< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De burgemeester van Nijmegen mag vanwege het aantreffen hennepkwekerij overgaan tot sluiting van het woonhuis van verzoekster, maar niet tot sluiting van de kapsalon in het bijgebouw van het woonhuis. Bij de sluiting van de kapsalon heeft de burgemeester onvoldoende rekening gehouden met de economische belangen van verzoekster.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2955

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] te [woonplaats], verzoekster,

en

de burgemeester van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2020 (het primaire besluit) heeft de burgemeester verzoekster gelast om de woning aan de [locatie] te [woonplaats] (hierna; de woning) met ingang van 1 juli 2020 voor de duur van drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet .

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft via een beeldzitting ( Skype for business) plaatsgevonden op 18 juni 2020. Verzoekster is verschenen. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Brunenberg en E. Terwindt.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het besluit tot sluiting van de woning van verzoekster. Daarbij beantwoordt de voorzieningenrechter aan de hand van de aangevoerde gronden de vraag of de burgemeester, gelet op de aangetroffen zaken, bevoegd is om sluiting van de woning te gelasten. Als die vraag met ‘ja’ moet worden beantwoord, beoordeelt de voorzieningenrechter of de burgemeester bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot sluiting van het perceel mag overgaan.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Wat is de aanleiding voor de sluiting?

2. Verzoekster is eigenaar van en woont in de woning. Ook heeft zij in een bijgebouw aan de voorzijde van haar woning haar kapsalon gevestigd.

Op 2 april 2020 heeft de politie na een ‘Meld misdaad anoniem’-melding de woning doorzocht en daarbij op de eerste verdieping in een slaapkamer een niet in werking zijnde (hennep)kwekerij aangetroffen. De betreffende slaapkamer was onderverdeeld in twee kweekruimtes. Deze kwekerij was onder meer voorzien van 27 assimilatielampen,

4 koolstoffilters, een aan-/afzuiginstallatie en 259 met aarde gevulde potten zonder (hennep)planten.

De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien om door middel van een last onder bestuursdwang de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te sluiten voor de duur van drie maanden, vanaf 1 juli 2020.

Waarom is verzoekster het niet eens met de woningsluiting?

3. Verzoekster stelt dat in de woning geen hennepplanten of hennep zelf is aangetroffen. De aangetroffen aarde is niet bemonsterd op hennepresten en er is geen (ander) bewijs voor hennep aangetroffen. Bovendien staat niet vast dat er valse zegels op de elektriciteitsmeter zijn aangebracht. De burgemeester heeft zijn besluit gebaseerd op mededelingen van de politie, maar daarmee staat volgens haar niet in rechte vast dat er sprake is van strafrechtelijke feiten, die door verzoekster zijn gepleegd.

Ook betekent sluiting van de woning dat zij haar kapsalon (opnieuw) moet sluiten. Deze moest vanwege de geldende corona-maatregelen eerder dit jaar al dicht en door deze nieuwe sluiting zal zij al haar inkomsten verliezen en zal de kapsalon uiteindelijk failliet gaan.

Bestaat een bevoegdheid tot sluiting van de woning?

4. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang:

a. indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aangewezen is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3, of artikel 11a voorhanden is.

4.1.

De voorzieningenrechter was de precieze grondslag van het besluit niet duidelijk. Ter zitting heeft de burgemeester verduidelijkt dat de grondslag voor de sluiting is het sub a genoemde en niet sub b. Verzoekster wordt dus niet verweten voorwerpen voor de kweek van drugs aanwezig te hebben. De burgemeester heeft de sluiting, zo heeft hij ter zitting verklaard, alleen gebaseerd op de omstandigheid dat in de woning van verzoekster middelen als bedoeld in lijst II (hennep/cannabis) ter verkoop aanwezig zijn geweest. De burgemeester heeft dit gefundeerd op het door de politie ambtsedig opgemaakte hennepbericht. Daarin wordt vermeld dat wordt uitgegaan van meerdere oogsten. Daaruit heeft de burgemeester opgemaakt dat hennep ter verkoop aanwezig moet zijn geweest.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de opmerking van de politie in het hennepbericht dat wordt uitgegaan van meerdere oogsten niet nader in dat bericht is toegelicht. Ook uit de rest van het dossier kan de voorzieningenrechter enige onderbouwing voor deze stelling niet vinden.

De stelling dat al meerdere keren zou zijn geoogst, is dus niet nader onderbouwd. In bezwaar heeft de burgemeester echter nog de mogelijkheid de stelling dat er meerdere oogsten hebben plaatsgevonden nader te onderbouwen.

In het verzoekschrift ontkent verzoekster de aanwezigheid van hennep, maar tijdens de zitting heeft zij verklaard dat zij de ruimte waarin de kweekspullen zijn ontdekt al ongeveer een half jaar geleden in gebruik heeft geven aan een derde, die daarin een hennepkwekerij is begonnen. In die verklaring van verzoekster ziet de voorzieningenrechter enig aanknopingspunt voor de stelling van de burgemeester dat een eerdere oogst aannemelijk is.

4.3

Alhoewel mager is er dus voldoende bewijs voor de stelling van de burgemeester dat hennep ter verkoop aanwezig was. De burgemeester is dus bevoegd om tot oplegging van een last onder bestuursdwang over te gaan.

Had de burgemeester in redelijkheid tot sluiting van het perceel mogen overgaan?

5. Vast staat dat de sluiting voor drie maanden van de woning overeenkomstig het beleid van de burgemeester is. Artikel 4:84 van de Awb bepaalt dat de burgemeester vervolgens moet bezien of sprake is van bijzonder omstandigheden om van het beleid af te wijken.

5.1

In de woning van verzoekster is een behoorlijke hoeveelheid apparatuur en productiemiddelen aangetroffen voor het kweken van hennep. Inherent aan een sluiting van een woning is dat verzoekster de woning moet verlaten. Zij woont alleen in de woning, zonder minderjarige kinderen. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid waarop de burgemeester van woningsluiting had moeten afzien. De burgemeester had de woning van verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook mogen sluiten.

5.2

Dat geldt echter niet voor de sluiting van de kapsalon. Wel een bijzondere omstandigheid is namelijk als betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om economische redenen. En dat is hier het geval.

Vast staat immers dat verzoekster in de woning ook haar kapsalon heeft gevestigd en dat zij voor haar levensonderhoud is aangewezen op de inkomsten hieruit.

Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat de kapsalon is gevestigd in een bijgebouw aan de voorzijde (straatzijde) van de woning en dat de kapsalon, naast een ingang vanuit de woning, een eigen ingang naar de straat heeft. Verder heeft verzoekster aangegeven dat zij haar werkzaamheden niet ambulant kan uitoefenen. Haar auto is in beslag genomen en de middelen die zij nodig heeft voor haar werk kan zij niet op de fiets meenemen, nog daargelaten dat haar vaste klanten in een ruime straal rondom haar woning wonen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester met deze bijzonder economische binding onvoldoende rekening heeft gehouden. Sluiting van de woning en de kapsalon zal verzoekster niet alleen haar woning maar ook haar werk ontnemen. Voorts is de feitelijke situatie, zoals ter zitting door verzoekster geschetst althans, zo dat sluiting van de woning zonder sluiting van de in het bijgebouw gevestigde kapsalon, mogelijk is. Het bijgebouw heeft een eigen ingang en de tussendeur naar de woning kan eenvoudig worden dichtgezet. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter daarom voldoende oordeel om de kapsalon buiten de sluiting te laten.

Wat betekent dit voor het verzoek om schorsing van de sluiting?

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester voldoende grond voor sluiting van de woning maar niet voor sluiting van de kapsalon. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen, in die zin dat de kapsalon in het bijgebouw buiten de sluiting blijft. Daarbij zijn wel de voorwaarden dat de tussendeur tussen de kapsalon en de woning moet worden afgesloten en verzegeld en verzoekster mag het bijgebouw alleen gebruiken als kapsalon tussen 9:00 uur en 17:00 uur. Deze beperking van tijden doet de voorzieningenrechter om de handhaving door de burgemeester makkelijker te maken.

6.1.

De voorzieningenrechter geeft partijen nog mee dat deze voorziening is gebaseerd op de informatie die de voorzieningenrechter over de feitelijke situatie ter zitting is gegeven. Mocht deze situatie substantieel afwijken van de echte situatie, dan wel zou deze voorziening tot onoverkomelijke problemen leiden, kunnen partijen de voorzieningenrechter altijd om opheffing of aanpassing van de voorziening verzoeken.

Proceskosten en griffierecht

7. Omdat verzoekster geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor een proceskostenveroordeling. Wel moet de burgemeester het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar vergoeden

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit voor zover dat betrekking heeft op de kapsalon, tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verzoekster na sluiting en verzegeling van de tussendeur tussen de kapsalon en de woning tussen 9:00 uur en 17:00 uur van de kapsalon gebruik mag maken zolang deze voorziening duurt;

- gelast dat de burgemeester het door verzoekster betaalde griffierecht groot € 178,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K.V. van Weert, griffier.

De beslissing is gedaan op:

De griffier is verhinderd om te ondertekenen.

De voorzieningenrechter is verhinderd om te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature