U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aandelentransactie. Onrechtmatige daad. Arrest Poot/ ABP . Tot investering bewogen door onjuist voorgespiegelde situatie. Vernietiging besluit tot decharge.

Uitspraak



RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/427817 / HZ ZA 23-412

Vonnis van 6 maart 2024

in de zaak van

1 [eisende partij 1] ,

te [plaats] ,

2. [eisende partij 2],

te [plaats] ,

3. [eisende partij 3],

te [plaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisende partijen 1 t/m 3] ., en waar nodig ieder afzonderlijk: [eisende partij 1] , [eisende partij 2] en [eisende partij 3] ,

advocaat: mr. E.R. Looijen te Arnhem,

tegen

1 [gedaagde partij 1] ,

te [plaats] , 2. [gedaagde partij 2],

te [plaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde partijen 1+2] , en waar nodig ieder afzonderlijk: [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ,

advocaat: mr. J.K. Althoff te Doetinchem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 november 2022

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 februari 2023 - de akte overlegging/uitlating producties tevens houdende vermeerdering van eis van [eisende partijen 1 t/m 3] .

- de akte uitlating producties van [gedaagde partijen 1+2]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Partijen

2.1.

[eisende partij 1] , [eisende partij 2] en [eisende partij 3] zijn alle drie minderheidsaandeelhouders in het geplaatste kapitaal van [vennootschap 1] (hierna: de Vennootschap), volgens de volgende verdeling:

 [eisende partij 1] houdt 12,27% van de aandelen. Haar bestuurder is [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

 [eisende partij 2] houdt eveneens 12,27% van de aandelen. Carolien [naam 2] (echtgenote van voormalig bestuurder wijlen [naam 3] , hierna: [naam 2] ) is bestuurder van [eisende partij 2] .

 [eisende partij 3] houdt 6,46% van de aandelen. [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is haar bestuurder.

2.2.

[gedaagde partij 1] is ook aandeelhouder van de Vennootschap. Zij houdt 69% van de aandelen.

2.3.

[gedaagde partij 2] is bestuurder van [gedaagde partij 1] . Daarnaast is hij bestuurder van de Vennootschap en ook van [vennootschap 2] , een 100% deelneming van de Vennootschap (hierna: [vennootschap 2] ).

2.4.

[eisende partij 3] is van 6 januari 2022 tot 8 april 2022 als statutair bestuurder van [vennootschap 2] ingeschreven geweest.

2.5.

Het bovenstaande ziet er schematisch als volgt uit (productie 7 bij dagvaarding):

AFBEELDING I

3 De feiten

3.1.

[gedaagde partij 2] heeft een product ontwikkeld op het gebied van waterzuivering en waterinjectie. Hij was op zoek naar investeerders die tot op zekere hoogte wilden participeren en meedenken bij het opzetten en laten groeien van de onderneming. In dit kader is hij in contact gekomen met [naam 4] , [naam 1] en [naam 3] (hierna ook: de Minderheidsaandeelhouders).

3.2.

Op 7 juli 2020 heeft [gedaagde partij 2] ten behoeve van de Minderheidsaandeelhouders een business case opgesteld en naar hen gemaild (productie 11 bij dagvaarding). Deze business case ging uit van de inbreng van alle activiteiten en activa gerelateerd aan de technologie op het gebied van waterzuivering, waterinjectie en cycloontechnologie door [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] in de Vennootschap en een nog op te richten vennootschap ( [vennootschap 2] ). De Minderheidsaandeelhouders moesten op hun beurt in verband met deze “transfer of all rights” een bedrag van € 500.000,00 investeren. Met het oog hierop heeft [gedaagde partij 2] een beginbalans opgesteld.

3.3.

De Minderheidsaandeelhouders hebben [gedaagde partij 2] vervolgens het tegenvoorstel gedaan om € 1.100.000,00 – waarvan € 500.000,00 voor de zogenoemde “transfer of all rights” aan de Vennootschap en € 600.000,00 als werkkapitaal voor de Vennootschap – tegen 30% van de aandelen in de Vennootschap te investeren in de volgende verhouding:

 [eisende partij 1] / [naam 1] € 450.000,00 oftewel 12,27%;

 [eisende partij 2] / [naam 3] € 450.000,00 oftewel 12,27%;

 [eisende partij 3] / [naam 4] € 200.000,00 oftewel 5,46% (later vermeerderd met 1% uit het aandelenbelang van [gedaagde partij 1] in de Vennootschap wegens verrichte werkzaamheden = 6,46%);

 [gedaagde partij 1] / [gedaagde partij 2] behield 69% tegen inbreng van activa en activiteiten verband houdende met de innovatieve watertechnologie van [gedaagde partij 2] .

[gedaagde partij 2] heeft dit tegenvoorstel geaccepteerd.

3.4.

Op 10 september 2020 heeft de Vennootschap [vennootschap 2] opgericht (productie 12 bij dagvaarding). De Vennootschap hield alle aandelen in [vennootschap 2] .

3.5.

Op 25 september 2020 hebben de Vennootschap (toen nog genaamd: [gedaagde partij 1] ), [vennootschap 3] (in oprichting), [eisende partij 2] , [vennootschap 4] (in oprichting), [gedaagde partij 2] en [vennootschap 2] een intentieovereenkomst gesloten (productie 13 bij dagvaarding; hierna: de Intentieovereenkomst). Deze luidt onder meer als volgt:

“(…)

NEMEN IN AANMERKING:

(…)

(B) [gedaagde partij 1] is voornemens om dat deel van haar activiteiten dat betrekking heeft op waterzuivering en waterinjectie met inbegrip van de daarmee verband houdende activa en passiva onder te brengen in de Vennootschap, teneinde deze activiteiten met financiële ondersteuning van de investeerders verder te laten groeien;

(C) [gedaagde partij 1] heeft de Investeerders kennis gegeven van deze plannen en op basis van de verstrekte informatie wensen de Investeerders te participeren in de Vennootschap en de intellectuele eigendommen die verband houden met de binnen de Vennootschap uitgeoefende onderneming (gezamenlijk de [vennootschap 2] -onderneming te noemen), gelijk [gedaagde partij 1] na gesprekken met de Investeerders hen wenst te laten participeren;

(D) Partijen hebben overeenstemming bereikt over de inbreng en participatie van de Investeerders in de Vennootschap en wensen hun afspraken ter zake vast te leggen in deze overeenkomst met bijlagen en annexen.

EN KOMEN ALS VOLGT OVEREEN:

Artikel 1: Participatie investeerders

De investeerders zullen gezamenlijk voor dertig procent participeren in de [vennootschap 2] -onderneming tegen een totale inbreng van € 1.100.000 (…).

De investeerders zullen hun inbreng voor een bedrag groot € 600.000 (…) uiterlijk op 30 september tweeduizend twintig storten op bankrekeningnummer (…) ten name van [gedaagde partij 1] o.v.v. inbreng participatie [vennootschap 2] deel 1.

De investeerders zullen hun inbreng voor een bedrag groot € 500.000 (…) uiterlijk op één maart tweeduizend éénentwintig storten op bankrekeningnummer (…) ten name van [gedaagde partij 1] o.v.v. inbreng participatie [vennootschap 2] deel 2.

Artikel 2: Omvan g onderneming

De activa en passiva van de [vennootschap 2] -onderneming bestaan uit € 600.000 liquiditeiten, materiele vaste activa, een financiering ter zake van de materiele activa, intellectuele eigendom onder meer bestaande uit een octrooiaanvraag en goodwill ter zake van de [vennootschap 2] -onderneming e.e.a. zoals opgenomen in de aangehechte staat van inbreng.

(…)

Artikel 6 Beloning & werkzaamheden [gedaagde partij 2]

[gedaagde partij 2] zal als bestuurder optreden van [gedaagde partij 1] en [vennootschap 2] .

(…)

[gedaagde partij 1] zal vanaf één oktober tweeduizend twintig een managementovereenkomst aangaan met [vennootschap 2] ter zake van de werkzaamheden van [gedaagde partij 2] voor de [vennootschap 2] -onderneming.

De hoogte van de management fee zal € 10.000 (…) per maand exclusief BTW bedragen doch in de opstartfase zal de management fee tijdelijk beperkt zijn tot € 3.000 (…) per maand exclusief BTW.

(…)”

3.6.

In de bijlagen bij de Intentieovereenkomst (eveneens productie 13 bij dagvaarding) staat onder meer het volgende:

“(…)

Inbreng [gedaagde partij 1] op [vennootschap 2] -doorkijkaandelen

Immateriele activa; Intellectuele eigendom

Knowhow op het gebied van:

waterinjectie, water-polymeer injectie, waterzuivering en water-scheidingstechniek. Hieronder wordt tevens begrepen: alle technieken, processen en stromen waarbij de hoofdfase voor minimaal 40% volumetrisch uit vloeibaar water (H2O) bestaat;

gas-NOx verwijdering (d.m.v. een combinatie met ozon, O3);

milieuprocessen waarbij een grote mate van water (H2O) als katalysator/initiator wordt gebruikt in een industrieel reinigingsproces.

(…)

Immateriele activa, goodwill

Referenties (o.a. ExxonMobil, OXY, EcoPetrol)

Leads (o.a. Gazprom, Shell, Aramco, Suez, HDF, Evergreen, Starline)

Materiele activa

(…)

Schulden

Lening van ABN-AMRO met pandrecht 708780.100 op Mazak

CNC QT-PRIMOS 150 draaimachine; nog open (eind september 2020; termijnen 15-84) 70 termijnen van € 1.095,16, totaal € 76.661,20

(…)

gestileerde balansen [vennootschap 2] -onderneming 25 se

[gedaagde partij 1] ( voor emissie aan investeerders)

(…)

IP & goodwill € 3.066.667

(…)

Totaal € 3.143.330

[gedaagde partij 1] ( na emissie investeerders)

(…)

Totaal € 4.243.330

[vennootschap 2] (na doorzakking uit [gedaagde partij 1] )

(…)

Totaal € 3.743.328”

3.7.

Tussen 26 en 29 september 2020 heeft [eisende partijen 1 t/m 3] . in totaal € 600.000,00 overgemaakt naar het bankrekeningnummer dat eindigt op 580 ten name van de Vennootschap.

3.8.

In de periode van 1 maart 2021 tot en met 24 september 2021 heeft [eisende partijen 1 t/m 3] . in totaal € 500.000,00 overgemaakt, waarvan in totaal € 200.000,00 door [eisende partij 2] naar het bankrekeningnummer dat eindigt op 533 ten name van [vennootschap 2] en in totaal € 300.000,00 door [eisende partij 3] en [eisende partij 1] naar het bankrekeningnummer dat eindigt op 580 ten name van de Vennootschap.

3.9.

De Vennootschap, toen nog genaamd [gedaagde partij 1] , hield aandelen in [vennootschap 5] Deze aandelen zijn verhangen naar een nieuw opgerichte vennootschap, eveneens genaamd [gedaagde partij 1] (gedaagde onder 1).

3.10.

In een ongedateerd document getiteld “Samenvatting ontstaan & toekomstvisie van [vennootschap 2] ” (productie 8 bij dagvaarding), dat door [naam 4] per mail naar alle aandeelhouders is gestuurd en akkoord is bevonden op 1 april 2021, staat onder meer het volgende:

“(…)

Tijdens de gesprekken in [plaats] tussen de investeerders en [gedaagde partij 2] is besproken dat er behoefte is aan een maandelijkse bijeenkomst en/of een eenvoudige rapportage om de stand van zaken en de voortgang inzichtelijk te maken, bestaande uit:

Debiteuren/crediteurenlijst en liquiditeit

Actuele business/klanten

Leads/potentiële klanten.

Niet ter controle, maar voornamelijk uit interesse en om op de hoogte te blijven van alle ontwikkelingen omtrent [vennootschap 2] , waarvan het financiële plaatje uiteraard een essentieel onderdeel is.

De investeerders hebben naar eigen zeggen een groot vertrouwen in [gedaagde partij 2] en de potentie van [vennootschap 2] . Om de vooruitgang van [vennootschap 2] niet te belemmeren hebben de investeerder een eerste deelbetaling van 600k overgemaakt voordat de aandelen feitelijk op papier stonden.

(…)

In de tussentijd hebben de ontwikkelen in [vennootschap 2] niet stilgestaan, er lopen een aantal zeer interessante leads die zich inmiddels hebben ontpopt tot een groot potentieel.

[gedaagde partij 2] heeft o.a. in sneltreinvaart een nieuw prototype ontwikkeld voor een zwembadfilter.

De investeerders hebben samen met [gedaagde partij 2] gezorgd voor het opzetten van; de identiteit d.w.z. logo, website, social media kanalen, zakelijke rekening(en), testopstelling en tevens contacten aangeboord waaruit tenminste een actuele lead is ontstaan.

Na de inbreng van de eerste deelbetaling zijn alle benodigde machines aangeschaft, lopende kredieten ingelost en zelfs de huur voor een jaar vooraf voldaan.

(…)

Het gezamenlijke doel dat wij met zijn vieren voor ogen hebben is continuïteit creëren en hiermee [vennootschap 2] als technologie bedrijf laten groeien, met als einddoel het bedrijf voor een substantieel bedrag te verkopen.

(…)”

3.11.

Een ongedateerd stuk, genaamd “Stappenplan nieuw” (productie 22 bij dagvaarding) vermeldt onder meer het volgende:

“(…)

2. verhanging aandelen [vennootschap 5]

(…)

3. statutenwijziging [gedaagde partij 1] oud: naam wordt [vennootschap 1]

i. Aandelen A en B, nominaal € 0,01

- 252.000 aandelen A

- 1.548.000 aandelen B

Chinees

gekwalificeerde meerderheid voor zwaarwegende besluiten

(…)”

3.12.

Op 19 april 2021 zijn de statuten van [gedaagde partij 1] (oud) gewijzigd. Per die datum is de naam van de vennootschap gewijzigd in [vennootschap 1] ( [vennootschap 2] ). Het aandelenkapitaal is gewijzigd van 18.000 naar 1.800.000 aandelen, onderverdeeld in 252.000 aandelen A en 1.548.000 aandelen B.

3.13.

Op diezelfde dag is [gedaagde partij 1] (nieuw; gedaagde 1) opgericht (productie B bij antwoord).

3.14.

[gedaagde partij 2] heeft zijn aandelen in [vennootschap 2] ingebracht in [gedaagde partij 1] (nieuw). [gedaagde partij 1] (nieuw) is dus 100% van de aandelen A en 100% van de aandelen B gaan houden in [vennootschap 2] .

3.15.

Na achtereenvolgens certificering en decertificering van de aandelen in de Vennootschap zijn [gedaagde partij 1] , [eisende partij 2] , [eisende partij 1] en [eisende partij 3] rechtstreeks gaan deelnemen in het aandelenkapitaal van de Vennootschap volgens de onder 3.3 genoemde verdeling.

3.16.

Op 6 januari 2022 is [eisende partij 3] als medebestuurder van [vennootschap 2] aangesteld.

3.17.

Op 10 januari 2022 is [naam 3] overleden.

3.18.

Op 4 februari 2022 kwam de concept jaarrekening 2020 van de Vennootschap (productie 23 bij dagvaarding) voor de Minderheidsaandeelhouders beschikbaar. Uit deze concept jaarrekening (gedateerd 25 augustus 2021) blijkt dat bij aanvang van de Vennootschap sprake was van een negatief eigen vermogen van € 263.567,00. Verder blijkt uit het stuk dat de liquide middelen na storting door de Minderheidsaandeelhouders van € 600.000,00 in september 2020 per 31 december 2020 zijn teruggelopen naar € 202.249,00.

3.19.

In een stuk met als opschrift “[vennootschap 2] ; Maart 2022” (productie 24 bij dagvaarding) staat onder meer vermeld:

“(…)

[vennootschap 2] positie

Banksaldo Triodos Eu 839

Banksaldo Rabo Eu 65468

Geen grote uitstaande betalingen te voldoen op korte termijn.

Huur [adres] zijn voldaan voor het gehele jaar 2022

Te ontvangen op korte termijn:

Eu 25000 ex BTW (licentie Q4-21)

Uitstaand Colombia Eu 21800

Te factureren op korte termijn:

Eu 25000 ex BTW (licentie Q1-22)

US 20000 licentie Dubai (2e stuk)

Uitstaande offertes:

3 NOx-units; Eu 217 560

Testen China

Aantal kleine projecten (Midden Oosten en Nl)

(…)”

3.20.

Op 22 maart 2022 heeft een aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden.

De notulen (productie 25 bij dagvaarding) luiden onder meer als volgt:

“(…)

Om meer duidelijkheid bij de financiële verslaglegging en met name het weergegeven banksaldo van €65468 te krijgen, vraagt [naam 4] aan [gedaagde partij 2] of de licentievergoedingen van [vennootschap 6] al zijn bijgeschreven. [gedaagde partij 2] vertelt dat de licentie aan [vennootschap 6] is verkocht voor €100k per jaar. De eerste twee termijnen hiervan zijn inmiddels betaald door [vennootschap 6] (en zitten dus in het bedrag van €65468). Termijn 3 is gefactureerd, maar nog niet betaald en termijn 4 zal binnenkort worden gefactureerd. (…)

Vervolgens vraagt [naam 4] hoe het zit met de betalingen aan [gedaagde partij 2] , zijn de vergoedingen voor zijn management fee feitelijk betaald, of in vordering genomen. Ofwel moeten die nog betaald worden van het weergegeven banksaldo €65468?

[gedaagde partij 2] reageert zeer geagiteerd en zegt dat de management vergoedingen zijn opgenomen: (“Waar moet ik anders van leven?”. “Maar ik doe dat alleen maar omdat het financieel kan. Ik doe dat niet als het voortbestaan van [vennootschap 2] daarvan af hangt.”)

(…)”

3.21.

Nadat hij op 1 april 2022 inzage had gekregen in de bankrekening met nummer eindigend op 533 ten name van [vennootschap 2] , heeft [naam 4] op 3 april 2022 [gedaagde partij 2] gevraagd om overleg (productie 27 bij dagvaarding).

3.22.

Op diezelfde dag heeft [gedaagde partij 2] de sloten van de bedrijfshal te [plaats] verwisseld en [naam 4] de toegang tot het bedrijfspand van de Vennootschap onmogelijk gemaakt.

3.23.

In een brief van 4 april 2022 (productie 29 bij dagvaarding), die hij door een deurwaarder aan [gedaagde partij 2] heeft laten betekenen, heeft [naam 4] aan [gedaagde partij 2] onder meer een aantal punten omschreven waaruit volgens hem bleek dat [gedaagde partij 2] , kort gezegd, op een ontoereikende manier uitvoering gaf aan zijn verantwoordelijkheden als bestuurder/manager. [naam 4] heeft [gedaagde partij 2] uitgenodigd om een en ander te bespreken ter voorkoming van verdere escalatie.

3.24.

Bij brief van 8 april 2022 (productie 28 bij dagvaarding) heeft [gedaagde partij 2] aan [naam 4] onder meer geschreven: “(…)

Je gijzelt [vennootschap 2] eigendommen, komt daar vervolgens niet op terug, beschuldigt mij van diefstal, doet aan zwartmakerij, smaad en laster; en valt mensen uit mijn privé-omgeving meerdere keren lastig met diverse zaken.

Nadat ze aangeven dat niet te willen ga je er gewoon mee door. Vervolgens stuur je mij een “verzoek-smsje” om te praten; denk je nu werkelijk dat ik daar op reageer na de beschreven voorvallen?

Vervolgens stuur je, na 3 dagen, een deurwaarder op mij af met een sommatie omdat ik niet inga op je zogenaamde “verzoek”. Overigens geef je die deurwaarder vanuit een totaal verkeerde entiteit en tevens ongeoorloofd opdracht voor die werkzaamheden.

Je beschuldigt mij dus alweer van diefstal en oplichtingspraktijken, maar dan nog een tandje erger, en nu ook in officiële deurwaarders-stukken (ik heb niet gereageerd op de inhoud van die stukken en behoud me alle rechten voor of en wanneer ik dat eventueel doe).

Bij deze sta je op direct non-actief, ik verbied je contact met [vennootschap 2] klanten en leveranciers te hebben. Je hebt geheimhouding waar je strikt aan bent gebonden en waar ik je namens [vennootschap 2] aan zal houden. In geval van overtreding kan je vergaande stappen en sancties verwachten. Alle schade die je aanricht zal op je verhaald worden. Tevens overweeg ik aangifte, tegen jou persoonlijk, te doen voor smaad en laster.

(…)”

3.25.

Bij brief van eveneens 8 april 2022 (productie 30 bij dagvaarding) heeft [gedaagde partij 2] aan de deurwaarder, die de onder 3.23 genoemde brief van [naam 4] aan hem had betekend, geschreven dat de [naam 4] niet bevoegd was om dit soort opdrachten namens [vennootschap 2] aan het deurwaarderskantoor te geven en heeft hij herhaald dat hij overweegt aangifte van laster, smaad en zwartmakerij te doen tegen [naam 4] .

3.26.

Eveneens op 8 april 2022 heeft [gedaagde partij 2] aan [naam 5] , vertegenwoordiger van [eisende partij 2] , een map overhandigd met daarin ongeveer 200 inkoopfacturen (waarvan een selectie is overgelegd als productie 31-38 bij dagvaarding). [naam 5] heeft aan [gedaagde partij 2] via WhatsApp gevraagd waarom er geen verkoopfacturen in de map zaten (productie 39 bij dagvaarding). [gedaagde partij 2] heeft daarop niet gereageerd.

3.27.

Bij brief van 5 mei 2022 (productie 40 bij dagvaarding) hebben de Minderheidsaandeelhouders een aandeelhoudersvergadering van [vennootschap 2] bijeengeroepen, die zou worden gehouden op 17 mei 2022 om 15.00 uur. Bij de oproep was als Bijlage 1 een vragenlijst gevoegd, waarvan de bespreking op de vergadering was geagendeerd.

3.28.

Bij e-mail van 16 mei 2022 (productie 41 bij dagvaarding) heeft [gedaagde partij 2] aan de Minderheidsaandeelhouders laten weten dat hij niet zou ingaan op vragen van [naam 4] zolang niet aan door hem gestelde voorwaarden werd voldaan en dat de vergadering niet op de juiste manier bijeen zou zijn geroepen. [gedaagde partij 2] is niet op de aandeelhoudersvergadering verschenen.

3.29.

Bij brief van 3 augustus 2022 (productie 49 bij dagvaarding) heeft [eisende partijen 1 t/m 3] . [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] nog een laatste maal gesommeerd om zijn verplichtingen na te komen en om inzage te geven in de (financiële) gegevens van de Vennootschap en [vennootschap 2] . [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] hebben hierop niet gereageerd.

3.30.

Na daartoe verkregen verlof heeft [eisende partijen 1 t/m 3] . op 17 en 18 augustus 2022 conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen van [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 1] , het woonhuis van [gedaagde partij 2] en de aandelen die [gedaagde partij 1] houdt in het vermogen van [vennootschap 5]

3.31.

Tijdens de mondelinge behandeling op 2 februari 2023 zijn partijen overeengekomen dat de Vennootschap en [vennootschap 2] op de kortst mogelijke termijn een vestiging van accountantskantoor [kantoor 1] opdracht zullen geven om de administratie en jaarstukken op te stellen van beide vennootschappen.

3.32.

Bij brief van 3 april 2023 (productie 56 van [eisende partijen 1 t/m 3] .) heeft [kantoor 1] aan [vennootschap 2] een concept-opdrachtbevestiging gestuurd. Daarin is het doel van de opdracht als volgt omschreven:

“De opdracht heeft als doel inzicht te verschaffen in de administratie en in de financiële transacties over het boekjaar 2021 van de hierboven genoemde vennootschappen.”.

3.33.

Op 9 augustus 2023 heeft [kantoor 1] een “rapport van feitelijke bevindingen met betrekking tot financiële transacties boekjaar 2021” (productie 57 van [eisende partijen 1 t/m 3] .) uitgebracht. Volgens het rapport heeft [kantoor 1] de volgende specifieke werkzaamheden verricht:

“(…)

Wij hebben de financiële transacties over 2021 (voor zover aan ons beschikbaar gesteld) volgend uit de bankafschriften, inkoopfacturen en verkoopfacturen) van de Vennootschappen verwerkt in een overzicht per vennootschap. De openingsbalansen per 1-1-2021 zijn hierbij ontleend aan de Jaarrekeningen opgesteld door administratiekantoor [kantoor 2] . Hierbij zijn de verschillende transacties voor zover relevant en mogelijk separaat zichtbaar gemaakt. Doelstelling van deze overzichten is onder meer dat inzicht wordt verkregen in de verschillende geldstromen per vennootschap over boekjaar 2021;

Wij hebben de ontvangen administratie 2021 (bankafschriften, inkoopfacturen en verkoopfacturen) als uitgangspunt van onze werkzaamheden genomen. Wij hebben initieel vastgesteld of de aangeleverde stukken volledig zijn. Gegeven de aard van de opdracht kunnen wij niet instaan voor de volledigheid van de door ons ontvangen stukken in het algemeen en de notariële stukken in het bijzonder.

De in Bijlage A opgenomen overzichten per vennootschap kunnen als basis dienen voor de door de bestuurder op te stellen jaarrekening over 2021 (per vennootschap).

Door de aard van de opdracht en de beperkingen die inherent zijn aan een dergelijke opdracht blijft een onvermijdbaar risico bestaan dat zelfs een onjuistheid van materieel belang onontdekt blijft.

(…)”

3.34.

Op 21 augustus 2023 heeft een door [gedaagde partij 2] bijeengeroepen aandeelhoudersvergadering van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] plaatsgevonden. Geen van de Minderheidsaandeelhouders was daarbij aanwezig. Alleen [gedaagde partij 2] was aanwezig. De notulen van de vergadering (productie 61 van [eisende partijen 1 t/m 3] .), vermelden dat tijdens de vergadering aan “het bestuur” decharge is verleend.

4 Het geschil

4.1.

[eisende partijen 1 t/m 3] . vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair:

[gedaagde partijen 1+2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [eisende partijen 1 t/m 3] . geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, onder voorshandse toekenning van het deel van de schade dat betrekking heeft op de door [eisende partijen 1 t/m 3] . gefourneerde fondsen van € 1.100.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagen waarop deze fondsen door [eisende partijen 1 t/m 3] . zijn betaald, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

2) subsidiair:

[gedaagde partij 2] jegens [eisende partijen 1 t/m 3] . te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, onder toekenning van het deel van de schade dat betrekking heeft op de door [eisende partijen 1 t/m 3] . gefourneerde fondsen van € 1.100.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagen waarop deze fondsen door [eisende partijen 1 t/m 3] . zijn betaald, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;

3) meer subsidiair:

I. [gedaagde partijen 1+2] hoofdelijk veroordeelt om de aandelen van [eisende partijen 1 t/m 3] . in het vermogen van de Vennootschap over te nemen, tegen gelijktijdige betaling van een conform het navolgende nader te bepalen prijs;

II. één of meer deskundigen benoemt die over de prijs van de aandelen schriftelijk bericht moeten uitbrengen, met instructie aan de deskundigen om bij de waardebepaling te betrekken de vorderingen van de Vennootschap en [vennootschap 2] op [gedaagde partij 2] wegens wanbeleid;

en verder, nadat de deskundigen hun bericht hebben uitgebracht:

III. de prijs van de aandelen vaststelt en daarbij een billijke verhoging toepast in verband met gedragingen van [gedaagde partijen 1+2] die tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen hebben geleid;

IV. [gedaagde partijen 1+2] hoofdelijk veroordeelt om aan [eisende partijen 1 t/m 3] . de vastgestelde prijs te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na datum van het vonnis waarbij de prijs wordt vastgesteld;

V. [gedaagde partijen 1+2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de kosten van de deskundige(n);

4) zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

I. het besluit van de aandeelhoudersvergaderingen van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] van 21 augustus 2023 tot decharge van het bestuur vernietigt;

II. [gedaagde partijen 1+2] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eisende partijen 1 t/m 3] . legt aan haar vorderingen kort gezegd het volgende ten grondslag.

1. Primair stelt [eisende partijen 1 t/m 3] . zich op het standpunt dat [gedaagde partijen 1+2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door:

haar tot participatie in de Vennootschap te bewegen door haar een onjuiste voorstelling van zaken te schetsen;

het ten onrechte niet inbrengen van activiteiten, activa (waaronder IE-rechten), knowhow en leads;

ongerechtvaardigde onttrekkingen te doen uit de Vennootschap na participatie door [eisende partijen 1 t/m 3] .

[eisende partijen 1 t/m 3] . betoogt dat zij als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden, die ten minste het door haar geïnvesteerde bedrag van € 1.100.000,00 bedraagt, maar ook het positief contractbelang.

2. Subsidiair beroept [eisende partijen 1 t/m 3] . zich op bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde partij 2] jegens haar. Volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . belemmert [gedaagde partij 2] actief de nakoming van de diverse op [gedaagde partij 1] rustende verplichtingen, althans laat hij toe dat [gedaagde partij 1] de op haar rustende verplichtingen niet naleeft. Daarvan valt [gedaagde partij 2] volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . een persoonlijk en ernstig verwijt te maken. Daarnaast is [gedaagde partij 2] als bestuurder verplichtingen aangegaan waarvan hij wist, althans moest weten, dat [gedaagde partij 1] deze niet zou kunnen nakomen en dat [gedaagde partij 1] geen verhaal zou bieden voor de schade die [eisende partijen 1 t/m 3] . als gevolg daarvan zou lijden, aldus [eisende partijen 1 t/m 3] . Ten slotte heeft [gedaagde partij 2] als bestuurder van de Vennootschap voorafgaand aan de participatie van [eisende partijen 1 t/m 3] . een misleidende voorstelling van de toestand van de Vennootschap gegeven door het delen van aantoonbaar onjuiste cijfers. Ook op dit punt valt [gedaagde partij 2] een persoonlijk en ernstig verwijt te maken en is [gedaagde partij 2] als bestuurder aansprakelijk voor de schade die [eisende partijen 1 t/m 3] . als gevolg hiervan heeft geleden, aldus [eisende partijen 1 t/m 3] .

3. Meer subsidiair beroept [eisende partijen 1 t/m 3] . zich op de wettelijke geschillenregeling van artikel 2:343 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij betoogt dat zij door het handelen van [gedaagde partijen 1+2] zodanig in haar rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Zij vordert daarom dat [gedaagde partijen 1+2] wordt veroordeeld om de aandelen van [eisende partijen 1 t/m 3] . over te nemen tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs. Bij de prijsbepaling moet volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . een billijke verhoging worden toegepast (artikel 2:343 lid 4 BW).

4. Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair betoogt [eisende partijen 1 t/m 3] . dat het besluit in de aandeelhoudersvergadering van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] van 21 augustus 2023, waarbij decharge is verleend aan het bestuur van die vennootschappen, in strijd is met het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 onder b BW in verbinding met artikel 2:8 BW . Dat besluit moet daarom volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . worden vernietigd.

4.3.

[gedaagde partijen 1+2] voert verweer. [gedaagde partijen 1+2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partijen 1 t/m 3] ., dan wel tot afwijzing of vermindering van de vorderingen van [eisende partijen 1 t/m 3] ., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisende partijen 1 t/m 3] . in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien [eisende partijen 1 t/m 3] . deze niet binnen veertien dagen na het vonnis voldoet, en in de nakosten.

4.4.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover nodig voor de beoordeling.

5 De beoordeling

Vordering 1: onrechtmatige daad

Ten aanzien van [gedaagde partij 1]

5.1.

[gedaagde partijen 1+2] voert als verweer terecht aan dat [gedaagde partij 1] slechts aandeelhouder is van [vennootschap 2] en dat [gedaagde partij 1] is opgericht op 19 april 2021 en dus voorafgaand aan de participatie van [eisende partijen 1 t/m 3] . nog niet bestond. Voor zover [eisende partijen 1 t/m 3] . [gedaagde partij 1] verwijt dat zij haar tot participatie in de Vennootschap heeft bewogen door haar een onjuiste situatie voor te spiegelen, bestaat daarvoor dan ook geen grond. Verder voert [gedaagde partijen 1+2] terecht aan dat [gedaagde partij 1] geen partij is bij de intentieovereenkomst en dat op [gedaagde partij 1] dan ook niet op grond van die overeenkomst de verplichting rust om activiteiten, activa, knowhow en leads in te brengen. Die verplichting is aangegaan door [gedaagde partij 1] (oud), thans [vennootschap 1] (de Vennootschap). [eisende partijen 1 t/m 3] . heeft niet gesteld dat die verplichting op grond van een andere grondslag (ook) op [gedaagde partij 1] rust. Ook op dit punt is dus geen sprake van onrechtmatig handelen door [gedaagde partij 1] . Ten slotte slaagt ook het verweer van [gedaagde partijen 1+2] dat de betalingen uit de Vennootschap, die volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . ongerechtvaardigde onttrekkingen zijn, niet zijn verricht door [gedaagde partij 1] , maar door [gedaagde partij 2] namens [vennootschap 2] . Ook hier is dus geen sprake van onrechtmatig handelen door [gedaagde partij 1] . Voor zover de vordering uit onrechtmatige daad is ingesteld tegen [gedaagde partij 1] , moet deze dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van [gedaagde partij 2]

5.2.

Voor zover de vorderingen uit onrechtmatige daad zich richten tegen [gedaagde partij 2] overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank laat vooralsnog in het midden of sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde partij 2] . Zij ziet aanleiding om eerst de schade te bespreken. De schade die [eisende partijen 1 t/m 3] . stelt te hebben geleden, bestaat uit ten minste het door haar geïnvesteerde bedrag van € 1.100.000,00, maar ook uit het positief contractbelang.

Niet inbrengen activiteiten, activa, knowhow en leads en ongerechtvaardigde onttrekkingen

5.3.

Voor zover [gedaagde partij 2] inderdaad heeft nagelaten activiteiten, activa, knowhow en leads in te brengen en voor zover hij inderdaad ongerechtvaardigde onttrekkingen heeft gedaan uit de Vennootschap na participatie door [eisende partijen 1 t/m 3] . – hetgeen [gedaagde partij 2] betwist – geldt het volgende. Indien schade zou zijn geleden als gevolg van dit gestelde onrechtmatig nalaten/handelen, zou deze schade zijn geleden door de Vennootschap. Het gaat immers om het vermogen van de Vennootschap dat als gevolg van de gestelde verwijten negatiever zou zijn.

5.4.

In het arrest Poot/ ABP (HR 2 december 1994, NJ 1995/288) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap het recht heeft uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap (kunnen) meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schade als deze schade het gevolg is van schending van een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsplicht.

5.5.

De schade die [eisende partijen 1 t/m 3] . als gevolg van het gestelde niet inbrengen van activiteiten, activa, knowhow en leads en de gestelde ongerechtvaardigde onttrekkingen stelt te lijden, is afgeleide schade, dat wil zeggen de schade die een aandeelhouder lijdt door de waardevermindering van zijn aandelen in een vennootschap, wanneer en voor zover een waardevermindering een gevolg is van schade die aan die vennootschap is toegebracht. Zoals volgt uit het bovengenoemde arrest is de bestuurder voor deze afgeleide schade in beginsel niet aansprakelijk jegens de aandeelhouder. Dit is mogelijk anders indien de bestuurder is tekortgeschoten in de nakoming van een specifiek jegens de aandeelhouders in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm. Het moet dan gaan om een zelfstandige verplichting jegens de aandeelhouder en niet de algemene plicht om het vermogen van de vennootschap te beschermen. [eisende partijen 1 t/m 3] . heeft niet gesteld, en ook is niet gebleken, dat sprake is van een schending van een specifiek jegens haar geldende zorgvuldigheidsnorm. Voor aansprakelijkheid van [gedaagde partij 2] jegens [eisende partijen 1 t/m 3] . voor de (gestelde) schade als gevolg van het gestelde niet inbrengen van activiteiten, activa, knowhow en leads en de gestelde ongerechtvaardigde onttrekkingen bestaat al om die reden geen grond.

Door onjuist voorgespiegelde situatie tot investering bewogen

5.6.

Voor zover [eisende partijen 1 t/m 3] . aanvoert dat [gedaagde partij 2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat hij haar tot participatie in de Vennootschap heeft bewogen door haar een onjuiste voorstelling van zaken te schetsen, ligt dat mogelijk anders. Indien de onjuiste voorspiegeling van zaken door [gedaagde partij 2] komt vast te staan, is deze rechtstreeks onrechtmatig jegens de aandeelhouders. Hun schade – de op onjuiste gronden gedane investering – is geen van de Vennootschap afgeleide schade, maar eigen schade. De investering leidt immers direct tot een vermindering van hun vermogen.

5.7.

[eisende partijen 1 t/m 3] . voert in dit verband ten eerste aan dat [gedaagde partij 2] haar een verhaal heeft voorgehouden over geweldige, gepatenteerde producten op het gebied van injectie van stoffen en waterzuivering, in het bijzonder op basis van cycloontechnologie, waarvoor investeerders werden gezocht om het groot te maken. Daarbij heeft [gedaagde partij 2] aangegeven dat al sprake zou zijn geweest van diverse leads en referenties, waarbij onder andere Gazprom, Shell, Evergreen en Suez zijn genoemd, zie hiervoor onder 3.6. Na participatie is het [eisende partijen 1 t/m 3] . echter duidelijk geworden dat de Vennootschap geen enkele relatie of samenwerking, in welk stadium dan ook, had met Shell, Gazprom, of met de overige in de Intentieovereenkomst genoemde partijen. [gedaagde partijen 1+2] betwist dit op zichzelf niet.

5.8.

Ten tweede voert [eisende partijen 1 t/m 3] . aan dat uit de gestileerde balansen die haar zijn voorgehouden bleek dat de Vennootschap vóór participatie van de Minderheidsaandeelhouders al over een eigen vermogen van € 3.066.668,00 (zie hiervoor onder 3.6) zou beschikken en dat de Vennootschap ná hun participatie zou voortgaan met een balanstotaal van € 4.243.330,00, dat vrijwel volledig was gefinancierd met eigen vermogen, te weten een eigen vermogen van € 3.666.667,00. [gedaagde partijen 1+2] betwist weliswaar dat de Minderheidsaandeelhouders ervan mochten uitgaan dat sprake was van een eigen vermogen van € 3.666.667,00, maar betwist op zichzelf niet het standpunt van [eisende partijen 1 t/m 3] . dat de inbreng in werkelijkheid is gebruikt om een verlieslijdende onderneming – in 2020 € 96.935,00 – recht te trekken en dat per ultimo 2020 zelfs sprake was van een negatief eigen vermogen van € 263.567,00.

5.9.

Volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . volgt uit het voorgaande dat [gedaagde partij 2] haar door het verschaffen van onjuiste en misleidende informatie over de (economische positie van de) Vennootschap en het bestaan van leads heeft bewogen tot het investeren van € 1.100.000,00. Daarmee heeft [gedaagde partij 2] volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . gehandeld in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.

5.10.

[gedaagde partij 2] betwist dat hij [eisende partijen 1 t/m 3] . met de aan de Intentieovereenkomst gehechte balansen een verkeerd beeld heeft geschetst. Hij voert aan dat hij een lijst met in te brengen activa en passiva heeft toegezonden aan [kantoor 3] en dat [kantoor 3] op basis daarvan die balansen zo heeft opgesteld. De balansen zijn dus door [kantoor 3] voorgespiegeld aan [eisende partijen 1 t/m 3] ., en niet door [gedaagde partij 2] , aldus [gedaagde partij 2] .

5.11.

Uit de conclusie van antwoord begrijpt de rechtbank dat partijen zich voorafgaand aan het formaliseren en schriftelijk vastleggen van de afspraken in de Intentieovereenkomst door [kantoor 3] hebben laten adviseren over de beoogde structuur en de opzet daarvan. Het feit dat de balansen niet door hemzelf zijn opgesteld maar door [kantoor 3] , ontslaat [gedaagde partij 2] echter niet van zijn verantwoordelijkheid voor de inhoud daarvan. Uit de door [gedaagde partijen 1+2] overgelegde e-mail van de heer [naam 6] van [kantoor 3] aan [gedaagde partij 2] van 23 september 2020 (productie H bij antwoord) blijkt dat [gedaagde partij 2] zelf een lijst van in te brengen activa en passiva aan [kantoor 3] heeft aangeleverd. In die e-mail vraagt [naam 6] aan [gedaagde partij 2] of de gevolgde indeling logisch is, merkt hij op dat de schuld nog moet worden omschreven en dat van belang is dat de investeerders weten waar de ontwerpen zijn opgeslagen, zodat die in geval van een calamiteit niet verdwenen zijn. Hieruit maakt de rechtbank op dat [kantoor 3] de balansen heeft gebaseerd op de informatie die zij van [gedaagde partij 2] heeft gekregen. [gedaagde partij 2] kan zich er dan ook niet op beroepen dat niet hij, maar [kantoor 3] de balansen heeft voorgespiegeld aan [eisende partijen 1 t/m 3] . en dat hij daarom niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aan [eisende partijen 1 t/m 3] . voorgespiegelde balansen.

5.12.

Gezien het voorgaande heeft [gedaagde partijen 1+2] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [gedaagde partij 2] [eisende partijen 1 t/m 3] . ten onrechte heeft voorgespiegeld dat de Vennootschap geen enkele relatie of samenwerking, in welk stadium dan ook, had met Shell, Gazprom, of met de overige in de Intentieovereenkomst genoemde partijen. Ook heeft [gedaagde partijen 1+2] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de informatie in de gestileerde balansen die [gedaagde partij 2] [eisende partijen 1 t/m 3] . heeft voorgehouden niet juist was. Aldus heeft [gedaagde partij 2] [eisende partijen 1 t/m 3] . onjuiste en misleidende informatie verschaft over de (economische positie van de) Vennootschap. [eisende partijen 1 t/m 3] . is op die informatie afgegaan bij haar beslissing om € 1.100.000,00 in de Vennootschap te investeren. Deze handelwijze van [gedaagde partij 2] is ten opzichte van [eisende partijen 1 t/m 3] . onrechtmatig.

5.13.

[eisende partijen 1 t/m 3] . vordert de veroordeling van [gedaagde partij 2] tot vergoeding van de door haar geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is vereist dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eisende partijen 1 t/m 3] . enige schade lijdt en/of heeft geleden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de schade van [eisende partijen 1 t/m 3] . in ieder geval uit haar investering van in totaal € 1.100.000,00. Die zou ze niet gedaan hebben als haar niet onjuiste en misleidende informatie was verschaft over de (economische positie van de) Vennootschap door [gedaagde partij 2] . De investering heeft direct geleid tot een vermindering ter hoogte van dat bedrag van het vermogen van [eisende partijen 1 t/m 3] . De rechtbank zal [gedaagde partij 2] dan ook veroordelen tot betaling van dat bedrag aan [eisende partijen 1 t/m 3] . [eisende partijen 1 t/m 3] . heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daarnaast nog meer schade heeft geleden. [eisende partijen 1 t/m 3] . stelt wel dat haar schade ook bestaat uit het positieve contractsbelang, maar onderbouwt dat niet. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure ziet de rechtbank dan ook geen grond. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Vorderingen 2 en 3: bestuurdersaansprakelijkheid en wettelijke geschillenregeling

5.14.

Aangezien de primaire vordering tegen [gedaagde partij 2] (grotendeels) wordt toegewezen, komt de rechtbank aan een beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vordering niet meer toe.

Vordering 4-I: vernietiging besluit tot decharge

5.15.

Vordering 4-I strekt tot vernietiging van het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 21 augustus 2023 tot het verlenen van decharge aan het bestuur van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] . Een besluit genomen in de algemene vergadering van aandeelhouders is (onder meer) vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden ge ëist (artikel 2:15 lid 1 onder b BW ). Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig ten opzichte van elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Een besluit is vernietigbaar indien het naar inhoud of totstandkoming in strijd is met deze gedragsregel. De toetsingsmaatstaf is of de algemene vergadering van aandeelhouders bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om een marginale toetsing van het besluit.

5.16.

[eisende partijen 1 t/m 3] . legt aan haar vordering ten grondslag dat het bestuur van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] de jaarrekeningplicht, de administratieplicht en de deponeringsplicht heeft geschonden. In het licht daarvan is het besluit van 21 augustus 2023, waarbij met absolute meerderheid van stemmen decharge is verleend aan het bestuur van die vennootschappen, volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . in strijd met het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 onder b BW in verbinding met artikel 2:8 BW . Dat levert volgens [eisende partijen 1 t/m 3] . grond op voor vernietiging van dat besluit.

5.17.

In haar akte uitlating producties weerspreekt [gedaagde partijen 1+2] de door [eisende partijen 1 t/m 3] . genoemde grondslag voor het onthouden van decharge niet of nauwelijks. [gedaagde partijen 1+2] voert aan dat de Minderheidsaandeelhouders zich allesbehalve coöperatief opstellen en het grotendeels zelf in de hand hebben dat nog geen definitieve jaarstukken voorhanden zijn. Hier geldt echter dat het niet aan de aandeelhouders, maar aan het bestuur is om (tijdig) te zorgen voor jaarstukken. Gezien het voorgaande staan de schending van de jaarrekeningplicht, administratieplicht en deponeringsplicht door het bestuur van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] als onvoldoende weersproken vast. Als gevolg van deze schending zijn geen (financiële) gegevens beschikbaar op grond waarvan een decharge kan worden verleend voor het gevoerde beleid. Gelet hierop heeft de algemene vergadering van aandeelhouders bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen niet in redelijkheid en naar billijkheid kunnen komen tot het besluit om decharge te verlenen. De rechtbank zal de vordering tot vernietiging van het besluit tot decharge dan ook toewijzen.

Slotsom en proceskostenveroordeling

5.18.

De vordering onder 1 zal ten opzichte van [gedaagde partij 2] worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde partij 2] zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door [eisende partijen 1 t/m 3] . geleden schade ten bedrage van € 1.100.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dagen waarop deze fondsen door [eisende partijen 1 t/m 3] . zijn betaald. Voor het overige zal de vordering onder 1 worden afgewezen. De vorderingen onder 2 en 3 zullen ook worden afgewezen. Vordering 4-I zal worden toegewezen. De onder 4-II gevorderde proceskostenveroordeling zal als volgt worden toegewezen.

5.19.

[gedaagde partij 2] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partijen 1 t/m 3] . worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

110,39

- griffierecht

7.843,00

- salaris advocaat

10.892,50

(2,50 punten × € 4.357,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

19.023,89

5.20.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde partij 2] tot betaling aan [eisende partijen 1 t/m 3] . van een schadevergoeding van € 1.100.000,00 (één miljoen honderdduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover van af de dagen waarop deze fondsen door [eisende partijen 1 t/m 3] . zijn betaald tot de dag van volledige betaling,

6.2.

vernietigt het besluit van de aandeelhoudersvergaderingen van de Vennootschap en/of [vennootschap 2] van 21 augustus 2023 tot decharge van het bestuur,

6.3.

veroordeelt [gedaagde partij 2] in de proceskosten van € 19.023,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.4.

veroordeelt [gedaagde partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. G.J. Meijer en mr. G.C.G. Metz en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.

JE/PB/GJM/GM


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature