< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Alimentatie. Berekening welk deel van de afgesproken partneralimentatie voor de kinderen was bestemd, aanpassing cq nihilstelling; verdiencapaciteit van de vrouw.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 186125/11-3501

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 11 september 2012

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. W.B. Koppenberg, kantoorhoudende te Hoorn,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.P. van der Schraaf, kantoorhoudende te Hilversum.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 14 oktober 2011, ingekomen op diezelfde datum;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw van

14 december 2011;

- het verweerschrift van de man tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw, van

9 januari 2012;

- de brieven, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 29 maart en 4 juli 2012.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van de meervoudige kamer van 9 juli 2012 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3 Na te noemen [naam kind 1] en [naam kind 2] hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid hun mening schriftelijk kenbaar te maken.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1992 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2006 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 7 maart 2006.

2.2 Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 2], op [datum] 1995 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 3], op [datum] 1997 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 4], op [datum] 1997 in de gemeente [plaats].

Uit dit huwelijk is voorts geboren [naam kind 1] op [datum] 1993 in de gemeente [plaats].

2.3 Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van de beschikking. Volgens dit convenant zal de man met ingang van 1 januari 2005 een kinderbijdrage betalen van € 250 per kind per maand. Deze bijdrage zal met ingang van de meerderjarigheid aan het kind zelf worden betaald, tenzij het kind op dat moment nog bij de vrouw woont. In dat geval wordt door de man, de vrouw en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang als die situatie voortduurt.

Voorts is vastgelegd dat de kinderbijdrage ten behoeve van de partnerbijdrage verlaagd is, zodat een deel van de partnerbijdrage dient te worden aangewend ten behoeve van de kinderen. De hoogte van de kinderbijdrage zal worden aangepast aan de kosten van de kinderen, indien de partnerbijdrage komt te vervallen, waarbij de kosten van de kinderen zullen worden vastgesteld aan de hand van de op dat moment gangbare regelgeving (thans de Tremanormen).

2.4 Ten aanzien van de partnerbijdrage is in het convenant opgenomen dat de man met ingang van 1 januari 2005 maandelijks een bijdrage van € 5.500 bruto zal betalen en dat de partnerbijdrage, conform de wettelijke termijn, uiterlijk 1 januari 2017 zal eindigen. Partijen hebben vastgelegd dat de hoogte van de partnerbijdrage gebaseerd is op het bedrag dat de vrouw voor financiering van de overname van de echtelijke woning nodig heeft. In het convenant zijn de kanttekeningen die partijen bij de overeengekomen partnerbijdrage hadden, opgenomen. De man heeft doen opnemen dat de bijdrage zijn draagkracht overstijgt, de vrouw dat de bijdrage aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerd is.

Partijen zijn overeengekomen dat de hoogte van partnerbijdrage zal worden beperkt tot zes en een half jaar na 1 januari 2005. Daarna - ruim voor 1 juli 2011 – zullen zij opnieuw overleggen over de hoogte van de partneralimentatie zoals die daarna eventueel nog verschuldigd zal zijn, een en ander zoals in artikel 1.6 is uitgewerkt en onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 en 4. Op het moment van ondertekening van het convenant is de man uitgegaan van de volgende gegevens. Het over de jaren 2001, 2002 en 2003 gemiddelde bruto inkomen van de man bedraagt € 84.339 per jaar, de over dezelfde jaren gemiddelde winst na vennootschapsbelasting bedraagt € 39.441 per jaar. De man neemt voor zijn rekening de rekening-courant schuld privé aan de B.V. van de man van € 315.000 (ontstaan door te hoge privé opnamen in de afgelopen jaren). De vrouw stelt dat bij de beoordeling van het inkomen van de man dient te worden uitgegaan van hetgeen door E.R. Lankester is berekend in zijn brief van 2 juni 2004.

Voorts is bij de vaststelling van de partneralimentatie uitgegaan van een eigen inkomen uit arbeid van de vrouw van € 5.840 bruto per jaar en is opgenomen dat de vrouw de intentie heeft om haar werkzaamheden uit te breiden.

2.5 Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2011 € 281 per kind per maand en de partnerbijdrage € 6.192 per maand.

3 Verzoek

3.1 Met een beroep op de in het convenant opgenomen regeling voor bijverdiensten van de vrouw heeft de man de rechtbank ten eerste verzocht om de vrouw te veroordelen om – kort gezegd – de teveel ontvangen partnerbijdrage aan hem terug te betalen. Volgens de man dient de vrouw betreffende het jaar 2010 en de periode 1 januari tot 1 juli 2011 een bedrag van € 3.185,37 terug te betalen.

3.2 Ter zitting heeft de man zijn verzoek aangepast.

Volgens de man heeft de vrouw in de jaren 2008 tot en met 2011 een bedrag van € 6.556,63 teveel aan partnerbijdrage ontvangen. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vrouw dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan hem dient terug te betalen en dat de teveel betaalde partnerbijdrage in maandelijkse termijnen van € 600 zal worden verdisconteerd in toekomstige termijnen van partnerbijdrage.

Voorts heeft hij verzocht de te betalen kinderbijdrage te bepalen op € 450 per maand.

Het tweede verzoek van de man strekt tot nihilstelling cq verlaging van de vastgestelde partnerbijdrage met ingang van 1 juli 2011.

Aan beide verzoeken heeft de man het verzoek verbonden – samengevat - dat de rechtbank zal bepalen dat, indien wordt geconcludeerd dat de vrouw een te hoog bedrag aan partnerbijdrage heeft ontvangen, zij dit over de periode waarop dit oordeel betrekking heeft, aan hem terug dient te betalen.

3.3 Ter onderbouwing van zijn eerste verzoek heeft de man aangevoerd dat hij in 2011 inzage heeft gekregen in de belastingaangiftes van de vrouw van voorgaande jaren. Uit deze gegevens is gebleken dat het inkomen van de vrouw vanaf 2008 hoger ligt dan het grensbedrag van de in het convenant opgenomen regeling van eigen verdiensten van de vrouw (hierna ook te noemen: de verdienregeling).

3.4 Ter onderbouwing van zijn verzoek om nihilstelling c.q. verlaging van de partnerbijdrage heeft de man primair aangevoerd dat de vrouw ervan op de hoogte was dat de (hoogte van de) partnerbijdrage opnieuw zou worden beoordeeld. Volgens de man mocht van haar verwacht worden om, vooruitlopend op deze hernieuwde vaststelling, haar werkzaamheden uit te breiden en in eigen levensonderhoud te voorzien. De man voert aan dat de vrouw een voltooide HBO opleiding als longfunctielaborant heeft en vanaf haar 21e jaar als zodanig in de zorg heeft gewerkt; zij is minder gaan werken vanaf de geboorte van de kinderen. De man betwist dat de zorg voor de kinderen van partijen aan uitbreiding van de werkzaamheden van de vrouw (nog) in de weg zou staan, aangezien de kinderen inmiddels op een leeftijd zijn waarop zij geen intensieve zorg meer nodig hebben.

Subsidiair heeft de man aangevoerd dat hij geen draagkracht meer heeft om de vastgestelde partnerbijdrage te betalen: de inkomsten uit zijn advocatenpraktijk zijn lager uitgevallen dan ten tijde van het opstellen van het convenant voorzien was. De man wijst er ook op dat hij, nadat hij opnieuw gehuwd is, met zijn partner twee kinderen heeft en omdat zijn partner in inkomen is achteruitgegaan, geen (financiële) ruimte heeft om een partnerbijdrage te betalen.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1 De vrouw heeft primair als verweer gevoerd dat de man een onjuist, althans onvolledig beeld van haar verdiencapaciteit heeft gegeven. Zij voert aan dat het tussen partijen nooit een punt van discussie is geweest dat zij haar werkzaamheden na de geboorte van de kinderen grotendeels zou opgeven. Volgens de vrouw was het uitgesloten dat de man minder zou gaan werken, gezien zijn ambitie om bij het advocatenkantoor waar hij werkte tot de maatschap toe te treden. De vrouw stelt dat bovendien de inkomenspositie van partijen een rol speelde en dat de man van mening was dat het, gelet op zijn hogere inkomen en betere carrièrekansen, logisch was dat zij de dagelijkse zorg voor de kinderen op zich zou nemen.

4.2 De vrouw wijst erop dat de man de in het convenant opgenomen verplichting om meer zorgtaken op zich te nemen dan op het moment van ondertekening van het convenant het geval was, niet is nagekomen. De man heeft zich niet gehouden aan zijn toezegging om een dag minder te gaan werken en meer tijd met de kinderen door te brengen. Hierdoor heeft hij de zorg voor de kinderen geheel aan haar overgelaten. De vrouw heeft toegelicht dat zij in verband met de geboorte van de kinderen haar werktijd geleidelijk teruggebracht heeft. Met haar werkgever heeft zij kunnen regelen dat zij na de geboorte van de tweeling één dag per week kon blijven werken en op termijn naar haar oude functie zou kunnen terugkeren. De vrouw stelt dat zij haar werktijd nog heeft kunnen uitbreiden tot 14 uur, maar dat haar werkgever haar niet meer kan bieden. Volgens de vrouw realiseert de man zich niet wat het betekent om als alleenstaande ouder met vier jonge kinderen een huishouden draaiende te houden, niet alleen als het gaat om de dagelijkse zorg, maar bijvoorbeeld ook gedurende de schoolvakanties.

4.3 De vrouw acht het grievend dat de man, gelet op de hoogte van zijn inkomen, terugbetaling wenst van het bedrag van € 3.200 dat zij zijns inziens ten onrechte zou hebben ontvangen. Zij voert aan dat noch het feit dat de man een nieuw gezin gesticht heeft waarin kinderen zijn geboren, noch het feit dat zijn partner ervoor gekozen heeft om in inkomen achteruit te gaan, voor haar rekening kan komen.

4.4 In reactie op het betoog van de man dat hij geen draagkracht meer heeft om de vastgestelde partnerbijdrage te betalen, heeft de vrouw een brief van E.R. Lankester

d.d. 8 december 2011 overgelegd. Hierin worden kanttekeningen geplaatst bij het standpunt van de man betreffende zijn aandeel in de winst van de advocatenmaatschap over de jaren 2003 tot en met 2010, het bruto salaris van de man en de rente over de rekening-courantschuld aan de BV.

zelfstandig tegenverzoek

4.5 De vrouw heeft verzocht om, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de partnerbijdrage moet worden gewijzigd, de kinderbijdrage vast te stellen volgens de daarvoor geldende richtlijnen. Ter zitting heeft zij dit verzoek geconcretiseerd en verzocht de kinderbijdrage te bepalen op € 492 per kind per maand.

5 Beoordeling

terugbetaling

5.1 De rechtbank stelt voorop dat de vrouw niet heeft betwist dat zij de afgelopen jaren inkomsten heeft gehad die krachtens de in het convenant opgenomen verdienregeling deels op de partnerbijdrage gekort dienden te worden. Aldus moet de vraag worden beantwoord

of de man op goede gronden aanspraak maakt op terugbetaling van teveel betaalde partnerbijdrage en, als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, welk bedrag moet worden terugbetaald.

5.2 Bij de beoordeling van de standpunten van partijen wordt uitgegaan van de in artikel 1 van het convenant opgenomen factoren die partijen bij de vaststelling van de (hoogte van de) partnerbijdrage van belang achtten, en de in artikel 2 neergelegde verdienregeling. Deze artikelen dienen in onderling verband en samenhang te worden bezien en partijen zijn jegens elkaar gehouden tot nakoming van de in het convenant opgenomen verplichtingen. Vastgesteld moet worden dat zij hierin over en weer tekort geschoten zijn: de man heeft niet aan zijn verplichting om meer zorgtaken op zich te nemen voldaan, de vrouw heeft nagelaten hem jaarlijks een kopie van haar aangifte IB te doen toekomen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man,

gezien de verhouding tussen partijen als ex-echtgenoten en het karakter van een uitkering tot levensonderhoud die naar haar aard bestemd is om te worden verbruikt, moet worden afgewezen.

kinderbijdrage

5.3 Gelet op de verzoeken van partijen zal, zoals ter zitting besproken, eerst de hoogte van de behoefte van de kinderen worden vastgesteld, alvorens over de partnerbijdrage wordt beslist.

5.4 Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van het NIBUD. Daartoe dient allereerst het besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van de verbreking van de samenwoning te worden bepaald. Uit heb convenant blijkt dat partijen met ingang van december 2001 duurzaam gescheiden leven. Als peildatum voor het gezinsinkomen en puntenaantal van de kinderen wordt 1 januari 2002 genomen. Uitgaande van een netto gezinsinkomen op die datum boven het maximale bedrag van de tabel en 45 punten, was de totale behoefte van de kinderen op 1 januari 2002 € 1.235, afgerond € 309 per kind, geïndexeerd € 336 per kind per maand. Het vorenstaande betekent dat de door partijen in 2006 overeengekomen kinderbijdrage van € 250 per kind per maand, € 86 lager lag dan de behoefte van ieder kind destijds was.

Met toepassing van de wettelijke indexering is de behoefte in 2011 € 375 per kind per maand. Per 1 januari 2011 betaalt de man een bijdrage van € 281 per kind per maand.

5.5 De man heeft verzocht te bepalen dat hij een kinderbijdrage van € 450 per kind per maand zal betalen. Gelet op de uitkomst van de berekening van de behoefte van de kinderen zal de rechtbank dit verzoek toewijzen en de kinderbijdrage bepalen op € 450 per kind per maand. Deze beslissing brengt mee dat het verzoek van de vrouw, voor zover dat betrekking heeft op vaststelling van een hogere kinderbijdrage, zal worden afgewezen.

Een complicerende factor bij de wijze waarop de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de kinderbijdrage in het onderhavige geding is ingebracht, betreft de omstandigheid dat [naam kind 1] op de datum waarop het verzoekschrift door de man werd ingediend, jongmeerderjarig was. Aangezien de verzoeken van partijen betrekking hebben op de periode waarin [naam kind 1] nog minderjarig was, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw zonder volmacht van [naam kind 1] kan procederen en dat, vanaf de datum waarop Aiko jongmeerderjarig is geworden, sprake is van een uitkering tot zijn levensonderhoud en studie (hierna ook: studiebijdrage).

Hierbij wordt aangetekend dat in het convenant is opgenomen dat de man de kinderbijdrage vanaf het tijdstip waarop het kind meerderjarig wordt, aan het kind zelf zal betalen, tenzij het kind op dat moment nog bij de vrouw woont. In dat geval wordt door de man, de vrouw en het kind in onderling overleg bepaald op welke wijze wordt betaald, zolang als die situatie voortduurt. [naam kind 1] heeft aangegeven dat zolang hij nog bij de vrouw in huis woont, de studiebijdrage aan haar kan worden betaald.

partnerbijdrage

5.6 Partijen hebben de hoogte van partnerbijdrage beperkt tot zes en een half jaar

na 1 januari 2005. Zij hebben vastgelegd dat zij ruim vóór deze termijn verstrijkt op 1 juli 2011, opnieuw over de hoogte van de partnerbijdrage zullen overleggen.

5.7 Niet in geschil is dat de vrouw tijdens het huwelijk, in verband met de geboorte van de kinderen, haar arbeidstijd heeft teruggebracht en belast was met de zorg voor het gezin. Na de verbreking van de samenwoning is de zorg voor de kinderen geheel voor haar rekening gekomen. Mede gelet op deze verdeling van de (zorg-)taken tussen partijen tijdens en na het huwelijk, kan redelijkerwijs niet van de vrouw worden verwacht dat zij na een periode van zes en een half jaar geheel zelfstandig in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.

De vraag of de vrouw vanaf 1 juli 2011 nog aan een (aanvullende) partnerbijdrage behoefte heeft, wordt aldus bevestigend beantwoord. Het verzoek van de man om de partnerbijdrage op nihil te stellen, zal daarom worden afgewezen.

5.8 De rechtbank stelt voorop dat de man niet inhoudelijk heeft betwist dat, zoals de vrouw in het convenant heeft doen opnemen, de afgesproken partnerbijdrage (naar de rechtbank begrijpt: rekening houdend met de erin verdisconteerde kosten ten behoeve van de kinderen) in overeenstemming was met de welstand van partijen tijdens hun huwelijk.

5.9 Ten aanzien van de eigen verdiencapaciteit van de vrouw blijkt uit het convenant dat de vrouw ten tijde van de ondertekening ervan een inkomen van € 5.840 bruto per jaar had. Vastgelegd is dat de vrouw de intentie heeft haar werkzaamheden uit te breiden. Uit de overgelegde aangifte IB 2011 blijkt dat haar bruto inkomen in dat jaar € 15.747 was.

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen hierboven is overwogen betreffende de zorg voor de kinderen van partijen, redelijk om de verdiencapaciteit van de vrouw te begroten op € 15.747 bruto per jaar, het bedrag van haar huidige inkomsten.

5.10 Daarbij komt dat, zoals hierboven is berekend, de door partijen in 2006 afgesproken bijdrage € 86 per kind per maand lager was dan de kinderbijdrage die aan de hand van de destijds gangbare Tremanormen zou zijn vastgesteld. Op grond hiervan begroot de rechtbank het van de partnerbijdrage per 1 januari 2011 voor de kinderen aan te wenden bedrag op maandbasis op vier maal € 94 (netto). Voor de beoordeling in dit geding wordt het bruto equivalent hiervan begroot op in totaal € 575 per maand. Uitgaande van de – geïndexeerde – partnerbijdrage van € 74.304 op jaarbasis per 1 januari 2011, eigen inkomsten van € 15.747 en een aftrek van € 6.900 wegens correctie kosten kinderen, heeft de vrouw een aanvullende behoefte van € 51.657 per jaar, afgerond € 4.308 per maand.

draagkracht man

5.11 Partijen hebben een aantal (financiële) factoren die bij de berekening van de partnerbijdrage in het convenant een rol hebben gespeeld, genoemd. Bovendien zijn de uitgangspunten voor de hernieuwde vaststelling van de partnerbijdrage en de wijze waarop (toekomstige) inkomsten van de vrouw van invloed zullen zijn op de hoogte van de kinder- en partnerbijdrage, vastgelegd.

5.12 In het kader van de beoordeling van de draagkracht van de man wordt het volgende overwogen.

In het convenant heeft de man doen opnemen dat hij op het moment van ondertekening van het convenant is uitgegaan van een gemiddeld bruto inkomen uit arbeid in de jaren 2001, 2002 en 2003 van € 84.339 per jaar en van een gemiddelde winst na vennootschapsbelasting over deze jaren van € 39.441 per jaar. De man zal voorts voor zijn rekening nemen de aflossing van de rekening courant schuld privé aan zijn B.V. van € 315.000 (ontstaan door te hoge privé opnamen in de afgelopen jaren).

De vrouw heeft zich volgens het convenant op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van het inkomen van de man moet worden uitgegaan van hetgeen door E.R. Lankester is berekend bij diens brief van 2 juni 2004. Een afschrift van die brief is aan het convenant gehecht.

5.13 Thans dient de draagkracht van de man per 1 juli 2011 te worden beoordeeld. Vastgesteld moet worden dat de man in de onderhavige procedure geen volledig financieel overzicht van de drie voorafgaande jaren, 2008, 2009 en 2010, heeft overgelegd. De rechtbank is dan ook niet in staat om overeenkomstig de door de man ten tijde van het opstellen van het convenant relevant geachte uitgangspunten, zijn inkomen te bepalen.

5.14 De rechtbank stelt voorop dat uit de formulering van het convenant blijkt dat de (toekomstige) winstverwachting van de maatschap waarvan de man deel uitmaakt, bij de vaststelling van de partnerbijdrage geen rol heeft gespeeld. De man heeft zelf uitsluitend het verband gelegd met zijn gemiddelde bruto inkomsten in de drie aan de ondertekening van het convenant voorafgaande jaren. De vraag of achteraf moet worden vastgesteld dat de winst van de vennootschap lager is uitgevallen dan ten tijde van het convenant werd verwacht, is voor de beoordeling in dit geding dan ook niet relevant.

5.15 De vrouw heeft een brief van E.R. Lankester van 8 december 2011 in de procedure gebracht. Deze brief bevat een gespecificeerde reactie op de (financiële) onderbouwing van het verzoekschrift van de man. De man heeft de uitgangspunten en conclusies in deze brief niet inhoudelijk betwist. De rechtbank zal voor de vaststelling van het inkomen van de man deze gegevens en vaststellingen als niet dan wel onvoldoende weersproken in haar beoordeling betrekken.

5.16 Ten aanzien van het in aanmerking te nemen inkomen van de man, geldt dat de man een aandeel in de winst van de advocatenmaatschap ontvangt:

-in het jaar 2008: € 190.976;

- in het jaar 2009: € 220.160;

- in het jaar 2010: € 191.386.

Het gemiddeld winstaandeel van de man in deze jaren was - afgerond - € 200.000.

Het winstaandeel van de man wordt uitgekeerd aan [naam b.v.1] B.V. Deze B.V. keert een managementfee uit aan [naam b.v. 2] B.V. (hierna aangeduid als: [naam b.v. 2]). Vanuit [naam b.v. 2] wordt loon aan de man uitbetaald.

5.17 Volgens de meest recente beschikbare jaarrekening, die van 2009, bedroegen de kosten van [naam b.v. 2] – afgerond – € 191.000, waarvan € 150.000 het bruto salaris van de man betreft. De overige € 41.000 kosten bestaan uit:

- € 28.000 dotatie pensioenvoorziening in eigen beheer;

- € 7.000 afschrijving auto;

- € 6.000 overige kosten (met name autokosten, ziektekosten en accountantskosten).

De vraag moet worden beantwoord of het redelijk is met een pensioendotatie van deze omvang rekening te houden. De rechtbank is van oordeel dat het, in het kader van de beoordeling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige jegens zijn kinderen en ex-partner, niet redelijk is om met de (volledige) pensioendotatie rekening te houden. In aansluiting bij hetgeen gebruikelijk is bij pensioenopbouw van een werknemer in loondienst, gaat de rechtbank ervan uit dat de helft van de dotatie voor rekening van de man komt; derhalve een bedrag van € 14.000. Het vorenstaande impliceert dat, uitgaande van het gemiddeld winstaandeel van de man van € 200.000 per jaar en een gemiddeld bedrag aan kosten op jaarbasis van € 27.000, voor de berekening van diens draagkracht een bruto jaarinkomen van € 173.000 in aanmerking zal worden genomen.

5.18 Bij de beoordeling van de draagkracht is voorts uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende, niet dan wel onvoldoende betwiste gegevens:

- de fiscale bijtelling inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 2.373;

- de man kan zijn woonlasten delen, dus wordt rekening gehouden met een bijtelling eigen-woningforfait van € 1.818 op jaarbasis alsmede met de fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 16.878 op jaarbasis.

Daarnaast is rekening gehouden met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting.

Voorts worden de volgende niet of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- een bedrag van € 1.406 fiscaal aftrekbare hypotheekrente;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 47;

- de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering van € 95, waarvan een bedrag van € 45 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm;

- het aandeel (de helft) in de kosten van opvang van de kinderen uit zijn nieuwe huwelijk, € 362;

- de rechtbank gaat ervan uit dat er weer omgang tussen de man en de kinderen tot stand komt en begroot de kosten hiervan op € 50;

- het aandeel van de man (de helft van totale kosten van € 1.200 per maand) in de kosten van de kinderen uit zijn nieuwe huwelijk, € 600.

5.19 Aan de hand van de Tremanormen zal vervolgens een “jusvergelijking” worden gemaakt.

Aan de zijde van de vrouw is daarbij rekening gehouden met de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende, niet dan wel onvoldoende betwiste gegevens (bedragen op hele euro’s afgerond):

- aangezien de vrouw inkomsten uit meerdere bronnen heeft, zal, conform de richtlijnen van het Tremarapport, haar arbeidsinkomen niet worden berekend aan de hand van de jaaropgave. De rechtbank zal uitgaan van de salarisspecificatie van maart 2012, een bruto salaris van € 1.177 per maand;

- aanspraak eindejaarsuitkering van € 1.152 per jaar;

- inhouding pensioenpremie van € 129 per maand;

- de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet van € 20 per maand;

- belaste bijdrage zorgverzekeringspremie van € 20 per maand

- de bijtelling eigenwoningforfait van € 3.234 op jaarbasis;

- fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 1.213 per maand;

- forfait eigenaarslasten van € 95 per maand;

- hypotheekaflossing van € 307 per maand;

- de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering van € 143, waarbij rekening wordt gehouden met het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag van € 45 en een eigen risico van € 18 per maand;

alsmede met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting;

- de alleenstaande-ouderkorting.

5.20 Gelet op het bovenstaande, rekening houdend met fiscale effecten en in aanmerking genomen de uitkomsten van de gemaakte jusvergelijking, acht de rechtbank een partnerbijdrage van € 2.410 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

In die zin zal worden beslist.

5.21 De rechtbank zal als ingangsdatum bepalen 1 juli 2011, aangezien tegen deze ingangsdatum geen verweer is gevoerd.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt, met wijziging in zoverre van het in de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2006 opgenomen convenant van partijen, dat de man aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q uitkering tot levensonderhoud en studie van [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1993 in de gemeente [plaats], inmiddels jongmeerderjarig;

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1995 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 3], geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 4], geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats],

€ 450 per maand per kind, met ingang van 1 juli 2011 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

6.2 Bepaalt, met wijziging in zoverre van het in de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2006 opgenomen convenant van partijen, dat de man aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 juli 2011 dient te voldoen € 2.410 per maand, voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

6.3 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdragen jaarlijks, voor het eerst per 1 januari 2012 van rechtswege worden gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.5 Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Diender, voorzitter, mrs. I.M. Ludwig en P.R. de Geus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2012.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature