< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Krakerszaak. Toewijzing vorderingen ten aanzien van de verschenen kraker. De gemeente is in haar vorderingen deels niet-ontvankelijk. De dagvaarding is deels nietig vanwege schending betekeningsvoorschriften: gedaagden zijn anoniem gedagvaard, er is geen sprake van een gebouwde onroerende zaak ex art. 45 lid 4 Rv. Afweging tussen de belangen van de gemeente en anonieme gedaagden.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/357050 / KG ZA 19-332

Vonnis in kort geding van 26 september 2019

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EDE,

zetelend te Ede,

eiseres,

advocaat mr. R.L. Fabritius te Nijmegen,

tegen

1. de (informele) vereniging [gedaagden 1] , die zonder recht of titel verblijft in de onroerende zaak of in een gedeelte daarvan, gelegen aan de [adres] , van wie in redelijkheid de identiteit niet achterhaald kan worden daar zij deze niet bekend heeft willen maken en niet staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel,

verblijvende te Ede,

2. ZIJ DIE ZONDER RECHT OF TITEL VERBLIJVEN IN OF OP DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, gelegen aan de [adres] , van wie in redelijkheid de identiteit niet achterhaald kan worden daar zij deze niet bekend hebben willen maken,

verblijvende te Ede,

gedaagden,

van wie zich ter zitting bekend heeft gemaakt: [gedaagde 3]

Eiseres zal hierna de gemeente worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk ook worden aangeduid met de (informele) vereniging [gedaagden 1] , gedaagden sub 2 en [gedaagde 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties 1 tot en met 14

de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde 3]

de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] (hierna te noemen: [naam locatie 1] ).

2.2.

Vanaf 1963 tot begin jaren ‘70 van de vorige eeuw heeft het voormalige recreatieterrein [naam locatie 1] gefungeerd als stortplaats voor huishoudelijk afval, bouw- en sloopafval en bedrijfsafval. De bodem van het terrein is vervolgens door middel van een afdeklaag met een dikte van (destijds) minimaal 1,0 m onder maaiveld geschikt gemaakt voor het gebruik van [naam locatie 1] als recreatieterrein.

2.3.

Met ingang van 1 januari 1973 heeft de gemeente het terrein in erfpacht uitgegeven aan [naam pachter] om te gebruiken als kampeerterrein. Met ingang van 1 januari 2005 is de erfpachtovereenkomst verlengd tot 1 januari 2035.

2.4.

De gemeente heeft als eigenaar van [naam locatie 1] meermalen bodemonderzoeken laten uitvoeren naar de staat van de bodem en de afdeklaag. Het laatste onderzoek dateert van juli 2016.

2.5.

In onderling overleg tussen de gemeente en [naam pachter] is (naar aanleiding van het in 2016 uitgevoerde onderzoek) de erfpacht beëindigd tegen 31 december 2018.

2.6.

In oktober 2017 is [naam locatie 1] gekraakt door [naam] Bij vonnis van 4 december 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op vordering van de gemeente gedaagden in die procedure (onder meer) veroordeeld [naam locatie 1] te verlaten en te ontruimen en bepaald dat het vonnis tot een jaar na datum van het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in [naam locatie 1] bevindt of daar binnentreedt. Daarna is [naam locatie 1] ontruimd.

2.7.

Na deze ontruiming heeft de gemeente [naam] de opdracht gegeven om anti-kraakbeheer te voeren op [naam locatie 1] . Op 18 juni 2019 heeft [naam] tijdens een routinecontrole geen personen, voertuigen of opstallen op [naam locatie 1] waargenomen die daar niet thuishoren.

2.8.

Bij brief, gericht aan onder meer de gemeente en de officier van justitie en gedateerd op 16 juni 2019, heeft [gedaagde 3] meegedeeld dat zij de nieuwe [gedaagden 1] vertegenwoordigt, dat zij en de nieuwe bewoners huisrecht hebben gevestigd op [naam locatie 1] en heeft zij verzocht om nader overleg om tot overeenstemming te komen. De gemeente heeft een afschrift van deze brief op 18 juni 2019 van het arrondissementsparket Oost-Nederland ontvangen.

2.9.

Bij de stukken bevindt zich een brief, gericht aan [naam wijkagent] (de wijkagent) en gedateerd op 23 juni 2019. In deze brief is voor zover van belang het volgende vermeld:

Hierbij zouden wij u willen uitnodigen voor een bezoekje om nader kennis te maken!

Wij zijn de nieuwe bewoners van de oude Camping [naam locatie 1] […] Als voortzetting van ons eerste contact op vrijdag 21 juni […], zou ik blijkens deze uitnodiging u alsnog de gelegenheid willen geven om huisvrede te constateren.

[…]

Als Operationeel Expert Wijkagent van de Eenheid Oost Nederland hoop ik dat u spoedig in de gelegenheid bent om langs te komen, graag maken wij een afspraak.

[…]

Gezien het tijdsverloop is het aannemelijk dat de Gemeente Ede inmiddels onze brief heeft gelezen welke ik aan u heb overhandigd? […]

Met vriendelijke groeten,

namens de [gedaagden 1]

[gedaagde 3]

Telefoonnummer: […]

E-mailadres: [e-mailadres]

2.10.

Bij brief van 26 juni 2019, gericht aan de [gedaagden 1] , ter attentie van [gedaagde 3] , en aan allen die verblijven aan de [adres] , heeft de gemeente hen gesommeerd uiterlijk op 28 juni 2019 om 12:00 uur over te gaan tot vrijwillige ontruiming van [naam locatie 1] . Deze brief is per deurwaardersexploot betekend door achterlating in een gesloten envelop op het adres [adres] , In die brief staat, voor zover thans van belang, het volgende:

1. De Gemeente heeft kennisgenomen van de brief van 16 juni 2019 aan het Arrondissementsparket Oost-Nederland waarin u omschrijft dat u ‘sinds enige tijd’ uw toevlucht heeft gevonden tot het perceel gelegen aan de [adres] , hierna te noemen: “ het Perceel”. U beroept zich op een huisrecht. De Gemeente bestrijdt de vestiging van een huisrecht en zal daarom niet instemmen met het formaliseren van enig gebruiksrecht. U bevindt zich zonder recht of titel op het Perceel.

2. In deze brief zal ik ook aan de orde brengen dat de afdeklaag — anders dan u stelt — nog niet is vervangen. De Gemeente kan de veiligheid van uzelf en de overige bewoners niet garanderen. Aan het slot van deze brief verzoek en sommeer ik u namens de Gemeente om het Perceel te ontruimen. Voor zover nodig, moet dit verzoek worden beschouwd als een ‘vordering tot verwijdering’ in de zin van artikel 138 lid 1 Sr .

[…]

Ontruiming

17. De gemeente wijst uw voorstel tot het aangaan van een overeenkomst van de hand. […]

2.11.

Bij brief van 27 juni 2019 heeft [gedaagde 3] namens de [gedaagden 1] daarop gereageerd en de gemeente verzocht om het besluit tot ontruiming te heroverwegen.

2.12.

Op 28 juni 2019 is niet tot vrijwillige ontruiming van het terrein overgegaan.

2.13.

Bij brief van 29 juni 2019, gericht aan de [gedaagden 1] , ter attentie van [gedaagde 3] , heeft de gemeente hen gesommeerd hun identiteit kenbaar te maken. Ook heeft de gemeente meegedeeld het gebruik van [naam locatie 1] niet te zullen gedogen. Deze brief is tevens per email verzonden aan [e-mailadres] .

2.14.

Bij e-mailbericht van 29 juli 2019 heeft [gedaagde 3] , namens ‘ [naam locatie 1] ’, aan de gemeente een uitgewerkte visie (Eco-Logie-Co-Operatie) van de [gedaagden 1] gestuurd.

2.15.

Een uittreksel van de dagvaarding van 15 augustus 2019 is op 20 augustus 2019 gepubliceerd in een lokaal dagblad.

2.16.

Bij e-mailbericht van 8 september 2019, gedateerd op 7 september 2019, heeft [gedaagde 3] aan (onder andere) de gemeente het volgende meegedeeld:

Hierbij wil ik de Gemeente Ede op de hoogte brengen van de huidige situatie op het terrein [naam locatie 1] gelegen aan de [adres] .

Als gevolg van het verzoek tot ontruiming zijn alle andere bewoners verhuisd.

Ik heb mijn best gedaan om onderdak te vinden maar ik kan nergens anders wonen.

Ik ben de enige die uit noodzaak op de oude camping is gebleven.

Er is dan ook geen sprake van een groep en ik vertegenwoordig niemand meer.

Daarbij komen alle plannen te vervallen die ik met mijn visie als ‘ [naam locatie 1] ’ heb beschreven. Het voorstel om een ‘Eco-Logie-Co-Operatie’ te starten kan dus ook niet plaatsvinden.

Sinds het advies om rekening te houden met de afdeklaag heb ik een aantal maatregels genomen. Ik heb mijn camper boven geparkeerd op het gebied buiten de zandafgraving.

Beneden zal ik alleen gebruik maken van de verharde delen en wegen.

Het gebruik binnen de opstallen en bewonen van de portacabin is beperkt tot 1 persoon.

Zo is er geen gevaar voor de bodem en zijn alle risico’s uitgesloten.

Het verbaast mij dat de Gemeente Ede nog niet op de hoogte is van mijn identiteit.

Ik heb mijn naam kenbaar gemaakt bij het eerste contact met de wijkagent [naam wijkagent] op 21 juni.

Daarbij heb ik mijn brief voor de Gemeente Ede aan hem gegeven om de situatie te bespreken.

Onder deze omstandigheden hoop ik dat de Gemeente Ede alsnog mijn verblijf zal gedogen. Ik kan zonder aansluitingen van gas, water of stroom op duurzame wijze mijzelf voorzien. Ik zal goed voor mijn omgeving zorgen met respect voor de buurt en natuur.

Met vriendelijke groet,

[gedaagde 3]

2.17.

[gedaagde 3] verblijft thans op [naam locatie 1] in een aldaar aanwezige portacabin. Ook haar camper staat op het terrein geparkeerd. [gedaagde 3] staat sinds 29 juni 2019 geregistreerd als woningzoekende bij [naam woningsite] .

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagden hoofdelijk veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, de onroerende zaak gelegen aan de [adres] , [adres] te verlaten en te ontruimen met al de hunnen en al het hunne, die onroerende zaken in oorspronkelijke staat geheel leeg en ontruimd aan de gemeente op te leveren, en die onroerende zaak na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden, met machtiging van de gemeente om die ontruiming en dat ontruimd en verlaten houden desnoods zelf, op kosten van gedaagden, te bewerkstelligen, eventueel met behulp van de sterke arm van justitie en/of de politie, voor welke kosten zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, met gelasting van gedaagden deze kosten aan de gemeente op eerste verzoek te voldoen, vermeerderd de wettelijke rente;

bepaalt dat dit vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de onder 1. genoemde onroerende zaak bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet, op hunner kosten;

gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en, voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling en de gedaagden te veroordelen in de nakosten met een bedrag van € 131,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, met een bedrag van € 199,00 en de eventuele verdere executiekosten.

3.2.

[gedaagde 3] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit hetgeen de gemeente stelt, volgt dat zij bij haar vorderingen een voldoende spoedeisend belang heeft.

Ten aanzien van de vordering sub 1

[gedaagde 3]

4.2.

Gedaagden zijn anoniem gedagvaard. [gedaagde 3] is echter verschenen, waarmee op grond van het bepaalde in artikel 122 Rv eventuele nietigheden in de dagvaarding jegens haar zijn gedekt.

4.3.

De gemeente vordert onder I. dat gedaagden worden veroordeeld [naam locatie 1] te ontruimen en te verlaten. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat gedaagden onrechtmatig handelen jegens de gemeente door zonder recht of titel op [naam locatie 1] te verblijven. Dit is een inbreuk op haar eigendomsrecht. Ook handelen gedaagden in strijd met artikel 138 Sr nu het houden van een terrein kwalificeert als het wederrechtelijk binnendringen van een besloten erf in de zin van dat artikel, aldus de gemeente. Daarnaast brengt het gebruik van [naam locatie 1] , gelet op de aanwezige bodemverontreiniging en een steeds dunner wordende afdeklaag, risico’s voor de gebruikers en voor het terrein met zich mee, zo stelt de gemeente. De gemeente is verder voornemens het terrein in verband met de bodemverontreiniging te (laten) herontwikkeling en saneren. De gemeente heeft [naam locatie 1] op dit moment nog steeds gereserveerd voor natuurcompensatie en doet ook onderzoek naar de geschiktheid van [naam locatie 1] als compensatiegrond. Tot slot heeft de gemeente aangevoerd dat er geen woonbestemming op [naam locatie 1] rust. Het beheergebouw (de portakabin) is niet geschikt voor bewoning en voldoet ook niet aan de hiervoor geldende voorschriften. De gemeente stelt dat zij daarom een rechtens te respecteren belang heeft dat gedaagden het terrein verlaten.

4.4.

[gedaagde 3] heeft hiertegenover gesteld dat zij genoodzaakt is tot het kraken van (de portacabin op) [naam locatie 1] omdat zij nergens anders terecht kan. [gedaagde 3] mag nergens permanent parkeren met haar camper of slapen in openbare ruimtes en zij heeft zich om die reden gevestigd op [naam locatie 1] . Een gedwongen ontruiming zal volgens [gedaagde 3] een vernietigende uitwerking hebben op haar leven en afbraak doen aan het huidige ecosysteem van [naam locatie 1] , waarvoor zij op een goede manier zorg draagt. [gedaagde 3] vindt dat zij gestraft wordt voor het willen optimaliseren van de leefomgeving van [naam locatie 1] , aangezien zij haar plannen in dit verband kenbaar heeft gemaakt aan de gemeente en zichzelf ook aan de wijkagent en de gemeente heeft geïdentificeerd. Ook stelt zij huisrecht te hebben gevestigd op [naam locatie 1] , dit zou ook door de wijkagent zijn geconstateerd. Daarnaast heeft [gedaagde 3] – samengevat – weinig vertrouwen in de plannen die de gemeente stelt te hebben met [naam locatie 1] .

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Vast staat dat [gedaagde 3] een portacabin op het terrein van [naam locatie 1] zonder recht of titel in gebruik heeft genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 3] de portacabin op [naam locatie 1] bewoont zonder toestemming van de gemeente. Daarmee maakt [gedaagde 3] inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Voorop wordt gesteld dat het de gemeente als eigenaar van het terrein van [naam locatie 1] vrij staat van dat terrein gebruik te maken met uitsluiting van een ieder, mits dit gebruik niet in strijd is met de rechten van anderen en met beperkingen op grond van wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht (artikel 5:1 lid 2 BW). Artikel 5:2 BW geeft de eigenaar van een zaak de bevoegdheid om zijn eigendom op te eisen van iedereen die dat zonder recht onder zich houdt. Dit betekent dat de eigenaar zijn eigendomsrecht kan handhaven tegenover iedereen die daarop inbreuk maakt.

4.6.

De gemeente kan in de uitoefening van haar eigendomsrecht niet worden beperkt op grond van een zuivere belangenafweging, behoudens voor zover sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid bij de uitoefening van haar eigendomsrecht (art. 3:13 BW). Daarvan zou sprake kunnen zijn indien een zodanige onevenredigheid zou bestaan tussen het belang van de gemeente en het belang van [gedaagde 3] dat de gemeente in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen. Dat zal zich niet licht voordoen in een geval als het onderhavige waarin een eigenaar een einde wenst te maken aan gebruik zonder recht of titel van zijn onroerende zaak.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voorop moet worden gesteld dat [gedaagde 3] niet, zoals zij lijkt te veronderstellen, enig recht tot gebruik van het terrein voor zichzelf in het leven kan roepen. Van enig ‘huisrecht’, zoals onder meer beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), waarop [gedaagde 3] zich beroept, kan geen sprake zijn. Dat [gedaagde 3] , zoals zij zelf heeft aangegeven, bij ontruiming geen woon-/of verblijfsplaats heeft en op zoek zal moeten naar een andere verblijfsplaats en dat dit gelet op de huidige wetgeving rondom kraken en het tekort op de huizenmarkt lastig is, brengt ook niet met zich dat de gemeente in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen. [gedaagde 3] heeft in dit verband desgevraagd op de mondelinge behandeling toegelicht dat zij vanaf 2011 altijd heeft gekraakt en een tijd in het buitenland heeft verbleven en dat zij zich pas onlangs heeft ingeschreven voor een (sociale) huurwoning. Het dient daarom voor haar risico te komen dat zij bij gedwongen ontruiming geen vervangende woonruimte tot haar beschikking heeft. Daarnaast is het aan de gemeente om te bepalen wat zij verder met het terrein wil gaan doen en wanneer zij bepaalde stappen in dit verband zet; zij moet haar handen daarbij vrij hebben. In dit verband heeft de gemeente overigens ook aangevoerd dat zij het terrein niet zomaar leeg laat staan en dat zij [naam locatie 1] heeft gereserveerd voor natuurcompensatie. Al hetgeen [gedaagde 3] heeft aangevoerd over de (wenselijkheid c.q. termijn van de) plannen van de gemeente voor [naam locatie 1] kan dan ook onbesproken blijven. Dat [gedaagde 3] bereid is afspraken te maken met de gemeente over gebruik van [naam locatie 1] brengt voorts niet met zich dat geen belang (meer) bestaat bij ontruiming, aangezien het de gemeente als eigenaar van [naam locatie 1] vrij staat om over [naam locatie 1] te kunnen beschikken. Het is in dat verband aan de gemeente om als eigenaar van [naam locatie 1] te bepalen met wie zij zaken wil doen en ook of, en zo ja, aan wie zij gebruik van het terrein toestaat.

De slotsom is dat [gedaagde 3] naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij voorgezet gebruik van het terrein zo zwaarwegende belangen heeft dat het belang van de gemeente daarbij in het niet valt en dat de gemeente om die reden in redelijkheid geen ontruiming kan verlangen. Een en ander brengt met zich dat de vordering van de gemeente tot ontruiming voor zover het [gedaagde 3] betreft, als bewoner van [naam locatie 1] , zal worden toegewezen.

4.8.

De gevorderde machtiging om, voor zover dit nodig blijkt, het vonnis ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie vloeit voort uit het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv en zal worden toegewezen. De daaraan verbonden kosten komen voor rekening van [gedaagde 3] .

De (informele) vereniging [gedaagden 1]

4.9.

Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde 3] in deze procedure namens de (informele) vereniging [gedaagden 1] optreedt.

4.10.

De gemeente heeft gesteld dat uit de correspondentie tussen de gemeente en [gedaagde 3] moet worden afgeleid dat de [gedaagden 1] een informele vereniging hebben opgericht. [gedaagde 3] zou deze informele vereniging volgens de gemeente vertegenwoordigen zodat uitlatingen van [gedaagde 3] het collectief kunnen worden toegerekend. [gedaagde 3] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat geen sprake is van een (informele) vereniging en dat zij thans nog alleen op [naam locatie 1] woont. Dit heeft zij ook bij e-mailbericht van 8 september 2019 aan de gemeente laten weten, aldus [gedaagde 3] .

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen de gemeente en [gedaagde 3] blijkt dat [gedaagde 3] weliswaar in het begin is opgetreden namens andere [gedaagden 1] maar dat dit nu niet meer het geval is. Uit hetgeen [gedaagde 3] op zitting heeft aangevoerd blijkt dat het om twee tot vier vrienden van [gedaagde 3] ging die mogelijk in het begin de intentie hadden om met [gedaagde 3] op [naam locatie 1] te verblijven, maar dat deze personen ongeveer een maand op [naam locatie 1] hebben verbleven en toen weer zijn vertrokken naar aanleiding van het verzoek van de gemeente om [naam locatie 1] te ontruimen. Dit heeft [gedaagde 3] ook aan de gemeente bericht in haar e-mailbericht van 8 september 2019. In dit e-mailbericht heeft zij de gemeente ook laten weten dat geen sprake meer is van een groep en dat zij geen enkele groep meer vertegenwoordigt. Daarnaast heeft [gedaagde 3] op de mondelinge behandeling toegelicht dat haar voormalige, tijdelijke, medebewoners op [naam locatie 1] stonden met eigen busjes. Deze personen hebben de op [naam locatie 1] aanwezige opstallen niet gekraakt, aldus [gedaagde 3] . De gemeente heeft dit niet weersproken. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat sprake is van een informele vereniging en kan niet worden gezegd dat [gedaagde 3] (mede) namens andere personen in dit geding is verschenen, nog daargelaten dat op de mondelinge behandeling is gebleken dat de andere personen, die tijdelijk op [naam locatie 1] verbleven en kennelijk voor het uitbrengen van de dagvaarding zijn vertrokken, geen interesse meer hebben in verblijf op of gebruik van [naam locatie 1] . Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen de (informele) vereniging [gedaagden 1] zal de gemeente daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gedaagden sub 2

4.12.

Vooralsnog is niet komen vast te staan dat er naast [gedaagde 3] thans nog anderen verblijven op [naam locatie 1] maar voor zover dat het geval zou zijn, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.13.

Op de voet van artikel 45 lid 3 Rv dient een exploot ten minste de naam en woonplaats voor wie het bestemd is te vermelden. In afwijking hiervan verleent artikel 45 lid 4 Rv de bevoegdheid om in een geval van een vordering tot ontruiming van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan door – kort gezegd – krakers anoniem te dagvaarden. In dat geval geschiedt de betekening op de wijze zoals omschreven in artikel 61 Rv . Gebleken is dat op [naam locatie 1] slechts een sanitairgebouw en een portacabin aanwezig zijn. Van andere gebouwde onroerende zaken is geen sprake. [gedaagde 3] heeft onweersproken aangevoerd dat zij als enige in de portacabin verblijft. Zoals hiervoor is overwogen heeft [gedaagde 3] op de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat op enig moment weliswaar een aantal anderen op het terrein van [naam locatie 1] aanwezig was, maar dat deze personen in eigen busjes sliepen en niet in enig gebouw op het terrein. Volgens [gedaagde 3] is het sanitairgebouw onklaar gemaakt en is dat niet door haar of andere personen gebruikt. De gemeente heeft dat niet weersproken. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat gedaagden sub 2 (op enig moment) in (een deel van) een gebouwde onroerende zaak op [naam locatie 1] verbleven. Ook kan niet worden vastgesteld dat thans nog personen, anders dan [gedaagde 3] , op [naam locatie 1] verblijven of dat de personen die op enig moment op [naam locatie 1] verbleven een zodanige band hebben met [gedaagde 3] dat zij worden geacht bij [gedaagde 3] te horen. Het gaat dan ook om anonieme (potentiele) gebruikers van een ongebouwde onroerende zaak. Gelet op het voorgaande kan de bevoegdheid tot anoniem dagvaarden dan ook niet worden gestoeld op artikel 45 lid 4 Rv .

4.14.

Nu de gemeente gedaagden sub 2 niet anoniem mocht dagvaarden, staat het feit dat niet is voldaan aan de door artikel 45 lid 3 Rv voorgeschreven betekeningsvoorschriften in beginsel aan de rechtmatigheid en rechtsgeldigheid van de dagvaarding in de weg. Dit zou slechts anders kunnen zijn wanneer komt vast te staan dat de gemeente zich heeft ingespannen om de identiteit van gedaagden sub 2 te achterhalen en zich ook heeft ingespannen, ondanks onbekendheid met de naam en woonplaats van betrokkenen, gedaagden sub 2 te bereiken, om hen in te lichten over dag, tijd en inhoud van het kort geding dat de gemeente voor de rechter wil brengen. In dat geval gaat het belang van de gemeente om in rechte haar aanspraken geldend te maken boven het belang van degenen die zich voor haar schuil houden (zoals ook overwogen in het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2010 ECLI:NL:RBAMS:2010:4865).

4.15.

De gemeente heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de identiteit van de personen die tot de niet verschenen gedaagden sub 2 behoren, te achterhalen en dat zij om die reden niet kon voldoen aan het bepaalde in artikel 45 lid 3 Rv . Hierbij heeft de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking genomen.

De gemeente heeft in dit verband gesteld dat zij heeft vernomen dat er op enig moment ook anderen op het terrein aanwezig waren, anders dan ‘ [gedaagden 1] ’ en dat het voor de gemeente lastig is te bepalen wie er precies op [naam locatie 1] verblijft als men zich weigert te identificeren. De wijkagent zou aan de gemeente hebben laten weten dat hij een keer is langs geweest bij de personen die verblijven op [naam locatie 1] en dat hij daar een aantal personen heeft aangetroffen. Uit hetgeen de gemeente in dit verband heeft aangevoerd kan echter niet worden afgeleid dat zij heeft geprobeerd de identiteit van een van de niet verschenen gedaagden sub 2 te achterhalen. Zij heeft enkel door het in gesloten envelop achterlaten van het exploot en het plaatsen van een uittreksel in een lokaal dagblad gepoogd de niet verschenen gedaagden sub 2 de mogelijkheid te bieden kennis te nemen van de procedure, ter mondelinge behandeling te verschijnen en zich te verweren. Niet is gebleken dat zij verder een poging heeft ondernomen om personen die zich op [naam locatie 1] bevinden te identificeren. Dit terwijl de gemeente, door bijvoorbeeld navraag te doen bij de wijkagent, eventueel de identiteit van personen verblijvende op [naam locatie 1] had kunnen achterhalen. [gedaagde 3] heeft immers ook haar identiteit bekend gemaakt aan de wijkagent. Ook had de gemeente een uittreksel/afschrift van de dagvaarding aan de op [naam locatie 1] aanwezige hekken kunnen hangen. De conclusie is dat de gemeente, gelet op de omstandigheden van het geval, de niet verschenen gedaagden sub 2 onvoldoende mogelijkheid heeft geboden om kennis te nemen van deze procedure en ter zitting te verschijnen om zich te kunnen verweren. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het belang van de gemeente, om door tussenkomst van de rechter haar aanspraken geldend te maken zwaarder weegt dat het belang van gedaagden sub 2 om in rechte in hun verdediging te worden gehoord. Een en ander brengt met zich dat de gemeente de in artikel 45 lid 4 juncto artikel 61 Rv omschreven wijze van dagvaarden niet had mogen toepassen. Nu de dagvaarding aan een gebrek lijdt dat nietigheid meebrengt, kan geen verstek worden verleend jegens de niet verschenen gedaagden sub 2. Aangezien het gebrek van dien aard is dat het aannemelijk is dat het exploot gedaagden sub 2 niet heeft bereikt, zal in zoverre de nietigheid van de dagvaarding worden uitgesproken.

Ten aanzien van het gevorderde sub 2

4.16.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om, zoals gevorderd, te bepalen dat het ontruimingsvonnis gedurende een jaar na de dag waarop het vonnis is uitgesproken ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging op [naam locatie 1] bevindt of daar binnentreedt. Gebleken is immers dat na de ontruiming na de vorige procedure [naam locatie 1] na verloop van een jaar wederom is gekraakt, zodat de gemeente belang heeft bij toewijzing van die vordering.

Proceskosten

4.17.

Nu de gemeente niet volledig in het gelijk is gesteld, zullen de proceskosten tussen de gemeente en [gedaagde 3] worden gecompenseerd, in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart de gemeente niet ontvankelijk in haar vorderingen tegen gedaagde sub 1,

5.2.

verklaart de dagvaarding ten aanzien van de niet verschenen gedaagden sub 2 nietig,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 3] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de onroerende zaak gelegen aan de [adres] , [adres] te verlaten en te ontruimen met al de haren en al het hare, die onroerende zaken in oorspronkelijke staat geheel leeg en ontruimd aan de gemeente op te leveren, en die onroerende zaak na de ontruiming ontruimd en verlaten te houden, met machtiging van de gemeente om die ontruiming en dat ontruimd en verlaten houden desnoods zelf te bewerkstelligen, eventueel met behulp van de sterke arm van justitie en/of politie,

5.4.

bepaalt dat indien de ontruiming moet plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie, de daarbij te maken kosten voor rekening van [gedaagde 3] zullen komen, op vertoon van de daartoe benodigde bescheiden bestaande uit een exploot of proces-verbaal van de met deze bewerking van de verlating en ontruiming belaste deurwaarder waarin deze kosten gespecificeerd worden opgegeven,

5.5.

bepaalt dat dit ontruimingsvonnis tot een jaar na de dag waarop het vonnis is uitgesproken ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de onder 5.3. genoemde onroerende zaak bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet, op hunner kosten,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen de gemeente en [gedaagde 3] , in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature