< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek om voorlopige voorziening inzake een verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van logiesgebouwen voor het huisvesten van maximaal 300 arbeidsmigranten. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, maar verweerder heeft, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, met toepassing van de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning kunnen verlenen. In dit verband is geoordeeld dat de huisvesting op die specifieke locatie niet op één lijn met een stedelijk ontwikkelingsproject kan worden gesteld en het project geen strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening oplevert.

Uitspraak



RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/540

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 maart 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Center Parcs Europe N.V. en

Center Parcs Netherlands N.V., te Capelle aan den IJssel, verzoeksters

(gemachtigden: mr. F.J. Webbink en mr. E.C. Hoogendijk)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder (gemachtigde: mr. M.H.P. Bullens).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: Speulhof B.V., te America (gemachtigde mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2019 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier in geding, aan Speulhof B.V. (hierna: vergunninghoudster) voor de duur van tien jaar een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van logiesgebouwen voor het huisvesten van maximaal 300 arbeidsmigranten met bijbehorende voorzieningen (een beheerdersruimte, een wasruimte en een sportveld) op het perceel aan de Peelheideweg 10 te America (gemeente Horst aan de Maas).

Verzoeksters hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2019. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 7] en haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Op het perceel Peelheideweg 10 te America is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (het bestemmingsplan) van toepassing. Het perceel heeft – voor zover van belang – de bestemming ‘agrarisch met waarden’. Vergunninghoudster is voornemens om er voor maximaal tien jaar een huisvestingslocatie voor maximaal 300 arbeidsmigranten met bijbehorende voorzieningen te realiseren. De arbeidsmigranten zullen werkzaam zijn voor het naastgelegen moederbedrijf [bedrijfsnaam] aan de [adres] te [plaatsnaam] .

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, hierna: Wabo). Omdat de voorgenomen bebouwing is gesitueerd buiten het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak, is tevens vergunning verleend voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Verweerder heeft bij dit laatste toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo in samenhang met onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), omdat het om een tijdelijke omgevingsvergunning gaat. Verweerder heeft zijn standpunt dat de verlening niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening onderbouwd met een bij de aanvraag gevoegde ruimtelijke motivering van Beusmans & Jansen van 7 januari 2019.

3. Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en het onderhavige verzoek ingediend. Center Parcs Netherlands N.V. exploiteert in de directe omgeving van de voorgenomen huisvestingslocatie twee vakantieparken (‘Het Meerdal’ en ‘Limburgse Peel’). Center Parcs Europe N.V. is de bestuurder van Center Parcs Netherlands N.V. Zij vrezen dat hun gasten hinder zullen ondervinden van de aanlegwerkzaamheden en de bouw van de logiesgebouwen. Daarnaast vrezen zij dat de huisvestingslocatie, door verzoeksters bestempeld als een enorme bouwmassa dan wel een complete woonwijk, zal leiden tot een verstoring van de vakantiebeleving van hun gasten. Ter onderbouwing van het verzoek hebben verzoeksters gesteld dat hun verzoek een redelijke kans van slagen heeft en hiertoe verwezen naar de gronden van bezwaar. In die gronden is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

a. a)verweerder de aanvraag onvoldoende op volledigheid heeft getoetst;

b)ten onrechte voor de in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo genoemde activiteit een omgevingsvergunning is verleend, omdat sprake is van strijd met het Bouwbesluit 2012 en de redelijke eisen van welstand;

c)ten onrechte een omgevingsvergunning is verleend voor de in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo genoemde activiteit. Verweerder heeft in dit verband ten onrechte toepassing gegeven aan de zogenoemde ‘kruimelgevallenregeling’ van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. Niet alleen wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van de regeling, er is bovendien sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening en;

d)dat verweerder hun belangen onvoldoende in zijn besluitvorming niet heeft meegewogen en zij ten onrechte niet zijn gekend bij de totstandkoming van het primaire besluit.

4. De gronden van het verzoek, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting zijn betrokken in de navolgende beoordeling.

5. In de navolgende beoordeling zal de voorzieningenrechter ten eerste ingaan op een aantal formele aspecten, waarna een bespreking van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend en de zorgvuldigheid van de besluitvorming, zal volgen.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, onder meer indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tot het treffen van een voorlopige voorziening in het algemeen slechts aanleiding zal bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor de indiener van een verzoek uit een besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Daarbij gaat het om een afweging van de belangen van de indiener van het verzoek bij een onverwijlde voorziening tegen de belangen die zijn gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van deze belangenafweging speelt een rol of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. De rechtmatigheidstoets van het primaire besluit maakt daar een onderdeel van uit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een bodemprocedure.

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de eerste twee in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan. Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en deze rechtbank kan bevoegd worden om van de hoofdzaak kennis te nemen.

‘spoedeisend belang’

10. Volgens verweerder hebben verzoeksters geen spoedeisend belang, omdat het hier om een tijdelijke vergunning gaat. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. Gelet op de omstandigheden dat de bouw- en aanlegwerkzaamheden een aanvang hebben genomen, de huisvestingslocatie medio mei 2019 in gebruik zal worden genomen en de mogelijke gevolgen die zowel de bouw als de ingebruikname voor verzoeksters met zich kunnen brengen, kan niet worden uitgesloten dat de parken van verzoeksters al van de aanlegwerkzaamheden en bouw van de logies-gebouwen gevolgen ondervinden. Hiermee is het spoedeisende belang bij hun verzoek genoegzaam aangetoond.

‘belanghebbendheid’

11. Ter zitting heeft vergunninghoudster betwijfeld op Center Parcs Europe N.V. wel als belanghebbende aangemerkt kan worden. De voorzieningenrechter deelt deze twijfel. Nu Center Parcs Netherlands N.V. als exploitant van de naast de voorziene huisvestingslocatie gelegen vakantieparken echter zonder meer als belanghebbende kan worden aangemerkt en haar gronden gelijk zijn aan die van Center Parcs Europe N.V., zal de voorzieningenrechter Center Parcs Europe N.V. vooralsnog ook als belanghebbende aanmerken.

Ad a) ‘de ontvankelijkheid van de aanvraag’

12. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeksters niet hebben geconcretiseerd welke informatie ten onrechte niet bij de aanvraag zou zijn gevoegd, noch welke specifieke overgelegde informatie verweerder ten onrechte niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken. De voorzieningenrechter is verder niet gebleken dat verweerder de genoemde algemene bouwaspecten, zoals het bestemmingsplan, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand, onvoldoende in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk had moeten verklaren, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

Ad b) ‘het bouwen van een bouwwerk’

13. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het Bouwbesluit 2012 (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) en de redelijke eisen van welstand (d).

14. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken van de door verzoeksters gestelde strijd met het Bouwbesluit 2012. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat bij de aanvraag rapportages van Bureau Veldweg en Kragten en een advies van de regionale brandweer Noord-Limburg zijn gevoegd en dat verzoeksters niet hebben geconcretiseerd waaruit de strijdigheid bestaat.

15. Ten aanzien van de redelijke eisen van welstand overweegt de voorzieningenrechter dat bij een tijdelijk bouwwerk (zoals hier aan de orde) op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo niet voldaan hoeft te worden aan de redelijke eisen van welstand.

Ad c) ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’

16. De voorzieningenrechter overweegt dat niet in geschil is dat het bouwplan van vergunninghoudster in strijd is met het bestemmingsplan. Partijen houdt verdeeld of verweerder voor het realiseren van de tijdelijke huisvestingslocatie op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo in samenhang met onderdeel 11 van artikel 4 van bijlage II van het Bor een afwijking van het bestemmingsplan heeft kunnen toestaan.

17. Het wettelijk kader hieromtrent is als volgt. In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

17.1.

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

17.2.

In artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komen: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

17.3.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor is artikel 4, onderdeel 11, niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer).

17.4.

In kolom 1, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage van het Besluit mer zijn de activiteiten aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Uit de toelichting bij het Besluit mer blijkt dat onder de term stedelijk ontwikkelingsproject die projecten worden verstaan, waarbij in één project verschillende activiteiten ondernomen worden, zoals woningbouw of het creëren van bedrijfsruimten, winkelcentra of parkeerterreinen.

18. Verzoeksters hebben betoogd dat de kruimelgevallenregeling niet kan worden toegepast, met als gevolg dat verweerder niet de reguliere- maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb had moeten toepassen. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat de aard en de omvang van het bouwplan zodanig omvangrijk is dat niet kan worden gesproken van een kruimelgeval. Verder is het niet aannemelijk dat de logiesgebouwen voor een periode van ten hoogste tien jaar aanwezig zullen zijn. Bovendien kan niet met een reguliere voorbereidingsprocedure worden volstaan omdat sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in de voormelde bijlage van het Besluit mer.

19. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een tijdelijk vergunde activiteit. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat dit volgt uit de verleende omgevingsvergunning. Hierin staat onder meer als voorschrift dat de logiesgebouwen en de bijbehorende bouwwerken uiterlijk op 10 januari 2029 buiten gebruik moeten worden gesteld. De gebouwen moeten worden verwijderd en het perceel moet in overeenstemming worden gebracht met de uitgangspunten/regels van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat het na ommekomst van de vergunde termijn feitelijk niet (meer) mogelijk en/of onaannemelijk is dat de logiesgebouwen en de bijbehorende bouwwerken (zonder onomkeerbare gevolgen) te verwijderen. Dat de huisvesting voorziet in een permanente behoefte, zoals door verzoeksters is gesteld, maakt dit niet anders. Gelet op hetgeen in de Nota van Toelichting bij het Bor is opgenomen maakt dit bovendien niet dat het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning niet mogelijk zou zijn.

20. Het standpunt dat de aard en omvang van het bouwplan zich niet lenen voor toepassing van de kruimelgevallenregeling komt terug in de beoordeling van de vraag of sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt.

21. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414) overweegt de voorzieningenrechter dat het begrip stedelijk ontwikkelingsproject ruimte voor interpretatie laat. Het antwoord op de vraag of sprake is van (aanleg van) een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van (de voorziene aanleg van) de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit diezelfde uitspraken volgt dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan als gevolg van het project. Volgens de geschiedenis van totstandkoming van onderdeel D, categorie 11.2 van de bijlage bij het Besluit mer kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan van regio tot regio verschillen.

21.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat het perceel in overeenstemming met de bestemming agrarisch wordt gebruikt. De bestemming staat agrarische bebouwing toe. Er is dus geen sprake van een ingrijpende wijziging van bestemming. Het feit dat wel in afwijking van het bestaande bouwvlak mag worden gebouwd maakt dit niet anders. Het in het buitengebied gelegen perceel grenst verder onder meer aan de beide vakantieparken van verzoeksters. Ter zitting hebben zij verklaard dat beide parken 1.121 vakantiebungalows (621 bij ‘Het Meerdal’ en 500 bij ‘Limburgse Peel’) omvatten waarin in totaal 5.500 gasten kunnen verblijven. Daarnaast grenst het perceel aan een grootschalige bedrijfsloods met een parkeervoorziening en een laad- en losplaats van moederbedrijf [bedrijfsnaam] en is in de directe nabijheid tevens een grootschalig tuindersbedrijf gevestigd. Beide bedrijven worden ontsloten door de provinciale weg N277. Het project ziet op tien blokken van vijf woningen waarin per woning maximaal zes personen worden gehuisvest (totaal 300 personen). Verder zal op het perceel een beheerdersgebouw voor twee beheerders/toezichthouders worden gerealiseerd en omvat het project tevens een parkeerterrein met minimaal 99 en maximaal 211 parkeerplaatsen en een sportveld. De blokken krijgen een kapconstructie met een goothoogte van 2,70 meter en een nokhoogte van 4,70 meter. Aan de rechter- en achterzijde zijn taluds van maximaal tien meter breed en twee meter hoog voorzien. Het talud aan de rechterzijde, gelegen naar open terrein en waarop vanuit het vakantiepark ‘Limburgse Peel’ zicht bestaat, wordt voorzien van bomen. Aan de linkerzijde sluit het terrein aan op het bestaande talud van het terrein van [bedrijfsnaam] . Hierdoor is de bebouwing niet zichtbaar vanuit het aan de noordzijde gelegen vakantiepark ‘Het Meerdal’. Vakantiepark ‘Limburgse Peel’ is gelegen aan de zuidzijde van het perceel. Aan die kant van het perceel is grenzend aan de Peelheideweg een groenstrook (beukenhaag, toegangsbomen en struikenzones) voorzien.

21.2.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan onder voormelde omstandigheden de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten op die specifieke locatie niet op één lijn worden gesteld met een stedelijk ontwikkelingsproject. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het project, hoewel een einde komt aan het agrarisch gebruik van het perceel, naar zijn aard past binnen de omgeving. Het perceel sluit immers aan op grootschalige bedrijfspanden, wordt ontsloten door een grote provinciale weg en ligt ingeklemd tussen twee grootschalige vakantieparken. Van een (louter) agrarische dan wel natuurlijke omgeving is ook indien het agrarisch gebruik van het perceel zou worden gehandhaafd, op die plek (in westelijke richting) nauwelijks sprake. De omvang van het project vormt evenmin aanleiding om uit te gaan van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het perceel, hoewel het bebouwde oppervlakte toeneemt, landschappelijk wordt ingepast door de aanleg van (groene) taluds en een groenstrook. De bebouwing op het perceel wordt hierdoor ook (grotendeels) aan het zicht onttrokken. De ruimtelijke uitstraling van het project is hierdoor, mede gelet op de geringe negatieve gevolgen die het project voor het milieu heeft en de getroffen maatregelen ter voorkoming van overlast (permanent toezicht door beheerders en de aanwezigheid van noodzakelijke voorzieningen en voldoende parkeergelegenheid op het terrein), relatief beperkt. Gelet hierop kan het bouwplan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor worden aangemerkt. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van het Bor, deze tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

22. Verzoeksters betogen verder dat de omgevingsvergunning in strijd met een goede ruimtelijke ordening is verleend. Zij hebben in dit verband – kort weergegeven – aangevoerd dat het project niet past binnen de omgeving en een belemmering vormt voor hun vakantieparken. De (bouw van de) huisvestingslocatie veroorzaakt overlast voor de gasten en schaadt de uitstraling van de vakantieparken. Ook is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de geluidbelasting op de vakantiebungalows als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de huisvestingslocatie en is er op het perceel onvoldoende parkeergelegenheid voorhanden. In de visie van verzoeksters zijn hun belangen dan ook onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Door de op de vakantieparken van verzoeksters georganiseerde (muziek)evenementen is het verder de vraag of een acceptabel woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigranten kan worden gegarandeerd. Daarnaast is de noodzaak voor het huisvesten van maximaal 300 arbeidsmigranten op die locatie onvoldoende onderbouwd en zijn alternatieve verblijfsmogelijkheden onderbelicht gebleven. Ter zitting hebben zij nog aangevoerd dat het project in strijd met zowel gemeentelijk als provinciaal beleid.

22.1.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

22.2.

De bevoegdheid van verweerder om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen betreft een discretionaire bevoegdheid, waardoor hij als bevoegd bestuursorgaan bij toepassing van deze bevoegdheid beslissingsruimte heeft. Daarbij gaat het er om of verweerder na afweging van de belangen in redelijkheid tot toepassing van deze bevoegdheid heeft kunnen besluiten. Deze toepassing moet door de rechter dan ook terughoudend worden getoetst.

22.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat in de ruimtelijke motivering die aan de aanvraag ten grondslag ligt toereikend is onderbouwd dat het project geen belemmering vormt voor de andere functies in de omgeving. Verweerder heeft hiertoe terecht verwezen naar de conclusie in de ruimtelijke motivering dat ten aanzien van de vakantieparken van verzoeksters een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in het gedrang komt. Hieruit blijkt immers dat de logiesgebouwen door de landschappelijke inpassing met taluds en een groenstrook grotendeels aan het zicht worden onttrokken, waardoor visuele hinder en een verminderde vakantiebeleving, zeker nu in de directe omgeving al grootschalige bedrijfsgebouwen en een provinciale weg zijn gelegen, niet te verwachten is. Door de omwalling en de afstanden tussen de logiesgebouwen en de vakantiebungalows zal van de geluidbelasting evenmin een aantasting van het woon- en leefklimaat (van zowel de bewoners van de logiesgebouwen als de gasten van de vakantieparken) uitgaan. De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de huisvestingslocatie is zodanig beperkt ten opzichte van de bestaande verkeersdruk (die mede vanwege de ligging nabij de N277 hoog is) dat extra geluidhinder niet aannemelijk is. Het aantal parkeerplaatsen op het terrein voldoet verder aan de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2015. De door verzoeksters geplaatste kanttekeningen bij de ruimtelijke motivering zijn voorts niet onderbouwd met een deskundig tegenonderzoek, zodat verweerder in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om op voormelde punten niet van de ruimtelijke motivering uit te gaan.

22.4.

In de ruimtelijke motivering is tevens aandacht besteed aan het relevante rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk ruimtelijk en planologisch beleid. De conclusie is, dat het project in overeenstemming is met geldend rijksbeleid. Verzoeksters hebben dit onbestreden gelaten. Zij menen wel dat sprake is met het provinciaal beleid (Beleidsnotitie ‘Huisvesting Arbeidsmigranten 2016’). De voorzieningenrechter overweegt dat deze notitie als uitgangspunt heeft dat de huisvesting van arbeidsmigranten zoveel mogelijk plaatsvindt in of nabij bestaand bebouwd gebied in steden of dorpen. Indien huisvesting binnen de reguliere woningvoorraad in of nabij bestaand bebouwd gebied en op recreatieterreinen in de regio niet voorhanden is, kan bij uitzondering huisvesting in tijdelijke woonunits plaatsvinden. In de regio Horst-Venray is op korte termijn geen bestaande woonruimte voor 300 arbeidsmigranten beschikbaar. Op grond hiervan concludeert de ruimtelijke motivering dat het project in overeenstemming is met het provinciaal beleid.

22.4.1.

Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat, zo die conclusie niet wordt gevolgd, in ieder geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat op grond van artikel 4:84 van de Awb kan worden afgeweken van dit beleid. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat de provincie desgevraagd in 2018 schriftelijk heeft laten weten dat zij de door verweerder ingezette ontwikkeling, gelet op het grote tekort aan huisvestingsmogelijk-heden voor arbeidsmigranten, steunt. Voor wat betreft de locatiekeuze is wel (of tevens) sprake van strijdigheid met het gemeentelijke beleidskader (Huisvesting arbeidsmigranten Horst aan de Maas 2010). Er is echter, aldus de ruimtelijke motivering, geen beletsel om op grond van artikel 4:84 van de Awb van dit beleid af te wijken, nu verweerder in het coalitieakkoord 2018-2022 heeft gekozen voor een nieuwe beleidslijn op het gebied van de huisvesting van arbeidsmigranten en die lijn er op neerkomt dat nieuwe logiesgebouwen voor arbeidsmigranten niet langer in de zones om de dorpen, maar in het buitengebied in of op terreinen dichtbij de werkgever worden gebouwd. Voor het overige is het project, dat moet worden aangemerkt als nieuwbouw als bedoeld in paragraaf 5.4.1 van het gemeentelijk beleidskader, in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

22.4.2.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op grond van het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van beleidsmatige beletselen voor het realiseren van een huisvestingslocatie voor 300 arbeidsmigranten buiten bestaand bebouwd gebied, al dan niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb, geen sprake is.

22.5.

Verder heeft verweerder onder verwijzing naar de ‘Quickscan toekomstige vraag naar Arbeidsmigranten Noord-Limburg’ voldoende het nut en de noodzaak van het project inzichtelijk gemaakt en is niet gebleken van alternatieve locaties, waarvan op voorhand duidelijk is dat die leiden tot een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren voor derden.

22.6.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen grond voor het oordeel dat het project strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening oplevert.

Ad d) ‘zorgvuldigheid totstandkoming primaire besluit’

23. Vast staat dat verzoeksters voorafgaand aan het primaire besluit niet formeel in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunt over de onderhavige huisvestingslocatie naar voren te brengen, terwijl omwonenden die gelegenheid in het kader van de zogenoemde ‘omgevingsdialoog’ wel is geboden. Hierin ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om het bezwaar van verzoeksters vanwege onzorgvuldige besluitvorming een redelijke kans van slagen toe te dichten. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat er in procedures als de onderhavige geen wettelijke verplichting bestaat voor verweerder om voorafgaand aan de primaire besluitvorming het gesprek aan te gaan met belanghebbenden. Daar komt bij dat, gelet op hetgeen hiervoor onder de punten 22 tot en met 22.6 is overwogen, de belangen van verzoeksters wel zijn betrokken in de totstandkoming van het primaire besluit en verweerder in die belangen, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, geen reden heeft hoeven zien om af te zien van vergunningverlening.

24. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek van verzoeksters om de bouw en ingebruikname van de huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten op te schorten totdat op het bezwaar is beslist, moet worden afgewezen. Overigens is de bouw en ingebruikname van de huisvestingslocatie, zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is, voor eigen rekening en risico van vergunninghoudster.

25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature