< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Wet investeren in jongeren (WIJ). Werkleeraanbod. Inkomensvoorziening. Buiten behandeling. Contra legem werking. Aanvraag werkleeraanbod op grond van de Wet Investeren in Jongeren terecht afgewezen vanwege ontbreken geldig identiteitsdocument. Het tonen van een rijbewijs is niet afdoende. Gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod moet het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve worden vastgesteld. Uit artikel 44, derde lid en vierde lid, (onderdeel van hoofdstuk 5) van de WIJ volgt dat de identiteit van de belanghebbende wordt vastgesteld aan de hand van een identiteitsdocument, niet zijnde een rijbewijs, en dat een ieder verplicht is desgevraagd terstond inzage te verstrekken aan het college in een dergelijk identiteitsdocument. Nu verzoeker niet wil voldoen aan de verplichtingen in hoofdstuk 5 van de wet, stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker geen recht heeft op een inkomensvoorziening.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

procedurenummers: AWB 11/1539, AWB 11/1540, AWB 11/1542 en AWB 11/1543

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juli 2011 op grond van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân,

verweerder,

gemachtigde: T.M. de Vries, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 27 mei 2011 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar, waarbij de aanvraag van verzoeker om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) is afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank (procedurenummer 11/1540). Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 5 juli 2011 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (procedurenummer 11/1539).

Voorts heeft verweerder bij brief van eveneens 27 mei 2011 verzoeker mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar, betreffende het niet verstrekken van een inkomensvoorziening op grond van de WIJ. Tegen dit besluit heeft verzoeker eveneens beroep ingesteld bij de rechtbank (procedurenummer 11/1543) en zich gelijktijdig tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (procedurenummer 11/1542).

De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 18 juli 2011, waarbij verzoeker in persoon is verschenen. Namens verweerder is voornoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Inleidende overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is, gelet op hetgeen verzoeker ter zitting heeft aangedragen, genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

1.3 Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Feiten

2.1 Op 11 oktober 2010 heeft verzoeker bij het UWV Werkbedrijf een aanvraag voor een werkleeraanbod gedaan ingevolge de artikelen 14 en 15 van de WIJ . Verzoeker heeft een werkervaringsplaats aangeboden gekregen bij de gemeente Heerenveen en is op 25 oktober 2010 bij deze gemeente gaan werken als jurist bezwaar en beroep.

2.2 Verweerder heeft verzoeker uitgenodigd voor een gesprek over een inkomensvoorziening, welk gesprek op 16 november 2010 heeft plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft verzoeker aangegeven, hetgeen hij op 8 november 2010 telefonisch ook reeds had gedaan, dat hij niet over een geldig identiteitsbewijs beschikt. Verzoeker heeft principiële bezwaren tegen de afgifte van zijn vingerafdrukken voor een identiteitsbewijs.

2.3 Bij besluit van 23 november 2010 stelt verweerder de aanvraag om een inkomensvoorziening buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van de Awb , omdat verzoeker niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs.

2.4 Bij besluit van 12 januari 2011 herziet verweerder het onder 2.3 genoemde besluit. De aanvraag wordt wederom buiten behandeling gesteld.

2.5 Bij besluit van eveneens 12 januari 2011 stelt verweerder de aanvraag om een werkleeraanbod eveneens buiten behandeling, omdat de aanvraag niet voldoet aan artikel 44, derde lid, van de WIJ .

2.6 Bij brieven van 18 februari 2011 heeft verzoeker tegen de onder 2.4 en 2.5 genoemde besluiten bezwaar gemaakt.

2.7 Bij besluit op bezwaar van 27 mei 2011 heeft verweerder, onder overneming van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften (sociale kamer), besloten de aanvraag om een werkleeraanbod af te wijzen.

2.8 Op diezelfde dag heeft verweerder ook besloten op het bezwaar omtrent de inkomensvoorziening. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat hij niet toe komt aan ambtshalve vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening, omdat het recht op een werkleeraanbod niet is vastgesteld.

De geschillen

3.1 Verzoeker stelt dat het onverkort handhaven van het vereiste dat hij over een geldig identiteitsbewijs moet beschikken in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb . Verweerder heeft ten onrechte geen aanleiding gezien om op basis van de contra legem werking van deze beginselen de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 44, derde lid, van de WIJ buiten toepassing te laten. Doordat verweerder omtrent de in bezwaar opgeworpen contra legem werking niets heeft overwogen in de beslissingen op bezwaar, zijn deze besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen. Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij zich door middel van een rijbewijs in combinatie met het raadplegen van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) door verweerder kan legitimeren. Ook brengt hij naar voren dat mondeling reeds een werkleertraject was overeengekomen. Verzoeker beroept zich ten slotte op het beleid van verweerder betreffende de Wet Werk en Bijstand, waarin staat dat identificatie door middel van een rijbewijs mogelijk is.

3.2 Verweerder brengt naar voren dat artikel 44, derde lid, van de WIJ dwingendrechtelijk voorschrijft dat verzoeker over een identiteitsbewijs, niet zijnde een rijbewijs, dient te beschikken. Met het tonen van een rijbewijs kan niet worden volstaan, zodat geen recht op een werkleeraanbod bestaat en hij niet toekomt aan de vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening.

De beoordeling van de geschillen

4.1 Ingevolge artikel 5 van de WIJ wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

inkomensvoorziening: de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 2 4 ;

werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling.

4.2 In artikel 13, eerste lid , aanhef en onder b, van de WIJ is bepaald dat desgevraagd recht heeft op een werkleeraanbod: de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 26 jaar bevindt en wiens in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm waarbij voor het in aanmerking te nemen inkomen het inkomen van de echtgenoot buiten beschouwing wordt gelaten.

4.3 Artikel 14, eerste lid, van de WIJ bepaalt dat het college het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vaststelt.

4.4 Ingevolge artikel 24 van de WIJ heeft de jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, recht op een inkomensvoorziening indien:

a. er geen in aanmerking te nemen vermogen is, en

b. het in aanmerking te nemen vermogen lager is dan de inkomensvoorziening.

4.5 Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WIJ stelt het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.

4.6 Artikel 42 van de WIJ, eerste lid, aanhef en onder c, bepaalt dat geen recht op een inkomensvoorziening bestaat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen.

4.7 Onder hoofdstuk 5 van de WIJ bepaalt artikel 44 (inlichtingenplicht), derde lid, dat het college bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vaststelt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht (Wid). Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat een ieder verplicht is aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wid terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.8 Op grond van artikel 1, eerste lid, 1° tot en met 3° van de Wid worden de volgende documenten aangewezen als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld:

1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of tweede lid, van de Paspoortwet;

2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;

3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit.

4.9 In artikel 2, eerste lid, van de Paspoortwet worden als reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen:

a. nationaal paspoort;

b. diplomatiek paspoort;

c. dienstpaspoort;

d. reisdocument voor vluchtelingen;

e. reisdocument voor vreemdelingen;

f. nooddocument;

g. andere reisdocumenten, door Onze Minister vast te stellen.

Het werkleeraanbod (11/1539 en 11/1540)

4.10 De rechtbank stelt vast dat het door verzoeker bij verweerder aangeboden rijbewijs niet kan worden aangemerkt als een document, bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WIJ, aan de hand waarvan de identiteit van de belanghebbende bij de uitvoering van de WIJ dient te worden vastgesteld. Het tonen van een rijbewijs, ook in combinatie met het raadplegen van de GBA, is dan ook ontoereikend om verzoeker te identificeren. Dat het UWV Werkbedrijf, waar verzoeker de aanvraag heeft ingediend, wel genoegen heeft genomen met het rijbewijs van verzoeker, maakt niet dat verweerder in afwijking van de WIJ ook het rijbewijs als identificatiedocument moet accepteren. Verweerder heeft dan ook gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 44 van de WIJ terecht de aanvraag om een werkleeraanbod afgewezen. Voor een afweging van belangen, zoals die verzoeker voor ogen staat, laat voornoemd artikel geen ruimte. De wetgever heeft in dit geval reeds de keuze gemaakt dat identificatie door middel van een rijbewijs niet aan de orde kan zijn. Verweerder heeft het bestreden besluit dan ook niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb genomen.

4.11 Ten aanzien van de door verzoeker bepleite contra legem werking overweegt de voorzieningenrechter dat van een dwingendrechtelijke bepaling in beginsel niet kan worden afgeweken. Er zijn echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd is echter geen reden om aan te nemen dat sprake is van deze bijzondere omstandigheden. Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel nu hem mondeling al een werkleertraject was aangeboden, waarmee hij ook is gestart, oordeelt de voorzieningenrechter dat hieruit zou kunnen worden afgeleid dat recht bestaat op een werkleeraanbod. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt echter duidelijk dat verzoeker wist dat hij om aanspraak te kunnen maken op een voorziening op grond van de WIJ over een geldig identiteitsdocument moest beschikken, zodat verzoeker aan voornoemde toezegging niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij recht had op een werkleeraanbod. Ook indien verzoeker niet over deze wetenschap beschikte, oordeelt de voorzieningenrechter dat niet sprake is van een zo bijzonder geval, dat op grond van het vertrouwensbeginsel een aanspraak gevestigd moet worden die met dwingend recht in strijd is.

4.12 Ten aanzien van het door verzoeker gedane beroep op het beleid van verweerder (richtlijn B041), overweegt de voorzieningenrechter dat dit beleid bepaalt dat indien de identiteit van belanghebbende eenmaal is vastgesteld (bij de eerste aanvraag dient belanghebbende zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren) een verlopen identiteitsbewijs of rijbewijs ook wordt geaccepteerd als legitimatiebewijs. Het beroep van verzoeker op dit beleid stuit reeds af op het feit dat verzoeker zich niet eerder (conform het beleid) aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3° van de Wid heeft gelegitimeerd.

4.13 Uit het voorgaande volgt dat het beroep aangaande het werkleeraanbod ongegrond is. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook geen aanleiding.

De inkomensvoorziening (11/1542 en 11/1543)

4.14 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder gelet op artikel 25 van de WIJ gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vaststelt. Bij besluit op bezwaar van 27 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een werkleeraanbod afgewezen, oftewel verweerder heeft vastgesteld dat er geen recht bestaat op een werkleeraanbod. Gelet op artikel 25 van de WIJ had verweerder gelijktijdig moeten beslissen omtrent het recht op een inkomensvoorziening. Doordat verweerder heeft overwogen in haar besluit van 27 mei 2010 aangaande de inkomensvoorziening dat zij niet toe komt aan de afwijzing van het recht op een inkomensvoorziening, heeft verweerder in strijd met artikel 25 van de WIJ het recht op een inkomensvoorziening niet vastgesteld. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard.

4.15 De voorzieningenrechter ziet, met het oog op een definitieve beslechting van het geschil, aanleiding om zelf in te zaak te voorzien. Artikel 42 van de WIJ schrijft voor dat geen recht op een uitkering bestaat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, volgt uit artikel 44, derde lid en vierde lid, (onderdeel van hoofdstuk 5) van de WIJ dat de identiteit van de belanghebbende wordt vastgesteld aan de hand van een identiteitsdocument, niet zijnde een rijbewijs, en dat een ieder verplicht is desgevraagd terstond inzage te verstrekken aan het college in een dergelijk identiteitsdocument. Nu verzoeker niet wil voldoen aan de verplichtingen in hoofdstuk 5 van de wet, stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker geen recht heeft op een inkomensvoorziening. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.10 tot en met 4.12 reeds heeft overwogen, vormt hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4.16 Ten aanzien van de (mede) ter zitting ingenomen stelling van verweerder, inhoudende dat geen recht op een inkomensvoorziening bestaat indien geen recht bestaat op een werkleeraanbod overweegt de voorzieningenrechter nog dat voor dit standpunt geen steun is te vinden in de WIJ. De omstandigheden waaronder een jongere geen recht heeft op een inkomensvoorziening zijn immers limitatief opgesomd in artikel 42, eerste lid, van de WIJ .

4.17 Verweerder dient het door verzoeker in het kader van de hoofdzaak gestorte griffierecht van € 41,00 te vergoeden. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel, met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb , dat verweerder het door verzoeker in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening gestorte griffierecht van € 41,00 dient te vergoeden. Er bestond immers geen aanleiding voor verweerder om de besluitvorming aangaande de inkomensvoorziening en het werkleeraanbod te splitsen, waardoor meer procedures zijn ontstaan dan nodig was geweest.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep met procedurenummer 11/1540 ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met procedurenummer 11/1539 af;

- verklaart het beroep met procedurenummer 11/1543 gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 mei 2011 aangaande de inkomensvoorziening;

- herroept de besluiten van 23 november 2010 en 12 januari 2011 aangaande de inkomensvoorziening;

- bepaalt dat verzoeker geen recht heeft op een inkomensvoorziening;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met procedurenummer 11/1542 af;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht in de zaken met procedurenummers 11/1542 en 11/1543 van in totaal

€ 82,00 aan verzoeker vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Jukema-Teertstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2011.

w.g. J. Jukema-Teertstra

w.g. A.T. de Kwaasteniet

Tegen de uitspraken in de verzoeken om een voorlopige voorziening met registratienummers 11/1539 en 11/1542 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummers 11/1540 en 11/1543 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 in samenhang met 6:24 van de Awb .

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature