Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De hoofdverblijfplaats en verdeling van zorg- en opvoedingstaken over de vijf minderjarige kinderen is tussen partijen in geschil. Hierover hebben partijen verschillende procedures gevoerd, namelijk een voorlopige voorzieningenprocedure, een geschil over de schriftelijke aanwijzing en een echtscheidingprocedure (incl. nevenverzoeken). In alle procedures heeft de rechtbank op dezelfde datum uitspraak gedaan. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de vier oudste kinderen bij de man bepaald en die van het jongste kind bij de vrouw. Daarnaast heeft de rechtbank een verdeling van zorg- en opvoedingstaken met de andere ouder vastgesteld. In de procedure over de schriftelijke aanwijzing heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaakgegevens: C/05/400182 FZ RK 22-497 ( echtscheiding ), en C/05/408307 FZ RK 22-2452 (verdeling)

Datum uitspraak: 9 december 2022

beschikking echtscheiding

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende op een bij deze rechtbank bekend adres,

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.E. Mulder te Apeldoorn,

t e g e n

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. M. Scheffer te Utrecht.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 21 februari 2022;

het exploot van betekening van 1 maart 2022;

het verweerschrift met zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 10 mei 2022;

het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken tevens inhoudende aanvullend/gewijzigd zelfstandig verzoek verdeling gemeenschap van goederen met bijlagen, ingekomen op 8 juni 2022;

het journaalbericht met bijlagen van mr. Mulder van 31 oktober 2022;

het journaalbericht met bijlagen van mr. Scheffer van 1 november 2022;

het journaalbericht met bijlagen van mr. Mulder van 1 november 2022;

et journaalbericht met bijlagen van mr. Mulder van 2 november 2022;

het e-mailbericht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland van 4 november 2022;

het journaalbericht van mr. Scheffer van 4 november 2022;

het journaalbericht met bijlage van mr. Mulder van 7 november 2022.

1.2.

Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 11 november 2022 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten, een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland (hierna: de gecertificeerde instelling) en een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de voorlopige voorzieningenprocedure, bekend onder zaakgegevens: C/05/411094 / FZ RK 22-3204.

1.3.

Op de zitting van 22 november 2022 heeft de rechtbank het verzoekschrift van de vrouw om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling vervallen te verklaren (bekend onder zaakgegevens: C/05/410924 ZJ RK 22-1053) behandeld en het verzoek van de gecertificeerde instelling om [de minderjarige 5] uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag (de man) (bekend onder zaakgegevens: C/05/410259 ZJ RK 22-997). Tijdens die mondelinge behandeling zijn beide partijen gehoord, bijgestaan door hun advocaten (de vrouw door mr. F.R.G. Drenth) en twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling.

1.4.

De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om haar mening tegenover de kinderrechter kenbaar te maken. Zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Op 11 november 2022 is zij via beeldbellen gehoord door de kinderrechter.

2 De feiten

2.1.

De vrouw en de man, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd in de destijds geldende wettelijke gemeenschap van goederen.

2.2.

Zij zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 1] ),

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 2] ),

[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 3] ),

[de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 4] ), en

[de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige 5] ).

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2022 zijn de minderjarige kinderen van partijen onder toezicht gesteld tot 15 maart 2023. Op 20 juni 2022 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] bij de andere ouder met gezag (de man) verleend tot 18 juli 2022. Deze maatregel is steeds verlengd. Voor het laatst tot 15 februari 2023.

2.4.

Op 21 juni 2022 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 5] in het Wilhelmina Kinderziekenhuis verleend tot 19 juli 2022. Daarnaast heeft de kinderrechter de ouders deels in de uitoefening van het gezag geschorst (alleen voor zover het de opname en behandeling van [de minderjarige 5] in het Wilhelmina Kinderziekenhuis betreft) en de gecertificeerde instelling voor dat deel belast met de voogdij over [de minderjarige 5] voor de duur van de uithuisplaatsing. [de minderjarige 5] verblijft sinds 19 juli 2022 weer bij de vrouw.

3. Het verzoek, het verweer tevens zelfstandig verzoek en het verweer daarop in de bodemprocedure

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw zal zijn;

te bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] verblijven in de oneven weken een weekend van vrijdagmiddag 15.30 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man, waarbij de man zorgdraagt voor het halen en brengen van de kinderen;

- vanaf het moment dat de man woonachtig is in [plaatsnaam] verblijven [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in de oneven weekenden van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man, alsmede in de even weken van vrijdagmiddag uit school tot vrijdagavond 19.00 uur bij de man;

- de feestdagen en vakanties worden voor zover deze betrekking hebben op [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] tussen partijen bij helfte gedeeld;

- tussen de man en [de minderjarige 5] vindt vooralsnog éénmaal per veertien dagen op vrijdagmiddag voorafgaand aan het omgangsweekend van de andere kinderen een uur contact plaats tussen de man en [de minderjarige 5] , waarbij de man in de omgeving van de woning van de vrouw iets met [de minderjarige 5] zal ondernemen. Deze zorgregeling zal in overleg met de [naam] worden uitgebreid, waarbij de [naam] de exacte invulling en het tempo van opbouw bepaalt, althans een zodanige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht;

te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] maandelijks een bedrag voldoet van € 199,- per maand (na wijziging ter zitting) en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 5] maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag voldoet van € 259,- (na wijziging ter zitting) per maand, althans een zodanige ingangsdatum en een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht;

te bepalen dat de man met ingang van datum echtscheiding als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag voldoet van € 306,- per maand (na wijziging ter zitting), althans een zodanige ingangsdatum en een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht;

te bepalen dat het huurrecht van de woning te [plaatsnaam] aan de [adres] per datum echtscheiding bij uitsluiting van de man toekomt aan de vrouw;

te bepalen dat de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd plaatsvindt zoals opgenomen in de punten 18 tot en met 21 van het verzoekschrift, daarnaast verzoekt de vrouw aanvullend in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap om de inboedelgoederen zoals vermeld op de als productie 15 overgelegde inboedellijst aan de vrouw toe te delen, zulks zonder nadere verrekening, althans een zodanig verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank (na schriftelijke wijziging en aanvulling) het echtscheidingsverzoek en het verzoek met betrekking tot het huurrecht toe te wijzen en de verzoeken van de vrouw genoemd onder b), c) en g) af te wijzen. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de man:

de echtscheiding uit te spreken;

te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] bij de man zal zijn;

te bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na de datum van de beschikking haar medewerking en toestemming dient te verlenen aan inschrijving van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] op de school [schoolnaam] te [plaatsnaam] en in het geval de vrouw deze toestemming niet geeft binnen de gestelde termijn, die toestemming wordt vervangen door de toestemming van de rechtbank, waardoor de kinderen kunnen worden ingeschreven op voornoemde school;

te bepalen dat de vrouw en de kinderen contact met elkaar hebben wanneer en op welke wijze de gecertificeerde instelling dit bepaalt;

te bepalen dat het huurrecht van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] per datum beschikking toekomt aan de vrouw;

in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen te bepalen dat het saldo van de spaarrekening op naam van de man bij helfte wordt verdeeld per heden of op de datum van verdeling daarvan, alsmede dat de netto verkoopopbrengst van de auto op naam van de man bij helfte tussen partijen wordt verdeeld en dat de inboedel wordt verdeeld tussen partijen ten overstaan van een door de rechtbank aan te wijzen notaris;

te bepalen dat de man (naar de rechtbank begrijpt: de vrouw) aan de vrouw (naar de rechtbank begrijpt: de man) dient te verstrekken binnen zeven dagen na de datum van de beschikking de afschriften van de bankrekeningen van de kinderen van partijen vanaf 1 augustus 2021 tot en met de datum van afgifte daarvan en voorts te bepalen dat de vrouw daarop dient terug te storten de bedragen die hiervan afgehaald zijn vanaf 1 augustus 2021;

te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen binnen zeven dagen na de datum van de beschikking de bedragen € 200,-, € 1.250,- en € 991,20 per maand vanaf 20 juni 2022 en € 1.023,93 vanaf 1 juli 2022 tot en met de dag dat het huurrecht aan de vrouw is toegewezen;

n het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen te bepalen dat het saldo van de spaarrekening op naam van de man bij helfte wordt verdeeld op de datum van verdeling daarvan, alsmede dat de netto verkoopopbrengst van de auto op naam van de man bij helfte tussen partijen wordt verdeeld (na aftrek van de onder het vorige gedachtestreepje genoemde/toegewezen bedragen) en dat de inboedel wordt verdeeld tussen partijen ten overstaan van een notaris.

3.3.

De vrouw verzoekt de rechtbank de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen en bij wege van aanvullend verzoek de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd, vast te stellen conform de punten 8 en 9 uit het aanvullende verzoekschrift alsmede conform de punten 18 tot en met 20 uit het inleidende verzoekschrift tot echtscheiding.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

ontvankelijkheid/ ouderschapsplan

4.1.

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.2.

Uit de door partijen gestelde feiten en omstandigheden is voldoende aannemelijk geworden dat een gezamenlijk ondertekend ouderschapsplan op dit moment redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. De verstandhouding tussen partijen is inmiddels zodanig verstoord, dat een constructief overleg daarover niet tot de mogelijkheden heeft behoord. De tussenkomst van de gecertificeerde instelling maakt dit niet anders. Gelet hierop zal de rechtbank beslissingen nemen in het belang van de kinderen.

echtscheiding

4.3.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, is hun beider verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

hoofdverblijfplaats en verdeling van zorg- en opvoedingstaken

4.4.

De vrouw is -kort samengevat- van mening dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vastgesteld dient te worden. Dit acht zij in het belang van de kinderen en tot mei 2022 was dit ook de afspraak tussen partijen. Volgens de vrouw hebben zich intussen geen situaties voorgedaan waaruit blijkt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man moet worden vastgesteld. De vrouw is altijd hoofdverzorger geweest van de kinderen en er zijn nooit zorgen gemeld. Bovendien is zij 24-uur per dag emotioneel en fysiek beschikbaar voor de kinderen, terwijl de man een fulltime baan heeft en de zorg grotendeels overlaat aan zijn netwerk.

4.5.

De man daarentegen is -kort samengevat- van mening dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem bepaald dient te worden. Hij heeft de afgelopen maanden laten zien dat hij in staat is om te zorgen voor de kinderen en volgens hem is de vrouw onvoldoende emotioneel en fysiek beschikbaar voor de kinderen. Daarnaast belast de vrouw de kinderen met volwassenzaken waardoor onrust gecreëerd wordt en frustreert zij het contact tussen de man en [de minderjarige 5] .

4.6.

De vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming acht het van belang dat rust en duidelijkheid komt voor de kinderen. Om die reden heeft zij geadviseerd om alle vijf de kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan de man, hem toestemming te verlenen om de kinderen in te schrijven op de basisschool in [plaatsnaam] , het minimale contact tussen de vrouw en de kinderen van eenmaal per week één uur aan te vullen met andere vormen van contact (zoals kaarten, tekeningen en dergelijke) en de definitieve beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken aan te houden, in afwachting van de uitkomsten van het (door beide partijen uit te voeren) persoonlijkheidsonderzoek. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat de man de vrouw informeert over de kinderen.

4.7.

Namens de gecertificeerde instelling is naar voren gebracht dat duidelijkheid omtrent de verblijfplaats van de kinderen noodzakelijk is, net als duidelijkheid omtrent het contact tussen de kinderen en de beide ouders. De gecertificeerde instelling acht het voor de kinderen van belang dat hun hoofdverblijfplaats bij de man wordt bepaald, dat intussen bij beide partijen een persoonlijkheidsonderzoek wordt verricht en dat hulpverlening wordt ingezet voor de vrouw, zodat zij in de toekomst weer beschikbaar kan zijn voor de kinderen.

4.8.

Uit de overgelegde stukken, het verhandelde ter zitting van 11 november 2022 en het verhandelde ter zitting van 22 november 2022 is gebleken dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] inmiddels enkele maanden bij de man verblijven. De gecertificeerde instelling wilde een patroon doorbreken en volgens hen is dat gelukt. Het gaat goed met [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] en er is rust in de situatie ontstaan. De Raad heeft geadviseerd om de definitieve beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats aan te houden, in afwachting van een door beide partijen uit te voeren persoonlijkheidsonderzoek. De rechtbank vindt het ook belangrijk dat beide partijen een dergelijk onderzoek ondergaan, zodat de mogelijkheden en de onmogelijkheden van beide ouders in kaart worden gebracht en zodat passende hulpverlening ingeschakeld kan worden als dat nodig blijkt te zijn. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan te houden, omdat tijdens de zitting is gebleken dat het nog lang kan duren voordat een dergelijk onderzoek kan worden uitgevoerd en alle partijen (inclusief de kinderen) behoefte hebben aan duidelijkheid. Aangezien [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] zich goed ontwikkelen bij de man en deze woonsituatie rust heeft gebracht in het leven van de kinderen, ziet de rechtbank in de huidige omstandigheden geen aanleiding om een wijziging in deze situatie aan te brengen. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] daarom bij de man bepalen. De situatie zoals omschreven in de beschikking van de kinderrechter van 3 oktober 2022 is immers niet veranderd. De rechtbank benadrukt nogmaals dat het van belang is dat de vrouw de samenwerking aangaat met de gecertificeerde instelling, het persoonlijkheidsonderzoek ondergaat (dat al door de Raad is geadviseerd en als doel is opgenomen in de beschikking van 31 maart 2022), laat zien dat zij in het belang van de kinderen kan handelen door inzicht te geven in haar thuissituatie, de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling opvolgt, de kinderen niet langer belast met volwassenenproblematiek en ophoudt met het diskwalificeren van de man.

4.9.

Dit is anders met betrekking tot [de minderjarige 5] . [de minderjarige 5] verbleef de afgelopen maanden bij de vrouw en hoewel de samenwerking tussen de gecertificeerde instelling en de vrouw niet altijd goed is verlopen, is tijdens de zitting van 22 november 2022 gebleken dat er een verandering heeft plaatsgevonden. De vrouw heeft zich na de zitting van 11 november 2022 tot de gecertificeerde instelling gewend en zij heeft zich meewerkend opgesteld. In de afgelopen periode hebben ook geen incidenten met betrekking tot [de minderjarige 5] plaatsgevonden. De gecertificeerde instelling heeft desalniettemin betoogd om zijn hoofdverblijfplaats bij de man vast te stellen, maar hiertoe ziet de rechtbank geen aanleiding. [de minderjarige 5] heeft veel zorg nodig en uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting is niet gebleken dat de vrouw hem deze zorg niet kan bieden. [de minderjarige 5] gaat tweemaal per week naar revalidatiecentrum [naam revalidatiecentrum] en deze instantie heeft geen zorgen geuit over de opvoedingsvaardigheden van de vrouw ten opzichte van [de minderjarige 5] . Niet is gebleken dat de vrouw niet goed voor [de minderjarige 5] zorgt of dat [de minderjarige 5] zich niet goed ontwikkelt bij de vrouw. Zij heeft op de zitting verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige 5] en de gecertificeerde instelling heeft dit niet weersproken. Evenmin is gebleken dat [de minderjarige 5] door de vrouw wordt belast met volwassenzaken en/of ex-partnerproblematiek. Nu de gecertificeerde instelling de noodzaak van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 5] bij de man ook niet voldoende heeft kunnen toelichten, zeker met inachtneming van de zorgbehoefte van [de minderjarige 5] , zal de rechtbank hierna de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 5] bij de vrouw bepalen. De rechtbank begrijpt dat het wellicht wenselijk is dat alle kinderen bij elkaar wonen, maar naar het oordeel van de rechtbank is de man op dit moment onvoldoende beschikbaar voor [de minderjarige 5] . Hij werkt fulltime en dit maakt dat de (extra) zorg voor [de minderjarige 5] door zijn ouders en overige netwerk zal moet worden opgevangen. Daarbij komt dat de man al een lange periode geen contact heeft met [de minderjarige 5] en niet betrokken is bij zijn hulpverlening. Dit alles maakt dat de rechtbank het niet in het belang van [de minderjarige 5] acht om hem van woonplek te laten wisselen.

4.10.

Ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken overweegt de rechtbank als volgt. Op dit moment heeft de vrouw heel beperkt contact met [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . De contacten vinden plaats onder begeleiding van een professionele instantie (InCtrl). De rechtbank begrijpt dat de gecertificeerde instelling de situatie wilde doorbreken, maar inmiddels is rust in de situatie ontstaan en alle partijen (de vrouw, de man en de kinderen) hebben aangegeven dat het contact uitgebreid kan worden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de contacten zo snel mogelijk uitgebreid dienen te worden. Hierbij weegt ook mee dat [de minderjarige 1] in het gesprek met de kinderrechter heeft aangegeven dat zij haar moeder mist en haar vaker zou willen zien. Aangezien de gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat zij een indicatie hebben voor begeleide contactmomenten van vijf uur per week, zal de rechtbank hierna bepalen dat de begeleide contacten tussen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en de vrouw zo spoedig mogelijk uitgebreid moeten worden naar die vijf uur per week. Op dit moment vindt het begeleide contact plaats in [plaatsnaam] , maar de rechtbank acht het van belang dat in overleg met de begeleidende instantie wordt onderzocht of het contact voortaan in (de omgeving van) [plaatsnaam] kan plaatsvinden. Ook vindt de rechtbank het belangrijk dat regelmatig geëvalueerd wordt hoe de contacten verlopen en of de begeleiding van de contacten nog noodzakelijk is. De gecertificeerde instelling heeft immers op de zitting van 22 november 2022 aangegeven dat de contacten tot nu toe goed verlopen en dat de gecertificeerde instelling met partijen in gesprek wil om te bekijken of de hierna vast te stellen regeling verder kan worden uitgebreid.

4.11.

Verder vindt de rechtbank het belangrijk dat het contact tussen [de minderjarige 5] en de man wordt hersteld. Gebleken is dat zij elkaar door allerlei omstandigheden nog steeds niet hebben gezien. Partijen dienen in onderling overleg en met de gecertificeerde instelling te onderzoeken op welke wijze kan worden toegewerkt naar de regeling zoals die bij beschikking van 3 oktober 2022 door de kinderrechter is vastgesteld en waarbij [de minderjarige 5] om het weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en gaat ervan uit dat beide ouders en de gecertificeerde instelling zich tot het uiterste zullen inspannen om deze zorgregeling zo spoedig mogelijk tot uitvoering te brengen.

basisschool

4.12.

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw binnen twee dagen na de datum van deze beschikking haar medewerking en toestemming dient te verlenen aan inschrijving van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] op de school [schoolnaam] te [plaatsnaam] en in het geval de vrouw deze toestemming niet geeft binnen de gestelde termijn, die toestemming wordt vervangen door de toestemming van de rechtbank, waardoor de kinderen kunnen worden ingeschreven op voornoemde school. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.13.

De Raad heeft geadviseerd om het verzoek van de man toe te wijzen en de gecertificeerde instelling ondersteunt dit advies.

4.14.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Het verzoek van de man is geen nevenverzoek als genoemd in artikel 827 sub c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wettelijke grondslag van het verzoek is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek . Nu het verzoek betrekking heeft op de oudste vier kinderen van partijen en voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en de behandeling van dit verzoek niet tot vertraging van dit geding zal leidt, zal de rechtbank het verzoek op grond van artikel 827 sub f Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inhoudelijk beoordelen.

4.15.

Inhoudelijk overweegt de rechtbank dat nu de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] bij de man wordt bepaald, het vanzelfsprekend is dat zij in [plaatsnaam] naar school zullen gaan. Om die reden zal de rechtbank vervangende toestemming verlenen aan de man om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in te schrijven op basisschool [schoolnaam] te [plaatsnaam] .

kinderalimentatie

4.16.

De kinderalimentatie heeft voorrang boven partneralimentatie . De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.

behoefte

4.17.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren.

4.18.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de kinderen berekend moet worden aan de hand van het netto gezinsinkomen in 2021. Zij zijn alleen verdeeld over de vraag of de representatiekosten van in totaal afgerond € 100,- per maand, die de man van zijn werkgever ontvangt, moeten worden meegenomen bij de berekening van de behoefte. Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat representatiekosten geen onderdeel uitmaken van het gezinsinkomen, omdat de rechtbank (gezien de functie die de man vervult) veronderstelt dat tegenover deze inkomsten uitgaven staan. De rechtbank zal daarom de berekening van de man volgen en de behoefte van de kinderen vaststellen op € 279,40 per kind per maand. draagkracht ouders

4.19.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.

4.20.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (hierna: NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een budget voor - primair - wonen van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.020)].

draagkracht man

4.21.

Voor het bepalen van de draagkracht houdt de rechtbank rekening met het feit dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben. Daarnaast rekent de rechtbank op basis van de overgelegde salarisspecificaties met een brutoloon van € 5.177,- per maand, een vakantietoeslag van 8%, een pensioenpremie van € 427,76 per maand, een WIA-excedentsverzekering van € 9,39 per maand en een WIA-werknemersverzekering van € 17,99 per maand. Ook houdt de rechtbank (net als de man) rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebondenbudget (inclusief alleenstaande ouderkop).

4.22.

Gelet op het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man ten behoeve van kinderalimentatie € 4.129,- per maand en zijn draagkracht € 1.309,- per maand.

draagkracht vrouw

4.23.

Voor het bepalen van de draagkracht houdt de rechtbank rekening met het feit dat [de minderjarige 5] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De vrouw ontvangt een bruto WIA-uitkering van € 1.229,75 per maand. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8%, de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop) voor [de minderjarige 5] . Haar netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 1.452,- per maand. Op basis van dit inkomen heeft de vrouw een draagkracht van € 50,- per maand.

draagkrachtvergelijking

4.24.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

4.25.

Een vergelijking is hier echter niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 272,- per kind per maand, terwijl de kosten van de kinderen zijn begroot op afgerond € 280,- per kind per maand. Zij komen dus samen een bedrag van € 8,- per kind per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken.

zorgkorting

4.26.

Op dit moment vindt het contact tussen de vrouw, [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] nog begeleid plaats en moet het contact tussen [de minderjarige 5] en de man opnieuw worden opgebouwd. Hierdoor zijn er op dit moment (behalve de reiskosten) nog geen kosten die de man voor [de minderjarige 5] maakt en de vrouw voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . De rechtbank hoopt dat het contact tussen beide ouders en de kinderen spoedig wordt genormaliseerd en daarom houdt de rechtbank rekening met een zorgkorting van 15%. Omdat er hier een tekort aan draagkracht is, zou het niet eerlijk zijn als de vrouw de korting volledig mag toepassen voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] en de man voor [de minderjarige 5] . In dit geval moet ieder de helft van het tekort dragen (zijnde € 4,- per kind per maand). Dit leidt ertoe dat de man voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] € 28,- per kind per maand dient te voldoen en € 224,- voor [de minderjarige 5] . In totaal dient de man derhalve € 336,- per maand aan de vrouw te voldoen.

ingangsdatum en conclusie

4.27.

De rechtbank zal hierna bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking maandelijks aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] € 28,- per kind per maand en € 224,- voor [de minderjarige 5] .

partneralimentatie

behoefte

4.28.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw op basis van de hofnorm € 1.804,- per maand bedraagt.

behoeftigheid

4.29.

De vrouw is volledig afgekeurd en ontvangt een WIA-uitkering. Omdat zij geen mogelijkheden heeft om in de toekomst een hoger inkomen te genereren, is zij behoeftig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Haar resterende behoefte bedraagt € 352,- netto en € 648,- bruto per maand.

draagkracht man

4.30.

Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van dezelfde inkomensgegevens als voor de kinderalimentatie. Vervolgens bekijkt de rechtbank welke noodzakelijke kosten de man moet betalen van dit netto besteedbaar inkomen (zijnde € 4.129,- per maand). Anders dan bij de kinderalimentatie maakt de rechtbank geen gebruik van een formule, maar kijkt zij naar de werkelijke noodzakelijke kosten. Al deze kosten bij elkaar opgeteld wordt het ‘draagkrachtloos inkomen’ genoemd. Bij de bepaling van dit draagkrachtloos inkomen is de rechtbank uitgegaan van een woonlast van € 1.250,- per maand. Op dit moment heeft de man weliswaar geen eigen huurwoning, omdat hij – doordat hij contractueel gezien nog huurder is van de voormalige echtelijke huurwoning – nog geen nieuwe huurovereenkomst kon aangaan. Hij woont nu met de vier oudste kinderen bij zijn ouders thuis en deze situatie is voor hemzelf en de kinderen niet ideaal. Na deze echtscheidingsbeschikking kan de man op zoek gaan naar een eigen huurwoning en de rechtbank gaat er vanuit dat hij deze spoedig zal vinden. Een woonlast van € 1.250,- vindt de rechtbank niet onredelijk en daarom zal zij hiermee rekening houden. Ook houdt de rechtbank rekening met een ziektekostenpremie van € 144,- en een verplicht eigen risico van € 32,- per maand.

4.31.

Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan na aftrek van het totale draagkrachtloos inkomen van € 2.259,- per maand een bedrag van € 1.870,- netto per maand over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 60% beschikbaar voor alimentatie, oftewel € 1.122,- netto per maand. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). Zoals hiervoor is besproken, gaat de kinderalimentatie voor op de partneralimentatie. Daarom brengt de rechtbank de kosten die de man voor de kinderen maakt nog in mindering op voormeld bedrag van € 1.122,- per maand. Bij de berekening van de kinderalimentatie heeft de rechtbank uitgelegd dat de man een bedrag aan kinderalimentatie moet betalen en daarnaast draagt de man de kosten op de dagen dat de kinderen bij hem zijn. In totaal draagt de man dus € 1.309,- per maand aan kosten van de kinderen. Er resteert dan geen draagkracht om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. Haar verzoek zal om die reden worden afgewezen.

huurrecht

4.32.

De vrouw heeft haar verzoek met betrekking tot het huurrecht van de voormalige echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] ingetrokken, omdat zij urgentie heeft gekregen zodat zij een sociale huurwoning (met een lagere huurlast) kan betrekken. Nu echter gebleken is dat de vrouw op dit moment nog in de woning woont en de man niet zal terugkeren naar [plaatsnaam] , zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] aan de vrouw wordt toegescheiden. Daarbij weegt voor de rechtbank mee dat de man met deze beslissing in staat wordt gesteld een nieuwe huurovereenkomst voor een eigen woning aan te gaan.

verdeling

4.33.

De verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap is ook tussen partijen in geschil.

peildatum

4.34.

Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum van ontbinding bepalend. Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 21 februari 2022 bij de griffie van de rechtbank ingekomen, zodat – gelet op de hoofdregel – deze datum als peildatum dient te gelden.

bestanddelen

4.35.

Tussen partijen staat vast dat tot de ontbonden huwelijksgemeenschap in ieder geval behoren:

de inboedel;

de bankrekeningen op naam van (een van) partijen;

de auto, Volkswagen Polo en de daarvoor afgesloten lening bij Freo.

ad a) de inboedel

4.36.

Partijen hebben hun verzoeken met betrekking tot de verdeling van de inboedel ingetrokken, omdat zij ter zitting overeengekomen zijn dat zij de inboedel in onderling overleg gaan verdelen. Gelet hierop hoeft de rechtbank niet meer op deze verzoeken te beslissen.

ad b) de bankrekeningen

4.37.

Partijen hebben elkaar tijdens een schorsing van de zitting over en weer inzage verschaft in het verloop van de bank- en spaarrekeningen. De man heeft daarom geen belang meer bij zijn verzoek om te bepalen dat de vrouw aan hem inzicht dient te verschaffen in het verloop van de bankrekeningen op naam van de kinderen. Dit verzoek zal de rechtbank daarom afwijzen.

4.38.

Nadat de benodigde inzage is verschaft, zijn partijen het erover eens geworden dat voor de waardering (oftewel het te verdelen saldo) uitgegaan moet worden van de peildatum 21 februari 2022 voor wat betreft de bank- en spaarrekeningen die op naam staan van (een van) partijen en de kinderen. De man stelde zich hierna nog wel steeds op het standpunt dat voor wat betreft zijn spaarrekening uitgegaan dient te worden van de hoofdregel.

4.39.

De rechtbank overweegt dat op basis van de hoofdregel het op het moment van de feitelijke verdeling aanwezige saldo op de bank- en spaarrekeningen verdeeld moet worden. Onverkorte toepassing van die regel kan evenwel onder zeer bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Alle feiten en omstandigheden kunnen daarbij in aanmerking worden genomen. In dit geval is het verzoekschrift tot echtscheiding op 21 februari 2022 bij de rechtbank ingediend. Partijen zijn het in beginsel eens over het feit dat 21 februari 2022 gehanteerd dient te worden als peildatum voor de waardering, alleen de man is van mening dat zijn spaarrekening hierop een uitzondering vormt. Daar is de rechtbank niet van overtuigd. Hij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om welke reden zijn stelling gevolgd dient te worden. Bovendien is de man tot de datum van de echtscheiding op grond van het bepaalde in artikel 1:81 BW gehouden om de vrouw het nodige te verschaffen. Op basis van de redelijkheid en billijkheid ziet de rechtbank daarom aanleiding om te bepalen dat het saldo van de bank- en spaarrekeningen op naam van (één van) partijen en hun kinderen op 21 februari 2022 bij helfte verdeeld dient te worden tussen partijen. De rechtbank heeft geen informatie gekregen over welke rekeningen het precies gaat. De rechtbank zal daarom bepalen dat de op naam van de vrouw gestelde bank- en spaarrekeningen aan haar worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van de daarop aanwezige saldi op 21 februari 2022 aan de man te betalen. Ditzelfde geldt voor de bankrekeningen op naam van de kinderen. Deze worden aan de vrouw toegedeeld onder de verplichting om de helft van de daarop aanwezige saldi op 21 februari 2022 aan de man te betalen. En verder dat de op naam van de man gestelde bank- en spaarrekeningen aan hem worden toegedeeld onder de verplichting om de helft van de daarop aanwezige saldi op 21 februari 2022 aan de vrouw te betalen. Eventuele en/of rekeningen dienen te worden opgeheven of op naam van één van beide partijen te worden voortgezet, in onderling overleg tussen partijen af te spreken.

ad c) de auto, Volkswagen Polo en de daarvoor afgesloten lening bij Freo

4.40.

Partijen beschikken over een Volkswagen Polo (kenteken [kentekennummer] . Deze auto staat op naam van de man. Ditzelfde geldt voor de lening bij Freo die ten behoeve van de aanschaf van de auto is afgesloten. De lening bedraagt op dit moment € 12.164,61 en de man voldoet de maandelijkse termijnen van deze lening.

4.41.

De rechtbank overweegt dat het niet de schoonheidsprijs verdient hoe de man heeft gehandeld, maar feit is dat op dit moment de auto bij een garage staat en te koop wordt aangeboden. De man heeft aangegeven dat de vrouw een kopie van de advertentie krijgt en dat hij haar op de hoogte zal houden van het verkoopproces. De auto zal worden verkocht als partijen gezamenlijk het bod van een potentiële koper accepteren. Zodra de auto verkocht is, dient allereerst de lening bij Freo afgelost te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat het restant wat daarna overblijft bij helfte tussen hen verdeeld dient te worden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

4.42.

De man heeft nog verzocht om te bepalen dat de boete van € 202,- die hij heeft ontvangen door de vrouw vergoed moet worden, alsmede dat de vrouw een vergoeding voor het gebruik van de auto dient te voldoen ter hoogte van € 250,- per maand vanaf 1 april tot 30 augustus 2022 (in totaal € 1.250,-). De vrouw heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken. Nu de man geen wettelijke grondslag heeft aangevoerd voor deze verzoeken en partijen geen overeenstemming hebben over deze bedragen, zal de rechtbank de verzoeken van de man afwijzen.

overige vergoedingen

4.43.

De man stelt dat partijen in overleg met hun advocaten hadden afgesproken dat de man de maandelijkse huurlast van de voormalige echtelijke huurwoning van € 991,20 en per 1 juli 2022 € 1.023,93, de premie zorgverzekering van de vrouw en alle maandelijkse kosten van de auto zou blijven betalen. Hiertegenover stond dat hij dan geen kinder- en partneralimentatie zou betalen. In juli 2022 is de situatie echter drastisch veranderd, vanwege de uithuisplaatsing van vier van de kinderen bij hem. De man ontvangt geen kinderbijslag of kindgebonden budget voor de kinderen, dat ontving de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw ook nog een nieuwe partner in huis genomen. Gelet op deze omstandigheden, stelt de man dat de vrouw over de periode vanaf 20 juni 2022 tot en met de datum van de echtscheiding de huur dient te vergoeden.

4.44.

De vrouw beroept zich op de afspraak die partijen hebben gemaakt over de financiën. Indien de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw hem vergoedingen dient te voldoen, dient de hele financiële situatie opnieuw beoordeeld te worden.

4.45.

De rechtbank overweegt dat partijen op grond van artikel 1:81 BW verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. De man heeft de huurlasten, de zorgverzekering en de kosten met betrekking tot de auto voldaan maar zijn inkomen was ook hoger dan het inkomen van de vrouw en hij heeft geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen en/of de vrouw voldaan, terwijl de kinderen ook nog voor een deel bij de vrouw woonachtig zijn geweest. Het verzoek van de man zal om die reden afgewezen worden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] ;

5.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen:

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

bij de man zal zijn;

5.3.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind:

a) [de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

bij de vrouw zal zijn;

5.4.

stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] aldus vast dat de begeleide contacten tussen hen en de vrouw zo spoedig mogelijk uitgebreid worden naar vijf uur per week, waarbij de locatie, de verdere aard, de frequentie, de duur van de contacten, de wijze van begeleiding en verdere uitbreiding worden bepaald door de gecertificeerde instelling;

5.5.

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige 5] dat zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar de bij beschikking van de kinderrechter van 3 oktober 2022 vastgestelde regeling waarbij [de minderjarige 5] om het weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft, op te bouwen onder regie van de gecertificeerde instelling;

5.6.

verleent de man vervangende toestemming om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in te schrijven als leerling van basisschool [schoolnaam] te [plaatsnaam] ;

5.7.

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] maandelijks aan de vrouw zal betalen € 28,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.8.

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 5] maandelijks aan de vrouw zal betalen € 224,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.9.

bepaalt dat de vrouw, vanaf de dag waarop de beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand, huurster is van de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] ;

5.10.

bepaalt dat de saldi op de betaal- en spaarrekeningen van partijen en hun kinderen per 21 februari 2021 tussen partijen bij helfte verdeeld worden, dat ieder van partijen de op zijn of haar naam staande rekening toegedeeld krijgt, dat de bankrekeningen van de kinderen worden toegedeeld aan de vrouw en dat eventuele en/of-rekeningen van partijen opgeheven worden dan wel voortgezet worden door de partij die dat wenst;

5.11.

bepaalt dat de auto wordt verkocht en dat de netto verkoopopbrengst van de auto, na aflossing van de lening bij Freo, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

5.12.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing omtrent de echtscheiding;

5.13.

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

5.14.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.P. van der Meer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2022.

BIJLAGEN:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature