< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De Rechtbank Gelderland heeft een man van 24 jaar uit Arnhem veroordeeld tot een voorwaardelijk plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD). De man krijgt deze maatregel opgelegd voor 2 mishandelingen en een bedreiging met brandstichting.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/840613-18, 05/800080-18 en 05/800015-19 (ttz gev)

Datum uitspraak : 6 september 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] .

Raadsman: mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 november 2018 en 23 augustus 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 05/840613-18

1.

hij op of omstreeks 30 juli 2018 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem op/tegen zijn arm te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 30 juli 2018 te Arnhem [slachtoffer 1] en/of GeWOONzo heeft bedreigd met brandstichting en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "ik zet het gebouw in de fik als de politie mij meeneemt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

in de zaak met parketnummer 05/800080-18

hij op of omstreeks 17 september 2018 te Arnhem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht) een kopstoot in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te geven;

in de zaak met parketnummer 05/800015-19

hij op of omstreeks 23 januari 2019 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk, een (thee)kopje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan stichting GewoonZo toebehoorde, heeft vernield.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de zaak met parketnummer 05/840613-18

Ten aanzien van feit 1

Vaststaande feiten

Op 30 juli 2018 verbleef verdachte in de woonruimte van zijn vriendin [getuige 2] . Verdachte en [getuige 2] woonden beiden bij woongroep GeWOONzo. Aangever [slachtoffer 1] werkte die avond als groepsleider van GeWOONzo samen met getuige [getuige 1] . Zij zaten op kantoor en werden gebeld op de interne lijn door [getuige 2] . Zij hoorden geschreeuw en ruzie op de kamer van [getuige 2] . Zij zijn naar haar kamer gegaan, hoorden [getuige 2] roepen: “Au! Blijf van mij af!” en zijn naar binnen gegaan. Daar troffen zij verdachte en [getuige 2] aan. [slachtoffer 1] vroeg verdachte om de kamer en het pand te verlaten. Verdachte wilde niet meewerken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. [slachtoffer 1] was onrechtmatig in de woonruimte van [getuige 2] . Voorts heeft verdachte zich verweerd tegen de aanval van [slachtoffer 1] . Subsidiair doet verdachte een beroep op noodweer.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] . De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat [slachtoffer 1] op goede gronden de kamer van [getuige 2] is binnen gegaan. Het beroep op noodweer faalt. Daartoe overweegt zij het volgende.

[getuige 2] heeft naar het kantoor van de groepsleiding gebeld, omdat zij ruzie had met verdachte en hierop zijn [slachtoffer 1] (groepsleider) en [getuige 1] (persoonlijk begeleider) haar kamer binnen gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet onrechtmatig.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte, toen [slachtoffer 1] en [getuige 1] in de kamer van [getuige 2] stonden, op hem af kwam lopen met grote ogen en boos keek. Verdachte kwam tegenover hem staan en nam een agressieve houding aan. Hij spreidde zijn armen en spande die aan. Verdachte zei dat hij niets gedaan had. [slachtoffer 1] zei een keer of drie dat verdachte de kamer en het pand moest verlaten. Omdat verdachte niet mee wilde werken pakte [slachtoffer 1] hem bij zijn rechterhand. Verdachte trok zijn hand los, balde zijn linkerhand tot een vuist en haalde uit in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] kon deze slag ontwijken, door zijn hoofd naar achteren te bewegen. [slachtoffer 1] zag en voelde dat de vuist op zijn linker onderarm belandde. De klap veroorzaakte een korte pijnscheut op de arm.

Getuige [getuige 1] zag aan de lichaamshouding van verdachte dat hij opgefokt was. Zijn spieren stonden gespannen en hij zag aderen lopen in de nek van verdachte. [getuige 1] zag dat [slachtoffer 1] de hand van verdachte wilde pakken en dat verdachte met zijn beide armen richting [slachtoffer 1] begon te zwaaien. [slachtoffer 1] en verdachte stonden nog geen meter van elkaar af.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] verdachte vastpakte en het zou kunnen dat verdachte [slachtoffer 1] sloeg.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem aanviel en dat hij zich verdedigde. Hij sloeg [slachtoffer 1] niet, maar duwde hem weg.

Naar het oordeel van de rechtbank is er op basis van de verklaringen in het dossier niet aannemelijk dat er sprake was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, eerbaarheid of goed die het voor verdachte ter verdediging noodzakelijk maakte om [slachtoffer 1] te slaan. Uit de verklaringen van aangever en de getuigen blijkt immers dat verdachte als eerste [slachtoffer 1] een aanvallende klap heeft gegeven en zich niet heeft verdedigd. Een beroep op noodweer gaat niet op.

Ten aanzien van feit 2

Vaststaande feiten

Volgend op voornoemde mishandeling op 30 juli 2018 hebben [slachtoffer 1] en [getuige 1] verdachte naar de grond gebracht en hem gefixeerd tot de politie kwam.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met brandstichting en enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak of schuldigverklaring zonder strafoplegging bepleit. De bedreigingen die verdachte heeft geuit waren een uiting van onmacht en moeten niet serieus genomen worden.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 1] en [getuige 1] hebben verklaard dat verdachte tijdens de fixatie dreigde dat hij het gebouw in de brand zou steken als de politie hem mee zou nemen. Zij achtten verdachte in staat om de bedreiging uit te voeren. Gelet op deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte GeWOONzo heeft bedreigd met brandstichting door tijdens de fixatie [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik zet het gebouw in de fik als de politie mij meeneemt”. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden opgemaakt dat verdachte heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte zal hiervan – partieel – worden vrijgesproken.

In de zaak met parketnummer 05/800080-18

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 2] een kopstoot heeft gegeven en stelt dat de begeleider (getuige) die op de gang stond het niet goed heeft kunnen zien.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van

[slachtoffer 2] . Daartoe overweegt zij het volgende.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 17 september 2018 op zijn kamer muziek luisterde. Verdachte kwam voor zijn deur staan en schreeuwde dat hij een tientje terug wilde. [slachtoffer 2] zei dat verdachte niets van hem kreeg. Vijf minuten later kwam verdachte terug en begon opnieuw te roepen. Ook schopte hij tegen de deur. Op een gegeven moment hoorde [slachtoffer 2] de stem van begeleider [getuige 4] . Hij dacht dat hij de deur open kon doen. Verdachte begon tegen hem te schreeuwen en toen [slachtoffer 2] min of meer bevestigde dat verdachte een leugenaar was, gaf verdachte hem een kopstoot tegen de linkerhelft van zijn gezicht. Dit deed pijn onder zijn linkeroog en aan zijn neus. [slachtoffer 2] heeft een blauw linkeroog overgehouden aan de kopstoot en er twee tot drie dagen last van gehad.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij tumult hoorde en daar heen is gelopen. Hij zag verdachte voor de deur van de kamer van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] deed op dat moment de deur open. Verdachte deed een stap naar binnen. [getuige 4] zag dat hij, als uit het niets, een kopstoot uitdeelde tegen het hoofd van [slachtoffer 2] . [getuige 4] zag dat verdachte met zijn hoofd het hoofd van [slachtoffer 2] ter hoogte van de neus/ oog raakte.

Op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van getuige [getuige 4] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem een kopstoot te geven. Getuige [getuige 4] heeft een en ander gezien en de rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen.

In de zaak met parketnummer 05/800015-19

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een kopje van GeWOONzo en daartoe het volgende aangevoerd. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 23 januari 2019 op kantoor zat. Hij hoorde glasgerinkel en geschreeuw uit de kamer van [getuige 2] . Getuige [getuige 3] was in de kamer van [getuige 2] . Zij heeft verklaard dat er een discussie ontstond tussen verdachte en [getuige 2] en dat verdachte agressief werd. Hij liep naar de keuken en gooide volgens [getuige 3] glas op de grond kapot. Zij kon het niet zien want zij zat met de rug naar hem toe. Verbalisant [verbalisant] zag een scherf van een koffiekopje op het aanrecht liggen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het kopje eigendom was van GeWOONzo.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van verdachte bepleit, omdat naar zijn mening wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Beoordeling door de rechtbank

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 3] kan niet worden opgemaakt dat verdachte het kopje opzettelijk heeft vernield. Zij hebben niet gezien hoe het kopje is gebroken. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 05/840613-18 en 05/800080-18 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

in de zaak met parketnummer 05/840613-18

1.

hij op of omstreeks 30 juli 2018 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem op/tegen zijn arm te slaan en/of te stompen;

2.

hij op of omstreeks 30 juli 2018 te Arnhem [slachtoffer 1] en/of GeWOONzo heeft bedreigd met brandstichting en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "ik zet het gebouw in de fik als de politie mij meeneemt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

in de zaak met parketnummer 05/800080-18

hij op of omstreeks 17 september 2018 te Arnhem [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (met kracht) een kopstoot in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te geven.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 05/840613-18

Ten aanzien van feit 1:

mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met brandstichting

in de zaak met parketnummer 05/800080-18

mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar, met een proeftijd van drie jaren. Hij heeft gevorderd aan deze maatregel de bijzondere voorwaarden te koppelen die door de reclassering worden geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft subsidiair verzocht verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf gelijk aan het aantal dagen in voorarrest doorgebracht. Een voorwaardelijke ISD-maatregel is gelet op de feiten niet passend en heeft geen meerwaarde. Bij vonnis van de politierechter van 19 juni 2019 is immers reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden voor de duur van de proeftijd van drie jaren aan verdachte opgelegd, waarmee de gewenste hulpverlening en begeleiding door de reclassering is gewaarborgd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 11 juli 2019;

- voorlichtingsrapportages van Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, gedateerd 2 november 2019 en 8 februari 2019;

- een Psychologisch onderzoek Pro Justitia van drs. [naam] , psycholoog, gedateerd 12 februari 2019;

- een voorlichtingsrapportage van reclassering Iriszorg, gedateerd 18 juni 2019.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling.

Hij heeft een slachtoffer in een poging hem in het gezicht te raken met een vuistslag op de arm geraakt en een ander slachtoffer vanuit het niets een kopstoot gegeven. Hiermee heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dit soort geweld zorgt voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met brandstichting.

Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte vanaf 2015 meerdere keren in verband met geweldsdelicten is veroordeeld. Verdachte heeft er zo blijk van gegeven zijn agressie onvoldoende in bedwang te hebben.

Uit de rapportage van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering van 2 november 2018, dat in de zaken met parketnummers 05/800080-18 en 05/840613-18 is opgevraagd, blijkt onder meer het volgende.

Verdachte wilde niet in gesprek gaan met de reclassering. Op basis van dossieronderzoek komt de reclassering tot de conclusie dat er tal van problemen zijn op de verschillende leefgebieden. Het sterke vermoeden bestaat dat de psychische disbalans bij betrokkene een normaal zelfstandig maatschappelijk functioneren in de weg staat. Er zijn problemen op het gebied van middelengebruik, binnen de relatie, op woongebied, zelfverzorging en dagbesteding. Verdachte staat onder curatele en heeft leefgeld. Er zouden geen schulden zijn.

Zowel hulpverlening in een vrijwillig kader als ook binnen een forensisch kader heeft de laatste jaren weinig opgeleverd. Een aantal mogelijkheden (verschillende woonvormen, diagnostiek en verslavingsbehandeling) zijn niet uitvoerbaar geweest door de achterdochtige houding van verdachte. Intussen bleven de delicten toenemen en de beïnvloedbaarheid door derden werd steeds minder. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, omdat zij geen mogelijkheden zien om verdachte op een verantwoorde wijze te kunnen beïnvloeden. Verdachte zal langdurige behandeling moeten ondergaan als na diagnose duidelijk wordt waar er bij de mogelijkheden van verdachte aangehaakt kan worden. Dit is niet voldoende duidelijk en verdachte wil onvoldoende meewerken om tot een diagnose te komen.

Uit de rapportage van het Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering van 8 februari 2019, dat in de zaken met parketnummers 05/800080-18 en 05/840613-18 is opgevraagd, blijkt onder meer het volgende.

Verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek. Hij komt de meldplicht met de reclassering, opgelegd als schorsingsvoorwaarde van de voorlopige hechtenis, goed na. De verstandhouding met de curator is goed. De curator benoemt nadrukkelijk de constructieve houding van verdachte op het gebied van financiën.

Verdachte is door de ontwrichtende verhouding met zijn partner weer in de problemen gekomen bij de woonvoorziening GeWOONzo. Hij is hier uit gezet. De reclassering ziet al zeer lang de verhouding tussen verdachte en zijn partner als de trigger voor delictgedrag, waarbij twee mensen onmachtig zijn op een normale wijze met elkaar om te gaan. Verdachte is “de klos” als het gaat om de gevolgen. Hij is degene die dreigend is naar zijn vriendin of naar iedereen in zijn omgeving. Het destructieve karakter van de relatie is onbespreekbaar gebleken.

De reclassering ziet geen meerwaarde in een ISD-maatregel. Over twee jaar zal er niets veranderd zijn bij verdachte. De reclassering kan echter ook geen uitspraken doen over de kans op succes om verdachte delictvrij te kunnen begeleiden binnen een toezicht. De zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsstructuur van verdachte zijn van dien aard dat verandering hierin niet te verwachten valt. Verdachte heeft al een aanzienlijke ervaring als jeugdige in allerlei instellingen. Hij lijkt hierin verhard en wil onder geen beding opnieuw in een behandelsetting.

De reclassering ziet derhalve het meeste voordeel in het verder begeleiden van verdachte in een reclasseringstoezicht met voldoende ruimte voor de reclassering om passend aan te sluiten bij de behoeftes van verdachte. In de hoop zo het aantal delicten te beperken.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Uit het psychologisch onderzoek van [naam] , psycholoog, van 12 februari 2019, dat in de zaak met parketnummer 05/840613-18 is opgevraagd, blijkt onder meer het volgende.

Verdachte lijdt aan een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis en aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische trekken. Daarnaast is sprake van problematisch middelengebruik. Dit laatste lijkt echter geen rol te hebben gespeeld in de tenlastegelegde feiten.

Verdachte voelde zich voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten zeer onheus bejegend door aangever. Hij voelde zich gedomineerd en onterecht terechtgewezen. Doordat verdachte, samenhangend met de lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis, niet goed begrijpt wat de verhouding tussen hem en aangever was en doordat hij door zijn autoriteitsproblemen, samenhangend met de antisociale en narcistische trekken in zijn persoonlijkheid, overgevoeliger is voor het gevoel gedomineerd te worden, reageerde hij heftiger dan iemand zonder die stoornissen zou hebben gedaan. Door de emotieregulatieproblemen, die samenhangen met zowel de lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis als met de borderline trekken in zijn persoonlijkheid, reageerde verdachte vervolgens impulsief en heftig. De antisociale en narcistische trekken in zijn persoonlijkheid maken dat hij geen zicht heeft op de kant van de ander en achteraf berouw voelt. Daar zowel de lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis als de persoonlijkheidsstoornis hem belemmerd hebben zijn wil in vrijheid te bepalen, adviseert rapporteur hem het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Het risico dat verdachte opnieuw agressief zal reageren als hij zich onheus bejegend voelt, lijkt groot te zijn.

Verdachte is zowel emotioneel, als cognitief als gedragsmatig instabiel. Hij heeft verder geen huisvesting, geen dagbesteding en geen pro-sociaal netwerk.

Al met al lijkt het recidiverisico hoog te zijn.

Verdachte heeft problemen op alle levensgebieden. Toch lijkt een klinische behandeling weinig meerwaarde te hebben. De verstandelijke ontwikkelingsstoornis en de persoonlijkheidsstoornis van verdachte zijn beide niet goed te behandelen. Hij zal moeten leren hiermee om te gaan. Hem dat in een kliniek leren om hem vervolgens te moeten verplaatsen naar een andere setting, lijkt niet zinvol.

Verdachte lijkt het meest gebaat bij een vorm van begeleid wonen, waar rekening gehouden wordt met de lichte verstandelijke beperking en waar het risico dat hij overvraagd wordt, daarmee geminimaliseerd is. Daarnaast lijkt een ambulante behandeling gericht op het vergroten van emotieregulatievaardigheden en agressiehanteringsvaardigheden meerwaarde te kunnen hebben, mits de behandelaar in staat is om de behandeling af te stemmen op het intellectuele niveau van verdachte. Dit zou binnen een instelling als Kairos moeten kunnen. Het zou goed zijn verdachte door het FACT-team van Kairos te laten begeleiden.

Hoewel er geen contra-indicaties voor een ISD-maatregel bestaan, lijkt oplegging van een dergelijke maatregel weinig meerwaarde te hebben op de langere termijn.

Overwogen kan worden verdachte een (deels) voorwaardelijke straf, of zelfs een voorwaardelijke ISD-maategel op te leggen, waarbij het traject van begeleid wonen, ambulante behandeling en begeleiding door FACT-team als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. De reclassering dient vervolgens op het verloop van het traject toe te zien.

De rapportage van reclassering Iriszorg van 18 juni 2019, dat in het kader van (super)snelrecht in een zaak met parketnummer 05/138329-19 ten behoeve van de terechtzitting van de politierechter op 19 juni 2019 is opgevraagd, is gebaseerd op de inhoud van voorgaande adviezen. Verdachte wilde niet in gesprek met de reclassering.

De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Ter terechtzitting van 23 augustus 2019 heeft de reclassering in aanvulling op de rapportages toegelicht dat verdachte in aanmerking komt voor een kamer van stichting Onderdak. Hij houdt zich aan de afspraken met de reclassering. De reclassering adviseert om het huidige toezicht voort te zetten. Verdachte wil heel graag veranderen. Als hij echter bevangen wordt door emoties, is de kans groot dat hij delicten pleegt in reactie op een situatie waarin hij voor zijn gevoel klem is komen te zitten. Op zo’n moment zal het voor verdachte niets uitmaken of een gevangenisstraf van enkele maanden of een ISD-maatregel boven het hoofd hangt. Het belangrijkste is dat verdachte in toezicht blijft. Als hij niet onder stress staat, kan hij wel een gedragskeuze maken en kan een voorwaardelijke ISD wel in zoverre enige indruk op hem maken. Het probleem is echter, dat hij dat niet meer kan zodra hij onder druk komt. In zijn huidige relatie is dit iets wat al herhaalde malen is voorgekomen, iets wat ook komt door de manier waarop zijn vriendin hem soms benadert.

De rechtbank verenigt zich voor wat betreft de problematiek van verdachte met voormelde conclusies en neemt die over. De rechtbank is daarom van oordeel dat de onder parketnummer 05/840613-18 bewezen verklaarde feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank stelt vast dat de door verdachte thans begane feiten misdrijven betreffen

waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaande aan

deze feiten ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheids-

benemende straf veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat verdachte de bewezenverklaarde

feiten heeft begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.

De rechtbank is – mede op basis van de adviezen van de reclassering en de psycholoog – van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw de fout in zal gaan. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een (voorwaardelijke) ISD-maatregel is voldaan.

De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte in verband met problemen op verschillende leefgebieden langdurig begeleid wordt en hulpverlening krijgt.

Aan verdachte is meerdere keren een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Deze straffen hebben niet kunnen voorkomen dat verdachte nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de dagen in voorarrest doorgebracht, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opnieuw opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Daar komt bij dat als deze straf ten uitvoer wordt gelegd de noodzakelijke en door de verdediging ook gewenste begeleiding door de reclassering wegvalt. Dit is ook het geval als de bij vonnis van de politierechter van 19 juni 2019 voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd.

De rechtbank zal dan ook aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar opleggen met een proeftijd van drie jaren waardoor noodzakelijke begeleiding en hulpverlening voor langere tijd is gewaarborgd. Op deze maatregel zal de rechtbank de dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht niet in mindering brengen. Verdachte krijgt hiermee een laatste kans om met hulp de problemen op verschillende leefgebieden aan te pakken.

De rechtbank zal aan de voorwaardelijke ISD-maatregel de hierna te noemen bijzonder voorwaarden verbinden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder parketnummer 05/800080-18 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 600,- aan immateriële schade waarbij dit bedrag door de rechter mag worden bepaald, te vermeerderen met wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen tot een bedrag van € 400,-.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd gelet op de bepleite vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, vast dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 05/800080-18 bewezenverklaarde handelen tot een bedrag van € 300,- schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde moet de vordering, als in zoverre ongegrond worden afgewezen.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 17 september 2018.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 14d, 36f, 38p, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/800015-19 tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

 bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van de na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich conform de huidige afspraken zal melden bij reclassering van het Leger des Heils, op het adres [adres 1] en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt onder behandeling zal stellen van de forensische polikliniek Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

Als de indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Stichting Onderdak of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering en zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Bij het vinden van een zelfstandige woonruimte accepteert veroordeelde woonbegeleiding aan huis;

- zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich niet in en bij de directe omgeving van de zorglocatie GeWOONzo, [adres 2] , bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit locatieverbod;

- geeft opdracht aan reclassering van het Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

 De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde met parketnummer 05/800080-18 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 wijst de vordering tot schadevergoeding voor het overige af;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, een bedrag te betalen van € 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. M. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Rijkse, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 september 2019.

mr. J.M. Hamaker en mr. B. Rijkse zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018343005, gesloten op 1 augustus 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 16 en 17, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 21 en 22.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 16 en 17.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 21 en 22.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 23 en 24.

Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 29 en 30.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] p. 16 en 17, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 21 en 22.

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , p. 17 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 22.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018420136, gesloten op 2 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 13.

Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 15.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p.17.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 23 en 24.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature