< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verzetprocedure. Huurovereenkomst bedrijfsruimte. Verzet tijdig ingesteld. Bewijsopdracht.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7650864 \ CV EXPL 19-4079 \ 25115 \ 40141

uitspraak van

vonnis in verzet

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij in verzet

gemachtigde mr. J.P.J. Botterblom

procederende krachtens toevoegingsnummer [0XX0000]

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij in verzet

gemachtigde Alkema Vloet Kuijpers Gerechtsdeurwaarders

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verzetdagvaarding van 25 maart 2019 met producties

- de conclusie van antwoord in verzet met producties

- de conclusie van repliek in verzet met een productie.

1.2.

Het verzet richt zich tegen het door de kantonrechter op 21 december 2009 tussen [gedaagde] als eisende partij en [eiser] als gedaagde partij bij verstek uitgesproken vonnis onder zaaknummer 656494 CV EXPL 09-13069 / 43-AA.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft met ingang van 1 juni 2009 aan [eiser] bedrijfsruimte aan de [adres huurobject] in [woonplaats] verhuurd. [eiser] was voornemens in die bedrijfsruimte een horecabar te exploiteren, genaamd [bar] .

2.2.

In de huurovereenkomst zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

(…)

2.1

Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf jaren, ingaande op 1 juni 2009 en dus eindigende op 31 mei 2014.

(…)

8.7.

Voor alle mededelingen, aanzeggingen en exploten van de kant van de verhuurder in verband met deze huurovereenkomst en de nakoming c.q. beëindiging daarvan, en meer in het algemeen voor al hetgeen betrekking heeft op of verband houdt met deze huurovereenkomst en de nakoming c.q. beëindiging daarvan, kiest huurder voor de duur van deze huurovereenkomst, eventuele verlengingen daaronder begrepen, woonplaats in het huurobject.

(…)

2.3.

Op 8 december 2009 heeft [gedaagde] [eiser] bij dagvaarding opgeroepen om te verschijnen voor de kantonrechter in Arnhem. [gedaagde] vorderde dat de kantonrechter te Arnhem, samengevat, de huurovereenkomst met [eiser] zal ontbinden op grond van toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [eiser] en [eiser] tot ontruiming en betaling van achterstallige huurpenningen zal veroordelen. De dagvaarding is betekend aan [eiser] , handelend onder de naam [bar] , wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] aan het adres [adres huurobject] . De dagvaarding is door de deurwaarder achtergelaten in een gesloten enveloppe, omdat niemand werd aangetroffen.

2.4.

De vorderingen van [gedaagde] zijn toegewezen bij verstekvonnis van 21 december 2009.

2.5.

Op 5 januari 2010 is aan het adres [adres huurobject] , in gesloten enveloppe, de grosse van het verstekvonnis aan [eiser] betekend.

2.6.

Op 3 februari 2010 is aan [eiser] per exploot aangezegd dat tot ontruiming van de bedrijfsruimte over zal worden gegaan op 25 februari 2010. Deze aanzegging is wederom achtergelaten in een gesloten enveloppe, omdat niemand werd aangetroffen.

2.7.

Van de ontruiming op 25 februari 2010 is door de deurwaarder proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal staat, voor zover hier van belang: “Niets meer te ontruimen zijnde, heb ik, deurwaarder, de onderhavige bedrijfsruimte afgesloten, waarna ik deze aan requirant heb overgedragen;”

2.8.

Vanaf 1 april 2010 is de bedrijfsruimte aan een derde verhuurd.

2.9.

Op 26 februari 2019 is bij exploot, op verzoek van [gedaagde] , een bevel tot betaling aan [eiser] betekend. Dit exploot is achtergelaten in een gesloten enveloppe aan de [adres ] in [woonplaats] , gemeente [woonplaats] , omdat er niemand werd aangetroffen aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten.

2.10.

In het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 11 maart 2019 van [bar] is te lezen dat [bar] op 17 april 2009 gevestigd was aan [adres 2] te [woonplaats] en op 31 december 2009 is opgeheven. De opheffing, zo volgt uit het uittreksel, is op 1 juni 2010 bij de Kamer van Koophandel geregistreerd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:

a. hij wordt ontheven van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij verstekvonnis van 21 december 2009, c.q. dat dat verstekvonnis wordt vernietigd;

b. [gedaagde] in zijn oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans de vordering hem wordt ontzegd als zijnde onbewezen en/of ongegrond;

c. [gedaagde] in de kosten van beide procedures wordt veroordeeld.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat [eiser] (pas) op de hoogte is geraakt van de vordering van [gedaagde] doordat het bevel tot betaling van 26 februari 2019 aan hem betekend is. Bij dat bevel tot betaling waren het verstekvonnis van 21 december 2009 en de dagvaarding van 8 december 2009 gevoegd en dus meebetekend. Doordat [eiser] binnen vier weken na 26 februari 2019 in verzet is gekomen van het verstekvonnis, is het verzet tijdig ingesteld. De dagvaarding van 8 december 2009 is, volgens [eiser] , nietig, omdat die dagvaarding op onjuiste wijze betekend is; namelijk aan een verkeerd adres waar [eiser] nooit heeft gewoond of gevestigd is geweest. Bovendien moet voor de deurwaarder kenbaar zijn geweest dat niemand zich op het adres [adres huurobject] in [woonplaats] bevond. [eiser] heeft aanvankelijk, wegens gebrek aan wetenschap, betwist dat hij een huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten had, maar, nadat [gedaagde] bij conclusie van antwoord in verzet de huurovereenkomst had overgelegd, deze stelling niet gehandhaafd. [eiser] heeft verder betwist dat er een achterstand in betalingen was en gesteld dat de huurovereenkomst ten einde was gekomen. Daarom heeft hij na oktober 2009 ook niets meer van [gedaagde] vernomen. Door [eiser] worden ook de door [gedaagde] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten betwist.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

Is het verzet tijdig ingesteld?

4.1.

[eiser] stelt dat hij tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis van 21 december 2009. Volgens artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet binnen vier weken na de betekening van het vonnis verzet worden gedaan en [eiser] is binnen vier weken na 26 februari 2019 de verzetprocedure gestart. De termijn van vier weken is niet gaan lopen op 5 januari 2010, omdat het verstekvonnis toen niet aan [eiser] in persoon is betekend, maar de dagvaarding in een gesloten enveloppe is achtergelaten op een adres waar [eiser] niet woonde en niet gevestigd was, aldus [eiser] .

4.2.

[gedaagde] heeft betwist dat het verzet tijdig is ingesteld. Volgens [gedaagde] is de verzettermijn aangevangen op de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd (artikel 143 lid 3 Rv). Volgens artikel 144 aanhef en onder d Rv is dat, in geval van gedwongen ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden. De ontruiming heeft op 25 februari 2010 plaatsgevonden, dus [eiser] is te laat met het verzet, aldus [gedaagde] .

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat het verzet tijdig is ingesteld. De drie exploten uit 2009 en 2010 zijn niet aan [eiser] in persoon betekend en niet is gesteld dat [eiser] nadien een daad heeft gepleegd waaruit de bekendheid met het verstekvonnis kan worden afgeleid. De verzettermijn is daarom niet eerder aangevangen dan op het moment van betekening van het bevel tot betaling op 26 februari 2019, aangezien het verstekvonnis ook niet eerder ten uitvoer is gelegd (artikel 143 lid 2 en 3 Rv ). Zoals [eiser] terecht heeft gesteld, is op 25 februari 2010 geen sprake geweest van een gedwongen ontruiming, omdat de deurwaarder geconstateerd heeft dat er niets meer ontruimd hoefde te worden. Het vonnis kan daarom ook niet geacht worden ten uitvoer te zijn gelegd (artikel 144 Rv). Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2351. Omdat [eiser] in 2010 niet bekend is geworden met het verstekvonnis en de verzettermijn toen geen aanvang heeft genomen, is de verzettermijn gaan lopen vanaf 26 februari 2019. Toen is aan [eiser] , bij exploot, bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 12.863,78 te betalen. Het verstekvonnis is op die manier aan [eiser] bekend geworden en, met inachtneming van artikel 430 Rv , is de executie op dat moment gestart.

Is de oorspronkelijke dagvaarding nietig?

4.4.

In de verzetdagvaarding heeft [eiser] een beroep gedaan op de nietigheid van de oorspronkelijke dagvaarding van 8 december 2009. Die oorspronkelijke (inleidende) dagvaarding is niet op de juiste wijze, volgens artikel 45 e.v. Rv, aan hem betekend, omdat [eiser] niet woonde of gevestigd was op het adres [adres huurobject] in [woonplaats] . [gedaagde] heeft betwist dat de betekening onjuist zou hebben plaatsgevonden. Volgens artikel 8.7 van de huurovereenkomst kan betekend worden op het adres waar de bedrijfsruimte gelegen is, omdat huurder volgens dat artikel uit de huurovereenkomst woonplaats kiest in het huurobject voor o.a. de betekening van exploten. Een woonplaatskeuze is toegestaan op grond van artikel 1:15 BW , aldus [gedaagde] .

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat de oorspronkelijke dagvaarding op de juiste wijze aan [eiser] betekend is. Zoals uit de huurovereenkomst blijkt, is een woonplaatskeuze gemaakt en kon aan de [adres huurobject] dus rechtsgeldig betekend worden. [eiser] heeft nog betwist dat een woonplaatskeuze tussen partijen overeen is gekomen. Volgens hem is het niet zijn paraaf op de pagina uit de huurovereenkomst waar het artikel dat gaat over de woonplaatskeuze staat. De kantonrechter gaat hierin niet mee. [eiser] heeft niet betwist dat zijn handtekening op de laatste pagina van de overeenkomst staat. Ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen, zijn, volgens artikel 156 lid 1 Rv , akten. Dat artikel ziet ook op een meer bladzijden tellend stuk dat aan het slot is getekend, zoals de onderhavige huurovereenkomst (zie Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641). Op grond van artikel 157 lid 2 Rv leveren onderhandse akten dwingend bewijs op ten aanzien van het feit dat er is verklaard conform hetgeen in de akte staat. Als wordt betwist dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd overeenkomt met het stuk dat is ondertekend, zoals in het onderhavige geval, is het aan degene die zich op deze valsheid beroept om daartoe voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat op de betreffende pagina niet de paraaf van [eiser] staat maar van een ander, is daartoe niet voldoende. Het had op de weg van [eiser] gelegen feiten en omstandigheden te stellen om zijn standpunt dat die pagina geen onderdeel uitmaakte van de getekende overeenkomst te onderbouwen. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de betreffende pagina er niet bij zat toen [eiser] zijn handtekening zette of anders luidde en [eiser] op dit punt ook geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat de pagina waarop de woonplaatskeuze staat zo is overeengekomen als door [gedaagde] onderbouwd is gesteld.

4.6.

[eiser] heeft tot slot nog gesteld dat de dagvaarding nietig is, omdat de huurovereenkomst, ten tijde van de betekening, al ten einde was gekomen en daarom de woonplaatskeuze niet meer gold. Deze stelling kan [eiser] niet baten, omdat artikel 8.7 van de huurovereenkomst, gezien onder andere de woordgroepen “c.q. beëindiging daarvan” ook beoogt gelding te hebben m.b.t. discussies omtrent het einde van de huurovereenkomst.

4.7.

Het voorgaande betekent dat de oorspronkelijke dagvaarding niet nietig is en dus toe wordt gekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de (oorspronkelijke) vordering van [gedaagde] op [eiser] . Tussen partijen is niet in geschil dat de huurovereenkomst ten einde is gekomen en dat de bedrijfsruimte ontruimd is. Wel verschillen partijen van mening over hoe de huurovereenkomst ten einde is gekomen.

Tussentijdse beëindiging huurovereenkomst met wederzijds goedvinden?

4.8.

[eiser] heeft niet betwist dat hij de huurtermijnen na oktober 2009 onbetaald heeft gelaten. [eiser] heeft zich verweerd door te stellen dat hij van plan was een bar te gaan exploiteren, dat al snel bleek dat dat niet rendabel was en dat hij toen in overleg is gegaan met [gedaagde] over beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden. Partijen zijn, aldus [eiser] , toen overeengekomen dat de huurovereenkomst eindigt met ingang van 1 november 2009 en dat [eiser] de bedrijfsruimte eind oktober 2009 zou verlaten en dat heeft hij ook gedaan. [gedaagde] heeft toen ook de sloten van de bedrijfsruimte vervangen, aldus nog steeds [eiser] . Verder hebben partijen, volgens [eiser] , toen ook afgesproken dat [gedaagde] de door [eiser] betaalde waarborgsom van € 4.985,79 mocht behouden. [gedaagde] heeft betwist dat partijen afspraken hebben gemaakt over tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden en ook dat de sloten zijn vervangen.

4.9.

Omdat [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg van de door hem gestelde feiten, zal [eiser] , ook gezien zijn gespecificeerde bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld die feiten te bewijzen. Concreet betekent dit dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld te bewijzen dat tussen [gedaagde] en [eiser] is afgesproken dat de huurovereenkomst met ingang van 1 november 2009 met wederzijds goedvinden is geëindigd.

4.10.

Als [eiser] slaagt in de bewijsopdracht, dan staat vast dat [eiser] na oktober 2009 geen huurpenningen noch schadevergoeding meer verschuldigd was, zodat de oorspronkelijke vordering van [gedaagde] in dat geval zal worden afgewezen.

Achterstallige huurtermijnen, ontbinding, ontruiming en schadevergoeding

4.11.

Als [eiser] daarentegen niet slaagt in de bewijsopdracht, staat vast dat de huurovereenkomst na oktober 2009 heeft voortgeduurd. Niet in geschil is dat [eiser] daarna geen huurpenningen meer heeft betaald. Dat levert een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de zijde van [eiser] op die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De beslissing in het verstekvonnis over ontbinding en ontruiming zal in dat geval in stand blijven.

4.12.

De huur was, naar [gedaagde] onbetwist heeft gesteld, door vooruitbetaling verschuldigd en bedroeg € 1.700,15 per maand. In totaal zal dan dus het bedrag van (2 x € 1.700,15=) € 3.400,30 worden toegewezen vanwege achterstallige huurtermijnen tot datum ontbinding, zijnde de maanden november en december 2009. De door [gedaagde] gevorderde “zoveel maal € 1.700,15 als er maanden verlopen vanaf 01 januari 2010 tot 31 mei 2014 of zoveel eerder indien eiser erin mocht slagen het gehuurde voor laatstgemelde datum tegen dezelfde huurprijs aan een derde te verhuren” moet voor de periode na de ontbinding begrepen worden als een vordering tot betaling van huurtermijnen bij wijze van schadevergoeding vanwege de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst per 21 december 2009. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat de bedrijfsruimte aan een derde verhuurd is vanaf 1 april 2010. Deze vordering zal daarom, wanneer [eiser] niet slaagt in zijn bewijsopdracht, worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan drie maanden huur, te weten de huur over de maanden januari, februari en maart 2010. Dat is een bedrag van (3 x € 1.700,15=) € 5.100,45.

Nadere akte

4.13.

[eiser] heeft bij conclusie van repliek in verzet verzocht om matiging van het bedrag aan wettelijke rente, als de kantonrechter oordeelt dat [eiser] aan [gedaagde] nog enig bedrag verschuldigd is, omdat [gedaagde] vanaf 21 december 2009 (verstekvonnis) tot aan 26 februari 2019 (exploot) geen enkele poging heeft ondernomen om zijn vordering te incasseren. Verder heeft [eiser] bij conclusie van repliek in verzet een beroep gedaan op verrekening van eventuele bedragen die [eiser] aan [gedaagde] zou moeten betalen met de door hem betaalde waarborgsom van € 4.985,79. [gedaagde] heeft daarop nog niet kunnen reageren en zal daarom bij antwoordakte in de gelegenheid worden gesteld op deze twee punten te reageren.

4.14.

Iedere andere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

bepaalt dat [gedaagde] zich op de rolzitting van 6 november 2019 bij antwoordakte schriftelijk kan uitlaten over het door [eiser] gedane beroep op matiging van de wettelijke rente en zijn voorwaardelijke beroep op verrekening met de waarborgsom;

5.2.

draagt [eiser] op te bewijzen dat tussen [gedaagde] en [eiser] is afgesproken dat de huurovereenkomst tussentijds met ingang van 1 november 2009 met wederzijds goedvinden zou eindigen;

5.3.

bepaalt dat [eiser] zich op de rolzitting van 6 november 2019 schriftelijk kan uitlaten over de vraag hoe hij het bewijs wil leveren;

5.4.

bepaalt dat, als [eiser] bewijs wil leveren door middel van schriftelijke stukken, hij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting over moet leggen;

5.5.

bepaalt dat [eiser] , als hij bewijs door getuigen wil leveren, de naam en woonplaats van de te horen getuigen moet opgeven met de verhinderdata van hemzelf, zijn gemachtigde en de getuigen en zo mogelijk van de tegenpartij, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld;

5.6.

bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is;

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature