< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Weigering gemachtigde. Artikel 8:25 van de Awb . Geen strijd met artikel 47 van het Handvest. Van wege zijn beledigende, smadelijke en bedreigende taalgebruik weigert de rechtbank in twee zaken de gemachtigde. Weigeren is mogelijk als sprake is van een gemachtigde die herhaaldelijk de normale gang van zaken verstoort, eventueel onder bedreiging van geweld, of als een gemachtigde zich herhaaldelijk uitlaat op een manier die in het algemeen als zeer grievend en beledigend wordt ervaren. Voor het taalgebruik verwijst de rechtbank naar andere uitspraken en een weigering door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De gemachtigde erkent dat ook in deze zaak de grens is overschreden. In deze beslissing biedt de rechtbank de gemachtigde een keuze: of constructieve samenwerking met de gerechten voor een efficiënte afwikkeling van de vele geschilprocedures en zorgen voor gedragsverandering, of hij gaat door op dezelfde weg. In dat geval zal de rechtbank maatregelen nemen om in alle zaken waarbij hij is betrokken de belangen van zijn cliënten én de belangen van de medewerkers van de rechtbank te beschermen tegen zijn beledigende en agressieve taalgebruik.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/2502

Beslissing van

in de zaak tussen

[A] B.V. te [Q] , eiseres

(gemachtigde: [B] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op aangifte € 1.701 belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) betaald.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 maart 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiseres tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Namens eiseres is op 13 augustus 2019 een nader stuk ingediend (de pleitnota).

Bij brief van 15 augustus 2019 heeft de rechtbank dit stuk teruggezonden aan de gemachtigde vanwege het taalgebruik. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de mogelijkheid een gemachtigde te weigeren op grond van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij brief van 19 augustus 2019 is namens eiseres opnieuw een nader stuk ingediend (de geschoonde pleitnota).

Bij brief van 23 augustus 2019 heeft de rechtbank medegedeeld dat de zaak niet ter zitting zal worden behandeld.

Bij brief van 4 september 2019 heeft de rechtbank de gemachtigde medegedeeld dat zij hem wil horen over het voornemen hem ( [C] B.V. en al haar werknemers) als gemachtigde te weigeren. Daarbij zijn de feiten en omstandigheden waarop het voornemen rust aan de gemachtigde medegedeeld.

Naar aanleiding van dit voornemen heeft de gemachtigde op 14 september 2019 een pleitnota ingediend.

Op de zitting van 16 september 2019 heeft de rechtbank de gemachtigde gehoord over het voornemen. Aanwezig waren daarnaast nog [D] , werkzaam voor [C] B.V., en [E] , directeur van [F] B.V. die bemiddelt bij de import van auto's waaronder voor eiseres.

Gelijktijdig is het voornemen besproken met betrekking tot de zaak met nummer AWB 18/2587.

Overwegingen

1. Een partij kan zich in een procedure bij de bestuursrechter laten vertegenwoordigen (artikel 8:24 van de Awb). Als tegen een persoon ernstige bezwaren bestaan, dan kan de bestuursrechter deze persoon als vertegenwoordiger weigeren (artikel 8:25 van de Awb).

2. Deze regel is ervoor bedoeld om partijen te beschermen tegen gemachtigden of raadslieden van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen (PG Awb II, p. 415). Wat onder ernstige bezwaren moet worden begrepen kan heel verschillend zijn. Het kan gaan om gevallen van ernstige en evidente ondeskundigheid van een vertegenwoordiger. Ook kan het gaan om gemachtigden die herhaaldelijk de normale gang van zaken verstoren, eventueel onder bedreiging van geweld. Ook kan het gaan om personen die zich herhaaldelijk uitlaten op een manier die in het algemeen als zeer grievend en beledigend wordt ervaren (ABRvS 29 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3244).

3. De gemachtigde heeft zich in deze zaak, net als in veel andere zaken bij deze rechtbank en andere gerechten, op een beledigende, smadelijke en bedreigende manier uitgelaten. Die uitlatingen gaan over ambtenaren van de Belastingdienst, (rechterlijk) ambtenaren van de rechtbank, de leden van de Hoge Raad en over – samengevat – de Nederlandse rechtsstaat en belastingrechtspraak. Voorbeelden daarvan zijn inmiddels bekend, zowel uit uitspraken van deze rechtbank (uitspraak van 19 april 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1746) als van de rechtbank Noord-Holland (uitspraak van 27 augustus 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7279). Dit heeft al eerder geleid tot beslissingen om de gemachtigde te weigeren, zowel van deze rechtbank (tussenbeslissing in het beroep met nummer AWB 19/272, niet gepubliceerd) als van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (beslissing van 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6623). Ook de Belastingdienst heeft de gemachtigde al eens geweigerd vanwege herhaaldelijk beledigend, intimiderend of bedreigend taalgebruik (vgl. de uitspraak van de voorzieningenrechter rechtbank Oost-Brabant van 20 september 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:4599). Ook heeft de president van deze rechtbank enkele keren met de gemachtigde gesproken over zijn taalgebruik. Zowel in die gesprekken als in deze procedure is de gemachtigde erop gewezen dat hij vanwege dit taalgebruik kan worden geweigerd.

4. De gemachtigde heeft in deze zaak na het terugsturen van de pleitnota, die volstond met het inmiddels uit de gepubliceerde uitspraken en beslissing bekende taalgebruik, de geschoonde pleitnota ingediend. Weliswaar is die pleitnota bijna geheel in zakelijke bewoordingen gesteld, maar toch is daarin ook nog het volgende opgenomen:

" (…) Uw rechtbank – past kennelijk maatregelen toe uit communistische regimes…Censuur van procedurele stukken…Niks fundamentele vrijheid, alleen voor het oog van het kerkvolk…

(…)

Vooropgesteld zij dat betaling van griffierecht, dwingend voorgeschreven, op straffe van verval van recht, vooraf wordt geheven, als dwangmiddel en als middel om de rechten van belanghebbende die hij o.m. kan ontlenen aan bepalingen van het Unierecht om zeep te helpen. Kutland!!! (…) "

5. Zeker gelet op de context waarin de gemachtigde dit schrijft, vormde dit aanleiding om de gemachtigde te horen over het voornemen om hem te weigeren als gemachtigde. In een pleitnota ten behoeve van die zitting is gemachtigde wederom teruggevallen op het beledigende en bedreigende taalgebruik, waaronder bijvoorbeeld:

" (…)

Ze zouden eens een paar rechters van de rechtbank die dergelijke uitspraken doen, (levenslang) moeten opsluiten zonder eerlijk proces, zou de rest misschien eens wat eerlijker en respectvoller hun wettelijke taak vervullen. Vieze smerige hoerentent is het in Arnhem in de Walburgstaat!!! Te gek om over te durven praten!!!!

Lieve kusjes, doodles, xxx,

(…) "

6. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat hij zich heeft gerealiseerd dat hij er door het indienen van deze pleitnota als het ware om vraagt om als gemachtigde te worden geweigerd. De gemachtigde heeft ook erkend dat zijn teksten grensoverschrijdend zijn en hij gaf aan dat hij zijn teksten liever niet hardop ter zitting voorgelezen hoorde worden. Desgevraagd heeft hij verder aangegeven dat hij zich niet kan beheersen als zijn frustratie over de beslissingen van de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad oploopt en dat hij die frustratie uit door middel van zijn beledigende, agressieve teksten. Zijn frustratie is erin gelegen dat in zijn waarneming de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad in strijd met het Unierecht handelen. Dit doen zij doordat zij in hun uitspraken "uitleg geven" aan het Unierecht, terwijl alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om dat te doen. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de gemachtigde de juistheid van zijn waarneming in deze niet (meer) in twijfel kan trekken. Ook lijkt de gemachtigde zich erbij neer te leggen dat hij zichzelf niet altijd kan beheersen en accepteert hij het geweigerd worden als gemachtigde kennelijk als een negatief en betreurenswaardig gevolg dat hij maar heeft te dragen. Daaraan doet niet af dat hij meent dat hij op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) niet kan worden geweigerd (daarover later meer).

7. De rechtbank heeft met de gemachtigde ter zitting dus vastgesteld dat hij zich niet (langer) onder controle heeft bij het uitoefenen van zijn functie en dat dat een zorgelijke ontwikkeling is. Niet alleen voor zijn cliënten en voor medewerkers van de rechtspraak, maar ook voor zijn onderneming. De gemachtigde heeft erkend dat hij hierbij hulp kan gebruiken en de rechtbank heeft hem voorgehouden dat het kennelijk niet voldoende werkt om die hulp te zoeken bij een collega, en dat als de gemachtigde werkelijk zijn gedrag onder controle wil krijgen een professional hier beter in kan adviseren.

8. Uit de hiervoor genoemde overtuiging van de gemachtigde dat de Nederlandse rechters het Unierecht schenden doordat zij het in hun uitspraken uitleggen, volgt dat het probleem van de gemachtigde met de belastingrechtspraak in Nederland voor hem alleen kan worden opgelost door de juridische geschilpunten die voortvloeien uit het Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat het vanwege de enorme hoeveelheid aan zaken zou helpen als die geschilpunten gebundeld zouden kunnen worden beslist in enkele proefprocedures. Volgens de gemachtigde heeft hij dit al eens verzocht aan de Belastingdienst, maar heeft die geen medewerking willen verlenen. Op de afwegingen van de Belastingdienst heeft de rechtbank op dit moment geen zicht. De rechtbank heeft de gemachtigde voorgehouden dat als zaken eenmaal in de beroepsfase zijn gekomen, hij de enige is die een overzicht heeft van zowel de geschilpunten die volgens hem beslist moeten worden als van alle (honderden, zo niet duizenden) zaken die aanhangig zijn bij de verschillende rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad waarin die punten een rol spelen. Dit betekent dat als de gemachtigde van mening is dat een deel van zijn problemen kan worden opgelost door het uitkiezen van enkele zaken en die uitprocederen, het op zijn weg ligt om daarin initiatief te nemen. Hij zou dat kunnen doen door een verzoek met een voorstel daartoe te richten aan de rechtbank of wellicht gezamenlijk aan de verschillende gerechten waar de procedures nu aanhangig zijn.

9. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat hij dit in overweging neemt omdat hij graag op een constructieve manier aan een oplossing wil werken. De rechtbank heeft de gemachtigde er vervolgens op gewezen dat de gerechten weliswaar ook belang zullen hebben bij een dergelijke stroomlijning van procedures maar dat zij eerst het vertrouwen moeten hebben dat met de gemachtigde afspraken kunnen worden gemaakt. Vanzelfsprekend zal dat vertrouwen in een goede samenwerking er niet zijn als de gemachtigde zich op beledigende en agressieve manier blijft uitlaten.

10. Samengevat is het aan de gemachtigde om een keuze te maken hoe hij – in het belang van zijn cliënten maar ook van zijn eigen onderneming – een vervolg wil geven aan de vele procedures die lopen bij de verschillende gerechten. Als hij kiest voor een stroomlijning van procedures, dan kan hij daartoe een initiatief nemen en zal hij actie moeten ondernemen om zichzelf en zijn frustratie onder controle te houden. Als hij daar niet voor kiest of daar niet toe in staat blijkt, dan zal de rechtbank verdergaande maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat in geen van de bij de rechtbank aanhangige zaken de gemachtigde met zijn taalgebruik nog schade kan toebrengen aan de belangen van zijn cliënten en ook niet aan de belangen van de leden en medewerkers van de rechtbank.

11. Wat de juridische kant betreft, heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat artikel 8:25 van de Awb niet mag worden toegepast, omdat het in strijd is met artikel 47 van het Handvest. Volgens de gemachtigde mogen eventuele beperkingen op het grondrecht dat een ieder de mogelijkheid heeft zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen alleen door de Unie worden gesteld op grond van artikel 52, eerste lid, van het Handvest en dus niet door nationale wetgevers.

12. De rechtbank heeft een andere interpretatie dan de gemachtigde. Het Handvest is namelijk gericht tot zowel de instellingen van de Unie als de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (artikel 51, eerste lid, van het Handvest ). Dit betekent dat onder "wet" in artikel 52, eerste lid, van het Handvest ook de nationale wetten vallen waarmee het recht van de Unie wordt uitgevoerd. In het vijfde lid komt dit wat explicieter tot uitdrukking waar het gaat over het ten uitvoer leggen van beginselen. De toelichting op artikel 52, eerste lid, van het Handvest bevestigt deze interpretatie. Die wijst namelijk op de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie over de beperking van grondrechten. Uit het gegeven voorbeeld (uitspraak van 13 april 2000, zaak C-292/97, ECLI:EU:C:2000:202) blijkt dat de beperking die het Hof toetste werd gesteld in een nationale regeling. Het Hof heeft die beperking getoetst en het enkele feit dat het een nationale regel was die de beperking in het leven riep vormde op zichzelf geen probleem.

13. In dit geval voldoet artikel 8:25 van de Awb aan de voorwaarden om het grondrecht van vrije keuze voor een vertegenwoordiger in te perken. De beperking is bij wet gesteld, kenbaar en voorzienbaar en is noodzakelijk om de belangen van rechtzoekenden te beschermen. De belangen van eiseres worden door de gemachtigde geschaad enerzijds doordat zijn uitlatingen aan eiseres kunnen worden toegeschreven en anderzijds omdat processtukken worden geweigerd, waardoor de rechter geen kennis kan nemen van de juridische standpunten die de vordering van eiseres onderbouwen. De beperking gaat ook niet verder dan nodig, omdat eiseres een termijn van vier weken zal worden geboden om een andere gemachtigde te vinden; in Nederland zijn meerdere in BPM gespecialiseerde gemachtigden actief. Ook is de beperking nodig om de belangen van de leden en medewerkers van de rechtbank te beschermen. Zij hebben er recht op om gevrijwaard te blijven van de voortdurende beledigingen en bedreigingen van gemachtigde. In meer abstracte zin geldt dit ook voor het algemene belang om de organen van de Nederlandse democratische rechtsstaat te beschermen tegen de giftige woorden van de gemachtigde.

14. De conclusie voor deze zaak moet zijn dat de gemachtigde wordt geweigerd vanwege zijn voortdurende beledigende, smadelijke en agressieve taalgebruik, waardoor de normale gang van de beroepsprocedure ernstig wordt verstoord.

Beslissing

De rechtbank:

weigert [B] en [C] BV en al haar werknemers om bijstand te verlenen aan eiseres dan wel haar te vertegenwoordigen in de onderhavige procedure;

stelt eiseres in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van deze beslissing aan te geven of zij de procedure wil voortzetten met bijstand van een andere gemachtigde.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.M.W. van de Sande, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Jackson, griffier.

De griffier is verhinderd

deze beslissing te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel:

Tegen deze beslissing staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature