< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank veroordeelt een 50-jarige man zonder vaste woon- of verblijfplaats voor moord. De man krijgt een celstraf van 16 jaar.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/005146-21

Datum uitspraak : 25 juli 2022

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortejaar 1972] in [geboorteplaats] , z.v.w.o.v.p.h.t.l.,

op dit moment gedetineerd in de P.I. Arnhem.

Raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat in Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 januari 2021 te Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogels (op korte afstand en/of gericht) in/door de romp en/of in/door de mondbodem en hals, althans in het lichaam van die

[slachtoffer] te schieten (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] dodelijk is verwond).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de getuige [getuige 1] (verder: [getuige 1] ) consistent heeft verklaard en dat zijn verklaringen deels worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Daarom kunnen zijn verklaringen voor het bewijs worden gebruikt en kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Het scenario en de tenlastelegging van het openbaar ministerie is grotendeels gebaseerd op de verklaring van [getuige 1] . Deze getuige heeft wisselend en/of niet naar waarheid verklaard:

Niet blijkt uit de 112-melding dat verdachte tijdens de melding op [getuige 1] is afgelopen.

[getuige 1] verklaart wisselend over de hand waarmee verdachte heeft geschoten.

[getuige 1] verklaart wisselend over het moment waarop hij de woning heeft verlaten. In zijn eerste verklaring zou hij na het “horen” van het eerste schot de woning hebben verlaten, hij zou de schoten niet hebben gezien. Later heeft hij zijn verhaal met nauwelijks verifieerbare details aangevuld.

[getuige 1] verklaart wisselend over het type vuurwapen (pistool of revolver).

Volgens [getuige 1] heeft verdachte het pistool doorgeladen na het eerste schot, maar er is geen patroon gevonden.

Daarom zijn de verklaringen van [getuige 1] onbetrouwbaar en moeten deze worden uitgesloten van het bewijs.

De onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] wordt verder bevestigd door de gebeurtenissen op en na 9 mei 2022.

Het onderzoek na 9 mei 2022 en de verklaringen van [getuige 1] over deze gebeurtenissen geven redenen te over om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van al de verklaringen van [getuige 1] . Dit maakt dat er volledig opnieuw moet worden geoordeeld over de bruikbaarheid van diens verklaringen voor het bewijs.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord, omdat de voorbedachten rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ook moet verdachte worden vrijgesproken van doodslag, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich niet bewust is geweest van het bestaan van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] .

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding:

De raadsman heeft gelijk als hij stelt dat de rechtbank kort na de inhoudelijke behandeling op 13 april 2022 in raadkamer besluiten heeft genomen over de strafzaak tegen verdachte. Eerst moest worden besproken of het tenlastegelegde kon worden bewezen. De rechtbank vormde zich toen een oordeel over de bewijsmiddelen en dus ook over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen, waaronder de verklaringen van [getuige 1] . Na de bespreking in raadkamer wordt doorgaans door de griffier een conceptvonnis opgesteld dat - zo nodig - door de rechters wordt aangepast. Op 9 mei 2022 zal het vonnis zo goed als klaar geweest zijn. Dit was voor het sluiten van het onderzoek, maar de rechtbank had 13 april 2022 aangekondigd dat zij het onderzoek op 11 mei 2022 zou sluiten en daarna direct uitspraak zou doen.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het contact dat [getuige 1] heeft opgenomen met de raadsman van verdachte en de gebeurtenissen daarna het noodzakelijk maken dat zijn verklaringen opnieuw worden beoordeeld. Daarom heeft de rechtbank de getuige [getuige 1] laten oproepen tegen de zitting van 11 mei 2022 en de zaak daarna voor verder verhoor van de getuige verwezen naar de rechter-commissaris. Deze nieuwe beoordeling van de verklaringen van [getuige 1] moet gebeuren met inachtneming van de inhoud van het dossier en de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] zal de rechtbank:

eerst de consistentie van de inhoud van de verklaringen van [getuige 1] beoordelen;

vervolgens de overige bewijsmiddelen behandelen;

daarna beoordelen of de verklaringen van [getuige 1] ondersteund worden door andere bewijsmiddelen;

daarna ingaan op de gebeurtenissen op en na 9 mei 2022 en deze in haar oordeel betrekken;

vervolgens een conclusie over de (on)bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [getuige 1] trekken en

vervolgens zich uitlaten over de vraag of de opzet op de dood en de voorbedachte raad kan worden bewezen.

De (in)consistentie van de verklaringen van de getuige [getuige 1] .

[getuige 1] heeft voor zover thans van belang de volgende verklaringen afgelegd:

De 112-melding bevat de eerste verklaring van [getuige 1] .

[getuige 1] Ja 112 kom snel snel naar (onverstaanbaar) [adres] . Snel snel. (onverstaanbaar).

Nu nu komen.

OC: Waar moet ik, waar moet ik naartoe?

[getuige 1] Alle eenheden Lankforst. Alle eenheden. (...)

OC: Wat is er aan de hand dan?

[getuige 1] Er is geschoten, er is geschoten, er is geschoten, komen alle eenheden, 44e straat (...)

OC: Welk huisnummer?

[getuige 1] (onverstaanbaar) [adres] . (...)

[getuige 1] Ja hij heeft geschoten waar ik bij stond.

Verbatim verslag 1e verhoor [getuige 1] , d.d. 5 januari 2021.

G Ik vind het echt schandalig dat ik als melder ook aangegeven heb als melder, van ook

de beller, de eerste beller die de politie op 112 van begin tot einde op de hoogte heeft

gehouden van die hele situatie waar dader naartoe rijdt, hoe die uitziet, politie komt ik

helpen... (...) en er wordt euh Zo behandeld. (...)

G Wij zijn toen naar [naam 1] gegaan. [naam 1] is de eigenaar op wiens naam hij staat in

[adres] , waar incident zich heeft plaatsgevonden (...)

hij heet [verdachte] (...)

G [slachtoffer] stond daarzo, niet zo ver van mij en hij liep deze kant (steekt zijn rechterarm uit naar rechts, wijsvinger uitgestoken, trekt arm steeds verder in) maar hij liep.... rechtstreeks

naar [slachtoffer] .

Vv Hij liep rechtstreeks ....

G Hij had, en ik zag in zijn hand (ondersteunt met zijn linkerhand zijn rechterhand) ik zag het wapen (...)

G Ja. Ik ging van uit, in eerste instantie dat het een (draait richting A) grap, schrik (kijkt Vv aan) grapje was.

(kijkt A aan) Toen er werd geknald, maar ik heb nog nooit een knal van een pistool gehoord (gaat zitten) dus ik hoorde die knal, ik wist niet of het echt, maar dat moment begin ik wel, heb ik meters, begon ik te lopen. Toen hoorde ik d'r nog 1.

Vv Twee knallen gehoord?

G Ja. Alvorens hij heeft geschoten heeft hij gezegd, [slachtoffer] , wat heb je gedaan, jongen? Wat heb je gedaan? (...)

G En toen heb ik twee stappen, drie stappen gemaakt en.... was ik bij de voordeur. Dat

moment, hoef ik echt niks meer te zeggen hier want, heb ik mijn telefoon gepakt,

112 gebeld (tikt met zijn rechterhand in de handpalm van zijn linkerhand)

Verbatim verslag 2e verhoor [getuige 1] , d.d. 7 januari 2021.

(...) G In die zaak van [slachtoffer] ben ik....GETUIGE...en ik ben melder van 112.

V Ja

G En nuhu, word, was ik de vorige keer heb ik meegewerkt netjes als getuige....

V Hmhmm

G ...ondanks het feit dat jullie mij verdachte noemen, nu krijg ik in verzekeringstelling, (...)

G Alles wat ik weet, wil ik vertellen (kijkt V aan) (...)

G En ik krijg alle beperkingen en ik krijg dit terwijl, ik ben niet de schutter, ik ben een

GETUIGE!!! Die jullie gebeld heeft vanaf A tot Z. (...)

G Zijn ouders zijn kapitalist.

Zijn rijke mensen, ik kan mij niet voorstellen waarom hij doodgeschoten is. (praat hard, heft handen op in vraaggebaar) DE ENIGE SCENARIO DIE IK KAN BEDENKEN.... (...)

G Ik ik ik weet het niet. Ik schrik d'r zelf van. (...)

G Waarom hij doorgeschoten is (...)

G Gewoon afgeslacht. (...)

G Ik vind jammer dat er geen 1 vraag is gesteld wat is mijn aandeel in deze dagen. Dan ben ik geen verdachte, dan ben ik getuige gewoon geweest, (praat tegen A) Hadden ze mij op een andere manier kunnen behandelen, meneer [naam 2] .

Verbatim verslag 3e verhoor [getuige 1] , d.d. 7 januari 2021.

G Stelt u mij die als [getuige 1] als verdachte of [getuige 1] als getuige? Want laten we voorop

stellen, ik ben misschien in ogen van politie een verdachte, ik ben getuige. (...)

G En ik heb hem zien schie, geschoten worden. Ben ik weggegaan. Toen ben ik met de politie naar boven gegaan. Weet je nog. En ik zie hem daar liggen op de grond, hier een gat

V Ja

G Levenloos. Dat is wat ik zie, wat ik steeds....

V Ja, dat snap ik

G Dat komt steeds terug

V Ja maar dat begrijp ik.

G Dat komt maar steeds terug, komt maar steeds terug. (...)

G: (...) ik denk niet dat je iemand doodschiet voor schulden. Ik heb ook bij mensen

schulden, moet ik gaan doodschieten? Nee. (...)

G (...) Opeens zie ik deze man, waar we nou over hebben, die [verdachte] , naar binnen lopen, zo. Hij loopt met iets grijs in zijn hand. Hij loopt zo direct naar die kant naar [slachtoffer] , ik sta hier, hij loopt direct naar hem toe. Wat heb je gedaan [slachtoffer] ? Ksuu. Wat heb je gedaan, [slachtoffer] ? Paf! Wat heb je gedaan, [slachtoffer] ?

V U bent euh ja, snap ik. Ja, snap ik.

G Hallo, hallo, één één de politie, snel snel. En ik wist niet eens dat het een echte wapen was, heh.

V Pfff, heftig

G Wat heb je gedaan, [slachtoffer] . Wat heb je gedaan, [slachtoffer] ?

V Meneer [getuige 1] , wilt u verder nog iets verklaren?

G Nee. Ja, alsjeblieft, als die man nog vrij is, dan wil ik vluchten. Ik moet vluchten. Als hij nog vrij is, want hij heeft mij gezien bellen plus hij heeft nog gestopt. (...)

G Dus ik moet uitkijken voor mijn leven (...)

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 4 november 2021:

Ik heb gezien dat meneer [verdachte] de woonkamer binnen liep. Rechtsom draaide hij de kamer binnen en liep, hij zette twee stappen. Hij zag mij toen aan de linkerkant. Hij keek naar mij en liep door zonder te stoppen, derde stap, vierde stap en bij de vijfde stap zag ik dat hij iets in zijn linkerhand had. Ik hoorde dat hij het wapen doorlaadde. De getuige maakt daarbij een geluid. Hij stond al bij [slachtoffer] . Het is in een seconde gebeurd. Ik hoorde hem tegen [slachtoffer] zeggen: waarom heb je dat gedaan, [slachtoffer] en toen hoorde ik de knal. De getuige maakt daarbij een geluid. Ik hoorde dat het wapen nog een keer doorgeladen werd. Ik zag dat hij weer schoot. Voor de tweede keer. Ik zag dat zijn hand, van [verdachte] , naar boven ging. (...) Mijn reactie was op dat moment: eruit. Dat was in drie of vier stappen. Ik heb de telefoon gepakt en heb 112 gebeld. (...)

U vraagt mij wat ik in de woning precies heb gezien. Ik heb gezien dat [slachtoffer] aan het bellen was. Ik heb gezien dat meneer [verdachte] de woonkamer binnen liep. Rechtsom draaide hij de kamer binnen en liep, hij zette twee stappen. Hij zag mij toen aan de linkerkant. Hij keek naar mij en liep door zonder te stoppen, derde stap, vierde stap en bij de vijfde stap zag ik dat hij iets in zijn linkerhand had. Ik hoorde dat hij het wapen doorlaadde. De getuige maakt daarbij een geluid. Hij stond al bij [slachtoffer] . Het is in een seconde gebeurd.

Ik hoorde hem tegen [slachtoffer] zeggen: waarom heb je dat gedaan, [slachtoffer] en toen hoorde ik de

knal. De getuige maakt daarbij een geluid. Ik hoorde dat het wapen nog een keer

doorgeladen werd. Ik zag dat hij weer schoot. Voor de tweede keer. Ik zag dat zijn hand, van

[verdachte] , naar boven ging. Toen realiseerde ik en besefte ik me dat het een moord, dood, liquidatie, wapen was. Mijn reactie was op dat moment: eruit. Dat was in drie

of vier stappen. Ik heb de telefoon gepakt en heb 112 gebeld. (...)

U vraagt mij of ik ben blijven staan toen ik het eerste schot hoorde. Op dat moment nog wel.

Daarna zei hij weer: waarom heb je dat gedaan [slachtoffer] ? Na het tweede schot ben ik gaan

lopen. (...)

U vraagt mij of [slachtoffer] nog op de verdachte af kwam. Nee. (...)

Verhoor [getuige 1] ter terechtzitting op 11 mei 2022:

Ik was bij de moord aanwezig. Ik heb daar een heldere verklaring over afgelegd. U, officier

van justitie, heeft mij geweigerd om mij eerder te horen. Niemand wilde mijn verhaal horen,

niet als slachtoffer, want ik was er ook bij aanwezig. (...)

Ik blijf bij mijn eerder afgelegde verklaring die ik heb afgelegd bij de rechter-commissaris.

Ik heb verklaard dat verdachte zonder te wachten, zonder te twijfelen, rechtstreeks op

[slachtoffer] is afgelopen en op hem is afgegaan. Ik hoor ook nog dat je zijn gezicht

kapot hebt gemaakt. Verdachte heeft [slachtoffer] rechtstreeks, zonder om te draaien, met het

wapen in zijn hand. Dat wapen heb ik niet gezien. Hij deed wel zijn hand zo rechtstreeks

naar [slachtoffer] . Ik was erbij. Ik heb hem langs zien lopen. Ik heb hem horen schieten, de

eerste keer en de tweede keer. Hij zei: "Waarom heb je dat gedaan [slachtoffer] ?”. En toen schoot

hij. Hij heeft het nog een keer gezegd en hij heeft weer geschoten. Ik ben toen weggerend. (...) Hij is roekeloos, doelgericht, op [slachtoffer] afgegaan en heeft gelijk geschoten. (...)

De oudste rechter reageert:

Meneer [getuige 1] , de verklaring die u nu geeft, heeft dezelfde strekking als wat u bij de

rechter-commissaris heeft verklaard.

De getuige verklaart:

Ik ben blij dat ik het nu tegen iedereen heb kunnen zeggen. (...)

Het klopt zoals ik bij de rechter-commissaris heb verteld. U vraagt mij of mijn verklaringen

van 5 januari 2021 en 4 november 2021 om 12.00 uur kloppen. Die verhalen kloppen en die

wil ik bevestigen. (...)

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 4 juli 2022:

(...) Wat was uw belang bij het bellen van mr. Gerrits? Er zijn bedreigingen gedaan naar mijn adres om de verklaringen af te zwakken. (...) Er zijn bedreigingen gedaan naar mijn adres, ook buiten de PI. (...)

Hoe is het gegaan op 5 januari 2021? (...)

Op een gegeven moment zag ik [verdachte] vanuit mijn linker ooghoek binnenlopen. (...) Hij had in zijn linkerhand de revolver. Rond de 50-70 cm, binnen een meter heeft hij rechtstreeks doelbewust op [slachtoffer] geschoten bij zijn borstzijde. Direct haalde hij de trekker, klik ding van het wapen, schoot hij voor de tweede keer. (...) Bij de tweede keer ging zijn hand naar boven, tijdens het horen van het schot, dat was een knal. Ik zou het nu weer herkennen, ik rende naar buiten, via de weg die [verdachte] naar binnenkwam. Bij de voordeur, voordat ik links afsloeg, op de galerij heb ik de telefoon gepakt, 112 gebeld. (...) [slachtoffer] is 2 keer beschoten in mijn bijzijn. (...)

Tussenconclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 1] de volgende strekking hebben:

 In de 112-melding meldt [getuige 1] meerdere keren dat er is geschoten, dat er snel meerdere eenheden (rechtbank: politie) moeten komen, dat hij erbij stond toen er werd geschoten. Uit de 112-melding leidt de rechtbank af dat [getuige 1] een schietpartij meldde, geen ongeluk met een wapen.

Verdachte kwam de woning in, hij had “iets grijs” in zijn hand, hij liep direct op [slachtoffer] af. Verdachte zei daarbij: “ , wat heb je gedaan, jongen? Wat heb je gedaan?”. Vervolgens schoot verdachte van korte afstand twee keren op [slachtoffer] .

Na het tweede schot heeft [getuige 1] de woning verlaten en 112 gebeld.

[slachtoffer] is niet op verdachte afgelopen.

[getuige 1] is bang voor zijn leven omdat hij getuige is geweest van een schietpartij en hij 112 heeft gebeld.

[getuige 1] is vanaf het eerste verhoor gefrustreerd en geïrriteerd omdat hij getuige is en 112 heeft gebeld, maar als verdachte wordt gehoord en in verzekering is gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de verklaringen van [getuige 1] , zoals die hierboven is samengevat, in al zijn verklaringen terugkomt. [getuige 1] heeft consistent verklaard. De verschillen waar de verdediging op wijst, vindt de rechtbank van ondergeschikt belang of berusten op een andere lezing van deze verklaringen.

De overige bewijsmiddelen

Aanleiding onderzoek

Op dinsdag 5 januari 2021 om 15.37 uur is de volgende 112-melding binnengekomen bij het

operationeel centrum Arnhem: “(…) kom snel snel naar (…) [adres] . (…) Er is geschoten, er is geschoten, er is geschoten. (…)”. Kort daarop treffen verbalisanten op de grond in de woonkamer van de [adres] in Nijmegen het lichaam van een man aan, welke later wordt geïdentificeerd als [slachtoffer] . Het ter plaatse gekomen personeel van de traumahelikopter liet weten dat de man was overleden. De forensisch arts stelt vast dat de man op niet natuurlijke wijze is overleden.

Forensisch onderzoek

Bij onderzoek van het lichaam van [slachtoffer] worden 4 schotletsels aangetroffen, passende bij 2 doorschoten.

• Een inschot aan de romp links-voorwaarts (H) met een naar rechts, rugwaarts en hoofdwaarts verlopend schotkanaal, met een uitschot aan de flank rechts-achterwaarts (I). [slachtoffer] is door deze verwonding overleden.

• Een inschot aan het gelaat ter hoogte van de onderkaak links (F) met een naar rechts en rugwaarts verlopend schotkanaal, met een uitschot rechtsachter aan de nek (G). Deze wond zelf had zonder spoedige medische hulp ook dodelijk kunnen zijn. Het bloedverlies door deze wond heeft aan de snelheid van het overlijden bijgedragen.

Beide doorschotverwondingen liepen van de voorkant van het lichaam, naar de achterkant van het lichaam. Op de haargrens van het hoofd van [slachtoffer] is een verwonding aangetroffen, veroorzaakt door stompe krachtsinwerking. Deze verwonding heeft geen invloed gehad op het overlijden van [slachtoffer] . Het vuurwapen was op een afstand tussen de 5 en de 50 cm bij de doorschot door de romp en op een afstand tussen de 10 en de 110 cm bij de verwonding aan de romp.

In de woning aan de [adres] in Nijmegen werd het volgende aangetroffen: 3 hulzen van het merk [merk 1] en het kaliber 7.65 mm; 1 kogel; 3 vervormde kogels en 2 delen van kogels. Verder zijn er beschadigingen aan de muur, het plafond en het kozijn van de balkondeur aangetroffen, die passen bij schotbeschadigingen.

Op 8 januari 2021 omstreeks 18.56 uur vond er een ANPR-hit plaats op het kenteken van de auto van verdachte, een grijze [auto] ( [kenteken] ). Om 19.17 uur werd verdachte aangehouden op een parkeerplaats naast de A32. Verdachte verklaarde dat er in de middenconsole van zijn auto een vuurwapen lag. In de klep van de armsteun werd een vuurwapen aangetroffen. Het aangetroffen wapen betrof een zilverkleurig wapen voorzien van zwarte kolfplaten met op de loop de tekst “[merk 2]”, en op de kolfplaat het logo “[logo]” ingeslagen. Door verbalisanten werd vastgelegd hoe de diverse pallen stonden. In het magazijn bevonden zich nog patronen. Het vuurwapen was doorgeladen: bij het naar achter trekken van de slede van het wapen werd een niet verschoten patroon uitgeworpen. Het patroon betrof een 7.65 mm [merk 1] patroon, qua merk en kaliber overeenkomend met de hulzen

die in de woonkamer van de [adres] in Nijmegen waren aangetroffen.

De politie heeft fotografisch vastgelegd hoe de diverse pallen stonden toen het vuurwapen in de auto van verdachte werd aangetroffen. In het dossier is te zien dat de veiligheidspal op dat moment naar achteren staat, hetgeen betekent dat hij op ‘veilig’ stond. Om te kunnen vuren, moet de veiligheidspal naar voren gericht staan. Het NFI heeft gerapporteerd dat het vuurwapen doorgeladen moest zijn om een kogel te kunnen afvuren en dat er trekkerdruk nodig is om de trekker van het vuurwapen te laten afgaan.

De op de plaats delict aangetroffen hulzen [AANY6711NL, AANY6722NL en AAOL9080NL] en het kogelpatroon [AAOL9011NL] zijn samen met het vuurwapen [AANU7123NL], de patroonhouder [AANU7125NL] en het kogelpatroon uit de kamer van het vuurwapen [AANU7124NL] onderworpen aan een wapen- en munitie onderzoek. Hieruit volgt dat het als kogelpatroon omschreven stuk van overtuiging [AAOL9011NL] een kogel betreft.

Het NFI heeft geconcludeerd dat de bevindingen van het vergelijkend onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de hulzen zijn verschoten met het vuurwapen, dan wanneer de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen. Verder heeft het NFI geconcludeerd dat voor de kogel [AAOL9011NL], die het best past bij het kaliber 7.65 mm [merk 1] , en vuurwapen [AANU7123NL], geldt dat de resultaten van het vergelijkend kogelonderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.

Tijdens het schotrestenonderzoek aan de jas van het slachtoffer [AAOL9037NL] werd een kogel [AAJS9318NL] veiliggesteld. De kogel [AAJS9318NL] is samen met het vuurwapen [AANU7123NL] onderworpen aan een vergelijkend wapen- en munitie onderzoek. Het NFI heeft geconcludeerd dat voor de kogel [AAJS9318NL], die het best past bij het kaliber 7.65 mm [merk 1] , en vuurwapen [AANU7123NL], geldt dat de resultaten van het vergelijkend kogelonderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen, dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.

Op de kogel [AAJS9318NL] is DNA aangetroffen wat overeenkomt met het DNA van [slachtoffer] . De overeenkomst met het DNA-profiel van [slachtoffer] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige (niet aan slachtoffer [slachtoffer] verwante) persoon.

Op de ruwe delen van het pistool, de kolf, de trekbeugel en de trekker is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal 2 personen. Hieruit is een DNA-hoofdprofiel afgeleid welke overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte (de kans dat het DNA van een willekeurige andere persoon afkomstig is, is kleiner dan één op één miljard).

De rechtbank stelt vast dat de twee kogels en de hulzen zijn verschoten met het vuurwapen dat bij verdachte is aangetroffen. Voorts stelt de rechtbank vast dat het DNA van slachtoffer is aangetroffen op de kogel [AAJS9318NL] en dat het DNA van verdachte is aangetroffen op het magazijn en op het pistool.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft over de periode vlak voor het incident bij de politie het volgende verklaard:

“(…) Uhhm ging van huis weg uhh naar de apotheek toe om mijn medicijnen op te halen, (...). Uhh een tijdje moeten wachten uhh toen was mijn medicatie die ik de dag ervoor 's ochtends had besteld en ‘s middags zou ik die op kunnen halen. Uhh bij de apotheek was niks bekend dus moest ik naar de huisarts toe daar een receptje halen weer terug naar de apotheek omdat ze de medicatie hadden ze niet in huis. Enne dus [5 januari 2021] ben ik dus (...) weer naar de apotheek toe gegaan en toen kwam ik bij de apotheek en toen was weer het recept niet compleet. (…) Toen werd er gezegd dat ik de dag daarna of de dag daarna terug moest komen, dat zijn voor mij hele lastige dingen vanwege het wachten en heel veel problemen dus dan zit je al veel meer hoger in de stress. (…) Ik ben toen naar huis toe gereden, ik kom bij de Lankforst en zie daar de auto van [slachtoffer] [ [slachtoffer] ] staan. Dus aan het einde van de straat ben ik omgedraaid (…). Ik heb toen aangebeld bij [naam 4] , die deed de deur voor mij open. (…) [verdachte] wacht [m]ij op, op de balustrade. (…). Ik vroeg is [slachtoffer] bij jou? Nee hij zei die is bij [naam 3] [de rechtbank begrijpt: [naam 3]], (…).”

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gestrest was vanwege de apotheek, maar dat hij zich verder normaal voelde toen hij de auto van [slachtoffer] zag staan en bij de flat naar binnen ging.

Verdachte heeft verder ter terechtzitting -kort weergegeven- verklaard dat hij de flat is binnen gegaan om het vuurwapen aan [slachtoffer] terug te geven, dat hij binnen in de woning aan [slachtoffer] vroeg of hij zijn geld had, dat [slachtoffer] zei dat hij nog even moest wachten, dat [slachtoffer] toen met een ‘blik’ en zwarte ogen op hem af kwam, dat hij daar angstig van werd, dat hij toen met het wapen op het hoofd van [slachtoffer] sloeg, dat het wapen afging, dat zij daar beiden van schrokken en dat vervolgens een worsteling ontstond waarbij het wapen (per ongeluk) is afgegaan.

De rechtbank overweegt dat het interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO) – waarin de forensische bevindingen gezamenlijk zijn vergeleken onder het scenario van de verdachte en het scenario van het openbaar ministerie – geen uitsluitsel heeft gegeven. Het NFI concludeert dat de gecombineerde onderzoeksbevindingen ongeveer even waarschijnlijk zijn als scenario 1 (OM) waar is, als wanneer scenario 2 (verdachte) waar is. De rechtbank zal daarom op grond van de overige bewijsmiddelen in het dossier beoordelen of bewezen kan worden geacht dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. De rechtbank neemt hiertoe het volgende in aanmerking.

Getuigen flat (m.u.v. [getuige 1] )

[naam 4] , bewoner van [adres] , heeft verklaard dat verdachte bij hem aan de deur was gekomen en dat verdachte had gevraagd of [slachtoffer] bij hem binnen was. Hij had gezegd dat [slachtoffer] niet bij hem was, maar waarschijnlijk bij nummer [adres] binnen zat. Hij zag dat verdachte richting nummer [adres] liep op de galerij van de flat. Na ongeveer 1 minuut hoorde hij een hoge stem op de galerij. Hij ging kijken en zag toen iemand voor zijn woning staan die kennelijk de politie aan het bellen was. Daarna zag hij verdachte voorbijlopen. Hij hoorde dat verdachte zei: “Zo, nu is [slachtoffer] dood.”

[naam 4] heeft verklaard dat verdachte een grauwe kop had, woest. Hij draaide om en liep de deur uit zonder wat te zeggen. [naam 4] keek hem na en zei 'dat wordt een potje matten daar of niet?’ (...) Verdachte keek woest uit de ogen, hij was agressief in de context van 'ik ga hem iets aandoen'. Vandaar dat [naam 4] dat ook zei over dat 'potje matten'.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij in de flat op de bovenverdieping aan het wachten was op getuige [getuige 3] . Hij hoorde dat [getuige 3] een klant naar buiten begeleidde en dat er op dat moment iemand anders naar binnen kwam. Hij hoorde 5 seconden later geschreeuw en schoten. De stem van de man die binnen was gekomen, herkende hij niet. Het was niet de stem van [naam 3] ( [naam 3] ), [getuige 1] of [slachtoffer] . Hij hoorde dat deze persoon schreeuwde: “Je hebt de verkeerde, of woorden van gelijke strekking”. Hij heeft verder verklaard dat hij het geschreeuw hoorde toen [getuige 3] net boven aan de trap was. Hierna hoorde hij meteen harde knallen, zeker 3 á 4.

Camerabeelden

Op de camerabeelden in de eerste portiek van de flat werd waargenomen dat verdachte om 15.34.05 uur de portiek binnen komt lopen.Op de camerabeelden in de eerste portiek van de flat werd waargenomen dat verdachte om 15.38.22 uur de flat heeft verlaten. Verdachte is gedurende 4 minuten en 17 seconden in de flat geweest.

Op de camerabeelden in de tweede portiek van de flat werd waargenomen dat een man, door verbalisant herkend als [naam 3] , om 15.35.27 uur de flat uit liep en dat diezelfde man om 15:36:07 uur de flat weer wordt binnengelaten door een man die op dat moment het trappenhuis verliet.

112-melding

Uit de belgeschiedenis van de telefoon van [getuige 1] volgt dat hij om 15.35.25 uur het alarmnummer 112 heeft gebeld en dat dit gesprek 6 minuten en 25 seconden heeft geduurd. Uit de uitwerking van de melding leidt de rechtbank af dat [getuige 1] het Operationeel Centrum aan de telefoon heeft gehad totdat de verbalisanten ter plaatse zijn gekomen en dat hij niet eerder terug de woning is ingegaan.

Onderzoek telefoon [slachtoffer]

Uit onderzoek van de telefoon van [slachtoffer] blijkt dat er op 4 januari 2021 in totaal 39 contactmomenten hebben plaatsgevonden tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik bij verdachte en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik bij [slachtoffer] . Tot 14.59 uur werden er zowel uitgaande als inkomende contacten geregistreerd. Vanaf 14.59 uur heeft verdachte 31 keer geprobeerd contact te zoeken met [slachtoffer] . Via WhatsApp worden door verdachte de volgende berichten aan [slachtoffer] verstuurd op 4 januari 2021:

22.58

uur: Je kunt nu vanavond tot 12 uur nog reageren anders ga ik morgen naar de

shop om met je vader te praten om eventuele grotere problemen te

voorkomen

23.19

uur: En prutser geniet je ervan

23.20

uur: Ii hoop het voor jw

Je

23.41

uur: Hey [slachtoffer]

23.42

uur: Heb je het naar je zin

23.44

uur: Lekker lachen en roken omdat je deze stomme hollander toch weer te pakken

hebt gehad.

en op 5 januari 2021:

13.59

uur: Hey schatje

Ik hou van jou.

Op de berichten werd niet gereageerd.

Verklaringen overige getuigen

[getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat er in de dagen voor het incident al wat kleine dingen hadden gespeeld tussen verdachte en [slachtoffer] . Rond kerst 2020 was door [slachtoffer] ammoniak naast een pak melk gezet en verdachte had daar met een slaperig hoofd uit gedronken. Hierdoor was irritatie ontstaan tussen hen en had verdachte [slachtoffer] het huis uit gegooid. Verdachte zou [slachtoffer] hebben gezegd dat hij niet meer welkom was, tenzij hij ( [slachtoffer] ) met geld kwam. De dag voor het incident zag [getuige 4] [slachtoffer] bij verdachte thuis zitten. Na het incident werd hij door verdachte gebeld en verdachte is vervolgens naar de woning van [getuige 4] gekomen. [getuige 4] heeft over het gesprek met verdachte onder meer het volgende verklaard: “ik vroeg dus wat er gebeurd was. Toen zei die dus dat verhaal. Dat die die auto zag staan, heeft aangebeld, dat die is doorgestuurd naar de buren, dat die daar naar binnen liep euh .... Euhm ... En dat [slachtoffer] euh grote mond had en naar hem toekwam. Dat hij dreigend op hem afkwam en dat hij zijn wapen pakte en had geschoten. En ik hoorde, zei die, ik weet het niet helemaal precies zeker meer ..... Maar ik dacht een paar keer in zijn borst en één keer dat die in zijn hoofd geraakt was”.

[getuige 4] heeft bij de rechter-commissaris nog het volgende verklaard: “Hij zei dat hij een woordenwisseling had gehad. [slachtoffer] had [verdachte] besodemieterd. Het ging om geld. Hij zei dat [slachtoffer] naar hem toe was gelopen. [verdachte] zei dat hij het pistool in zijn handen had en toen geschoten had volgens mij. (...).”

[getuige 4] heeft verder verklaard dat hij wist dat verdachte een vuurwapen in zijn woning had liggen, metaal/zilver/chroom van kleur, Tsjechische makelaardij, een ‘ [logo] ’. Hij had rond de kerst gezien dat verdachte het wapen uit zijn zak haalde en op het aanrecht neerlegde.

[getuige 5] heeft verklaard dat hij 2 weken voor het incident bij verdachte thuis was, dat [slachtoffer] daar ook was, dat [slachtoffer] vroeg “laat dat ding eens zien” en dat verdachte vervolgens aan hen een pistool en een penpistool liet zien. [getuige 5] heeft verder verklaard dat verdachte al dagen voor het incident tegen hem heeft gezegd dat hij (verdachte) [slachtoffer] zou doodschieten. Verdachte heeft telefonisch tegen [getuige 5] gezegd dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Tapgesprekken

In het getapte telefoongesprek van 18 januari 2021 tussen [getuige 4] en NNM wordt door [getuige 4] het volgende gezegd: “Ik ben me toch in een verhaal terecht gekomen jonge, vorige week, poeh. (…) Nou, ik was bij een goede vriend van mij, ehh thuis. Er zat daar een andere jongen, die kon ik niet (…) uiteindelijk hebben die 2 ruzie gekregen. (…) En ehh, Is behoorlijk uit de hand gelopen, en ehh dat ging om geld en toen heeft die goede vriend van mij die andere ehh gozer gewoon afgeschoten. (…) Ja joh, Dood. (…) ik was naar huis gegaan, daarna hebben hun ruzie gekregen. (…) En toen ehh is die ene weggegaan, en de volgende dag, was op een dinsdag. Toen is die ene jongen naar de apotheek om wat medicijnen op te halen. Hij zie daar die jongen zijn auto staan. En ehh, hij gaat daar naar binnen, bij die mensen weet je wel? (…) En ehh Hij wou zijn geld hebben, maar die jongen deed bijdehand en hij schiet hem zo een kogel door zijn kop heen joh. Is op het nieuws geweest alles joh. (…) maar wat gebeurt er. dus eh ja, die jongen was gevlucht. (…) die vriend van mij (…) Die belt mij op van ehh Ja, ik ben er helemaal klaar mee, was een Marokkaanse gozer weet je wel. en ik heb die marokkaan voor zijn flikker geschoten, bla. Ik zei dan ga je mij bellen, mafkees weet je wel. (…).”

In het getapte telefoongesprek van 5 januari 2021 om 19.36 uur tussen verdachte en [getuige 4] zegt verdachte dat hij zijn telefoon gaat uitzetten en dat hij deze een uur later weer even aan zal zetten. Verdachte was op dat moment op de vlucht.

In het getapte telefoongesprek van 28 januari 2021 zegt verdachte tegen [getuige 4] dat hij ‘onder de tap zit’ en dat ze niet over de zaak moeten praten.

Overwegingen

De rechtbank overweegt dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de eerste verklaringen die zijn afgelegd door [getuige 2] én [naam 4] , nu zij direct of vlak na het incident zijn afgenomen en daarom niet kunnen zijn afgestemd. De verklaringen worden op bepaalde onderdelen bovendien bevestigd door andere bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de camerabeelden van de portieken van de flat.

De rechtbank vindt de verklaring van [getuige 4] betrouwbaar nu deze op diverse onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat er vóór 5 januari 2021 problemen waren tussen [slachtoffer] en verdachte vindt steun in de verklaring van [getuige 5] , waaruit volgt dat verdachte eerder heeft gezegd dat hij [slachtoffer] ging neerschieten. De problemen tussen [slachtoffer] en verdachte worden daarnaast bevestigd door de WhatsApp-berichten die zijn verstuurd door verdachte aan [slachtoffer] op 4 januari 2021. Deze berichten hebben naar het oordeel van de rechtbank een dreigende strekking. Dat verdachte al eerder een vuurwapen in zijn bezit had, zoals [getuige 4] heeft verklaard, wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 5] . Deze verklaringen, maar ook het dossier voor het overige, bieden geen reden om aan te nemen dat het vuurwapen van [slachtoffer] was, zoals verdachte verklaard heeft.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets van vuurwapens weet en dat hij niet wist dat er een veiligheidspal op het vuurwapen zat. Gezien het feit dat het wapen is aangetroffen met de veiligheidspal in de stand ‘veilig’, maar deze op de stand ‘vuren’ moet hebben gestaan op het moment dat de kogels door verdachte werden afgeschoten, kan het niet anders dan dat verdachte de veiligheidspal na het incident heeft verzet.

Verder heeft verdachte verklaard dat hij voor het incident wel een keer heeft gekeken hoeveel kogels erin zaten, dat hij dacht dat het er 7 waren en dat hij de kogels die erin zaten er weer in heeft gedaan.

Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij ná het incident het magazijn uit het wapen heeft gehaald en dat hij 5 nieuwe patronen in het magazijn heeft gestopt en het magazijn weer in het pistool heeft gedaan. Verdachte heeft dus de kennis om het vuurwapen te herladen en de veiligheidspal op “veilig” te zetten. Ook heeft verdachte ter terechtzitting erkend dat hij een “penpistool” in zijn bezit heeft gehad. De verklaring van verdachte dat hij geen verstand heeft van vuurwapens is dan ook volstrekt onaannemelijk.

Uit de verklaring van [getuige 4] volgt verder dat hij het vervelend vond om belastend over verdachte, een vriend, te verklaren (NA-248). Indien verdachte tegen [getuige 4] had gezegd dat sprake is geweest van een ongeluk, had het in de lijn der verwachtingen gelegen dat [getuige 4] dit tegen de politie had verklaard. Dit volgt echter uit geen enkele verklaring van [getuige 4] . Ook het tapgesprek tussen [getuige 4] en NNM van 18 januari 2021 duidt niet op een ongeluk. Integendeel, verdachte zou hem hebben gezegd: “ik heb die marokkaan voor zijn flikker geschoten”.

Worden de verklaringen van [getuige 1] bevestigd door andere bewijsmiddelen?

Uit de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen volgt dat de verklaringen van [getuige 1] op verschillende onderdelen door andere bewijsmiddelen worden bevestigd:

De verklaring van [getuige 1] dat hij degene is geweest die 112 heeft gebeld, wordt ondersteund door de verklaring van [naam 4] , de belgeschiedenis van de telefoon van [getuige 1] en door de inhoud van de 112-melding.

Uit het forensisch onderzoek volgt dat [slachtoffer] van korte afstand is doodgeschoten.

[getuige 1] heeft (samengevat) verklaard dat verdachte de woning in kwam, “iets grijs” in zijn hand had, direct op [slachtoffer] afliep. Verdachte zei daarbij: “ , wat heb je gedaan, jongen? Wat heb je gedaan?”. Vervolgens schoot verdachte van korte afstand twee keren op [slachtoffer] . Uit deze verklaring volgt dat geen sprake is van “het per ongeluk afgaan van het wapen tijdens een worsteling”, zoals verklaard door verdachte. Deze verklaring van [getuige 1] vindt verder bevestiging in het volgende:

o [getuige 5] heeft verklaard dat verdachte al dagen voor het incident tegen hem heeft gezegd dat hij (verdachte) [slachtoffer] zou doodschieten. Ook heeft verdachte kort na het gebeuren lachend tegen hem verteld dat hij [slachtoffer] had doodgeschoten.

o Uit de Whatsapp-berichten tussen verdachte en [slachtoffer] volgt dat sprake was van een conflict tussen hen en dat verdachte kwaad was op [slachtoffer] .

o Volgens [naam 4] had verdachte (voor hij naar de woning van [slachtoffer] ging) een grauwe kop en was hij woest. Na de schietpartij heeft verdachte tegen hem gezegd: ”Zo, [slachtoffer] is alvast dood”.

o [getuige 2] bevestigt de korte tijd (5 seconden) tussen de binnenkomst van verdachte, het geschreeuw en de schoten.

o Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte slechts kort in de woning van [slachtoffer] is geweest. Hij is in totaal 4 minuten en 17 seconden in het flatgebouw is geweest. In die periode is hij van het portiek naar de woning van [naam 4] gelopen, heeft hij kort met [naam 4] gesproken, is hij doorgelopen naar de woning waar [slachtoffer] zich bevond en heeft hij hem doodgeschoten. Vervolgens is hij weer bij de woning van [naam 4] geweest en naar het portiek teruggelopen.

o In een tapgesprek zegt [getuige 4] : “Hij (verdachte) heeft hem gewoon afgeschoten” en “Die (verdachte) belt mij op van ehh Ja, ik ben er helemaal klaar mee, was een Marokkaanse gozer weet je wel. En ik heb die Marokkaan voor zijn flikker geschoten”.

Uit het voorgaande volgt dat [getuige 1] consistent heeft verklaard en dat zijn verklaringen op meerdere punten door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. Resteert de vraag of de gebeurtenissen op en na 9 mei 2022 invloed moeten hebben of heeft op de vraag of de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar zijn.

De gebeurtenissen op en na 9 mei 2022.

De rechtbank vat deze gebeurtenissen op en na 9 mei 2022 als volgt samen.

Op 9 mei 2022 heeft [getuige 1] telefonisch contact opgenomen met mr. Gerrits;

[getuige 1] liet mr. Gerrits weten dat hij vermoedde dat de termijn voor het instellen van hoger beroep op [jaar 1] 2022 zou verstrijken en dat hij er niet mee kon leven als hij voor het verstrijken van die beroepstermijn niet aan mr. Gerrits kenbaar had gemaakt dat hij bij de rechtercommissaris niet naar waarheid had verklaard.

Hierop heeft mr. Gerrits aangekondigd dat hij voor het sluiten van het onderzoek op 11 mei 2022 een verzoek tot het horen van [getuige 1] zou doen.

Deze aankondiging was aanleiding voor de rechtbank om [getuige 1] tegen de zitting van 11 mei 2022 als getuige op te roepen.

Doordat [getuige 1] naar het gevangenisziekenhuis was gebracht, heeft hij de oproep niet ontvangen.

[getuige 1] is wel op 11 mei 2022 aangevoerd in de zittingzaal, maar hij wist pas in de zittingzaal dat hij in de zaak [verdachte] zou worden gehoord. Hij had zijn advocaat niet van dit verhoor op de hoogte kunnen stellen en hij wilde zonder zijn advocaat geen verklaring afleggen.

Uiteindelijk heeft [getuige 1] een aantal vragen beantwoord, waarna zijn verhoor op 4 juli 2022 door de rechter-commissaris is voorgezet.

[getuige 1] wilde eerst niet antwoorden of en zo ja waarom hij contact op heeft genomen met mr. Gerrits.

Later verklaarde hij over de reden dat hij mr. Gerrits gebeld had: “De essentiële reden was bedreigingen, serieuze bedreigingen, die zijn gedaan richting mijn adres, om mijn eerder afgelegde getuigenverklaringen af te zwakken.”

Ook tijdens zijn verhoor ter terechtzitting op 11 mei 2022 blijkt dat [getuige 1] geïrriteerd en gefrustreerd was dat hij in januari 2021 als verdachte is beschouwd en ook als verdachte is gehoord. Hij vond dat hem onrecht is gedaan, en wilde dat hij (ook) als getuige werd gehoord. Verder voelde hij zich ook slachtoffer omdat hij bij de schietpartij aanwezig was.

Uit telefoontaps kan worden afgeleid dat [getuige 1] mogelijk meent dat hij niet kan worden uitgezet, als hij ook in hoger beroep een getuigenverklaring moet afleggen.

De rechtbank wil vooropstellen dat de aankondiging van mr. Gerrits dat hij [getuige 1] wilde horen begrijpelijk was nu hij bij mr. Gerrits de indruk heeft gewekt dat hij bij de rechter-commissaris niet naar waarheid zou hebben verklaard. De rechtbank heeft dan ook besloten [getuige 1] als getuige op te roepen. Uit al het voorgaande maakt de rechtbank het volgende op:

[getuige 1] heeft consistent verklaard, zijn verklaringen vinden deels steun in andere bewijsmiddelen en hij heeft zijn verklaringen niet gewijzigd na de vermeende bedreigingen.

Zijn verklaringen bij de politie zijn afgelegd voorafgaand aan de gebeurtenissen op 9 mei 2022 en de vermeende bedreigingen. Deze verklaringen kunnen op geen enkele wijze beïnvloed zijn door de gebeurtenissen daarna.

Voor zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 4 november 2021 zou hij mogelijk al zijn bedreigd. Inhoudelijk verklaart hij echter gelijk aan zijn politieverklaringen. Dit geldt ook voor zijn verklaring ter terechtzitting op 11 mei 2022 en zijn tweede verklaring bij de rechter-commissaris op 4 juli 2022.

De vermeende bedreigingen en de gebeurtenissen op en na 9 mei 2022 hebben dus aantoonbaar geen invloed gehad op de inhoud van de verklaringen van [getuige 1] .

De reden waarom [getuige 1] contact heeft gezocht met mr. Gerrits is ondanks herhaalde vragen daarnaar niet duidelijk geworden. Mogelijk heeft [getuige 1] contact gezocht omdat hij:

o daadwerkelijk is bedreigd en daaraan deels heeft toegegeven;

o gefrustreerd en geïrriteerd was, omdat hij als verdachte en niet als getuige werd beschouwd;

o hoopt niet te worden uitgezet zolang hij mogelijk in deze strafzaak nog als getuige moet worden gehoord;

o of een combinatie van de eerste drie redenen.

Zijn de verklaringen van [getuige 1] bruikbaar voor het bewijs?

Wat de reden voor het optreden van [getuige 1] op en na 9 mei 2022 ook is geweest, gelet op de consistentie van zijn verklaringen en de bevestiging daarvan door andere bewijsmiddelen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen ten aanzien van het gebeuren op 5 januari 2021 te twijfelen. Het verweer wordt verworpen en de rechtbank gebruikt de verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs.

Opzet op de dood?

Gelet op het voorgaande schuift de rechtbank de verklaring van verdachte dat de schoten per ongeluk zijn afgegaan als niet aannemelijk ter zijde. Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte boos was op [slachtoffer] omdat hij door hem zou zijn besodemieterd, dat hij [slachtoffer] niet kon bereiken, dat hij [slachtoffer] ’s auto zag staan, dat hij het vuurwapen heeft meegenomen, dat hij daarmee de woning in de flat is binnengelopen en dat hij toen gelijk op [slachtoffer] heeft geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Uit verdachtes handelen leidt de rechtbank het opzet op de dood van [slachtoffer] af. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht.

Voorbedachte raad?

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

De rechtbank concludeert op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit. Immers heeft verdachte al dagen voor het incident tegen de getuige [getuige 5] gezegd dat hij [slachtoffer] zou doodschieten. Verder voelde verdachte zich al op 4 januari 2021 besodemieterd door [slachtoffer] , die niet reageerde op zijn oproepen en berichten. In de periode tussen het moment dat hij op 5 januari 2021 de auto van [slachtoffer] bij de flat aan de Lankforst zag staan, zijn auto parkeerde en zijn wapen pakte, aanbelde bij de getuige [naam 4] , de trappen opliep naar de tweede verdieping, vroeg aan getuige [naam 4] waar [slachtoffer] was, naar de woning waar [slachtoffer] was liep, daar naar binnen ging en het moment waarop hij [slachtoffer] heeft neergeschoten, heeft hij gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De rechtbank acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Immers heeft verdachte voor de schietpartij al tegen [getuige 5] gezegd dat hij [slachtoffer] zou doodschieten. Verder is verdachte met doorgeladen wapen de woning binnengelopen en heeft zonder omhaal meermalen op [slachtoffer] geschoten. Verder volgt uit verdachtes handelen ná het incident juist dat verdachte berekenend te werk is gegaan. Hij heeft zijn hond ergens ondergebracht en is vervolgens op de vlucht geslagen. Hij heeft het magazijn uit het pistool gehaald, nieuwe patronen in het magazijn gedaan, het magazijn weer in het pistool gedaan en de veiligheidspal op veilig gezet. Verder heeft hij zijn telefoon uitgezet tijdens de vlucht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord wettig en overtuigend bewezen.

3 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 5 januari 2021 te Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogels (op korte afstand en/of gericht) in/door de romp en/of in/door de mondbodem en hals, althans in het lichaam van die

[slachtoffer] te schieten (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] dodelijk is verwond).

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Moord.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, wegens het ontbreken van ernstige bezwaren en gronden, alsook vanwege het bepaalde in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de eis van de officier van justitie gebaseerd is op straffen die zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van de nieuwe VI-regelgeving. De raadsman verzoekt met deze nieuwe regelgeving rekening te houden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft [slachtoffer] vermoord. Hij zou door [slachtoffer] zijn besodemieterd. Hij is daarom met een vuurwapen een woning binnen gegaan waar [slachtoffer] op dat moment verbleef. Eenmaal binnen heeft hij zijn vuurwapen op [slachtoffer] gericht en heeft hij de trekker overgehaald. In totaal heeft hij vier keer geschoten. Een van de kogels is door de borst van [slachtoffer] gegaan en is de oorzaak van zijn latere overlijden. Verdachte heeft [slachtoffer] hulpeloos in de woonkamer achtergelaten. Hij is er vandoor gegaan, heeft zijn hond ondergebracht bij kennissen en is met een geladen vuurwapen op de vlucht geslagen. De rechtbank kan de handelswijze van verdachte niet anders karakteriseren dan een kille, wraakzuchtige actie.

Verdachte heeft met de moord op [slachtoffer] aan diens vrouw, kinderen, vader, broers en zussen onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Dit is ter terechtzitting ook indringend naar voren gebracht in de voorgedragen slachtofferverklaringen van de zussen van [slachtoffer] , die gebruik hebben gemaakt van hun spreekrecht, en de slachtofferverklaring die werd voorgedragen namens de vrouw van [slachtoffer] .

Een dergelijk gruwelijk en gewelddadig feit wordt daarnaast ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving in het algemeen. Het behoeft geen betoog dat hiermee sterke gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg zijn gebracht. Het incident vond plaats in een flat midden in een woonwijk. Verdachte is met een dodelijk wapen een flat binnen gegaan en heeft zich niet bekommerd om het feit dat in en rondom de flat onschuldige mensen leefden, die door het handelen van verdachte konden worden of zijn geschaad in hun veilige woonomgeving. Gelet op het gewelddadige karakter van het feit en de onomkeerbare en onherstelbare gevolgen ervan is de rechtbank van oordeel dat alleen een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is.

Strafblad

Uit het uittreksel van de justitiële documentatie betreffende verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict als het bewezenverklaarde. Wel is verdachte in 2014 (onherroepelijk) veroordeeld voor het bezit van een wapen van categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

Op 19 april 2021 is aan verdachte middels een strafbeschikking een geldboete van € 530,- opgelegd voor een snelheidsovertreding. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

Rapportages

Over verdachte zijn door een psycholoog en een psychiater rapportages opgemaakt. In de Pro Justitia rapportages van 6 juli en 15 november 2021, opgesteld door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, staat vermeld dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis niveau 1 (licht), een persisterende depressieve stoornis (dysthymie, ernstig) en een stoornis in cannabisgebruik, licht, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. In de Pro Justitia rapportage van 16 november 2021 van A.W.M.M. Stevens, psychiater, staat vermeld dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en een depressieve stoornis, recidiverend, momenteel ernstmaat matig.

Beide deskundigen komen tot de conclusie dat de stoornissen ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig waren, maar dat zij de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet beïnvloedden. Ondanks de geconstateerde stoornissen had verdachte volgens de deskundigen voldoende keuzemogelijkheden en was hij in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. In het scenario van de verdachte én in het scenario van het openbaar ministerie wordt door beide deskundigen geadviseerd het tenlastegelegde volledig aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de gedragsdeskundigen en neemt deze over.

Gevangenisstraf

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank -anders dan de raadsman en de officier van justitie- een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet , dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8 De beoordeling van de civiele vorderingen

De vorderingen van de benadeelde partijen

In deze procedure hebben zich in verband met de moord op [slachtoffer] meerdere partijen gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

(1) [benadeelde 1] , als weduwe van het slachtoffer, vordert € 1.292,90 aan materiële schade (bestaande uit kosten voor geboorteaktes ad € 42,90, medische kosten ad € 1.000,- en reis- en parkeerkosten ad € 250,-) en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade en € 25.000,- aan shockschade. Ter terechtzitting is verzocht de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 448,20 (€ 42,90, € 385,- en € 20,30) en (de rechtbank begrijpt:) de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel aan gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Subsidiair is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor zover die ziet op de schadepost met betrekking tot meer gevorderde medische kosten.

(2) [benadeelde 2] , als (minderjarige) dochter van het slachtoffer, vordert € 1.526,- aan materiële schade bestaande uit kosten voor gederfd levensonderhoud en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade en € 25.000,- aan shockschade.

(3) [benadeelde 3] , als (minderjarige) dochter van het slachtoffer, vordert € 3.090,-aan materiële schade bestaande uit kosten voor gederfd levensonderhoud en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade.

(4) [benadeelde 4] , als (minderjarige) zoon van het slachtoffer, vordert € 3.814,- aan materiële schade bestaande uit kosten voor gederfd levensonderhoud en daarnaast € 20.000,- aan affectieschade.

(5) [benadeelde 5] , als vader van het slachtoffer, vordert € 3.000,- aan materiële schade (bestaande uit uitvaartkosten) en daarnaast € 17.500,- aan affectieschade en € 20.000,- aan smartengeld. Verder vordert hij € 5.047,- aan proceskostenvergoeding op basis van het liquidatietarief.

(6) [benadeelde 6] , als broer van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(7) [benadeelde 7] , als zus van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(8) [benadeelde 8] , als zus van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(9) [benadeelde 9] , als zus van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

(10) [benadeelde 10] , als broer van het slachtoffer, vordert € 20.000,- aan smartengeld.

Alle benadeelde partijen hebben verzocht de wettelijke rente toe te kennen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4], vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde 5] voor zover deze ziet op de materiële schade en de affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard ten aanzien van het (provisioneel) gevorderde bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden die nodig zijn voor de toewijzing van deze post.

Het standpunt verdediging

Primair heeft de verdediging betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat:

de benadeelde partijen [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] , niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen, nu zij niet voldoen aan de criteria om voor de gevorderde schade in aanmerking te komen.

de benadeelde partij [benadeelde 5] ten aanzien van de gevorderde € 20.000,- aan immateriële schade eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat ook hij niet voldoet aan de criteria.

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] dient te worden afgewezen ten aanzien van de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 3.000,-, nu dit deel van de vordering niet, althans onvoldoende, is onderbouwd. Verdachte heeft ter terechtzitting opgemerkt dat hij geen bezwaar heeft tegen vergoeding van de uitvaartkosten.

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] dient te worden toegewezen ten aanzien van de gevorderde affectieschade ter hoogte van € 17.500,-.

de door de benadeelde partij [benadeelde 5] gevorderde proceskostenvergoeding dient te worden beperkt tot 2 punten met een liquidatietarief van € 373,- per punt, aldus totaal € 746,-.

de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de gevorderde affectieschade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de beoordeling van deze schade zich niet leent voor het strafproces. Hiertoe is aangevoerd dat de vraag gerechtvaardigd is of [slachtoffer] en [benadeelde 1] van tafel en bed gescheiden waren ten tijde van het bewezenverklaarde. Meer subsidiair is verzocht om de affectieschade toe te wijzen tot een bedrag van € 17.500,- als niet kan worden vastgesteld of [slachtoffer] en [benadeelde 1] ten tijde van het tenlastegelegde niet van tafel en bed waren gescheiden.

de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ten aanzien van de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in dat deel van de vordering, nu zij niet voldoen aan de criteria voor toewijzing van shockschade.

de benadeelde partij [benadeelde 1] ten aanzien van de gevorderde reiskosten en de medische kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd; niet blijkt dat [benadeelde 1] bij Saleem GGZ onder behandeling is geweest, dat zij daar vier keer is geweest en dat zij daar in de toekomst nog behandelingen zal volgen.

de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] dienen te worden toegewezen ten aanzien van de gevorderde affectieschade.

de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor zover de vordering ziet op de gevorderde kosten voor gederfd levensonderhoud, dan wel dat de vorderingen dienen te worden afwezen. Hiertoe is aangevoerd dat niet blijkt dat [slachtoffer] zou voorzien in het levensonderhoud van de kinderen.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De schadepost met betrekking tot de geboorteaktes ad € 42,90 is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. De schadepost met betrekking tot de reis- en parkeerkosten tot een bedrag van € 20,30 is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Uit de brief van 21 maart 2022 van de psychotherapeut van Rond GGZ blijkt dat de benadeelde 3 behandelingen heeft gehad in 2021. De reiskosten ad € 9,74 naar deze psychotherapeut kunnen daarom worden toegewezen. Uit de brief van 13 juli 2022 van de psycholoog bij Saleem GGZ blijkt dat de benadeelde een behandeling aangeboden krijgt. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de gestelde vier behandelingen die vanaf maart 2022 hebben plaatsgevonden. De reiskosten ad € 10,56 naar deze psycholoog kunnen daarom worden toegewezen. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ten aanzien van de materiële schade tot een hoogte van € 63,20 kan worden toegewezen.

De schadepost met betrekking tot de medische kosten is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Materiële schade [benadeelde 5]

De verdediging heeft betwist dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van [slachtoffer] . Verdachte heeft ter terechtzitting opgemerkt deze kosten te willen betalen. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 3.000,- redelijk voorkomen en zij zal de kostenpost daarom toewijzen.

Materiële schade [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

De kinderen van [slachtoffer] hebben kosten gevorderd voor (toekomstig) gederfd levensonderhoud. Bij de bepaling van de hoogte van de kosten is aansluiting gezocht bij de minimale bijdrage voor kinderalimentatie , te weten een bedrag van € 25,- per maand voor één kind en een bedrag van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen tot en met het bereiken van de 18-jarige leeftijd. De rechtbank acht de gevorderde kosten voldoende onderbouwd, billijk en dus toewijsbaar. Dat niet zou blijken dat [slachtoffer] zou voorzien in het levensonderhoud van de kinderen, staat aan toewijzing niet in de weg.

Affectieschade

De nabestaanden van het slachtoffer, [benadeelde 1] (weduwe), [benadeelde 2] (dochter), [benadeelde 3] (dochter), [benadeelde 4] (zoon), en [benadeelde 5] (vader) hebben vergoeding van affectieschade gevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat het vorderen van affectieschade vanaf 1 januari 2019 mogelijk is voor de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen.

Uitgangspunt is dat de kring van gerechtigden is beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe affectieve band met het slachtoffer te hebben. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] die deze vorm van schadevergoeding hebben gevorderd, tot deze kring van gerechtigden behoren en bij hun vorderingen aansluiting hebben gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.

De vorderingen van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] zijn niet inhoudelijk betwist. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze vorderingen toewijzen.

De vordering van [benadeelde 1] is wel betwist. De rechtbank dient vast te stellen of ook zij tot de kring van gerechtigden van affectieschade behoort. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Onder ‘naasten’ wordt gelet op artikel 6:108, vierde lid onder a, van het Burgerlijk Wetboek onder meer begrepen: “de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene”. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3) staat hierover vermeld: “Onderdeel a ziet op het geval waarin de relatie tussen het slachtoffer en de naaste in een huwelijk of geregistreerd partnerschap is geformaliseerd, in welk geval geen nadere eisen worden gesteld.”

Bij de vordering bevindt zich een huwelijksakte (bijlage 1), waaruit blijkt dat [benadeelde 1] en [slachtoffer] zijn getrouwd, en een uitdraai van het huwelijksgoederenregister (bijlage 17), waaruit blijkt dat er geen inschrijving van een beschikking houdende scheiding van tafel en bed heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat er gezien het voorgaande geen sprake is van een (formele) scheiding van tafel en bed.

Verder staat in de Memorie van Toelichting vermeld: “Opgemerkt zij nog dat spiegelbeeldig ook niet kan worden uitgesloten dat op grond van het voorgestelde artikel 6:107 recht zou bestaan op vergoeding van affectieschade terwijl dit, mede gelet op de relatie tussen de rechthebbende naaste en de gekwetste of overledene, zoals deze zich in de periode voorafgaand aan de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft ontwikkeld, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Te denken valt aan gevallen waarin een echtgenoot aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade wegens ernstig en blijvend letsel van zijn echtgenote, terwijl deze echtgenoot voor het ongeval al met de spreekwoordelijke Noorderzon was vertrokken, of reeds samenwoonde met iemand anders. In gevallen waarin vergoeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kan deze met een beroep op artikel 6:2, tweede lid, BW worden afgewezen. De Rvdr geeft in zijn advies in overweging om te voorzien in een ruimere hardheidsclausule. Daarvan zie ik af. Het criterium van artikel 6:2, tweede lid, BW leent zich slechts voor toepassing in zeer uitzonderlijke gevallen. Discussies over de feitelijke invulling van op zichzelf zeer nauwe persoonlijke betrekkingen zijn voor de gekwetste en zijn naasten belastend en precair. De feitelijke invulling van deze persoonlijke relaties dient om die reden slechts in zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen aan de orde te kunnen worden gesteld.”

In de Memorie van Antwoord (Kamerstukken I 2016/17, 34257, C) staat verder nog vermeld: “Waren echtgenoten voornemens om te gaan scheiden, maar is de echtscheiding niet afgerond voorafgaand aan het ongeval, dan bestaat er een aanspraak op vergoeding van affectieschade op grond van het wetsvoorstel. Op dat moment is nog sprake van een huwelijk en het ernstig en blijvend letsel of het overlijden van de een zal zeer waarschijnlijk ook dan een ommezwaai in het leven van de ander betekenen. Het wetsvoorstel trekt een juridisch duidelijke grens, opdat niet in de waardering van individuele relaties hoeft te worden getreden: van echtgenoten wordt verondersteld dat zij in een affectieve relatie tot elkaar staan en daarom hebben zij aanspraak op de vergoeding van affectieschade als de ander gekwetst raakt of overlijdt. Dit geldt eveneens voor de relatie van ouders en kinderen. Zou het formele verzoek tot echtscheiding bepalend zijn, dan is ook dat weer een grens waarover discussie mogelijk is: er zijn goede en minder goede huwelijken, los van het formele verzoek tot echtscheiding. Totdat de rechter de echtscheiding heeft uitgesproken, kan hiervan nog worden afgezien. Het is niet ondenkbaar dat echtgenoten na een ingrijpend voorval een andere beslissing nemen dan aanvankelijk voorzien etc. Het is wenselijk dat er niet hoeft te worden getwist over de staat van een relatie en daarmee de aanspraak op de vergoeding van affectieschade. Dit laat onverlet dat een beroep op de vergoeding van affectieschade kan worden afgewezen wanneer overduidelijk geen sprake is van een ommezwaai in het leven van de achterblijvende partner. In de memorie van toelichting is in dit verband het voorbeeld gegeven van een echtgenoot die met de spreekwoordelijke Noorderzon is vertrokken en al in geen jaren meer contact heeft gehad met de andere echtgenoot. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden van het geval te bezien en te beslissen op de aanspraak op de vergoeding van affectieschade. (…)”

De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat in deze zaak sprake is van een zeer uitzonderlijk -sprekend- geval, op grond waarvan de feitelijke invulling van de persoonlijke relatie aan de orde dient te worden gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [benadeelde 1] onder de kring van gerechtigden van affectieschade valt, te weten onderdeel a. De benadeelde heeft bij haar vordering aansluiting gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering toewijzen.

Shockschade [benadeelde 1]

De benadeelde partij is de weduwe van [slachtoffer] . Zij vordert immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van haar man ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit. De benadeelde partij stelt daartoe dat sprake is van zogenoemde shockschade.

Shockschade betreft schade die ontstaat door het waarnemen van een gebeurtenis of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Bij toekenning van shockschade gaat het niet zozeer om vergoeding van leed, maar moet degene die vergoeding vordert zelf geestelijk letsel hebben opgelopen als direct gevolg van die waarneming of confrontatie.

Volgens vaste jurisprudentie kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (1) het waarnemen van het feit, of (2) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok moet vervolgens geestelijk letsel zijn voortgevloeid. Dit zal zich met name voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe en affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het gepleegde feit is gedood of verwond.

Voor vergoeding van shockschade is op grond van artikel 6:106, eerste lid onder b, van het BW vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vaststelling door de rechter dat daarvan sprake is, kan op informatie van een deskundige worden gebaseerd (vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241 en HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201).

Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval moet degene die zich hierop beroept deze aantasting in zijn persoon met concrete gegevens onderbouwen, tenzij de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024).

Confrontatievereiste

De rechtbank dient gezien het voorgaande allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde rechtstreeks is geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit waardoor een shock ontstaan is.

Uit de stukken blijkt dat de benadeelde bij het identificeren van het lichaam van het slachtoffer in het mortuarium is geconfronteerd met het kogelschot dat het slachtoffer in het gelaat heeft opgelopen door het bewezenverklaarde feit. Verder blijkt dat de benadeelde op een paar honderd meter afstand van de plaats delict woont, dat zij op 5 januari 2021 sirenes heeft gehoord van ambulance en politie, dat zij een traumahelikopter zag arriveren en dat zij vervolgens van meerdere personen berichten ontving met de vraag of haar echtgenoot gewond was geraakt en of hij nog leefde. Zij ontving ook berichten waarin stond dat haar echtgenoot was overleden en berichten waarin zij werd gecondoleerd. Verder werd de benadeelde geconfronteerd met berichten in de media. Door de politie werd niet eerder dan om 23.30 uur die avond de informatie verstrekt dat haar echtgenoot was overleden.

Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde ook is geconfronteerd met de inhoud van het strafdossier, waaronder het sectieverslag. Verder volgt uit de toelichting dat de benadeelde het als traumatisch ervaart dat haar echtgenoot op een afstand van ongeveer 400 meter van haar vandaan is doodgeschoten en dat zij vanuit haar woning zicht heeft op de plek waar het incident heeft plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde is geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde feit waardoor een shock ontstaan is.

Geestelijk letsel

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bij benadeelde sprake is van geestelijk letsel.

Uit de brief van 21 maart 2022 van [naam 5] , psychotherapeut, blijkt dat bij benadeelde sprake is van een posttraumatische stressstoornis en een gecompliceerd rouwtraject met als gevolg daarvan somberheid en stagnatie in haar leven. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank komt de benadeelde daarom in aanmerking voor toewijzing van vergoeding van shockschade.

Shockschade [benadeelde 2]

De benadeelde partij betreft een nabestaande van [slachtoffer] , namelijk zijn dochter.

Zij vordert immateriële schade als gevolg van geestelijk letsel veroorzaakt door het overlijden van haar vader ten gevolge van het door verdachte gepleegde strafbare feit (het bewezenverklaarde). De benadeelde partij stelt daartoe dat sprake is van zogenoemde shockschade. Vergoeding van shockschade is slechts mogelijk als aan strikte voorwaarden is voldaan. Er moet, zoals hiervoor al is overwogen, sprake zijn van geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.

Confrontatievereiste

De rechtbank dient gezien het voorgaande allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde rechtstreeks is geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit waardoor een shock ontstaan is.

Uit het voegingsformulier en de toelichting op de vordering blijkt het volgende. Benadeelde heeft na het misdrijf sirenes gehoord en is met een vriendinnetje naar het flatgebouw gelopen. Daarna is zij naar huis gegaan en is vervolgens door haar moeder bij de buurvrouw ondergebracht. Zij heeft haar buurvrouw in een telefoongesprek horen zeggen dat haar vader was doodgeschoten in het flatgebouw waar zij kort daarvoor was gaan kijken. Haar moeder heeft dit later ook aan haar verteld. Uit een brief van [jaar 3] 2022 van [naam 6] , danstherapeut bij [naam 7] , blijkt dat de benadeelde door de huisarts is verwezen met de indicatie ‘psychotraumatische klachten na moord op haar vader’ en dat zij op 29 maart 2021 in therapie is gegaan met tot nu toe 23 sessies. Verder blijkt uit de brief dat de benadeelde concentratieproblemen heeft die zich met name op school uiten en dat zij neerslachtig is als gevolg van het verlies van haar vader en weinig motivatie voelt om dingen te ondernemen. Daarnaast staat vermeld dat op dit moment niet duidelijk kan worden aangetoond in hoeverre dat het verlies en de rouwervaringen te maken hebben met de manier waarop haar vader is overleden, maar dat het wel voor de hand ligt dat het plotselinge overlijden en de manier waarop dit is gebeurd traumatisch is en impact heeft op het welbevinden van benadeelde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde echter niet of in onvoldoende mate onderbouwd dat sprake is geweest van een dusdanige emotionele shock als gevolg van het feit dat zij sirenes heeft gehoord, in combinatie met het feit en/of de wijze waarop zij kennis heeft genomen van het feit dat haar vader is doodgeschoten, dat daardoor een aanspraak is ontstaan op deze bijzondere vorm van schadevergoeding. Immers, zij heeft niet (direct) de gebeurtenissen waargenomen waardoor haar vader is overleden en evenmin is voldoende gesteld of gebleken dat zij is geconfronteerd met ernstige, fysiek waarneembare, voor een emotionele shock zorgende gevolgen daarvan. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van [slachtoffer] als zodanig bij zijn dochter heeft veroorzaakt, constateert de rechtbank dat zij op basis van de stellingen van benadeelde partij niet kan vaststellen dat voldaan is aan het confrontatievereiste.

Geestelijk letsel

De rechtbank is voorts van oordeel dat de benadeelde onvoldoende onderbouwd heeft dat zij door het bewezenverklaarde als gevolg van een emotionele shock zoals hiervoor omschreven geestelijk letsel in bovenvermelde zin heeft opgelopen. Hoewel in de brief van [jaar 3] 2022 van de danstherapeut staat vermeld dat het voor de hand ligt dat het plotselinge overlijden en de manier waarop dit is gebeurd traumatisch is en impact heeft op het welbevinden van benadeelde, kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat bij benadeelde sprake is van geestelijk letsel. De rechtbank is verder van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om vast te stellen dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.

De rechtbank acht dan ook de vordering onvoldoende onderbouwd met betrekking tot de gevorderde shockschade. Om de vordering aan de hiervoor genoemde vereisten te kunnen toetsen is, mede in het licht van de betwisting door de verdediging, nader onderzoek en waarschijnlijk nadere bewijsvoering nodig. Dat brengt een onevenredige belasting van het strafgeding mee. Om die reden zal de benadeelde in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit gedeelte van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade van de overige benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] hebben een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank verklaart deze benadeelde partijen in (dit deel van) de vorderingen niet ontvankelijk, nu zij niet voldoen aan de criteria op grond waarvan een benadeelde partij in aanmerking kan komen voor immateriële schade. De benadeelde partijen kunnen (dat deel van) de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Wettelijke rente

Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf de dag dat de schade is ingetreden. Nu dit moment voor de opgevoerde schadeposten verschilt, zal de rechtbank de wettelijke rente per schadepost vaststellen. De rechtbank overweegt in het bijzonder nog het volgende hierover. De reiskosten zijn gemaakt in het jaar 2021. Specifieke data zijn niet bekend. De rechtbank zal daarom bepalen dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de laatste dag van het jaar. De schadepost voor gederfd levensonderhoud ontstaat grotendeels in de toekomst. Gelet op die omstandigheid zal de rechtbank bepalen dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf een datum ongeveer gelegen in het midden van de gehele periode tussen de datum van het delict (5 januari 2021) en laatste dag waarop deze schade verschuldigd zal zijn, te weten de datum waarop de benadeelde de leeftijd van 18 jaar bereikt ( [benadeelde 2] op [jaar 1] 2018, [benadeelde 3] op [jaar 2] 2033 en [benadeelde 4] op [jaar 3] 2035).

Gelet hierop stelt de rechtbank de volgende data vast:

De wettelijke rente over de affectieschade en de shockschade is verschuldigd vanaf 5 januari 2021.

De wettelijke rente over de kosten voor de geboorteaktes is verschuldigd vanaf 15 maart 2022.

De wettelijke rente over de reiskosten is verschuldigd vanaf 31 december 2021 en vanaf 1 maart 2022.

De wettelijke rente over de uitvaartkosten is verschuldigd vanaf 5 januari 2021.

De wettelijke rente over de kosten voor gederfd levensonderhoud is verschuldigd vanaf:

o 1 september 2024 ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] .

o 15 januari 2027 ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] .

o 1 maart 2028 ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] .

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Proceskostenvergoeding

De benadeelde partij [benadeelde 5] vordert verder vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een vordering in het strafproces te kunnen indienen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om kosten voor rechtsbijstand. Deze kosten zullen aan de hand van het Liquidatietarief kanton/Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven worden begroot. De rechtbank acht op basis van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering 7 punten à € 721,- en daarmee € 5.047,- toewijsbaar.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] van de volgende bedragen aan materiële schade/smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [benadeelde 1] € 45.000,00januari 2021

€ 42,90 15 maart 2022

€ 9,74 31 december 2021

€ 10,56 1 maart 2022

2. [benadeelde 2] € 20.000,00 januari 2021

€ 1.526,00 1 september 2024

3. [benadeelde 3] € 20.000,00 januari 2021

€ 3.090,00 15 januari 2027

4. [benadeelde 4] € 20.000,00 januari 2021

€ 3.814,00 1 maart 2028

5. [benadeelde 5] € 17.500,00 januari 2021

€ 3.000,00 5 januari 2021

 verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen,

Benadeelde partij Bedrag

1. [benadeelde 1] tot vandaag begroot op nul;

2. [benadeelde 2] tot vandaag begroot op nul;

3. [benadeelde 3] tot vandaag begroot op nul;

4. [benadeelde 4] tot vandaag begroot op nul;

5. [benadeelde 5] tot vandaag begroot op € 5.047,00.

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade/smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag Gijzeling

1. [benadeelde 1] € 45.063,20 113 dagen; 2. [benadeelde 2] € 21.526,00 62 dagen; 3. [benadeelde 3] € 23.090,00 [66 1] dagen 4. [benadeelde 4] € 23.814,00 [66 2] dagen. 5. [benadeelde 5] € 20.500,00 58 dagen.

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 6] , [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in de vordering (tot immateriële schade).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Bos (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen en mr. C.L. Pas, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2022.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021007639, ON5R021005 Harvey, gesloten op 21 juni 2021 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD-142.

Een schriftelijk bescheid, zijnde de verbatim uitwerking 1e verhoor [getuige 1] , d.d. 5 januari 2021, NA-022.

Een schriftelijk bescheid, zijnde de verbatim uitwerking 2e verhoor [getuige 1] , d.d. 7 januari 2021, NA-046

Een schriftelijk bescheid, zijnde de verbatim uitwerking 3e verhoor [getuige 1] , d.d. 7 januari 2021, NA-066.

Proces-verbaal ter terechtzitting van 13 april 2022 en 11 mei 2022.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-142.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-26; proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-33; proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-104.

Schouwverslag van 6 januari 2021, opgesteld door [naam 8] , forensisch arts, p. FO-2150.

NFI-rapport d.d. 5 maart 2021 (pathologieonderzoek), p. FO-2274 t/m FO-2288.

Nazending forensische opsporing, d.d. 12 januari 2022, pagina 21

Proces verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] Nijmegen), p. FO-2030; proces verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] Nijmegen), p. FO-2068 t/m FO-2071.

Proces-verbaal van bevindingen, p. PD-1022 t/m PD-1023.

Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig ( [auto] [kenteken] ), p. FO-2178.

Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig ( [auto] [kenteken] ), p. FO-2178.

Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig ( [auto] [kenteken] ), p. FO-2195, foto 28.

NFI-rapport d.d. 9 september 2021, p. FO-2325 t/m FO-2326.

NFI-rapport d.d. 9 september 2021, p. FO-2325 t/m FO-2335.

NFI-rapport d.d. 12 maart 2021, p. FO-2302 t/m FO-2310.

Proces verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] Nijmegen), p. FO-2030 t/m FO-2031.

NFI-rapport d.d. 23 augustus 2021, p. FO-2316 t/m FO-2320.

NFI-rapport d.d. 6 oktober 2021, p. FO-2311 t/m FO-2315.

TMFI-rapportage d.d. 29 januari 2021, p. FO-2296 t/m FO-2301

Proces-verbaal van bevindingen, p. PD-1073.

Proces-verbaal van bevindingen, p. PD-1074.

Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 13 april 2022.

Proces-verbaal van bevindingen, p. GET-788.

Proces-verbaal van bevindingen, p. GET-787.

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , p. GET-793 t/m GET-794.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 5 januari 2021, p. GET-745.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] d.d. 7 januari 2021, p. GET-750.

Proces-verbaal beeldverslag, p. ZD-125, 126, 130 en 132; proces-verbaal beeldverslag, p. ZD-137 t/m ZD-141.

Proces-verbaal beeldverslag, p. ZD-125, 126 en 133; proces-verbaal beeldverslag, p. ZD-137 t/m ZD-141.

Proces-verbaal van bevindingen, ZD-121, 123 en 124.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-175.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-145.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-147 t/m ZD-148.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-233 en 235; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 13 april 2022.

Proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-233 t/m ZD-238.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 9 januari 2021 van [getuige 4] , p. NA-209.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 9 januari 2021 van [getuige 4] , p. NA-213.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 9 januari 2021 van [getuige 4] , p. NA-208 en 228.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris d.d. 10 november 2021.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 9 januari 2021 van [getuige 4] , p. NA-246.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 26 januari 2021 van [getuige 5] , p. NA-318.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 26 januari 2021 van [getuige 5] , p. NA-287.

Verslag verbatim getuigenverhoor d.d, 26 januari 2021 van [getuige 5] , p. NA-290.

Tapgesprek, p. ZD-274; proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-268.

Tapgesprek, p. ZD-280; proces-verbaal van bevindingen, p. ZD-268.

Proces-verbaal van bevindingen, PD-1082;


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature