< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Onherstelbaar vormverzuim. Onbevoegd onderzoek Nederlandse politie in Duitsland. Gebrek aan transparantie politieoptreden. Bewuste keuze openbaar ministerie om geen Europees onderzoeksbevel (EOB) uit te vaardigen. Bewijsuitsluiting onrechtmatig verkregen bewijs. Vrijspraak omdat ander bewijs ontbreekt.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.071518.21

Datum uitspraak : 3 augustus 2021

Verstek

Schriftelijk vonnis van de politierechter

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1992 te (onbekend) Albanië,

verblijfsgegevens onbekend,

laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:

[adres 1]

(Bondsrepubliek Duitsland).

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juli 2021.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 14 februari 2020 te Dinxperlo, gemeente Aalten, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, immers heeft zij, verdachte,

- zich de toegang verschaft tot de woning van die [slachtoffer 1] en/of

- rondgekeken in de woning van die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 14 februari 2020 te Dinxperlo, gemeente Aalten, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kamer/woning gelegen aan de [adres 2] te Dinxperlo, weg te nemen een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot die kamer/woning heeft verschaft en/of de/dat weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel en/of een valse order en/of een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door samenweefsel van verdichtsels,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

zij op of omstreeks 14 februari 2020 te Dinxperlo, gemeente Aalten, althans in Nederland,

(een) geldbedrag(en) van (in totaal) € 40,- euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

(art 310 Wetboek van Strafrecht)

Het politieonderzoek in Nederland en Duitsland

De politierechter stelt het volgende vast op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting.

In Dinxperlo bevindt zich een internationaal politiebureau, waar Nederlandse en Duitse politieagenten samen werken.

Op 17 februari 2020 las verbalisant, (ook) werkzaam op voornoemd bureau, in de politiesystemen dat er op 14 februari 2020 meerdere insluipingen waren geweest in Dinxperlo. Van de Duitse meldkamer hoorde verbalisant op 17 februari 2020 dat er die dag in Bocholt (Duitsland) een vrouw was aangehouden vanwege babbeltrucs in Duitsland. Volgens verbalisant was sprake van een overeenkomend signalement en een overeenkomst tussen de slachtoffers (ouderen).

Verbalisant is vervolgens met zijn Duitse collega naar het politiebureau in Bocholt gegaan om, aldus het proces-verbaal van bevindingen PL0600-2020070566-6: de verdachte te zien zodat hij later een vergelijking kon maken met de beelden die zijn gemaakt bij aangevers in Nederland en hiervan een proces-verbaal kon opmaken. Verbalisant heeft toen, aldus voormeld proces-verbaal, in bijzijn van zijn Duitse collega een foto gemaakt van verdachte en van haar identiteitskaart, waarop als haar woonadres [adres 1] staat.

Na ontvangst op 18 februari 2020 van schermafdrukken van de insluipingen in het zorgcentrum in Dinxperlo herkende verbalisant de verdachte die door de Duitse politie op 17 februari 2020 was aangehouden. Hij herkende verdachte ook van de bewegende beelden van deze insluipingen, welke beelden hij op 7 maart 2020 bekeek. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal beschrijft verbalisant niet waarop hij die herkenning baseert: op de foto’s die hij op 17 februari 2020 op het politiebureau in Bocholt heeft gemaakt of omdat hij haar daar in persoon gezien heeft. Verbalisant beschrijft evenmin waaraan hij haar herkent.

Het door verbalisant opgemaakte proces-verbaal van bevindingen vermeldt niet dat, waarom en/of vanaf welk moment volgens verbalisant sprake was van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan - kort gezegd - de hier relevante insluipingen in Dinxperlo. Overigens is de politierechter uit het strafdossier gebleken dat voor zover bij de aangiften en/of getuigenverklaringen signalementen zijn gegeven, deze naast enige overeenkomsten ook verschillen kennen, zoals de lengte van de insluipster in Dinxperlo (variërend van “maximaal 1.50m” tot 1.60-1.70m).

Het dossier vermeldt niet dat verdachte is geïnformeerd over het doel en de reden van het optreden van de Nederlandse verbalisant op het Duitse politiebureau.

Een Europees onderzoeksbevel (EOB) ontbreekt.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen PL0600-2020070566-9 is door de (zaaks)officier van justitie het advies gegeven “de zaak zonder verhoor in te zenden aangezien de verdachte in Duitsland woont en de zaak niet zwaar genoeg is voor een EOB”.

Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting uiteengezet dat vanwege het ontbreken van een EOB het soevereiniteitsbeginsel is geschonden. Dit is echter geen beletsel om de in Duitsland verkregen informatie toch voor het bewijs te gebruiken. Dat beginsel dient namelijk de belangen van staten, terwijl de schending bovendien relatief gering is omdat het gaat om Nederlandse en Duitse agenten die elkaar over en weer informatie hebben laten zien en er geen stukken zijn verstrekt.

De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden wegens gebrek aan bewijs, maar de feiten onder 2 en 3 wel. De officier heeft oplegging van 15 weken gevangenisstraf gevorderd.

Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Er is op basis van het zaaksproces-verbaal geen standpunt van verdachte bekend ten aanzien van de verdenking. Verdachte is niet aangehouden, van haar is (vervolgens) geen verhoor afgenomen. Zij is in september 2020 niet verschenen op een schriftelijke uitnodiging om op het politiebureau (in Nederland) een verklaring af te leggen.

Beoordeling door de politierechter

Nederlandse opsporingsambtenaren kunnen in beginsel geen ambtshandelingen verrichten in het buitenland zonder een expliciete bevoegdheidsregeling in een verdrag of andere supranationale regeling tussen de betrokken landen. Niet gebleken is dat een dergelijke bevoegdheid in het leven is geroepen voor de opsporingshandelingen die verbalisant hier heeft verricht.

Een andere mogelijkheid om strafrechtelijk onderzoek in het buitenland te (laten) verrichten, is het uitvaardigen van een Europees onderzoeksbevel waardoor de Duitse autoriteiten enig door de Nederlandse officier van justitie verlangd onderzoek kunnen doen. Ook daarvan is hier geen sprake.

Vaststaat immers dat een Europees onderzoeksbevel ontbreekt. Dit betekent dat gehandeld is in strijd met artikel 5.4.21 Wetboek van Strafvordering (Sv). Lid 2 sub a van dat artikel houdt tevens in dat bij het uitvaardigen van zo ’n bevel rekening wordt gehouden met de rechten van de verdachte of beschuldigde persoon.

Naar het oordeel van de politierechter is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De vraag is of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt.

De politierechter overweegt in dat verband dat artikel 5.4.21 Sv tevens de belangen van een verdachte beoogt te beschermen (Schutznorm).

Verder: het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de handelwijze van de politie jegens verdachte transparant is geweest, in die zin dat haar op de een of andere manier duidelijk is gemaakt dat er op het politiebureau in Duitsland (terwijl zij daar op dat moment kennelijk als verdachte in een andere, Duitse, zaak verbleef) door een Nederlandse politieagent informatie over haar (foto van haar gezicht en van haar identiteitsdocument) werd verkregen en kennelijk op een digitale gegevensdrager werd meegenomen naar Nederland, in verband met op Nederlands grondgebied gepleegde strafbare feiten. Dat die foto’s zijn gemaakt in bijzijn van een Duitse politieagent doet hier niet aan af. De politierechter gaat er daarom vanuit dat die transparantie op dat moment ontbroken heeft. Van een goede reden daarvoor is niet gebleken.

Het is de politierechter overigens, mede gelet op de redactie van het betreffende proces-verbaal van bevindingen en op de opmaak van de afbeelding op p. 15 in het dossier, niet duidelijk geworden of verbalisant op het bureau in Bocholt van verdachte in haar aanwezigheid een foto heeft gemaakt (en haar dus zelf ook heeft gezien) of dat hij daar een foto heeft gemaakt van een schermafbeelding van haar foto. Als verbalisant verdachte op het politiebureau in Bocholt ook in persoon heeft gezien met het oog op een eventuele herkenning, dan versterkt dit de inbreuk op verdachtes rechten, te meer omdat in het proces-verbaal van bevindingen niet is vermeld dat en waarom zij op dat moment als verdachte van de insluipingen in Dinxperlo werd aangemerkt.

De in een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen weergegeven keuze van het openbaar ministerie om geen Europees onderzoeksbevel uit te vaardigen omdat de zaak daarvoor “niet zwaar genoeg” is, verhoudt zich naar het oordeel van de politierechter niet met de ter zitting gevorderde gevangenisstraf, los van het feit dat het gaat om een verdachte met een blanco strafblad. Die afweging raakt de belangen van verdachte, vooral omdat het voor haar belastende bewijs gebaseerd is op de door een Nederlandse verbalisant op het politiebureau in Bocholt verrichte onderzoekshandelingen, voor welke handelingen op dat moment geen bevoegdheid aanwezig was. Het feit dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan de (kennelijk per gewone brief verzonden) uitnodiging voor verhoor, doet hieraan niet af.

Het beschreven gebrek aan transparantie richting verdachte op 17 februari 2020 en daarna de bewuste keuze om een Europees onderzoeksbevel achterwege te laten, terwijl het belastend bewijs gebaseerd is op de in Duitsland verkregen onderzoeksresultaten, raken het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van haar strafzaak, ook in de voorbereidende fase.

Dit gaat niet zover dat een eerlijk proces niet meer tot de mogelijkheden behoort. Een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie blijft dus achterwege.

Bewijsuitsluiting volgt wel. De foto’s die (door een Nederlandse verbalisant) op het politiebureau in Bocholt zijn gemaakt en die vervolgens zijn gebruikt voor herkenningen door die verbalisant, zijn naar het oordeel van de politierechter niet rechtmatig verkregen. Gelet op de hierboven beschreven omstandigheden waaronder die onderzoeksgegevens zijn verkregen en gelet op het feit dat deze verkrijging naderhand niet via een Europees onderzoeksbevel is “afgedekt”, is sprake van schending in aanzienlijke mate van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel.

Deze in Duitsland verkregen onderzoeksresultaten moeten daarom van het bewijs worden uitgesloten. Dat betekent dat de daarop gebaseerde herkenningen evenmin bruikbaar zijn. Vrijspraak ten aanzien van de drie tenlastegelegde feiten moet daarom volgen, omdat ander belastend bewijs ontbreekt.

Wat meer of anders is aangevoerd, hoeft geen bespreking meer omdat het niet kan leiden tot een ander oordeel.

Beslissing

De politierechter:

• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, politierechter, in tegenwoordigheid van

N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

3 augustus 2021.

De griffier is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature