< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

alimentatie / niet-wijzigingsbeding.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 159218/09-2223

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 15 december 2009

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man,

advocaat mr. W.I. Feenstra, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

advocaat mr. K.A. Boshouwers, kantoorhoudende te Eindhoven.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 2 juli 2009, ingekomen op 6 juli 2009;

- het verweerschrift met bijlagen, van de vrouw van 31 juli 2009;

- de brief van de advocaat van de man van 10 november 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 november 2009 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1987 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2003 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van [datum] 2002.

2.2 Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2800 per maand moet voldoen.

2.3 Partijen hebben een echtscheidingsconvenant opgesteld waarin onder meer de volgende bepalingen zijn opgenomen:

2. Partneralimentatie

2.1 Wegens partneralimentatie zal de man met ingang van 1 juni 2002 een bedrag van € 2.800,-- per maand bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoen. Over de maand mei 2002 werd door de man wegens partneralimentatie een bedrag van € 1.600,-- betaald.

3. Niet-wijzigingsbeding

3.1 Het in artikel 2 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald.

3 Verzoek

3.1 Met als grondslag dat de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch vastgestelde bijdrage niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven en sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen in die zin, dat de partnerbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 november 2008 alsmede te bepalen, en zonodig voor recht te verklaren, dat de man over de door de rechtbank vastgestelde bijdrage geen indexering verschuldigd is, althans de indexeringstoeslag niet met terugwerkende kracht behoeft te voldoen vóór de datum van indiening van het verzoekschrift.

3.2 De man voert daartoe aan dat partijen geen indexeringsafspraak hebben gemaakt. Ook is in de beschikking geen indexeringsbepaling opgenomen. Pas op 15 mei 2009 is de echtscheidingsbeschikking aan de man betekend en is hem bevel gedaan tot betaling van vervallen alimentatietermijnen van in totaal € 42.450,05. De man betwist primair de juistheid van de bedragen. Subsidiair is hij van mening dat de geclaimde termijnen inclusief indexering niet eerder dan met ingang van de datum van betekening van de beschikking kunnen worden geïncasseerd.

De man stelt dat hij nimmer zijn verantwoordelijkheden heeft ontlopen. Per 1 november 2008 is hij echter zijn baan kwijt geraakt en is hem (tegen verwachting in) geen ontslagvergoeding toegekend. Hij is thans aangewezen op een WW-uitkering van circa € 1.579 netto per maand. Zijn draagkracht is volstrekt onvoldoende om enige bijdrage te kunnen leveren in het levensonderhoud van de vrouw. De man doet zijn best ander werk te vinden, tot op heden echter zonder resultaat. De prognoses zijn een stuk ongunstiger geworden vanwege de kredietcrisis en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dit geldt eens temeer in de branche (ICT) waar de man immer werkzaam in is geweest.

Ten slotte voert de man aan dat de vrouw in staat kan worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien.

4 Verweer

De vrouw stelt dat ingevolge artikel 1:402a lid 1 BW indexering van rechtswege plaatsvindt. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat de wijzigingen die de man heeft aangevoerd het niet-wijzigingsbeding niet buiten werking kunnen stellen. Zij betwist dat zij niet langer behoefte heeft aan de overeengekomen partnerbijdrage. Na de echtscheiding heeft zij zich aanvankelijk in [land] gevestigd. Zij is later naar [land] verhuisd. Zij beschikt echter niet over inkomen uit betaalde arbeid. Gelet op haar leeftijd van bijna 55 jaar en het economische tij is het voor haar ook niet eenvoudig om betaalde arbeid te vinden. Hierbij komt dat de vrouw ervan uit kon en mocht gaan dat de man met een bedrag van € 2800 zou bijdragen in haar levensonderhoud. De vrouw was en is aldus aangewezen op de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.

5 Beoordeling

5.1 Met het oog op de zitting hebben partijen over de periode tot en met december 2009 een minnelijke regeling getroffen. Ter zitting heeft de man zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij thans verzoekt dat de partnerbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 januari 2010. De rechtbank begrijpt het gewijzigde verzoek aldus dat ook de stelling van de man dat hij geen indexering verschuldigd is tot 1 januari 2010, geen nadere bespreking behoeft.

5.2 Partijen zijn bij echtscheidingsconvenant een zogenoemd beding van niet-wijziging overeengekomen. Een beding van niet-wijziging houdt in dat de overeengekomen alimentatie niet kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Alleen indien sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker van de wijziging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden, als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW , kan het beding terzijde worden geschoven.

De rechtbank dient daartoe eerst te beoordelen welke de omstandigheden waren ten tijde van de overeenkomst, welke mogelijke toekomstige wijzigingen partijen daarbij voor ogen stonden dan wel zijn verdisconteerd en wie van partijen het realiseren van een wijziging voor haar rekening nam of geacht moet worden te hebben genomen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er bij de totstandkoming van het convenant door partijen geen uitgangspunten zijn benoemd wie van hen het realiseren van een wijziging voor zijn of haar rekening zou nemen. De vrouw heeft desgevraagd verklaard dat het niet-wijzigingsbeding was opgenomen om haar een bepaalde vorm van zekerheid te verschaffen. De man verklaarde desgevraagd dat hij naar aanleiding van de mededelingen van zijn toenmalige advocaat in de veronderstelling verkeerde dat onder omstandigheden het beding buiten werking kon worden gesteld en hij om die reden akkoord is gegaan met voornoemd beding.

5.3 Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval de enkele omstandigheid dat de man zijn baan is verloren, niet worden beschouwd als een zo uitzonderlijke omstandigheid dat deze bij het aangaan van het beding door partijen niet onder ogen zal zijn gezien. Gebleken is immers dat de man voorafgaande aan de echtscheiding werkzaam was bij [naam werkgever] B.V. en dat zijn arbeidsovereenkomst in maart 2002 is ontbonden onder toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 177.500 bruto. De man heeft desondanks kort daarna een alimentatieovereenkomst met een beding van niet-wijziging gesloten.

Vast staat dat aan de zijde van de man inmiddels sprake is van een uitzonderlijke inkomenswijziging. Wegens de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst per 1 november 2008 is het inkomen van de man verminderd van € 17.500 bruto per maand naar een WW-uitkering van € 1749 netto per maand. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man echter onvoldoende gesteld dat dit inkomensverlies hem niet verwijtbaar of toerekenbaar is. Uit de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2008 blijkt dat het de man wordt aangerekend dat hij de [nationaliteit] moedermaatschappij onjuist heeft geïnformeerd door nog niet omzetgerelateerde cijfers in de tijd naar voren te brengen en is het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover gegrond op een vertrouwensbreuk toegewezen. De kantonrechter heeft geen vergoeding aan de man toegekend, omdat de vertrouwensbreuk aan de man wordt toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat op de man de stelplicht rust om aannemelijk te maken dat de gevolgen van zijn ontslag desalniettemin niet voor zijn risico dienen te komen. De enkele stelling van de man dat de kantonrechter niets van het verweer had begrepen en dat de advocaat van de man voor de verrichte werkzaamheden hem ook geen nota meer heeft gezonden, is daarvoor onvoldoende. De man heeft geen stukken overgelegd waarin zijn visie op de ontslagzaak bevestigd wordt, terwijl dit onder de gegeven omstandigheden wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het inkomensverlies van de man geen zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden oplevert dat de man naar maatstaven van ordelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

behoefte vrouw

5.4 Tegenover de betwisting door de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat de vrouw niet langer behoefte zou hebben aan de partnerbijdrage. Daarbij komt dat partijen ook in het convenant niets zijn overeengekomen over een eventuele herintreding van de vrouw tot de arbeidsmarkt ter verkrijging van financiële zelfstandigheid teneinde na verloop van tijd in haar eigen behoefte te kunnen voorzien.

indexering

5.5 De rechtbank wijst er op dat de overeengekomen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage, nu partijen hiervan niet bij overeenkomst zijn afgeweken.

proceskosten

5.6 Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Wijst af het verzoek van de man.

6.2 Bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. Geschiere, griffier, op 15 december 2009.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature