< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

alimentatie / biologische vader / wettige vader

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 161504/09-3072

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 8 juni 2010

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.C. Mens, kantoorhoudende te Hoofddorp,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.L. Muller, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 11 september 2009, ingekomen op diezelfde datum;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man van 12 november 2009;

- de dagbepalingsbeschikking van 18 februari 2010 en de daarin vermelde stukken;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 2 april 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 13 april 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 13 april 2010.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 april 2010 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Op verzoek van de rechtbank hebben partijen, na afloop van de mondelinge behandeling, navolgende stukken ingediend:

- een brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 26 april 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 27 april 2010.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen hebben van juli 2007 tot maart 2008 samengewoond.

Na de verbreking van de relatie is geboren de minderjarige [naam]:

- [naam kind], op [datum] 2008 in de gemeente [plaats].

2.2 Het gezag over de minderjarige wordt door de vrouw alleen uitgeoefend.

De minderjarige, hierna te noemen [naam kind], is op [datum] 2009 met toestemming van de vrouw erkend door [naam wettige vader], hierna (ook) te noemen: de wettige vader.

2.3 Bij onherroepelijke uitspraak van deze rechtbank van 3 november 2009 is voornoemde erkenning vernietigd en heeft de rechtbank de man vervangende toestemming voor erkenning verleend.

2.4 Op 24 februari 2010 is de vernietiging van de erkenning op de geboorteakte van de minderjarige aangetekend.

3 Verzoek

Met als grondslag dat de man, aangezien [naam minderjarige] is geboren uit de relatie van partijen, gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige], heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man haar met ingang van 1 september 2009 een bijdrage van € 250 per maand dient te betalen.

4 Verweer

4.1 De man heeft primair aangevoerd dat [naam minderjarige] een juridische vader heeft die niet zijn biologische vader is. Hij stelt dat hij [naam minderjarige] wilde erkennen, doch dat de vrouw hem hiervoor geen toestemming wilde geven. Volgens de man heeft de vrouw, omdat hij voornemens was een verzoek tot verkrijging van vervangende toestemming van de rechtbank voor erkenning in te dienen, erin toegestemd dat haar huidige partner [naam minderjarige] erkende.

De man stelt zich op het standpunt dat hij als verwekker slechts alimentatieplichtig is, indien van de juridische vader geen bijdrage kan worden verwacht. In dit verband is, aldus de man, van belang dat de vrouw in de procedure die tot de vernietiging van de erkenning heeft geleid, gesteld heeft dat de wettige vader in financieel opzicht voor [naam minderjarige] zorgde. De man verzoekt de rechtbank dan ook de vrouw in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren.

4.2 Subsidiair heeft de man de hoogte van de door de vrouw gestelde behoefte van [naam minderjarige] betwist. Hij heeft aangevoerd dat de kosten van [naam minderjarige] tussen partijen gedeeld moeten worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij zich bereid verklaard om, hoewel zijn financiële ruimte beperkt is, met ingang van 1 juli 2010 een kinderbijdrage van € 150 te gaan betalen.

5 Beoordeling

5.1 Uitgangspunt bij de beoordeling van de standpunten van partijen is het feit dat de man voorafgaand aan en ten tijde van de mondelinge behandeling van deze zaak niet de wettige vader van [naam minderjarige] was.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals is neergelegd in de uitspraak van de Hoge Raad van

26 april 1996, LJN AD2542, ingevolge het wettelijk stelsel van afdeling 1 van titel 17 van Boek 1 BW een wettig kind - afgezien van mogelijke aanspraken jegens een stiefouder - slechts jegens zijn wettige ouders aanspraak heeft op voorziening in de kosten van zijn verzorging en opvoeding. Aan art. 1:394 lid 1 BW kan een kind derhalve geen aanspraak jegens de biologische vader ontlenen, zolang het een ander tot wettige vader heeft. Ingevolge vaste jurisprudentie vervalt de onderhoudsplicht van de verwekker, als het kind later door een andere man wordt erkend.

5.2 In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat, indien tussen het kind en zijn biologische vader een als familie- en gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM aan te merken betrekking bestaat, voormelde regel kan worden doorbroken, voor zover art. 8 EVRM zulks eist, omdat het in zoverre een positieve verplichting oplegt om het kind een aanspraak op levensonderhoud jegens zijn biologische vader toe te kennen. Een zodanige doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel moet met name worden aangenomen voor het geval dat blijkt dat de wettige vader niet in staat is om in het levensonderhoud van het kind te voorzien of dat dit op andere grond niet in rechte kan worden afgedwongen, dan wel dat van de moeder redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij hem ter zake aanspreekt.

5.3 De vrouw heeft een relatie met de man die tot 24 februari 2010 de wettige vader van [naam minderjarige] was. Gesteld noch gebleken is echter dat vóór 24 februari 2010 sprake is geweest van omstandigheden als in rechtsoverweging 5.2 genoemd die doorbreking van het wettelijk stelsel van onderhoudsplicht rechtvaardigen. De kosten van [naam minderjarige] werden in die periode door de moeder en de wettige vader betaald. Voor zover het verzoek van de vrouw betrekking heeft op deze periode dient het op deze grond al te worden afgewezen.

5.4 Wat betreft de periode ná 24 februari 2010 erkent de man dat hij onderhoudsplichtig is, omdat [naam minderjarige] vanaf die datum geen wettige vader meer heeft tot het moment dat de man haar erkent. De man heeft aangegeven dat hij [naam minderjarige] zo spoedig mogelijk gaat erkennen.

5.5 Aangezien de vrouw inkomen uit arbeid boven het voor haar geldende normbedrag heeft, dient eerst vastgesteld te worden in welke verhouding partijen moeten bijdragen in de kosten van [naam minderjarige]. Hiertoe zal de rechtbank ieders beschikbare draagkracht berekenen op basis van de norm voor een alleenstaande.

5.6 Ten aanzien van het in aanmerking te nemen inkomen van de man overweegt de rechtbank het volgende.

- de man heeft een wisselend inkomen uit loondienst. Hij is op afroepbasis werkzaam bij [naam] bewakingsdienst. Uit de cumulatieve bedragen op de salarisstrook van maart 2010 blijkt dat de man in de eerste drie maanden van 2010 een bruto inkomen had van € 3.205, inclusief vakantiedagen afroep. De totale belaste werkgeversbijdrage ZVW was in die periode € 211. De rechtbank zal daarom uitgaan van een gemiddeld bruto maandelijkse inkomen uit arbeid van de man van € 1.068 en inhouding ZVW van € 70. Netto resteert hiervan € 781. De man heeft ter zitting aannemelijk gemaakt dat hij geen werkzaamheden voor het modellenbureau (meer) verricht.

- de man volgt een studie en ontvangt een prestatiebeurs, een aanvullende prestatiebeurs en een lening van de IBG, per 1 september 2010 een totaalbedrag van € 853,16. Hij heeft aangevoerd dat dit bedrag, gelet op de terugbetalingsverplichting, niet als bestanddeel van zijn inkomen dient worden beschouwd. De rechtbank verwerpt dit betoog. Op dit moment ontvangt de man voormeld bedrag als inkomen. Indien de man te zijner tijd zijn studieschuld daadwerkelijk zal gaan aflossen, kan hij zich op het standpunt stellen dat deze betalingen als last bij de draagkrachtberekening in aanmerking moeten worden genomen.

5.7 Bij de beoordeling van de draagkracht worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen. De bedragen zijn op hele euro’s afgerond

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande;

- de kale woninghuur van € 326;

- de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet van € 70;

- de premie Zorgverzekeringswet van € 99, waarvan een bedrag van € 44 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, en een verplicht eigen risico van € 14 per maand;

- de kosten omgangsregeling, begroot op € 20 per maand.

5.8 Aangezien de rechtbank de studiefinanciering die de man ontvangt in het kader van deze procedure als inkomen aanmerkt en hij de gestelde studiekosten ook heeft onderbouwd, zal de rechtbank als maandelijkse aan de studie van de man verbonden kosten een bedrag van € 385 meenemen.

5.9 Partijen hebben onder begeleiding van het Omgangshuis een omgangsregeling tussen de man en [naam minderjarige] tot stand gebracht. Van de kosten ervan is, na aftrek van bijzondere bijstand, een bedrag van € 936 door de man betaald. De man heeft aangevoerd dat hij dit bedrag geleend heeft en in zeven maandelijkse termijnen, tot 1 juli 2010, van € 134 terugbetaalt.

5.10 Bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw is de rechtbank uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- de salarisstroken van de maanden januari, februari en maart 2010 waaruit blijkt dat haar inkomen € 1.005 netto per maand bedraagt;

- de vakantietoeslag van 5 % op jaarbasis.

- zij heeft recht op kindgebonden budget, alleenstaande ouderkorting, aanvullende alleenstaande ouderkorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting, arbeidskorting en de algemene heffingskorting.

Voorgaande gegevens komen neer op een besteedbaar inkomen per maand van € 1.582.

5.11 Voorts worden de volgende niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de vrouw in aanmerking genomen:

- de bijstandsnorm voor een eenoudergezin;

- de kale woninghuur, na aftrek van huurtoeslag van, € 265;

- de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet van € 95;

- de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering van € 127, een zorgtoeslag van € 51, waarvan een bedrag van € 44 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, en een verplicht eigen risico van € 14 per maand;

- (netto) kosten kinderopvang ad € 65 per maand.

5.12 Op grond van voormelde gegevens heeft de man, zodra zijn schuld in verband met de kosten van het Omgangshuis is afbetaald, een beschikbare draagkracht van

€ 120 per maand en de vrouw een beschikbare draagkracht van € 104 per maand.

5.13 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij bereid is om met ingang van 1 juli 2010 maandelijks een bijdrage van € 150 voor [naam minderjarige] te gaan betalen. De rechtbank acht het redelijk om de betalingsverplichting te doen ingaan op de datum van deze beschikking.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam]:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 2008 in de gemeente [plaats],

bij vooruitbetaling dient te voldoen € 150 per maand.

6.2 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. van Keken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Kroon, griffier, op 8 juni 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature