< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Is er sprake van een in Nederland erkend buitenlands huwelijk? Nietigheid huwelijk

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding /tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 140400/07-3719

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 september 2008

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. O.I.M. Ydema, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[naam],

wonende op de Filippijnen, voor deze zaak woonplaats gekozen hebbende te Bergen op Zoom,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C. van der Tak, kantoorhoudende te Bergen op Zoom.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 6 november 2007, ingekomen op diezelfde datum, waarin echtscheiding met nevenvoorzieningen is gevraagd;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man van 27 februari 2008;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw van 22 april 2008;

- de brieven, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 15 mei, 22 augustus en 26 augustus 2008.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 september 2008 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. Ydema en mr. S.H. Geers en de man door mr. Van der Tak.

1.3 De minderjarige [naam minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 2002 te [plaats] (provincie [naam], Filippijnen) met elkaar gehuwd. Zij hebben beide de Nederlandse nationaliteit.

2.2 Voor dit huwelijk is te Haarlem geboren de minderjarige [naam minderjarige] op [geboortedatum] 1994, door de man erkend, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3 Verzoek

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken met als grondslag dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Voorts heeft zij verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van voornoemde minderjarige bij haar zal zijn, dat de man een bijdrage van € 1.500,- per maand zal betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige], alsmede de kosten van haar speciaal onderwijs, en een uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw vast te stellen. Zij heeft tot slot verzocht te bepalen dat de man zich dient te houden aan hetgeen partijen zijn overeengekomen bij convenant van 23 juli 2004. De vrouw heeft haar verzoek tot vaststelling een uitkering tot levensonderhoud ingetrokken.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1 De man heeft primair aangevoerd dat geen sprake is van een in Nederland erkend buitenlands huwelijk, zodat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, dan wel de rechtbank zichzelf onbevoegd dient te verklaren. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [naam minderjarige] en heeft hij verweer gevoerd tegen haar andere verzoeken.

4.2 De man heeft de rechtbank bij zelfstandig verzoek verzocht het op 28 december 2002 tussen partijen gesloten huwelijk nietig te verklaren, alsmede de vrouw te bevelen de door haar op de onroerende zaken van de man gelegde beslagen op te heffen op verbeurte van dwangsom.

5 Beoordeling

algemeen

5.1 Nu beide partijen Nederlander zijn, is de rechtbank bevoegd het verzoek tot echtscheiding te behandelen.

erkenning van het huwelijk

5.2 De vraag of het huwelijk tussen partijen in Nederland wordt erkend, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 5 van de Wet Conflictenrecht Huwelijk van 7 september 1989, in werking getreden op 1 januari 1990 (hierna: WCH). In artikel 5 lid 1 WCH is bepaald dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend, als dat ingevolge het recht van de Staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. Volgens het vierde lid van genoemd artikel wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door de bevoegde autoriteit.

5.3 In het onderhavige geval heeft de vrouw overgelegd een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Filippijnen opgestelde akte van legalisatie van [datum] 2003 betreffende de akte van het huwelijk van partijen d.d. [datum] 2002. De bevoegdheid van de autoriteit die de legalisatieakte heeft verstrekt is door de man niet betwist. Derhalve wordt op grond van artikel 5 lid 4 WCH vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is.

5.4 De man heeft tegen dat rechtsvermoeden aangevoerd dat bij het sluiten van het huwelijk niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 1:43 en 1:44 BW. Dat betoog faalt, omdat die artikelen bij huwelijkssluiting op de Filippijnen niet toepasselijk zijn.

5.5 Voorts heeft de man gesteld dat er gebreken kleven aan de in de huwelijksakte genoemde akte van ondertrouw (Marriage Licence) van [datum] 2002, omdat volgens de man vaststaat dat een dergelijk document niet op die datum is opgemaakt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de man een schriftelijke verklaring d.d. 19 februari 2008 van de ambtenaar ten overstaan van wie het huwelijk van partijen is voltrokken, de “municipal mayor [naam] in het geding gebracht. Deze schrijft dat hij bij de huwelijkssluiting heeft aangenomen dat aan alle voorwaarden was voldaan, maar dat hij dat niet heeft gecontroleerd, dat de akte van ondertrouw niet tijdig – tenminste tien dagen vóór de huwelijkssluiting – was opgemaakt, alsmede dat hij de akte van ondertrouw niet in het lokale civiele register heeft aangetroffen.

5.6 De vrouw heeft vervolgens in het geding gebracht het door de man ondertekende aanvraagformulier voor de akte van ondertrouw, het reçu van de leges in verband met die akte (waarop de man is vermeld als degene die de leges heeft betaald), alsmede de akte van ondertrouw van [datum] 2002 (waarop is vermeld dat de man de ‘licence fee’ heeft voldaan). Voorts heeft de vrouw een ‘legal opinion’ overgelegd van [naam advocaat], advocaat te Manilla, waarin deze beschrijft dat hij het origineel van de akte van ondertrouw heeft achterhaald uit het archief van [plaats] en waarin hij onder verwijzing naar de Filippijnse ‘Family Code’ verklaart dat een gebrek in één van de formele voorschriften die aan de huwelijkssluiting zijn verbonden niet leidt tot ongeldigheid van het huwelijk. De omstandigheid dat de akte van ondertrouw niet tenminste tien dagen voor het huwelijk is opgemaakt, kan volgens [naam advocaat] slechts leiden tot een administratieve boete, maar laat de geldigheid van het huwelijk onverlet.

Tot slot heeft de raadsman van de vrouw ter zitting – door de man onweersproken – gesteld dat de man in een procedure op de Filippijnen tot nietigverklaring van het huwelijk niet ontvankelijk is verklaard en dat daarover op de Filippijnen geen andere procedures aanhangig zijn.

5.7 De man heeft ter zitting volstaan met een herhaling van zijn standpunten, zonder daarbij inhoudelijk in te gaan op de door de vrouw overgelegde stukken en aangedragen argumenten. De rechtbank concludeert dat de man de stelling van de vrouw dat tussen partijen op [datum] 2002 te [plaats] rechtsgeldig een huwelijk tot stand is gekomen onvoldoende heeft weersproken, zodat de rechtbank van de rechtsgeldigheid ervan uitgaat.

nietigverklaring

5.8 De man heeft zijn verzoek om nietigverklaring onderbouwd met een beroep op de hierboven sub 5.5 beschreven gebreken in de huwelijksakte cq akte van ondertrouw.

De rechtbank overweegt dat de vraag of een huwelijk kan worden vernietigd en wie de nietigheid op welke gronden en met welke gevolgen kan inroepen, onderworpen is aan het rechtsstelsel dat van toepassing is op de vraag of het huwelijk formeel en materieel geldig tot stand is gekomen. Het rechtsstelsel dat de formele en materiële huwelijksvereisten stelt, bepaalt ook de sanctie op overtreding daarvan.

5.9 Aangezien het huwelijk van partijen in de Filippijnen tot stand is gekomen, is de vraag of het huwelijk van partijen formeel (ten aanzien van de vorm van de huwelijksvoltrekking) en materieel (ten aanzien van de vereisten tot het aangaan van een huwelijk) rechtsgeldig tot stand is gekomen in beginsel onderworpen aan het recht van de Filippijnen. Dit recht beheerst derhalve in beginsel de vraag of het huwelijk van partijen nietig verklaard kan worden en, zo ja, op welke gronden.

5.10 De rechtbank stelt vast dat de man zijn verzoek om nietigverklaring van het huwelijk geheel en al heeft gemotiveerd met een beroep op gebreken in de huwelijksakte cq akte van ondertrouw, derhalve op een formeel gebrek bij de huwelijksvoltrekking. Dit beroep stuit af op de, door de man niet inhoudelijk bestreden, informatie in voornoemde ‘legal opinion’ van J[naam], advocaat te Manilla. Naar de Filippijnse ‘Family Code’ leidt, aldus deze ‘legal opinion’, een gebrek in één van de formele voorschriften die aan de huwelijkssluiting zijn verbonden, niet tot ongeldigheid van het huwelijk. Hierbij tekent de rechtbank aan dat zoals hierboven sub 5.7 is neergelegd, de man in een procedure op de Filippijnen tot nietigverklaring van het huwelijk reeds niet ontvankelijk is verklaard en dat daarover op de Filippijnen geen andere procedures aanhangig zijn.

Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank het verzoek van de man tot nietigverklaring van het huwelijk zal afwijzen.

verdere beoordeling

5.11 Het verzoek tot echtscheiding kan als onweersproken worden toegewezen.

5.12 Partijen hebben verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet, zodat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.

5.13 De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een bijdrage voor [naam minderjarige] van € 1.500,- per maand. De draagkracht van de man is niet in geschil. De man heeft verwezen naar de toepasselijke NIBUD-normen en heeft verzocht de bijdrage te bepalen op het bedrag dat hij nu maandelijks voor [naam minderjarige] betaalt, € 750,-, omdat dit bedrag toereikend moet zijn. De rechtbank overweegt dat de tabel eigen aandeel kosten van kinderen in beginsel als richtsnoer geldt bij het bepalen van de behoefte van een kind tenzij de ouders op basis van feiten omstandigheden aannemelijk maken dat van andere gegevens uitgegaan moet worden. Het gezinsinkomen van parijen is fors hoger dan het maximum gezinsinkomen dat uit de tabel voortvloeit. In de tabel is een minimum behoefte bedrag opgenomen, hetgeen blijkt uit het feit dat de tabel spreekt over 'of meer'. De rechtbank acht het aannemelijk dat de levenswijze, en daarmee de behoefte van een kind, anders zal zijn naarmate het inkomen verder uitstijgt boven de in de tabel genoemde inkomens. Gelet hierop acht de rechtbank een behoefte van [naam minderjarige] van € 1.500,- per maand niet onaannemelijk. Overigens heeft de man zelf verklaard dat hij, naast het bedrag van € 750,- , nog andere kosten voor [naam minderjarige] pleegt te betalen. Het verzoek van de vrouw zal derhalve worden toegewezen. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van speciaal onderwijs van [naam minderjarige] zal worden afgewezen, omdat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat die kosten niet uit de onderhoudsbijdrage kunnen worden voldaan.

verrekening dan wel verdeling

5.14 De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man gehouden zal zijn om zijn medewerking te verlenen aan de effectuering van het echtscheidingsconvenant van partijen d.d. 23 juli 2004.

5.15 De man betwist dat hij het door de vrouw overgelegde echtscheidingsconvenant heeft ondertekend. Voorts kan volgens de man met dit convenant niet worden afgeweken van het eerder bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen huwelijksgoederenregime.

5.16 Ter zitting is door de man een afschrift overgelegd van de door partijen bij notariële akte van [datum] 2002 opgemaakte huwelijkse voorwaarden. In die akte is – kort gezegd – bepaald dat ieder gemeenschap van goederen is uitgesloten, alsmede dat partijen, zolang zij samenwonen, jaarlijks verplicht zijn te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert. Voorts is uitdrukkelijk gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht.

5.17 In het midden kan blijven of de man het door de vrouw gestelde echtscheidingsconvenant heeft ondertekend, aangezien het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat de in het convenant vervatte afspraken over de vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de man en de vrouw dienen te worden aangemerkt als wijziging van huwelijkse voorwaarden. Krachtens artikel 1:119 BW behoeft het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk de goedkeuring van de rechtbank. Het convenant kan dus niet in de plaats treden van hetgeen partijen in de akte van huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen.

Verder is van belang dat een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel weliswaar niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, maar dat zulke omstandigheden door de vrouw niet zijn gesteld. Het enkele feit dat partijen op 23 juli 2004 een onderhandse akte hebben ondertekend is daarvoor onvoldoende, temeer nu de vrouw ter zitting heeft verklaard dat de man op afspraken bij de notaris, om hetgeen in die onderhandse akte was vervat te formaliseren, niet is verschenen.

Bovendien heeft de vrouw niet aangegeven welke van de door partijen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen regel niet toepasselijk zou zijn.

bevel tot opheffing van op de onroerende zaken van de man gelegde beslagen

5.18 Op dit punt verklaart de rechtbank zich niet-ontvankelijk, aangezien geen sprake is van een bij de echtscheiding te treffen nevenvoorziening, nu uit de stellingen van partijen niet kan worden afgeleid dat voldoende samenhang bestaat tussen dit verzoek en het verzoek tot echtscheiding. Ook bestaat geen andere grond, waarop de gevraagde voorziening in de onderhavige verzoekschriftprocedure kan worden getroffen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 28 december 2002 in [plaats] (Filippijnen) met elkaar gehuwd.

6.2 Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [naam]:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 1994 in de gemeente [plaats],

is bij de vrouw.

6.3 Veroordeelt de man om met ingang van de datum waarop deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.500,- per maand als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige.

De hiervoor vastgestelde bijdrage wordt jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.4 Verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek de vrouw te bevelen de op zijn onroerende zaken gelegde beslagen op te heffen.

6.5 Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

6.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Kroon, griffier, op 23 september 2008.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature