< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

verblijvingsbeding, legitimaire massa

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/377040 / HZ ZA 20-379

Vonnis van 29 september 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. B.J.H.L. Brouwer te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Fraaije-Luising te Duiven.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 25 november 2020

de akte wijziging eis van 5 maart 2021

de aanvullende productie 11 aan de zijde van [gedaagde]

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 5 maart 2021

de akte van [eisers]

de antwoordakte van [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 8 juli 2019 is overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). Erflater is de vader van [eisers]

2.2.

Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat [eisers] op grond van de wet zijn erfgenamen zijn. [eisers] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.

2.3.

[gedaagde] was de levensgezel van erflater. Erflater en [gedaagde] hebben op 7 oktober 1996 een samenlevingscontract gesloten. In het samenlevingscontract staat, voor zover in deze zaak van belang, het volgende:

“(…)

GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

Partijen verlenen elkaar over en weer volmacht voor het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, zoals bedoeld in artikel 1:85 Burgerlijk Wetboek . In geval van opzegging van deze overeenkomst eindigt de volmacht per datum van het aangetekend schrijven bedoeld in artikel 7 sub a.

Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…)

Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van het inkomen of zoveel meer als partijen wensen, wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. Deze gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of deze gemeenschappelijke kas wordt/worden op naam van beide partijen gesteld; zij zijn daarin ieder voor de helft gerechtigd.

Indien slechts één van de partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen.

Artikel 4

1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen ondermeer gerekend de huurtermijnen betreffende de door partijen tezamen bewoonde woning, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging (…).

Einde

Artikel 7

De overeenkomst eindigt:

(…)

door overlijden van één van de partijen of indien een van de partijen bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak in staat van faillissement wordt verklaard; (…)

Artikel 8

Indien de overeenkomst eindigt door een van de oorzaken in artikel 7 onder b vermeld, verblijven alle gemeenschappelijke goederen aan de andere partij. (…)

(…)

Voor het geval van verblijven na overlijden, verlenen partijen elkaar over en weer volmacht ter uitvoering van de verplichting tot levering van de verbleven gemeenschappelijke goederen. Deze volmacht is onherroepelijk.”

2.4.

[eisers] hadden al meer dan 20 jaar geen contact met erflater. Via een verzoek van de Belastingdienst om aangifte van erfbelasting te doen hebben [eisers] vernomen dat hun vader is overleden.

2.5.

Ten tijde van het overlijden van erflater stonden de volgende bankrekeningen (tevens) op naam van erflater:

de rekening bij de Rabobank eindigend op 934 t.n.v. [erflater] e/o [gedaagde] ,

de rekening bij de Rabobank eindigend op 641 t.n.v. [erflater] e/o [gedaagde] ,

de rekening bij ING Bank eindigend op 892 t.n.v. [erflater] e/o [gedaagde] ,

de rekening bij ING Bank eindigend op 251 t.n.v. [overleden moeder van erflater] e/o [erflater] ( [overleden moeder van erflater] is de overleden moeder van erflater).

2.6.

Erflater had tevens een auto met kenteken [kenteken] . [gedaagde] heeft deze auto verkocht voor € 2.491,00.

2.7.

[eisers] hebben in verband met mogelijke vorderingen op [gedaagde] , na daartoe op 17 juli 2020 verkregen verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir derdenbeslag gelegd onder bankrekeningen van [gedaagde] bij de ING Bank.

2.8.

[gedaagde] heeft vervolgens contact gezocht met haar advocaat. Deze heeft advies gevraagd aan notaris mr. Van Ramshorst.

Op 28 juli 2020 schrijft notaris mr. Van Ramshorst aan de advocaat van [gedaagde] :

“(…) Wij spraken over de kwestie van het beslag, in opdracht van 2 kinderen van [erflater] gelegd c.q. te leggen op de banktegoeden van mevrouw [gedaagde] , partner van de overleden heer [erflater] (hierna: [erflater] ) (…)

[eisers] stellen dat ten onrechte door/namens mevrouw [gedaagde] gelden + auto zijn onttrokken uit de nalatenschap van [erflater] (die zij terug wensen te verkrijgen) (…)

dat de [eisers] een beroep kunnen doen op de legitieme portie.”

Op 29 juli 2020 schrijft notaris mr. Van Ramshorst aan de advocaat van [gedaagde] :

“(…) De legitieme wordt berekend over de zogeheten legitimaire massa; hieronder dient de worden verstaan: het zuiver saldo van de nalatenschap, te vermeerderen met hetgeen via het samenlevingscontract door [gedaagde] is verkregen (quasi-legaat).”

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] zal veroordelen tot restitutie aan de nog onverdeelde nalatenschap van wijlen de heer [erflater] van een bedrag van € 102.671,00 dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

II. zal bepalen dat aan [eisers] hun legitieme portie toekomt te berekenen over het gemeenschappelijk vermogen bestaande uit: de saldi per datum overlijden van de bankrekeningen bij de Rabobank eindigend op 934 en 641, de inboedel, de auto met kenteken [kenteken] en de inbreng van de lening;

III. [gedaagde] zal veroordelen in de beslagkosten van € 3.015,45;

IV. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis;

V. [gedaagde] zal veroordelen in de nakosten te stellen op € 133,00 zonder betekening en € 68,00 in geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] tot opheffing van het beslag en met veroordeling van [eisers] in de proceskosten en nakosten te voldoen te voldoen binnen 14 dagen dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis althans vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis e.e.a. voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dit geschil heeft betrekking op wat [eisers] toekomt als erfgenamen en wat aan [gedaagde] als levensgezel van erflater.

4.2.

Ten grondslag aan de vordering onder I. strekkende tot betaling van € 102.671,00 ligt de stelling van [eisers] dat dit bedrag deel uitmaakt van de nalatenschap. Dit bedrag is opgebouwd uit

a. het saldo van de bankrekening eindigend op 251, in de aangifte inkomstenbelasting 2019 van erflater vastgesteld op € 22.070,00;

b. het saldo van de bankrekening eindigend op 892 in de aangifte inkomstenbelasting 2019 van erflater vastgesteld op € 76.601,00 en;

c. het bedrag dat op 11 april 2019 vanaf de bankrekening eindigend op 892 is overgemaakt naar de dochter van [gedaagde] , groot € 4.000,00.

Ten aanzien van a.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening eindigend op 251 tot de nalatenschap behoort. Partijen zijn het echter niet eens over welke waarde deze bankrekening vertegenwoordigt. De waarde op datum overlijden is bepalend. Uit de in het geding gebrachte bankrekeningafschriften (productie 11 van [eisers] ) blijkt dat de bankrekening op 18 oktober 2019 is opgeheven bij een saldo van € 82,50. Erflater is overleden op 8 juli 2019. In de periode tussen 8 juli 2019 en 18 oktober 2019 is € 1,40 op de bankrekening bijgeschreven als gevolg van de opheffing van de spaarrekening, terwijl er € 18,90 is afgeschreven aan bankkosten. Tussen het overlijden van erflater en de opheffing van de bankrekening is het saldo dus met € 17,50 verlaagd. Dat betekent dat het saldo op datum overlijden € 82,50 + € 17,50 = € 100,00 was. Dat er op 10 juni 2019 € 22.052,07 is overgemaakt van deze bankrekening naar de bankrekening eindigend op 892, maakt het voorgaande niet anders. [eisers] achten het onwaarschijnlijk dat deze overboeking door erflater is gedaan en menen daarom dat deze € 22.052,07 aan de nalatenschap toebehoort, ook als de bankrekening eindigend op 892 hen niet toekomt. [eisers] vermoeden dat de dochter van [gedaagde] de overboeking heeft gedaan. [gedaagde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat erflater tot zijn overlijden bij volle bewustzijn was. Zo heeft erflater besloten om te overlijden door middel van euthanasie. De dochter van [gedaagde] had bovendien geen toegang tot de bankrekening eindigend op 251 en was dus niet in staat om de overboeking te doen. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, was het aan [eisers] om hun stelling verder te onderbouwen. Dat hebben zij echter niet gedaan. Dat betekent dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de overboeking niet door erflater is gedaan.

Aan bewijslevering komt de rechtbank dan niet toe zodat de stelling van [eisers] over omkering van de bewijslast geen verdere bespreking behoeft. De conclusie is dat de vordering onder I. van [eisers] voor zover deze ziet op de bankrekening eindigend op 251, slechts toewijsbaar is tot een bedrag van € 100,00.

Ten aanzien van b.

4.4.

Het geschil met betrekking tot deze bankrekening is of deze onderwerp is van het verblijvingsbeding (artikel 8 lid 1 van het samenlevingscontract ). De bankrekening is een en/of bankrekening op naam van erflater en [gedaagde] . [eisers] stellen dat deze bankrekening geen deel uitmaakte van het gemeenschappelijk vermogen van erflater en [gedaagde] , omdat deze bankrekening zou zijn gevoed door erflater. Daarbij verwijzen [eisers] naar jurisprudentie van de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1977) en het Gerechtshof ’s Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2018:3212). Volgens [eisers] volgt uit die jurisprudentie dat alleen als de rekeninghouders ieder op de bankrekening hebben ingelegd, er sprake kan zijn van gemeenschappelijk bezit. Hierin kunnen zij echter niet worden gevolgd. Ook als de bankrekening door maar één rekeninghouder is gevoed, kán er sprake zijn van gemeenschappelijk bezit. Zoals ook in voornoemde uitspraak van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch wordt overwogen: “Van een beperkte gemeenschap met betrekking tot het saldo op een en/of bankrekening kan ook sprake zijn op grond van een daartoe strekkende afspraak tussen de tenaamgestelden.” (r.o. 3.5.4.). In deze zaak is er sprake van een afspraak tussen erflater en [gedaagde] over wat onderdeel is van hun gemeenschappelijk vermogen, zijnde het samenlevingscontract. In artikel 3 lid 3 van het samenlevingscontract is namelijk expliciet bepaald dat het vermogen op de gemeenschappelijke bankrekeningen van [gedaagde] en erflater gezamenlijk was. [gedaagde] en erflater leefden bovendien al lange tijd samen en voerden een gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat erflater en [gedaagde] een volledige vermenging van vermogen hebben beoogd. Zij waren deelgenoten ten aanzien van het gezamenlijk vermogen waartoe derhalve ook de gezamenlijke bankrekeningen behoorden.

Artikel 8 lid 1 van het samenlevingscontract (het verblijvingsbeding) bepaalt kort gezegd dat de gezamenlijke goederen bij overlijden van de ene deelgenoot verblijven aan de andere deelgenoot. Dat betekent dat [gedaagde] gerechtigd is tot het saldo van de bankrekening eindigend op 892. Op grond van artikel 8 lid 3 van het samenlevingscontract was [gedaagde] gevolmachtigd om zelf uitvoering te geven aan het verblijvingsbeding en heeft zij daarom niet ongerechtvaardigd het saldo naar zichzelf overgemaakt. De vordering onder I. van [eisers] zal in zoverre worden afgewezen.

Ten aanzien van c.

4.5.

Op 11 april 2019 is € 4.000,00 overgemaakt van de bankrekening eindigend op 892 naar de bankrekening van de dochter van [gedaagde] onder vermelding van “lening”. Gelet op het feit dat het bedrag is verstrekt vanaf de gezamenlijke bankrekening, moet het er voor worden gehouden dat dit bedrag door erflater en [gedaagde] samen uit hoofde van een overeenkomst van geldlening is verstrekt aan de dochter van [gedaagde] . Het gaat dan om een vordering van de erfgenamen en [gedaagde] samen, die krachtens het verblijvingsbeding ook toekomt aan [gedaagde] .

Zelfs als dit anders zou zijn, kan [gedaagde] niet worden veroordeeld tot restitutie van deze € 4.000,00 aan de nalatenschap. Indien er sprake is van een lening, dan moet de schuldenaar van die lening worden aangesproken. Dat zou in dit geval de dochter van [gedaagde] zijn, niet [gedaagde] .

4.6.

Vordering I. zal -gelet op het voorgaande- slechts worden toegewezen tot een bedrag van € 100,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag.

4.7.

[eisers] vorderen onder II. te bepalen dat aan hen toekomt hun legitieme portie te berekenen over het gemeenschappelijke vermogen bestaande uit “de saldi per datum overlijden van de bankrekeningen bij de Rabobank eindigend op 934 en 641, de inboedel, de auto met kenteken [kenteken] en de inbreng van de lening”. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat [eisers] stellen dat zij per vermogensdeel van de nalatenschap dan wel erfgenaam zijn dan wel recht hebben op hun legitieme portie. Dat is niet het geval. De legitieme portie wordt berekend over de legitimaire massa in zijn geheel (artikel 4:64 lid 1 BW), niet over de losse vermogensdelen van de nalatenschap. Hetgeen [eisers] verkrijgen als erfgenaam wordt vervolgens in mindering gebracht op de legitieme portie (artikel 4:71 BW). De rechtbank begrijpt de vordering van [eisers] daarom zo dat [eisers] vorderen te verklaren dat genoemde vermogensbestanddelen onderdeel uitmaken van de legitimaire massa waarover de legitieme portie wordt berekend. Voor het bepalen van de legitimaire massa geldt als uitgangspunt de waarde van goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met de bij die berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f. Buiten beschouwing blijven giften waaruit schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan (artikel 4:65 BW). Hetgeen door [gedaagde] is verkregen maakt onderdeel uit van de nalatenschap van erflater. Als gevolg van het verblijvingsbeding vindt er een opvolging van rechtsmomenten plaats. Na het overlijden van erflater valt het vermogen dat onder het verblijvingsbeding valt eerst in de nalatenschap, en maakt daarom deel uit van de legitimaire massa. Vervolgens zijn de erfgenamen gehouden om het verblijvingsbeding na te komen als algemene rechtsopvolgers van erflater (artikel 4:182 BW). Er is daarmee sprake van een schuld zoals bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder i BW. Omdat [gedaagde] op grond van artikel 8 lid 3 van het samenlevingscontract gevolmachtigd was om uitvoering te geven aan het verblijvingsbeding, was zij gerechtigd om het geld ter voldoening van deze schuld zelf aan de nalatenschap te onttrekken. Door [gedaagde] wordt overigens ook niet betwist dat de door [eisers] genoemde gemeenschappelijke vermogensbestanddelen onderdeel uitmaken van de legitimaire massa.

In het onderhavige geval betekent dat dat de legitimaire massa bestaat uit het zuiver saldo van de nalatenschap, vermeerderd met hetgeen door het samenlevingscontract door [gedaagde] is verkregen. Voorgaande betekent dat erflaters helft van de gemeenschappelijke bankrekeningen onderdeel uitmaakt van de legitimaire massa waarover de legitieme portie moet worden berekend, evenals de helft van de waarde van de auto en de inboedel. De helft van de lening aan de dochter van [gedaagde] die blijkt uit de overboeking op 11 april 2019, valt hier ook onder. Zoals hiervoor is overwogen, moet worden aangenomen dat die lening door erflater en [gedaagde] samen is verstrekt. [gedaagde] heeft dat ook erkend maar vervolgens nog wel gesteld dat deze lening is omgezet naar een schenking. De bewijslast van die stelling rust conform artikel 150 Rv op [gedaagde] . Aangezien de omzetting naar een schenking niet nader is onderbouwd, moet ervan worden uitgegaan dat het altijd een lening is gebleven.

De slotsom is dat de helft van de waarde van de bankrekeningen eindigend op 934 en 641, de helft van de waarde van de inboedel, de helft van de waarde van de auto en de helft van de waarde van de lening aan de dochter van [gedaagde] onderdeel uitmaken van de legitimaire massa. De vordering onder II. zal in zoverre worden toegewezen, zij het dat wordt toegevoegd dat het gaat om de helft van de saldi op de bankrekeningen. De andere helft is immers van [gedaagde] en door [eisers] is niet gesteld dat de helft van [gedaagde] onderdeel uit zou maken van de nalatenschap dan wel de legitimaire massa. Of de legitieme portie opeisbaar is, is niet relevant. [eisers] hebben immers geen betaling van hun legitieme portie gevorderd.

Overigens maken ook het volledige saldo van bankrekeningnummer 251 bij overlijden van erflater zoals berekend in 4.3, de helft van het saldo van bankrekeningnummer 892 bij overlijden van erflater en de vordering op de belastingdienst, voor zover die laatste niet wordt betwist, onderdeel uit van de legitimaire massa. Daartegenover staat dat de schulden zoals vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f, waaronder de begrafeniskosten vallen, in mindering worden gebracht op de legitimaire massa. In zoverre is het standpunt van [gedaagde] daaromtrent juist. Omdat [eisers] zich niet heeft uitgelaten over de hoogte van de legitimaire massa, dan wel de legitieme portie en daar geen vordering op heeft gericht kan de rechtbank echter over de hoogte van de legitimaire massa en de legitimaire portie geen beslissing nemen.

4.8.

[eisers] vordert [gedaagde] te veroordelen in de beslagkosten. Deze vordering is door [gedaagde] niet weersproken en gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 302,45 voor verschotten en € 478,00 voor salaris advocaat (1 punt × tarief € 478,00 gelet op de toegewezen hoofdsom), samen € 780,45. Tot de toewijsbare beslagkosten behoort niet het voor het beslagrekest verschuldigde griffierecht. Het griffierecht is in mindering gebracht op het griffierecht in deze bodemprocedure.

4.9.

[gedaagde] heeft bij verweer aangevoerd dat het beslag dient te worden opgeheven. Zij heeft echter geen reconventionele vordering ingesteld tot opheffing van het beslag. Bovendien zou een vordering tot opheffing niet zijn toegewezen, aangezien het belang bij opheffing niet is onderbouwd.

4.10.

De rechtbank vindt aanleiding om ondanks de uitkomst van de procedure de proceskosten aldus te compenseren dat elk der partijen de eigen kosten draagt, gelet op de erfrechtelijke aspecten van de zaak en het feit dat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot restitutie aan de nog onverdeelde nalatenschap van wijlen de heer [erflater] van een bedrag van € 100,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2020,

5.2.

bepaalt dat aan [eisers] hun legitieme portie toekomt te berekenen over de legitimaire massa waarvan de helft van de saldi per datum overlijden van de bankrekeningen bij de Rabobank eindigend op 934 en 641, de helft van de waarde van de inboedel, de helft van de waarde van de auto met kenteken [kenteken] en de helft van de vordering uit hoofde van geldlening onderdeel uitmaken;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten van € 780,45,

5.4.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart de veroordelingen onder 5.1. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2021.

ES/DB/LS


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature