E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBGEL:2021:3995
Rechtbank Gelderland, 19_6813

Inhoudsindicatie:

Artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 . Artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Twee personen van het mannelijk geslacht hadden een kinderwens en hebben in 2016 deelgenomen aan een zogenoemd hoogtechnologische draagmoederschapprogramma in de Verenigde Staten om hun kinderwens te realiseren. De inspecteur van de Belastingdienst heeft geen aftrek toegestaan voor de inkomstenbelasting van de kosten van een deel van het programma, namelijk die van de ivf-behandeling.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een schending van het verdragsrechtelijke discriminatieverbod, omdat de eisende partij ongelijk behandeld wordt ten opzichte van stellen en vrouwen die door onvruchtbaarheid in de onmogelijkheid verkeren om op een natuurlijke wijze een kind te krijgen en die een ivf-behandeling ondergaan om hun kinderwens te realiseren. Deze groepen worden immers, net als eiser, geconfronteerd met grotere uitgaven dan stellen en vrouwen die op een natuurlijke wijze zwanger kunnen raken, zodat sprake is van buitengewone uitgaven die hun draagkracht aantasten. De situatie van eiser en zijn partner verschilt weliswaar van de genoemde groepen, omdat eiser noch zijn partner onvruchtbaar zijn, maar de rechtbank ziet geen relevant verschil in het gegeven dat een vrouw vanwege onvruchtbaarheid, van zichzelf of haar partner, niet zwanger kan worden, met het gegeven dat twee personen van het mannelijke geslacht nooit op een natuurlijke wijze een kind kunnen krijgen. De situatie van eiser en zijn partner verschilt daarbij wel in relevant opzicht van stellen en vrouwen die om niet-medische redenen kiezen voor een ivf-behandeling en draagmoederschap, aangezien deze groepen de keuze hebben om op natuurlijke wijze zwanger te worden. Eiser en zijn partner hebben die keuze niet. De rechtbank oordeelt dat er geen redenen zijn aan te wijzen die dit verschil rechtvaardigen. Hoewel de wetgever in fiscale zaken in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid heeft, gaat het in dit geval om een kwetsbare groep die in het verleden is geconfronteerd met discriminatie. In een dergelijk geval heeft de wetgever minder beoordelingsvrijheid. Rechtsherstel wordt overgelaten aan de wetgever omdat er politieke keuzes gemaakt moeten worden.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie