”. Dit houdt in dat geen omzetbelasting hoeft te worden berekend over de omzet, maar dat op jaarbasis omzetbelasting moet worden afgedragen over de marge die in een jaar is gerealiseerd.

Een van de eisen om deze regeling toe te mogen passen, is dat er zogenaamde inkoopverklaringen moeten zijn. Er werden in dit onderzoek door de verbalisanten geen inkoopverklaringen aangetroffen van [naam bv 1] of [naam website 1] . Dit betekent dat ten onrechte over de gehele verkoop geen omzetbelasting is berekend. Door de verdachte werd geen aangifte gedaan van omzet- of vennootschapsbelasting. Evenmin heeft de verdachte aangifte inkomstenbelasting gedaan.

Dat alles betekent dat de verdachte voortdurend bezig is geweest zijn illegaal verworven geld te verbergen/verhullen. Dat gebeurde op verschillende manieren: via nepfacturen en nepbetalingen, banktransacties over en weer met [naam bv 2] / [medeverdachte 1] , het niet onder de aandacht brengen van de inkomsten bij de fiscus, via overboekingen naar zijn privérekening en rekeningen van anderen en via het contant opnemen van geld zodat niet is na te gaan wat er met dit geld gebeurd is. De verdachte verklaarde ter terechtzitting nog dat hij dit geld contant opnam, om inkopen mee te doen en deze methode toepaste juist ten behoeve van de transparantie. De rechtbank ziet niet in hoe het transparant kan zijn als geld eerst overgeboekt wordt naar een persoonlijke bankrekening en vervolgens contant wordt opgenomen en je geen betalingsbewijzen kunt laten zien die verklaren hoe je dat geld besteed hebt.

De verdachte heeft zich dan ook samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, zoals primair ten laste is gelegd, over een periode die gelijk is aan die van feit 2.

4.3.9

Criminele organisatie (feit 6)?

Hiervoor is beschreven dat de verdachte en [medeverdachte 1] valse zegels verkocht hebben, klanten opgelicht hebben en hebben witgewassen. Zij zijn in elk geval aan te merken als medeplegers. Aan de verdachte wordt verweten dat hij zijn criminele activiteiten ook nog in samenwerking verrichtte met de medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] . Zij zouden zo een criminele organisatie hebben gevormd, aldus de officier van justitie.

Om te komen tot de bewezenverklaring voor deelname aan een criminele organisatie is vereist dat er binnen de groep gemeenschappelijke regels zijn en een gemeenschappelijke doelstelling. Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging opgenomen te worden maar moet wel uit de bewijsmiddelen blijken.

Voor het bewijs van het bestanddeel oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan het bestaan van een meer duurzame of gestructureerde samenwerking en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van verrichte activiteiten van de deelnemers gericht op het doel. Een verdachte moet dus tot het samenwerkingsverband behoren en een aandeel hebben in de gedragingen die strekken tot of verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk of die gedragingen ondersteunen.

Belangrijk is verder dat deelnemers aan de organisatie in zijn algemeenheid weten dat de organisatie zich met misdrijven bezig houdt.

Aan al deze criteria is voldaan, als ze worden toegepast op de verdachte en [medeverdachte 1] . Dat blijkt voldoende uit de hiervoor beschreven samenwerking tussen hen. De rechtbank zal dat bewezen verklaren met de opmerking dat de tenlastelegging niet expliciet is opgenomen dat de organisatie gehandeld heeft in valse zegel, maar alleen het namaken ervan. Dit is een omissie die verder geen gevolgen heeft, gelet op de vermelding van oplichting en witwassen die rechtstreeks verband houden met het verkopen van valse zegels.

Bij de andere verdachten is dat echter niet zonneklaar. De verdachte heeft zijn zus [medeverdachte 6] en zijn toenmalige partner [medeverdachte 5] werkzaamheden laten verrichten voor de handel in postzegels. [medeverdachte 4] , de vader van de verdachte, heeft geregeld dat de verdachte over de bankrekening van [naam bv 1] kon beschikken ten behoeve van [naam website 1] , in de periode dat deze B.V. nog op naam van [medeverdachte 2] stond. Dat maakt hen echter niet zonder meer een strafbare deelnemer aan de handel in valse zegels, de oplichting van klanten en witwassen. Zijn zus en ex-partner hebben structureel, planmatig en duurzaam gewerkt voor de verdachte, maar dat is niet genoeg: zij moeten er ook bewijsbaar van op de hoogte zijn geweest dat de verdachte en [medeverdachte 1] hen inzetten voor de verkoop van valse zegels. Daarvoor bevat het dossier echter onvoldoende harde aanknopingspunten. De valsheid van de zegels was niet gemakkelijk te zien en nergens blijkt uit dat zij bijzondere deskundigheid dienaangaande bezaten. De aard van hun relatie met de verdachte maakt ook niet dat zij geweten moeten hebben dat de verdachte valse zegels aan zijn klanten verkocht. Zij kunnen dus niet als medeplegers van de feiten 2 en 3 of deelnemers van een criminele organisatie worden beschouwd.

4.3.10

De oplichting Aegon: vrijspraak

Ten aanzien van de oplichting van Aegon heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. De verdediging heeft zich hierbij aangesloten. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie: het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit ontbreekt. De rechtbank overweegt als volgt.

In juli 2009 werd namens [naam bv 1] een werknemersverzuimverzekering afgesloten bij Aegon Schadeverzekering N.V. Op dat moment was een persoon genaamd [medeverdachte 2] , medeverdachte in dit dossier, bestuurder van [naam bv 1] . Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , de vader van de verdachte, eveneens medeverdachte, de aanvraag hebben gedaan en daarvoor het nodige papierwerk hebben verricht. Kort na het afsluiten van de verzekering werden door [naam bv 1] bij Aegon de verzuimkosten wegens ziekte van werknemer [medeverdachte 4] geclaimd. [medeverdachte 4] was echter geen werknemer van [naam bv 1] : de ingeleverde stukken, zoals salarisspecificaties, waren vals.

In de periode van 14 oktober 2009 tot en met 4 augustus 2011 werden vervolgens ten onrechte betalingen gedaan door Aegon aan [naam bv 1] op basis van de verzekering. Op 4 augustus 2011 was de twee-jaarsuitkeringstermijn bereikt en daarna werd geen betaling meer gedaan. De premies voor de verzekering werden ook niet meer betaald en de verzekering werd geroyeerd.

In totaal werd € 141.440,68 overmaakt op de bankrekening van [naam bv 1] . Een deel van dat geld is vervolgens weer terecht gekomen bij [medeverdachte 4] . Aegon werd dus opgelicht en heeft daarvan aangifte gedaan.

Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte bij het afsluiten van de verzekering betrokken is geweest. Dat afsluiten komt geheel op conto van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . De verdachte heeft de rechtspersoon [naam bv 1] formeel overgenomen op 28 september 2011. Toen was de oplichting van Aegon al voltooid. Voor die overname was de verdachte al betrokken bij [naam bv 1] , omdat de opbrengsten van de internetverkopen van de postzegels binnenkwamen op de rekening van [naam bv 1] . Over die rekening kon [medeverdachte 4] al vanaf 2009 beschikken en de verdachte volgens [medeverdachte 2] vanaf december 2010. Die opbrengsten werden weer doorgesluisd naar rekeningen van de familie [familienaam verdachte] . Er zijn buiten het feit dat de verdachte over de bankrekening van [naam bv 1] beschikte ten behoeve van [naam website 1] en er geld van [naam bv 1] naar de verdachte is overgeboekt, geen aanwijzingen dat de verdachte geweten heeft van de oplichting van Aegon en/of dat die ten onrechte betaalde uitkering op enige manier met zijn medeweten bij hem terecht is gekomen. Het enkele kunnen beschikken over de bankrekening is niet genoeg om de verdachte voor dit feit te veroordelen. Ook het gegeven dat [medeverdachte 4] de vader van de verdachte is en de verdachte gefaciliteerd heeft met een bankrekening voor [naam website 1] is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte op een of andere manier op de hoogte moet zijn geweest van het onder valse voorwendselen afsluiten en benutten van een verzekering. De rechtbank zal de verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

2.

in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 19 december 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander meermalen (telkens) opzettelijk valse of wederrechtelijk vervaardigde zegels, namelijk postzegels met de waarden van 1,50 gulden, 2,- gulden, 2,50 gulden, 6,50 gulden, 7,- gulden, 1,00 euro, 3,00 euro en 0,44 euro, heeft gebruikt en te koop aangeboden en geleverd en ten verkoop in voorraad heeft gehad, als waren die zegels echt en onvervalst en niet wederrechtelijk vervaardigd;

3.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 19 december 2011 in de gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door listige kunstgrepen,

[benadeelde 2] en

[benadeelde 3] en

[benadeelde 4] en

[benadeelde 5] en

[benadeelde 6] en

[benadeelde 7] en

[benadeelde 8] en

[benadeelde 9] en

[benadeelde 10] en

[benadeelde 11] en

[benadeelde 12] en

[benadeelde 13] en

[benadeelde 14] en

[benadeelde 15] en

[benadeelde 16] en

[benadeelde 17] en

[benadeelde 18] en/of [naam bedrijf 2] gevestigd te [plaats] en

[benadeelde 19] en

[benadeelde 20] en

[benadeelde 21] en

[benadeelde 22] en

[benadeelde 23] en

[benadeelde 24] en

[benadeelde 25] en

[benadeelde 26] en

[benadeelde 27] en

[benadeelde 28] en

[benadeelde 29] en

[benadeelde 30] en

[benadeelde 1]

heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk valse postzegels tegen een gereduceerde prijs ter verkoop aangeboden als waren ze echt en onvervalst, waardoor voornoemde personen en/of rechtspersonen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 19 december 2011 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van minimaal € 1.135.440,-), de herkomst verhuld, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geld onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

6.

in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 19 december 2011 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit onder meer [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder het plegen van witwassen (artikel 420ter Sr) en het plegen van oplichting (artikel 326 Sr).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 2:

medeplegen van het gebruiken, te koop aanbieden, en ten verkoop in voorraad hebben van valse postzegels, meermalen gepleegd;

feit 3:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

feit 4 primair:

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

feit 6:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van vier jaren met aftrek van het voorarrest. In de gevorderde straf is verdisconteerd dat het erg lang heeft geduurd voordat een inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvond. De officier van justitie heeft een korting op de gevorderde straf van 30% toegepast vanwege de schending van de redelijke termijn.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de oplegging van een eventuele straf rekening te houden met de volgende omstandigheden. Het betreft zeer oude feiten. De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg zou moeten worden afgedaan is overschreden. Gelet op het tijdsverloop dient de straf te worden verminderd met ten minste 30%. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat de verdachte 1,5 jaar in lijfsdwang is gehouden in het kader van civiele procedures. Ook verkeert hij in slechte lichamelijke conditie waardoor de detentie hem extra zwaar zou vallen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte en [medeverdachte 1] zagen handel in frankeergeldige zegels. Voor de verdachte was het een gat in de markt, waar het voor [medeverdachte 1] aanvankelijk bijzaak was. Ondernemers die vaak pakketten moesten versturen een korting bieden op de portokosten van 30 procent: wie wil dat nou niet? Potentiële klanten genoeg.

[medeverdachte 1] had frankeergeldige zegels in voorraad, gesorteerd uit verzamelingen, verpakt in zakjes. Die zegels konden gebruikt worden voor de eigen bedrijfsvoering en werden van bijvangst bij het inkopen van verzamelingen van particulieren tot een aantrekkelijk product. Tot zover niets aan de hand.

De verdachte ging, met een mooi businessmodel in gedachten, actief op zoek naar frankeergeldige zegels en kocht wat [medeverdachte 1] en anderen hem konden leveren. [medeverdachte 1] ging voor de verdachte ook op zoek naar zegels. Er werd een afzetmarkt gecreëerd. Door het gebruik van het internet en affiliate sites kon binnen korte tijd een enorme klantenkring opgebouwd worden. Toen moet het zijn misgegaan. De vraag naar goedkope zegels was groot en het aanbod te gering. Verdachte heeft hierin voorzien door valse zegels te leveren.

Er was ook nog een ander punt dat de fraude in de hand moet hebben gewerkt: hoe maak je aantrekkelijke frankeringen met zegels van lage waarden? Een pakket moet voor € 6,75 zijn gefrankeerd. Als dat met zegels van 40 tot 80 guldencent moet, dan komen er nogal wat postzegels op een pakketje. Dat en het gegeven dat het niet makkelijk was om op grote schaal aan zegels van hoge guldenwaarden te komen, moet gemaakt hebben dat bij de legale stroom postzegels een illegale stroom zegels is gekomen en dat die illegale stroom volledig is gaan overheersen.

Met het blote oog waren de zegels lastig van echt te onderscheiden. De klanten waren dus makkelijk te misleiden, maar de detectieapparatuur van PostNL niet. Op slimme wijze is geprobeerd ontdekking te voorkomen door steeds een echte zegel bij te plakken, zelfs als dat voor de frankeerwaarde helemaal niet nodig was.

In 2011 is de handel geëxplodeerd. Wellicht zou de fraude niet aan het licht gekomen zijn, als de omvang van de bedrijvigheid van de verdachte bescheiden was gebleven. Hij is dus aan zijn eigen succes ten onder gegaan.

Als de handel in de schijnwerpers komt te staan en stilvalt vanwege de fraude, bericht een betrokkene: “We waren net zo lekker bezig.” Het geld stroomde binnen bij de verdachte. Toen hij doorhad dat hij tegen de lamp liep, is zo snel mogelijk zijn portakabin leeggehaald waar de stickervellen in voorraad lagen. Administratie? Niet teruggevonden. Geld? Doorgeboekt of opgenomen. Belasting betaald? Niets.

Nietsvermoedende ondernemers hebben de zegels ingekocht en gebruikt. PostNL heeft dus diensten geleverd waarvoor niet betaald is. Klanten van [naam website 1] zijn met de valse zegels blijven zitten en hebben de aankoopprijs niet teruggekregen van de verdachte. Oplichting dus.

Fraude is een veelvoorkomend misdrijf en heeft veel gedaanten. Vergelijking van fraudezaken is niet altijd eenvoudig. Kenmerk is wel altijd dat iemand geld verkrijgt ten koste van anderen. Dat kunnen particulieren zijn, bedrijven of de overheid. In dit geval is PostNL gedupeerd en zijn kleine ondernemers de dupe geworden. De schade voor PostNL is groot, niet alleen omdat PostNL brieven en pakketten bezorgd heeft waarvoor niet is betaald, maar ook omdat zij forse inspanningen heeft moeten leveren om onderzoek te doen en om de schade vergoed te krijgen, wat tot op heden uiterst moeizaam verloopt. Ook de schade voor sommige afnemers van verdachte is zeer groot geweest. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . Deze personen hebben grote zakelijke schade geleden, omdat zij geassocieerd werden met de handel in valse postzegels. De verdachte heeft tot op heden niets betaald.

Verder wordt door fraude het vertrouwen in het economische verkeer geschaad. De diensten van PostNL hebben ondanks de vergaande privatisering en de opkomst van het elektronische berichtenverkeer nog altijd een groot maatschappelijk belang. Daaraan gekoppeld is het belang dat de zegels die gebruikt worden ook echt zijn. Dat belang is nog steeds vergelijkbaar met het belang dat de maatschappij heeft bij de echtheid van bankbiljetten en munten. PostNL moet ervoor waken dat valse zegels in omloop komen. Bedrijven, niet alleen PostNL, moeten mede door het gedrag van de verdachte voortdurend investeren in fraudeopsporing en -preventie. Die kosten hiervoor belanden dan weer bij de bonafide burger die zich aan de regels houdt. Fraude grijpt dus diep in de samenleving in.

Dat alles maakt dat niet volstaan kan worden met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Bij fraude wordt in strafzaken vaak aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van de strafrechter (LOVS oriëntatiepunten voor de straftoemeting). Die nemen als vertrekpunt de hoogte van het fraudebedrag.

Een exacte berekening van wat de verdachte aan crimineel vermogen heeft vergaard, valt echter niet te maken. In elk geval kan het bedrag dat de rechtbank bij het witwassen heeft genoemd, worden betrokken bij de strafmaat: ruim 1,1 miljoen euro.

In de oriëntatiepunten is 1 miljoen euro de hoogste categorie. Als vertrekpunt voor de straf geldt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden.

De ernst en omvang van de fraude en het grote maatschappelijke belang dat geschonden is rechtvaardigen wat de rechtbank betreft de oplegging van een gevangenisstraf van meer dan 24 maanden. De fraude omvat bovendien vele gevallen van oplichting en witwassen. Daarvoor past ook extra onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Enkele gedupeerden zijn met hun bedrijf meegesleurd de ellende in. Hierna komen hun vorderingen tot schadevergoeding nog aan de orde en daar zal duidelijk worden dat het (straf-)recht geen volledige compensatie kan bieden. Deze benadeelden zullen niet over de middelen beschikken om kostbare en tijdrovende civiele procedures te beginnen, waarvan bovendien niet veel te verwachten valt, gelet op de ervaringen van PostNL. Die compensatie zoekt de rechtbank daarom in de duur van de vrijheidsbeneming. In de straf moet tot uitdrukking komen dat een crimineel businessmodel als het onderhavige niet loont.

De rechtbank beschouwt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren een gepaste straf, ook wanneer zij meeweegt dat zij minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie. Omdat de strafzaak lang geduurd heeft, past de rechtbank een korting toe vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Die bedraagt volgens de aanwijzingen van de Hoge Raad 10 procent, 6 maanden dus. Voor een hogere korting ziet de rechtbank geen aanleiding. De verdachte heeft gezondheidsproblemen, maar die zijn niet van dien aard dat hij detentieongeschikt is of dat detentie voor hem onevenredig zwaar zou zijn. Dat de verdachte civielrechtelijk gegijzeld is geweest, heeft hij aan zichzelf te wijten. Hij heeft immers te voldoen aan de uitspraken van de civiele rechter en tot op heden is niet bekend waar het geld dat hij verkregen heeft, is gebleven. Hiermee zal de rechtbank dus geen rekening houden. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden.

8 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

PostNL N.V. en Koninklijke Post B.V. (hierna: PostNL) hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 7.911.612,- ter zake van de feiten 1 en 2. Daarnaast worden kosten gevorderd. Ter terechtzitting heeft de advocaat van PostNL de vordering gehandhaafd, met dien verstande dat in elk geval een bedrag van € 90.000,- moet worden toegewezen. Dit is het bedrag dat het hof te Amsterdam in de civiele zaak tegen de verdachte als voorschot heeft toegewezen. De beoordeling van dit bedrag levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op volgens de advocaat.

De volgende benadeelde partijen hebben schadevergoeding gevorderd ter zake van oplichting (feit 3):

[benadeelde 2] (€ 114.606,-, waarvan € 55.000,- voor immateriële schade);

[benadeelde 4] (€ 250,-);

[benadeelde 33] (€ 428,25);

[benadeelde 5] (€ 322,39);

[benadeelde 6] (€ 500,50);

[naam bedrijf 3] (€ 4.336,73);

[benadeelde 8] (€ 2.000,-);

[benadeelde 10] (€ 348,17);

[benadeelde 14] (€ 363,72);

[benadeelde 15] (€ 1.454,10);

[benadeelde 16] (€ 1.794,56, waarvan € 150,- voor immateriële schade);

[benadeelde 17] (€ 150,-);

[naam bedrijf 2] (€ 77,92);

[benadeelde 19] (€103,90);

[benadeelde 20] (€ 204,09);

[benadeelde 34] (€ 122,42, waarvan € 30,- voor immateriële schade);

[benadeelde 22] (€ 106,70);

[benadeelde 23] (€ 145,51);

[benadeelde 24] (€ 99,90);

[benadeelde 25] (€ 410,44);

[benadeelde 27] (€ 54,98);

[benadeelde 29] (€ 250,- tot 300,-);

[benadeelde 1] (€ 5.187,79, waarvan € 1.000,- voor immateriële schade);

[naam vof] / [benadeelde 31] (€ 600,-);

[benadeelde 38] (€ 802,96).

Aegon Schadeverzekering N.V. heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 141.440,68 ter zake van feit 5.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van PostNL kan worden toegewezen tot een bedrag van € 90.000,- en dat deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De benadeelde partij Aegon dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat de verdachte moet worden vrijgesproken van het feit waarop de vordering betrekking heeft.

De officier van justitie acht de meeste vorderingen van de benadeelde partijen genoemd bij feit 3 geheel dan wel gedeeltelijk toewijsbaar. De gedupeerden hebben postzegels gekregen die niet gebruikt konden worden, terwijl zij daarvoor wel aan de verdachte betaald hadden. De vordering van [benadeelde 38] , die niet genoemd staat in het tenlastegelegde onder 3, kan worden toegewezen als rechtstreekse schade uit feit 2.

Voor toewijzing van gevorderde immateriële schade is geen rechtsgrond.

Een aantal vorderingen kan niet worden toegewezen, omdat in die zaken de valsheid van de zegels niet vast is komen te staan of de onderbouwing van de vordering tekortschiet. Het gaat hierbij om de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 33] , [benadeelde 8] , [naam bedrijf 3] , [benadeelde 25] , [benadeelde 27] , [benadeelde 29] en [benadeelde 31] .

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich in subsidiaire zin op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij PostNL niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de vordering tot een bedrag van € 90.000,- al door de civiele kamer van het gerechtshof in Amsterdam is toegewezen.

De verdediging sluit zich aan bij de conclusie van de officier van justitie dat de benadeelde partijen [benadeelde 33] , [benadeelde 8] , [benadeelde 25] , [benadeelde 27] , [benadeelde 29] en [benadeelde 31] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Datzelfde geldt voor Aegon.

De vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 1] komen maar gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Voor het meergevorderde moeten deze benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor zover benadeelde partijen immateriële schade vorderen dienen zij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

PostNL

PostNL heeft een procedure gevoerd bij de civiele rechter. In deze civiele zaak is onder andere vergoeding van schade gevorderd. De vordering is op 1 november 2016 toegewezen door het gerechtshof te Amsterdam. De verdachte is veroordeeld tot het betalen van een voorschot op de schade van € 90.000,-. De veroordeling is bij voorraad uitvoerbaar verklaard en het arrest is onherroepelijk. PostNL heeft dus al een (executoriale) civielrechtelijke titel om schade bij de verdachte te verhalen en daarom geen belang meer bij het vorderen van dit bedrag van € 90.000,- bij de strafrechter. Dat betekent dat PostNL in deze strafzaak niet ontvankelijk zal worden verklaard ten aanzien van dit bedrag.

Ook is PostNL niet ontvankelijk ten aanzien van het meergevorderde. De beoordeling daarvan moet aan de civiele rechter worden overgelaten in de nog te voeren schadestaatprocedure, nu de wetgever deze mogelijkheid niet in het strafproces heeft willen scheppen en deze procedure bij dezelfde, dus de civiele, rechter moet worden gevoerd.

De rechtbank zou de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 90.000,- aan de verdachte kunnen opleggen, opdat de staat ten behoeve van PostNL de vordering zal innen. De rechtbank ziet daar echter van af. Deze maatregel is primair bedoeld om betaling aan het slachtoffer te bevorderen en het slachtoffer het incassowerk uit handen te nemen, wanneer de veroordeelde niet uit zichzelf betaalt. Voor een slachtoffer zou dat immers niet alleen betekenen dat hij veel kosten moet maken, maar ook een ongewenste confrontatie opleveren met het leed dat hem is aangedaan. De staat probeert dan het geld te innen.

Rechtspersonen als PostNL kennen echter geen emotionele gevolgen van het strafbare feit en zijn zelf voldoende geëquipeerd om deze werkzaamheden op zich te nemen, zodat de staat daar niet mee hoeft te worden belast.

Aegon

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen onder feit 5 is tenlastegelegd, brengt artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering mee dat de benadeelde partij Aegon Schadeverzekering N.V. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Overige vorderingen

De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 10] , [benadeelde 14] , [benadeelde 15] , [benadeelde 17] , [naam bedrijf 2] , [benadeelde 19] , [benadeelde 20] , [benadeelde 22] , [benadeelde 23] , [benadeelde 24] , [benadeelde 25] en [benadeelde 27] geheel toewijzen, nu de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 bewezenverklaarde strafbare feit, het oplichtingsfeit. De vorderingen zijn voldoende onderbouwd en bovendien inhoudelijk niet betwist. De verdachte is aansprakelijk voor deze schade. De toegewezen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van de vorderingen.

[benadeelde 33] en [benadeelde 34]

Nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het oplichten van de benadeelde partijen [benadeelde 33] en [benadeelde 34] zal de rechtbank deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering verklaren, gelet op het bepaalde in artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering.

[benadeelde 2]

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toewijzen voor wat betreft de post ‘inbeslaggenomen postzegels’, zijnde € 971,-. Deze schade acht de rechtbank het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 3 en namens de verdachte is de vordering op dit punt niet betwist. De verdachte is aansprakelijk voor deze schade. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van de vordering.

Vast staat voor de rechtbank dat [benadeelde 2] meer nadeel heeft ondervonden door de oplichtingspraktijken van de verdachte, waarmee [benadeelde 2] zich nietsvermoedend heeft ingelaten. [benadeelde 2] ’s bedrijf is hierdoor in zeer zwaar weer beland en hij heeft vele posten opgegeven, waaronder winstderving, bank- en advocaatkosten, reputatieschade en andere immateriële schade (stress).

Een benadeelde partij kan zich voegen in een strafzaak en de rechtbank kan inhoudelijk op beslissen op een vordering indien de beoordeling geen onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De vordering moet dus relatief eenvoudig te beoordelen zijn. Dat is de vordering op deze punten niet. Hoewel de rechtbank ziet dat [benadeelde 2] meer schade heeft geleden dan € 971,-, waarvoor de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, kan de rechtbank niet anders dan de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overige posten van de materiële schade, omdat de beoordeling hiervan een te grote belasting van het strafproces zou opleveren. Deze schade zal bij de civiele rechter moeten worden aangekaart.

Ten aanzien van de immateriële schade van [benadeelde 2] overweegt de rechtbank het volgende.

Er bestaat alleen een verplichting tot vergoeding van immateriële schade als de door de verdachte geschonden norm strekt tot bescherming van het slachtoffer tegen de die schade. Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, oplichting, beschermt andermans vermogen en daarnaast het vertrouwen in het handelsverkeer. Daarom kan alleen vermogensschade, materiële schade, voor vergoeding in aanmerking komen. Immateriële schade kan dan niet worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van het feit. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren voor dat deel van de vordering.

[benadeelde 8] / [naam bedrijf 3]

[benadeelde 8] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2000,=. Daarnaast heeft de rechtbank een voegingsformulier ontvangen op naam van [naam bedrijf 3] , ingevuld door [naam 3] . Middels dit formulier wordt een vergoeding gevorderd van € 4.336,73. Bij dit laatste formulier zijn bewijsstukken gevoegd.

De aangifte van oplichting is gedaan door [benadeelde 8] . Gelet op de bijlagen bij de aangifte en het verzoek tot schadevergoeding, gaat de rechtbank ervan uit dat de twee ingediende voegingsformulieren betrekking hebben op dezelfde schade betreft.

Hoe hoog het exacte schadebedrag is, is voor de rechtbank, wegens een gebrek aan onderbouwing, niet duidelijk geworden, mede gelet op het verschil in gevraagde vergoeding op beide formulieren, maar ook gelet op het gegeven dat door mevrouw [benadeelde 8] bij gelegenheid van de aangifte is verklaard dat een deel van de aangekochte zegels is gebruikt. De rechtbank zal dan ook gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank komt uit op een bedrag van € 1.000,-.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van deze vordering.

Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

[benadeelde 16]

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16] zal de rechtbank ten aanzien van de materiële schade toewijzen, met uitzondering van de post ‘vervangen valse zegels’. De verdachte is aansprakelijk voor deze schade. Het toe te wijzen bedrag van € 1.520,88 moet worden vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van de vordering.

De gevorderde immateriële schade moet, onder verwijzing naar de hiervoor bij de benadeelde partij [benadeelde 2] vermelde motivering, niet-ontvankelijk worden verklaard.

[benadeelde 29]

heeft aangegeven een bedrag van €250,=/€300= aan schade te hebben geleden. Nu de benadeelde partij dit bedrag niet nader heeft toegelicht, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 29] toewijzen voor een bedrag van € 250,- en voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Het meer gevorderde is niet voldoende onderbouwd en zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De verdachte is voor deze schade aansprakelijk. Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van de vordering.

[benadeelde 1]

De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 1] toewijzen ten aanzien van de posten ‘uitbetaalde claims [bedrijfsnaam 2] ’, zijnde € 2.461,96. [benadeelde 1] heeft klanten die via zijn webshop postzegels bij de verdachte hebben gekocht gecompenseerd. Dit merkt de rechtbank ook aan als rechtstreekse schade die is geleden door de bewezenverklaarde oplichting. [benadeelde 1] heeft deze kosten gemaakt om de schade te beperken. De verdachte is voor deze schade aansprakelijk.

Het toe te wijzen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van de vordering.

De posten ‘niet uitbetaalde commissie’ en ‘kortingsaanbod’ zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren, nu dit niet meer als rechtstreeks gevolg van de oplichting kan worden aangemerkt. Dit deel van de vordering zal bij de civiele rechter aangekaart moeten worden. De gevorderde immateriële schade moet, onder verwijzing naar de hiervoor vermelde motivering, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De post ‘proceskosten’ zal worden toegewezen. Dit betreft een totaalbedrag van € 446,40, omdat hier ook bij zijn inbegrepen de posten ‘aangetekende brief’ en ‘opsturen dossier’.

[naam vof] / [benadeelde 31] en [benadeelde 38]

Er hebben zich twee benadeelde partijen gemeld die niet vermeld staan in de tenlastelegging van feit 3, het oplichtingsfeit. Het betreft [naam vof] (vertegenwoordigd door [benadeelde 31] ) en [benadeelde 38] . [benadeelde 31] heeft aangifte gedaan. [benadeelde 38] heeft in een te laat stadium aangifte gedaan, waardoor deze aangifte door het openbaar ministerie niet meer meegenomen kon worden voordat het dossier gesloten werd.

De benadeelde partij [naam vof] / [benadeelde 31] heeft aantoonbaar schade geleden, omdat hij valse zegels heeft gekocht van de verdachte. Deze zegels zijn onderzocht door verbalisant [verbalisant 1] en vals bevonden. De schade kan niet als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde oplichting worden aangemerkt omdat [benadeelde 31] in die bewezenverklaring niet voorkomt, maar wél als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde onder feit 2: het afleveren van valse zegels. Daarvan is de benadeelde partij slachtoffer. De verdachte is voor deze schade aansprakelijk. De vordering kan dus worden toegewezen. Het toe te wijzen bedrag van € 600,- moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van de vordering.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde 38] niet-ontvankelijk in haar vordering, nu onvoldoende vast is komen te staan dat de zegels die de benadeelde partij heeft gekocht vals waren. Immers, de zegels zijn niet onderzocht en niet blijkt dat [benadeelde 38] door iemand op de valsheid van de zegels is gewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 140, 220, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 5 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

PostNL N.V.

verklaart de benadeelde partijen PostNL N.V. en Koninklijke PostNL B.V., gevestigd te Den Haag, niet-ontvankelijk in de vordering ;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Aegon Schadeverzekering N.V.

verklaart de benadeelde partij Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

[benadeelde 2]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , wonende te [woonplaats 1] , ter zake van feit 3 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 971,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] van € 971,- bij niet betaling en verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 4]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] , wonende te [woonplaats 2] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] van € 250,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 33]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 33] , wonende te [woonplaats 3] , niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

[benadeelde 5]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] , wonende te [woonplaats 4] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 322,39, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5] van € 322,39, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 6]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] , wonende te [woonplaats 5] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 500,50, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 6] van € 500,50, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 8] / [naam bedrijf 3]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8] / [naam bedrijf 3], wonende te [woonplaats 6] , ter zake van feit 3 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 8] / [naam bedrijf 3] van € 1.000,- bij niet betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 10]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 10] , wonende te [woonplaats 7] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 348,17, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 10] van € 348,17, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 14]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 14] , wonende te [woonplaats 8] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 363,72, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 14] van € 363,72, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 15]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 15] , wonende te [woonplaats 9] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.454,10, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 15] van € 1.454,10, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 16]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 16] , wonende te [woonplaats 10] , ter zake van feit 3 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.520,88, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

wijst de vordering voor wat betreft de post ‘vervangen valse zegels’ af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor wat betreft de immateriële schade;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 16] van € 1.520,88, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 17]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 17] , wonende te [woonplaats 11] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 150,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 17] van € 150,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[naam bedrijf 2]

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam bedrijf 3] , gevestigd te [plaats] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 77,92, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam bedrijf 2] van € 77,92, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 19]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 19] , wonende te [woonplaats 12] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 103,90, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 19] van € 103,90, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

2 dagen hechtenismet dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 20]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 20] , wonende te [woonplaats 13] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 199,49, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 4,60;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 20] van € 199,49, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 34]

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 34], wonende te [woonplaats 14] , niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

[benadeelde 22]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 22] , wonende te [woonplaats 15] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 106,70, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 22] van € 106,70, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

2 dagen hechtenismet dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 23]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 23] , wonende te [woonplaats 16] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 145,51, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 23] van € 145,51, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 24]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 24] , wonende te [woonplaats 15] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 99,90, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 24] van € 99,90, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

1 dag hechtenismet dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 25]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 25] , wonende te [woonplaats 17] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 107,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 25] van € 107,64, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

2 dagen hechtenismet dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 27]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 27] , wonende te [woonplaats 18] , ter zake van feit 3 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 54,98, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 27] van € 54,98, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 29]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 29] , wonende te [woonplaats 19] , ter zake van feit 3 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het meergevorderde niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 29] van € 250,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

5 dagen hechtenismet dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[naam vof] / [benadeelde 31]

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam vof] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , vertegenwoordigd door [benadeelde 31] , ter zake van feit 2 toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [naam vof] / [benadeelde 31] van € 600,--, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde 1]

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] , wonende te [woonplaats 20] , ter zake van feit 3 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 2.461,96, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor wat betreft de posten ‘niet uitbetaalde commissie’ en ‘kortingsaanbod’ en de immateriële schade en bepaalt dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 446,40;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] van € 2.461,96, bij niet betaling en verhaal te vervangen door

34 dagen hechtenismet dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 19 december 2011 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Beije, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen en J.G.A.M. Spijkers, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 januari 2019.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 19 december 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, zegels die worden uitgegeven door een verlener van de universele postdienst als bedoeld in de Postwet 2009 met daarop de vermelding 'Nederland', namelijk postzegels met de waarden van 1,50 gulden en/of 2,- gulden en/of 2,50 gulden en/of 6,50 gulden en/of 7,- gulden en/of 1,00 euro en/of 3,00 euro en/of 0,44 euro, heeft nagemaakt en/of heeft vervalst, (telkens) met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 19 december 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde zegels, namelijk postzegels met de waarden van 1,50 gulden en/of 2,- gulden en/of 2,50 gulden en/of 6,50 gulden en/of 7,- gulden en/of 1,00 euro en/of 3,00 euro en/of 0,44 euro, heeft gebruikt en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of ten verkoop in voorraad heeft en/of binnen het Rijk in Europa heeft ingevoerd, als waren die zegels echt en onvervalst en niet wederrechtelijk vervaardigd;

3.

hij in of omstreeks 1 januari 2010 tot en met 19 december 2011 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

(A.02 pg 13858) [benadeelde 2] en/of [bedrijfsnaam 1] gevestigd te [vestigingsplaats 2] en/of

(A.03 pg 13866) [benadeelde 3] en/of kantoorbenodigdheden [bedrijfsnaam 3] gevestigd te [vestigingsplaats 3] en/of

(A.04 pg 13876) [benadeelde 32] en/of [bedrijfsnaam 4] gevestigd te [vestigingsplaats 4] en/of

(A.05 pg 13879) [benadeelde 4] en/of internet bedrijf [bedrijfsnaam 5] gevestigd te [vestigingsplaats 10] en/of

(A.06 pg 13882) [benadeelde 33] en/of [bedrijfsnaam 6] gevestigd te [vestigingsplaats 5] en/of

(A.07 pg 13886) [benadeelde 5] en/of

(A.08 pg 13888) [benadeelde 6] en/of [bedrijfsnaam 7] gevestigd te [vestigingsplaats 6] en/of

(A.09 pg 13909) [benadeelde 7] en/of webwinkel [bedrijfsnaam 8] gevestigd te [vestigingsplaats 7] en/of

(A.10 pg 13912) [benadeelde 8] en/of

(A.11 pg 13925) [benadeelde 9] en/of [bedrijfsnaam 9] gevestigd te [vestigingsplaats 8] en/of

(A.13 pg 13933) [benadeelde 10] en/of [bedrijfsnaam 10] gevestigd te [vestigingsplaats 9] en/of

(A.14 pg 13940) [benadeelde 11] en/of [bedrijfsnaam 11] gevestigd te [vestigingsplaats 11] en/of

(A.15 pg 13944) [benadeelde 12] en/of [bedrijfsnaam 12] gevestigd te [vestigingsplaats 12] en/of

(A.16 pg 13951) [benadeelde 13] en/of [bedrijfsnaam 13] gevestigd te [vestigingsplaats 13] en/of

(A.17 pg 13954) [benadeelde 14] en/of

(A.18 pg 13961) [benadeelde 15] en/of webwinkel [bedrijfsnaam 14] gevestigd te [vestigingsplaats 14] en/of

(A.19 pg 13976) [benadeelde 16] en/of webwinkel [bedrijfsnaam 15] gevestigd te [vestigingsplaats 15] en/of

(A.20 pg 14001) [benadeelde 17] en/of [bedrijfsnaam 16] gevestigd te [vestigingsplaats 16] en/of

(A.21 pg 14004) [benadeelde 18] en/of [naam bedrijf 2] gevestigd te [vestigingsplaats 17] en/of

(A.22 pg 14009) [benadeelde 19] en/of

(A.23 pg 14014) [benadeelde 20] en/of [bedrijfsnaam 17] gevestigd te [vestigingsplaats 18] en/of

(A.24 pg 14019) [benadeelde 34] en/of

(A.25 pg 14024) [benadeelde 35] en/of [bedrijfsnaam 18] gevestigd te

(A.26 pg 14032) [benadeelde 21] en/of [bedrijfsnaam 19] gevestigd te [vestigingsplaats 19] en/of

(A.27 pg 14036) [benadeelde 22] en/of [bedrijfsnaam 20] gevestigd te [vestigingsplaats 20] en/of

(A.28 pg 14040) [benadeelde 23] en/of

(A.29 pg 14044) [benadeelde 24] en/of internet winkel de [bedrijfsnaam 21] gevestigd te

[vestigingsplaats 20] en/of

(A.30 pg 14049) [benadeelde 25] en/of de [bedrijfsnaam 22] gevestigd te [vestigingsplaats 21] en/of

(A.31 pg 14055) [benadeelde 26] en/of [bedrijfsnaam 23] gevestigd te [vestigingsplaats 22] en/of

(A.32 pg 14062) [benadeelde 27] en/of

(A.33 pg 14076) [benadeelde 36] en/of [bedrijfsnaam 24] gevestigd te [vestigingsplaats 23] en/of

(A.34 pg 14079) [benadeelde 28] en/of [bedrijfsnaam 25] gevestigd te [vestigingsplaats 24] en/of

(A.35 pg 14085) [benadeelde 29] en/of [bedrijfsnaam 26] gevestigd te [vestigingsplaats 25] en/of

(A.36 pg 14087) [benadeelde 30] en/of [bedrijfsnaam 27] gevestigd te [vestigingsplaats 20] en/of

(A.37 pg 14093) [benadeelde 1] en/of [bedrijfsnaam 2] gevestigd te [vestigingsplaats 11] en/of

(A.38 pg 14109 [benadeelde 37] en/of [bedrijfsnaam 28] gevestigd te [vestigingsplaats 26] en/of [vestigingsplaats 27]

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (valse) postzegels tegen een gereduceerde prijs ter verkoop aangeboden als

waren ze echt en onvervalst, waardoor voornoemde personen en/of rechtspersonen (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 mei 2012, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders, van een voorwerp, te weten een

hoeveelheid/hoeveelheden geld, namelijk totaal 1.877.970,08 euro althans een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden geld, namelijk totaal 1.877.970,08 euro althans een geldbedrag, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden geld namelijk totaal 1.877.970,08 euro althans een geldbedrag, voorhanden had(den), terwijl hij en/of zijn

mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2009 tot en met 2 mei 2012, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden geld, namelijk totaal 1.877.970,08 euro althans een geldbedrag, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid/hoeveelheden geld, namelijk totaal 1.877.970,08 euro althans een geldbedrag, gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 mei 2012 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerkers van) Aegon Schadeverzekering NV heeft bewogen tot de afgifte van 141.440,68 euro althans een hoeveelheid geld in de vorm van een

premie, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid doen voorkomen dat [medeverdachte 4] werknemer was van [naam bv 1] , terwijl hij wist dat [naam bv 1] een zogenaamde 'lege BV' was, waardoor (een of meer medewerkers van) Aegon Schadeverzekering NV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 02 mei 2012 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland en/of Duitsland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke en/of rechtsperso(o)n(en) bestaande uit onder meer [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [naam bv 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het vervalsen of namaken van zegels uitgegeven door een verlener van de universele postdienst als bedoeld in de Postwet 2009 met daarop de vermelding 'Nederland'(artikel 216) en/of het plegen van valsheid in geschrifte (artikel 225 Sr) en/of het plegen van witwassen (artikel 420ter Sr) en/of het plegen van oplichting (artikel 326 Sr).

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de bovenregionale recherche Zuid-Nederland, proces-verbaalnummer 228C120415, gesloten d.d. 28 juni 2013, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 14760, alsmede op niet genummerde bescheiden.

Het proces-verbaal bevindingen onderzoek bij Kamer van Koophandel, p. 10177.

Het proces-verbaal Bevindingen inzake [adres 4] , p. 10364 en 10365.

Het geschrift Uittreksel, p. 6587 en 6588.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam security officer] , namens PostNL d.d. 9 december 2011, pagina 9891 tot en met 9894.

Het proces-verbaal aanvullende aangifte van [naam security officer] namens PostNL d.d. 27 januari 2012, pagina 9899 tot en met 9909.

Het proces-verbaal van bevindingen, doorzoeking [adres 3] d.d. 7 december 2012, pagina 1817 tot en met 1821.

Het overzichtsproces-verbaal, p. 9866 en 9867.

Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 14] bij de rechter-commissaris d.d. 7 december 2015.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 27 juni 2012, pagina 11330 en 11331.

Het proces-verbaal ter zake onderzoek zegels, p. 14591 en het geschrift, p. 14598.

De processen-verbaal ter zake onderzoek zegels, p. 14612, 14625, 14640

Rapportage Van der Vlist d.d. 21 november 2011, pagina 14300 tot en met 14307.

Proces-verbaal van verhoor van Van der Vlist d.d. 28 juni 2012, pagina 14293 tot en met 14299.

Rapportage van Van Eert, pagina 14249 tot en met 14275.

Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , pagina 9821.

De processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 14218 tot en met 14243 en p. 14591. Ten aanzien van de zegels van [naam bv 2] : de processen-verbaal ter zake onderzoek zegels, p. 10206, 10208, 10252, 10363,10494 tot en met 10496, 10592.

Rapportage van A. Christie d.d. 23 juli 2014, niet opgenomen in de doornummering.

Rapportage van J. Vos en O. Postmus d.d. 29 juli 2014, niet opgenomen in de doornummering.

Het proces-verbaal verhoor getuige, p. 14311 en het rapport van Van der Vlist, p. 14306.

Arrest van het hof te Den Haag d.d. 23 januari 2018, gepubliceerd onder nummer ECLI: GHDHA:2018:15.

Het proces-verbaal van bevindingen, doorzoeking [adres 3] d.d. 7 december 2012, pagina 1817 tot en met 1821.

Het proces-verbaal van verhoor deskundige Van der Vlist, pagina 11353 en het proces-verbaal bevindingen detectieapparatuur PostNL, p. 10066.

Het proces-verbaal aangifte, p. 9931 en 9932.

Het loop proces-verbaal, p. 9879 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 9952, de Kennisgeving van inbeslagneming, p. 9953 en het proces-verbaal, p. 10377.

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 10229 tot en met 10232.

Het geschrift Zeugenvernehmung, p. 11810

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 10557 tot en met 10559.

Het geschrift Zeugenvernehmung, p. 11807 en 11808.

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 10565.

Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11494 tot en met 11498.

Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11506 tot en met 11509.

Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11516 tot en met 11519.

Het overzichtsproces-verbaal witwassen, p. 12285 en 12286 en het proces-verbaal, p. 12306 tot en met 12308.

Het proces-verbaal van bevindingen, p.10562 en 10563.

Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11638 en 11639.

Het geschrift met opschrift [naam bv 2] inkopen marge 19%, p. 9419.

Het geschrift met opschrift Kasboek [naam bv 2] 2011, p. 9418.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 7] d.d. 2 augustus 2012, pagina 11412.

Het proces-verbaal van bevindingen doorzoeking woning [medeverdachte 1] , d.d. 31 januari 2013, pagina 10569 en 10570.

Het overzichts proces-verbaal p. 12286.

Het proces-verbaal bevindingen beoordeling bescheiden ING -bank, p. 12307 en 12308 in combinatie met de exceloverzichten, p. 12322 tot en met 12325.

Het proces-verbaal bevindingen financiële gegevens uit verschillende bronnen, p. 12417.

De geschriften, p. 12729 tot en met 12739.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 8] d.d. 7 februari 2013, pagina 11653 en 11654.

Het verhoor van [getuige 8] bij de rechter-commissaris op 7 juni 2017.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 8] d.d. 7 mei 2012, pagina 11300.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 9] d.d. 4 mei 2012, pagina 11281 tot en met 11283.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 27 juni 2012, pagina 11330 en 11331.

Het proces-verbaal van verhoor Getuige H.W. van der Vlist, p. 11351.

Het stamproces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 26 juni 2013, pagina 13821 en 13822.

Het proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde 4] , p. 13880 en het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde 33] , p. 13883.

Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] d.d. 21 december 2011, pagina 13858 tot en met 13864.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] d.d. 29 december 2011, pagina 13866 tot en met 13875.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde 4] d.d. 25 april 2012, pagina 13879 tot en met 13881.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] d.d. 29 december 2011, pagina 13886 tot en met 13887.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] d.d. 29 december 2011, pagina 13888 tot en met 13906.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] d.d. 30 december 2011, pagina 13909 tot en met 13911.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 8] d.d. 17 januari 2012, pagina 13912 tot en met 13924.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 9] d.d. 3 januari 2012, pagina 13925 tot en met 13932.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 10] d.d. 2 januari 2012, pagina 13933 tot en met 13939.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 11] d.d. 29 december 2011, pagina 13940 tot en met 13943.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 12] d.d. 2 januari 2012, pagina 13944 tot en met 13946.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 13] d.d. 28 januari 2012, pagina 13951 tot en met 13953.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 14] d.d. 10 februari 2012, pagina 13954 tot en met 13957.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [benadeelde 15] d.d. 9 mei 2012, pagina 13961 tot en met 13975.

Het verhoor van aangeefster [benadeelde 16] d.d. 11 mei 2012, pagina 13976 tot en met 14000.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 17] d.d. 5 juni 2012, pagina 14001 tot en met 14003.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 18] d.d. 5 juni 2012, pagina 14004 tot en met 14008.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 19] d.d. 6 juni 2012, pagina 14009 tot en met 14013.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 20] d.d. 6 juni 2012, pagina 14014 tot en met 14018.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 21] d.d. 6 juni 2012, pagina 14032 tot en met 14035.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 22] d.d. 5 juni 2012, pagina 14036 tot en met 14039.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 23] d.d. 8 juni 2012, pagina 14040 tot en met 14043.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 24] d.d. 6 juni 2012, pagina 14044 tot en met 14048.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 25] d.d. 21 juni 2012, pagina 14049 tot en met 14054.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 26] d.d. 12 juni 2012, pagina 14055 tot en met 14061.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 27] d.d. 10 juni 2012, pagina 14062 tot en met 14075.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 28] d.d. 29 december 2011, pagina 14079 tot en met 14084.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 29] d.d. 30 december 2011, pagina 14085 en 14086.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 30] d.d. 5 juni 2012, pagina 14087 tot en met 14092.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] d.d. 30 juli 2012, pagina 14093 tot en met 14096.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 31] d.d. 17 december 2012, pagina 14312 tot en met 14332.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 6 mei 2013, pagina 14218 en 14219.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 6 mei 2013, pagina 14220 en 14221.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 6 mei 2013, pagina 14222 en 14223.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 7 mei 2013, pagina 14224 en 14225.

De processen-verbaal van onderzoek zegels d.d. 7 mei 2013, pagina 14226 tot en met 14229.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 14 mei 2013, pagina 14230 en 14231.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 21 mei 2013, pagina 14232 en 14233.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 27 mei 2013, pagina 14234 en 14235.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 29 mei 2013, pagina 14236 en 14237.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 19 juni 2013, pagina 14238 en 14239.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 19 juni 2013, pagina 14240 en 14241.

Het proces-verbaal van onderzoek zegels d.d. 20 juni 2013, pagina 14242 en 14243.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14191.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14193.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14195.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14197.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14201.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14203.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14205.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14207.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14209.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14211.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14213.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14215.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2012, pagina 14217.

Het proces-verbaal doorzoeking woning [medeverdachte 1] d.d. 31 januari 2013, pagina 10571.

Het overzicht vermeldt een totaal van omzet over een periode van 13 januari 2009 tot en met 2 februari 2012. Niet precies kan uitgerekend worden wat er gedurende de bewezenverklaarde periode van feit 2 is binnengekomen aan betalingen. De rechtbank neemt daarom twee bedragen tot uitgangspunt: € 577.399,35 (periode 24 december 2010 tot en met 21 juni 2011) en € 689.058,58 (periode 24 juni 2011 tot en met 1 november 2011), opgeteld € 1.266.457,93. Omdat er vanaf 1 november 2011 totdat de sites op zwart gingen ook nog geld zal zijn binnengekomen, maar de rechtbank dit niet kan berekenen op basis van het overzicht, acht zij een bedrag van 1,2 miljoen in elk geval bewezen.

Het proces-verbaal bevindingen beoordeling bescheiden ING-bank, p. 12306 en het exceloverzicht p. 12321 tot en met 12325.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 6273.

Het loopproces-verbaal, p. 12283, voetnoot 5.

1.200.000,- : 100 x 5,38 = 1.135.440,-.

Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] d.d. 25 april 2011, pagina 12287.

Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] d.d. 25 april 2011, pagina 12288.

Het stamproces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] d.d. 25 april 2011, pagina 12281 en 12282.

Benadeelde partij [benadeelde 16] heeft haar vordering ter zitting gewijzigd.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature