< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Zorgvuldigheidsbeginsel beschikking heffingsrente.

Uitspraak



RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

procedurenummer: AWB 09/3033

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2010 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) met aanslagnummer [nummer].H.66 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.141 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.940 alsmede bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van € 277.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 december 2009 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 9 december 2009, ontvangen bij de rechtbank op 21 december 2009, beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010 te Leeuwarden.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is daar verschenen zijn gemachtigde.

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiser is geboren op [datum] 1947 en gehuwd met [echtgenote].

1.2 In zijn aangifte inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2006 zijn looninkomsten -onder gebruikmaking van de zogenaamde Tijdelijke Ouderen Regeling (TOR)- vanuit [werkgever] opgenomen.

1.3 De looninkomsten zijn aangegeven bij het onderdeel Inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking.

1.4 In het jaar 2006 heeft eiser geen arbeid verricht voor zijn werkgever.

1.5 Met ingang van [datum] 2007 is aan eiser eervol ontslag verleend door [werkgever].

1.6 Met dagtekening 11 mei 2007 wordt een voorlopige aanslag met aanslagnummer [nummer].H.60 opgelegd naar een belastbaar bedrag uit werk en woning van € 34.141 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.940.

1.7 Met dagtekening 7 augustus 2008 kondigt verweerder per brief aan:"U heeft in uw aangifte de loonheffing te veel aangegeven. Volgens mijn gegevens is uw Pensioen € 39.224. Ingehouden loonheffing € 13.051 in plaats van € 13.273. Ik heb daarom besloten op dit punt van uw aangifte af te wijken".

1.8 Eiser kon zich vinden in de afwijking betreffende de loonheffing. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij de belastingaanslag op korte termijn verwachtte.

1.9 Met dagtekening 14 oktober 2009 wordt de definitieve aanslag IB/PVV 2006 met aanslagnummer [nummer].H.66 opgelegd.

1.10 In de definitieve aanslag is, naast de aangekondigde afwijking van de aangifte betreffende de loonheffing, de toepassing van de arbeidskorting geschrapt.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of eisers belastingaanslag IB/PVV 2006 tot het juiste bedrag is vastgesteld en of de beschikking heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Voor wat betreft het bedrag van de aanslag spitst het geschil zich toe op de vraag of eiser recht had op toepassing van de arbeidskorting en of eiser erop mocht vertrouwen dat het recht op toepassing van de arbeidskorting niet in geschil was.

2.2 Eiser beantwoordt de vraag betreffende de toepassing van de arbeidskorting bevestigend en voert daartoe - kort gezegd - aan dat hij in 2006 in dienstbetrekking van [werkgever] was, dat zijn inkomen niet te kwalificeren was als uitkering of inkomen uit vroegere dienstbetrekking. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel merkt eiser op dat hij de aangifte juist heeft ingevuld en dat het aangifteprogramma van de belastingdienst automatisch de arbeidskorting toekent. In de brief met de aankondiging van de afwijking van de aangifte is niet gesproken over de correctie betreffende de arbeidskorting. Ten aanzien van de beschikking heffingsrente is eiser van mening dat die te hoog is vastgesteld.

2.3 Verweerder beantwoordt de vraag betreffende de toepassing van de arbeidskorting ontkennend en verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof 's-Gravenhage van 17 april 2007, VN 2007/41.1.4 en Hoge Raad 17 april 2009, LJN BI1265 waarin geconcludeerd werd tot toepassing van de groene tabel voor de inkomsten uit de TOR en daarmee de uitsluiting voor de toepassing van de arbeidskorting. Verweerder is van mening dat de heffingsrente correct is berekend en vastgesteld, nu eiser niet om een nadere voorlopige aanslag heeft verzocht.

2.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 Uit artikel 8.11, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 volgt dat de arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid winst uit onderneming, loon of resultaat uit werkzaamheid geniet.

3.2 Uit de feiten vastgesteld onder 1.4 volgt dat er in het jaar 2006 geen sprake is geweest van het verrichten van tegenwoordige arbeid. Mitsdien voldoet eiser niet aan de onder 3.1 weergegeven voorwaarden om voor toepassing van de arbeidskorting in aanmerking te kunnen komen. De stelling van eiser dat hij gedurende het jaar 2006 inzetbaar bleef voor eventuele calamiteiten kan hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 april 2007 genoemd onder 2.3 waarin is bepaald dat voor de toepassing van de loonheffing inkomsten genoten op grond van de TOR moeten worden aangemerkt als inkomsten uit vroegere arbeid, waarop de groene tabel (waarin geen arbeidskorting is verwerkt) dient te worden toegepast. De Hoge Raad heeft dit oordeel in zijn arrest van 17 april 2009, genoemd onder 2.3, bevestigd.

3.3 Eiser stelt dat hij de inkomsten, gelet op de toelichting bij het aangifteprogramma, terecht onder de inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft vermeld en dat hij erop mocht vertrouwen dat hij recht had op de door het aangifteprogramma automatisch toegepaste heffingskorting. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar Hoge Raad 9 maart 1988, nr. 24 199, BNB 1988/148 en Hoge Raad 7 december 2001, nr. 36 517, BNB 2002/45, dat niet voor elke uitlating van de belastingadministratie, waardoor bij een belastingplichtige vertrouwen is gewekt, een juiste wetstoepassing moet wijken. Ten aanzien van de toelichting op het aangifteprogramma geldt dat dit slechts is bedoeld als algemene voorlichting ter vergemakkelijking van het invullen en dat dit niet is bedoeld als limitatieve opsomming van onder de categorie inkomsten uit vroegere dienstbetrekking vallende inkomsten. De helpfunctie van het aangifteprogramma vermeldt bovendien dat hieraan geen rechten kunnen worden ontleend. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het beginsel dat de wet juist moet worden toegepast, meer gewicht toekomt. Gelet op BNB 1988/148 is een afwijking van deze regel slechts mogelijk indien de belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten. Eiser heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat hij enige handeling als bedoeld in voorgenoemd arrest, heeft verricht of nagelaten. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel treft derhalve geen doel. Het feit dat er bij de aankondiging van de afwijking van de aangifte niet is gesproken over de arbeidskorting kan evenmin een beroep op opgewekt vertrouwen doen slagen. Uit artikel 11 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen volgt dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag van de aangifte kan afwijken. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser uit de voorlopige teruggaaf niet mogen afleiden dat verweerder met betrekking tot de aangifte IB/PVV 2006 al een definitief standpunt heeft ingenomen, waarop door verweerder in een later stadium niet meer zou mogen worden teruggekomen. Ook niet nu er een aankondiging van een afwijking van de aangifte is geweest, waarop later bij de oplegging van de aanslag een nadere afwijking van de aangifte volgt.

3.4 Ten aanzien van de in rekening gebrachte heffingsrente merkt de rechtbank op dat tussen de brief met de aankondiging van de afwijking en de opgelegde definitieve aanslag veertien maanden zijn verstreken. Verweerder heeft gewacht tot een vraagstuk betreffende de TOR was uitgekristalliseerd; het arrest van de Hoge Raad is van 17 april 2009. De dagtekening van de aanslag is 14 oktober 2009. Tussen het arrest van de Hoge Raad en het opleggen van de aanslag zijn zes maanden verstreken.

3.5 Uit Hoge Raad 25 september 2009, 07/13362, gepubliceerd in onder meer BNB 2009/295 volgt dat onder omstandigheden het zorgvuldigheidsbeginsel kan meebrengen dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt van een beleid van de Belastingdienst dat erop gericht is om bij belastingen die bij wege van aanslag worden geheven, binnen drie maanden na indiening van de aangifte een definitieve aanslag op te leggen. Als het niet mogelijk is binnen die drie maanden een definitieve aanslag op te leggen, houdt het beleid volgens de wetsgeschiedenis in dat in elk geval een voorlopige aanslag wordt opgelegd op basis van de aangifte. Dit beleid strekt ertoe te voorkomen dat heffingsrente wordt berekend als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na de aangifte een belastingaanslag vaststelt. De weergave van dit beleid in de wetsgeschiedenis is algemeen geformuleerd, zodat het ook heeft te gelden indien de belastingplichtige niet om een voorlopige aanslag heeft verzocht. Een inspecteur dient te handelen in overeenstemming met dit beleid, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de overschrijding van de termijn van drie maanden niet aan de Belastingdienst te wijten is. Indien een inspecteur niet volgens het beleid handelt, verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat hij meer heffingsrente in rekening brengt dan in een geval waarin hij die gedragslijn wel volgt.

3.6 Verweerder heeft na ontvangst van de door eiser ingediende aangifte een voorlopige aanslag opgelegd conform deze aangifte. Bij het vaststellen van de definitieve aanslag is verweerder van de ingediende aangifte afgeweken.

3.7 De rechtbank acht de termijn tussen het moment waarop alle elementen voor het opleggen van de belastingaanslag, zijnde 7 augustus 2008 (zie onder 1.7), bekend waren, en de datum van het vaststellen van de definitieve aanslag op 14 oktober 2009 (zie onder 1.9) onnodig lang. Wanneer verweerder er voor kiest om in afwachting van nadere jurisprudentie het opleggen van een definitieve aanslag vooralsnog achterwege te laten, dan brengt naar het oordeel van de rechtbank het zorgvuldigheidsbeginsel in het onderhavige geval met zich mee dat verweerder een nadere voorlopige aanslag oplegt. Ook nu eiser hier, gelet op het onder 1.8 vermelde, niet om heeft verzocht.

3.8 Gelet op het vorenoverwogene, ziet de rechtbank aanleiding het in rekening gebrachte bedrag aan heffingsrente gedeeltelijk te verminderen rekening houdend met de driemaandstermijn voor het opleggen van de aanslag, over de periode tussen 7 november 2008 (drie maanden na 7 augustus 2008) en 14 oktober 2009.

3.9 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de belastingaanslag ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de beschikking heffingsrente gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de beschikking heffingsrente en bepaalt dat deze berekend moet worden over de periode van 1 januari 2007 tot 7 november 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2010.

w.g. M.J. Tijnagel

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature