< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/352187 / KG ZA 19-148

Vonnis in kort geding van 29 mei 2019

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.C. Schouten te Breda,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelend te Arnhem,

gedaagde,

advocaten mrs. T.E.P.A. Lam en M.B.J. Thijssen te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en de gemeente worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties 1 tot en met 23

de vervangende productie 12 en producties 24 tot en met 32 van [naam eiser]

de akte eiswijziging van [naam eiser]

de tweede akte eiswijziging van [naam eiser]

de producties 1 tot en met 30 van de gemeente

de mondelinge behandeling van 16 mei 2019

de pleitnota van [naam eiser]

de pleitnota van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam eiser] hangt het Islamitische geloof aan. Tot medio 2018 heeft hij in dat verband als imam gewerkt in de [naam moskee] in [plaats] . Het Algemeen Dagblad heeft op 9 juni 2018 een artikel gepubliceerd met als titel “ [naam moskee] in [plaats] biedt salafist podium” en als inleiding op het artikel “ [naam moskee] aan de [adres] heeft het afgelopen jaar een podium geboden aan een salafistische imam”. Op 13 juni 2018 heeft het Algemeen Dagblad een artikel gepubliceerd met de titel “ [gemeente] wil onderzoek naar omstreden imam”. De korte inleiding op dit artikel luidd e: “De gemeente [gemeente] wil uitgezocht hebben of moslimjongeren in de [naam moskee] lezingen hebben bijgewoond van een salafistische imam”. Beide artikelen hadden betrekking op [naam eiser] .

2.2.

De gemeente heeft in diezelfde periode een rapportage ontvangen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), waarin aan de gemeente onder andere over [naam eiser] is gerapporteerd.

2.3.

In 2018 heeft de gemeente het ‘Uitvoeringsplan Aanpak Radicalisering 2018’ opgesteld vanwege de terroristische dreiging die zich de afgelopen jaren in Arnhem heeft voorgedaan. Het betreft een praktisch uitvoeringsplan waarmee de gemeente radicalisering wil tegengaan en jongeren weerbaar wil maken.

2.4.

[naam eiser] heeft op 22 oktober 2018 gesolliciteerd naar de functie van imam bij de [naam moskee] in Arnhem. Daar is hij met ingang van 1 november 2018 voor een proefperiode van twee maanden aangesteld als imam. De gemeente is hiervan in november 2018 op de hoogte geraakt.

2.5.

Naar aanleiding daarvan heeft op 13 december 2018 een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter van het bestuur van de [naam moskee] , [naam eiser] , een veiligheidsmedewerker van de gemeente, [naam veiligheidsmedewerker gemeente] , en een door de gemeente ingeschakelde veiligheidsdeskundige, [naam veiligheidsdeskundige] . Tijdens het gesprek is gesproken over de standpunten en overtuigingen van [naam eiser] en de wijze waarop hij de functie van imam zou willen gaan inkleden.

2.6.

Op 17 december 2018 heeft [naam veiligheidsmedewerker gemeente] aan het bestuur van de moskee onder meer het volgende sms-bericht aangaande [naam eiser] verstuurd:

‘(…) Wat hij hier zegt is ook niet een probleem. Zijn salafistische signatuur en verbinding met omstreden salafistische organisaties en predikers maakt dat het voor de moskee en de gemeenschap negatieve aandacht en berichtgeving gaat opleveren. U hoort de gematigde woorden die hij uitspreekt maar of u het nu wil horen of niet als u hem als imam aanhoudt wordt de moskee vanaf nu gezien en benadert als salafistische organisatie. Dat lijkt me onwenselijk en heel zonde van de goede banden en het contact dat wij hebben. (…)’

2.7.

In december 2018 is namens het bestuur van de [naam moskee] een door [naam eiser] georganiseerde Koranavond aangekondigd die op 22 december 2018 zou gaan plaatsvinden. Voor deze avond had [naam eiser] naast zichzelf twee predikers als sprekers uitgenodigd. De PVV-fractie heeft op enig moment kennis genomen van deze geplande avond en daarover de volgende vragen aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente gesteld:

Is het college het met de PVV-fractie eens dat het onwenselijk is dat salafistische sprekers in Arnhem hun gif komen verspreiden en dat het dus onwenselijk is dat haatprediker [naam eiser] [ [naam eiser] ; vzr] op uitnodiging van de [naam moskee] naar Arnhem komt?

Is het college het met de PVV-fractie eens dat de boodschappen die [naam eiser] verspreidt bijdragen aan radicalisering en de integratie van niet-westerse allochtonen tegenwerkt? En zo nee, waarom niet?

Is het college bereid om de salafistische haatprediker [naam eiser] de toegang tot de Arnhemse [naam moskee] en de rest van Arnhem te ontzeggen, zodat hij niet kan bijdragen aan de radicalisering van nog meer Arnhemse moslims? En zo nee, waarom niet?

2.8.

Deze vragen zijn vervolgens in de raadsvergadering van 19 december 2018 aan de orde gekomen. In het (samenvattend) verslag van deze vergadering staat onder meer het volgende vermeld:

‘(…)

Burgemeester Marcouch antwoordt namens het college dat het van mening is dat de huidige ontwikkeling, het uitnodigen en wellicht het aantreden van [naam eiser] [ [naam eiser] ; vzr] als imam, zeer onwenselijk is. Het salafisme, waarvan de aanhang zich vooral bevindt onder jongeren, zet aan tot geweld en past niet bij onze democratische en open samenleving. In Arnhem wordt samen met de islamitische gemeenschap gewerkt aan het voorkomen en bestrijden van radicalisering. Deze ontwikkeling past hier niet in en is daarom zeer onwenselijk. De burgemeester antwoordt dat hij zeer actief in gesprek is met de [naam moskee] waarbij hij de moskee aanspreekt op hun verantwoordelijkheid. Uit de beschikbare informatie blijkt geen causaal verband tussen de activiteiten van [naam eiser] en radicalisering en er zijn geen strafbare uitingen geconstateerd. De burgemeester heeft geen juridische bevoegdheid om iemand de toegang te ontzeggen, salafistisch zijn is onvoldoende aanleiding en er zijn verder onvoldoende aanwijzingen dat [naam eiser] aanzet tot haat om over te gaan tot een gebiedsverbod.’

2.9.

Op 19 december 2018 heeft de Gelderlander een artikel met betrekking tot [naam eiser] gepubliceerd met als titel “Omstreden prediker op proef bij Arnhemse moskee”. Later deze dag is een tweede artikel betreffend e [naam eiser] in de Gelderlander verschenen met de titel “Marcouch raadt Arnhemse moskee salafistische imam af”. In een volgend artikel in de Gelderlander van 21 december 2018 met als titel “Arnhemse moskee is bereid omstreden imam te laten vallen” staat onder meer het volgende vermeld:

‘(…)

In kringen van islamkenners wordt [naam eiser] [ [naam eiser] ; vzr] gezien als radicaal. Hij zou een aanhanger zijn van het salafisme, een fundamentalistische stroming binnen de islam, en onder meer in contact staan met de omstreden islamitische stichting [naam stichting] . (…)

Van Marcouch is al langer bekend dat hij in het salafisme een politiek-religieuze ideologie ziet die zich niet verdraagt met de westerse samenleving en de democratische rechtsstaat die we in Nederland kennen. (…)

,,Deze orthodoxe stroming is problematisch en gevaarlijk omdat ze de superioriteit van salafisten uitdraagt, omdat ze streeft naar de heilstaat van het kalifaat en omdat ze iedereen verkettert die de leer niet onderschrijft. Ze is zeer intolerant tegenover andersdenkenden, of die nu wel of niet moslim zijn. En ze ziet geweld als middel om het heilige doel te realiseren”, legt de burgemeester uit.

Die achtergrond maakt volgens Marcouch dat predikers als [naam eiser] [ [naam eiser] ; vzr] jongeren ideologisch zodanig kunnen voeden dat deze uiteindelijk in actie komen, ook met geweld. ,,Die jongeren denken op enig moment: ik heb genoeg gehoord, en reizen dan af om in Syrië te strijden of om zich bij IS te voegen en te helpen met het realiseren van de heilstaat. En als die er is, moet je daar vooral heen, want dan is er geen reden meer om in het land van ongelovigen te wonen.”

(…)’

2.10.

Eind december 2019 heeft de gemeente van de politie een rapport ontvangen over [naam eiser] . Bij het opstellen van dit rapport heeft de politie gebruik gemaakt van informatie uit openbare (online) bronnen.

2.11.

Het bestuur van de [naam moskee] heeft eind december 2018 aan [naam eiser] medegedeeld dat het zijn proefperiode als imam niet zal omzetten in een dienstverband en dat [naam eiser] vanaf 1 januari 2019 niet langer als imam in de moskee werkzaam zal zijn.

2.12.

Medio januari 2019 heeft (de advocaat van) [naam eiser] de gemeente aangeschreven met het bericht dat hij door toedoen van de gemeente ernstige (im)materiële schade heeft geleden, welke schade hij vergoed wil zien. [naam eiser] wenste met zijn brief een minnelijke regeling te bereiken. De gemeente heeft daar niet aan meegewerkt. Vervolgens heeft (de advocaat van) [naam eiser] de gemeente bij brief van 1 maart 2019 aansprakelijk gesteld voor de schade die [naam eiser] door het (onrechtmatig) handelen van de gemeente stelt te hebben geleden. De gemeente heeft in reactie daarop iedere vorm van aansprakelijkheid van de hand gewezen en is niet tot betaling van enige vorm van schadevergoeding overgegaan.

2.13.

Bij brief van 14 maart 2019 heeft (de advocaat van) [naam eiser] bij de Regionale Eenheid Oost-Nederland en de Politieregio Gelderland-Midden een verzoek ingediend ex artikel 25 en 28 Wet politiegegevens, om de bij de politie bekende persoonsgegevens van [naam eiser] aan hem ter beschikking te stellen. Bij brief van 15 maart 2019 heeft (de advocaat van) [naam eiser] in het kader van waarheidsvinding een soortgelijk verzoek gedaan aan het NCTV. Tot op heden heeft [naam eiser] op basis van deze verzoeken geen gegevens ontvangen.

2.14.

Op 14 april 2019 heeft [naam veiligheidsdeskundige] een e-mailbericht aan [naam veiligheidsmedewerker gemeente] gestuurd met een verslag van het kennismakingsgesprek dat op 13 december 2018 met [naam eiser] heeft plaatsgevonden. In dit verslag heeft [naam veiligheidsdeskundige] onder andere vermeld dat [naam eiser] op controversiële punten geen of een ontwijkend antwoord gaf en dat het leek alsof hij een berekenende indruk maakte.

2.15.

[naam eiser] heeft de afgelopen maanden bij verschillende moskeeën gesolliciteerd naar de functie van imam, maar is tot op heden (nog) nergens aangenomen.

3 Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I de gemeente te veroordelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis in dagblad “De Gelderlander”, in een formaat van 2 krantenkolommen van 15 centimeter lang, een rectificatie te plaatsen, waarvan de inhoud luidt:

“In artikelen in De Gelderlander van 21 december 2018 en 9 maart 2019 heb ik ten onrechte imam [naam eiser] een salafist genoemd en door mijn uitlatingen de indruk gewekt dat hij jongeren radicaliseert, aanzet tot geweld en intolerant is tegen andersdenkenden. Voor deze aantijgingen bestaat geen steun in de feiten en heb ik geen enkel bewijs.

Ik kwalificeer in mijn uitlatingen de heer [naam eiser] als een imam die het gebruik van geweld niet afzweert terwijl ik wist en behoorde te weten dat hij juist openlijk in publicaties en zijn preken afstand neemt van gewelddaden door jihadisten en andere fundamentalisten. De feiten en publicaties van zijn hand wijzen juist uit dat hij zich inzet voor vrede, veiligheid en tolerantie.

Ahmed Marcouch

Burgemeester Arnhem”

II de gemeente te gebieden het doen van negatieve uitlatingen over [naam eiser] , strekkende tot dat hij salafist is, jongeren radicaliseert, een gevaar is voor de stad Arnhem of de samenleving, de segregatie van bevolkingsgroepen verstoort en/of andere aantijgingen met de bedoeling [naam eiser] te demoniseren en/of als extremist af te schilderen, te staken en gestaakt te houden;

III de gemeente te veroordelen tot de betaling van een voorschot op de materiële schade uit hoofde van verlies van inkomen van € 1.700,00 per maand, zo lang de situatie voortduurt dat [naam eiser] geen werk als imam kan vinden of totdat een vonnis in de bodemprocedure is gewezen, welke procedure [naam eiser] binnen twee maanden na de datum van dit vonnis in kort geding zal aanbrengen bij de rechtbank Gelderland, welk voorschot iedere maand aan [naam eiser] betaald dient te zijn voor het einde van de kalendermaand;

IV de gemeente te veroordelen tot betaling van een voorschot op de materiële schade ter vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 13.431,00 inclusief BTW;

V de gemeente te veroordelen tot betaling van een voorschot op de immateriële schade van € 25.000,00 ter vergoeding van de geleden en nog te lijden reputatieschade;

VI te bepalen dat de gemeente een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van

€ 1.000,00 per dag dat de gemeente de bevelen onder I en/of II en/of VII overtreedt met een maximum van in totaal € 50.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te voldoen aan [naam eiser] binnen 72 uur nadat deze overtreding aan de gemeente per aangetekend schrijven bekend is gemaakt;

VII de gemeente te veroordelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan [naam eiser] te verstrekken alle informatie en (persoons)gegevens die door de Nationale Politie en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid zijn overgedragen aan en ontvangen en/of verwerkt door de gemeente Arnhem en/of de burgemeester;

Subsidiair

VIII althans ten aanzien van vordering I tot en met VII een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;

Primair en subsidiair

IX in alle gevallen met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2.

De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[naam eiser] heeft in de eerste plaats een vordering ingesteld tot rectificatie van uitlatingen die over hem zijn gedaan. Het staat vast dat de burgemeester van Arnhem, Marcouch, zich één keer in de pers heeft uitgelaten over [naam eiser] en wel in een artikel in de Gelderlander van 21 december 2018. De uitspraken van Marcouch in dat artikel zijn hiervoor onder 2.9. geciteerd. Volgens [naam eiser] zijn die uitlatingen onrechtmatig jegens hem en is hij daardoor verdacht gemaakt en in zijn eer en goede naam aangetast. Bij de beoordeling dient het volgende tot uitgangspunt. Tegenover elkaar staan twee zwaarwegende belangen: aan de ene kant het belang van [naam eiser] dat hij niet lichtvaardig aan verdachtmakingen wordt blootgesteld en daardoor wordt aangetast in eer en goede naam en anderzijds het belang dat gevaren die verbonden kunnen zijn aan een bepaalde (geloofs)overtuiging publiekelijk aan de orde kunnen worden gesteld. De beide belangen worden ook beschermd door grondrechten die gewaarborgd zijn in artikel 8 EVRM respectievelijk artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Welk van de ze gelijkwaardige rechten in het gegeven geval voorgaat, vergt een afweging van belangen. Daarbij zal onder andere in ogenschouw moeten worden genomen: a. de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen daarvan voor [naam eiser] b. de ernst van het publieke belang dat ermee is gemoeid om de kwestie in de pers aan de orde te stellen c. de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de feiten d. de manier waarop de uitlatingen zijn gedaan e. de noodzaak daarvoor en f. de mate waarin de verdenkingen ook zonder die uitlatingen publiek bekend waren of zouden worden.

4.2.

Voorop staat dat de radicalisering van moslim jongeren een ernstig probleem is dat ernstige gevolgen kan hebben voor de (veiligheid van de) samenleving. Tussen de partijen is ook niet in geschil dat bepaalde imams door de boodschap die zij uitdragen jongeren tot radicalisering kunnen aanzetten met onverdraagzaamheid en uiteindelijk gebruik van geweld als gevolg. In het publieke debat worden zulke imams vaak bestempeld als behorend tot een islamitische politiek-religieuze stroming die salafisme wordt genoemd. [naam eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij wel een religieuze salafist is, in die zin dat hij een sterke geloofsovertuiging heeft die recht in de leer is, maar ook dat hij vredelievend is en niet politiek, radicaal of aanzettend tot radicalisering of haat. Namens de gemeente is niet betwist dat er ook salafisten van zulke religieuze signatuur bestaan. Salafisme is dus een kwalificatie die op verschillende vormen van islamitische overtuiging en uitingen daarvan betrekking kan hebben. Voor zover burgemeester Marcouch [naam eiser] al publiekelijk een salafist heeft genoemd, kan daarvan op zichzelf niet worden gezegd dat dit onjuist was en als zodanig houdt dit ook niet een verdachtmaking in dat [naam eiser] tot een stroming behoort die aanzet tot radicalisering, onverdraagzaamheid, haat en geweld. In het artikel in de Gelderlander geeft burgemeester Marcouch een omschrijving van wat in zijn visie salafisme inhoudt:

“Deze stroming is problematisch en gevaarlijk omdat ze de superioriteit van salafisten uitdraagt, omdat ze streeft naar de heilstaat van het kalifaat en omdat ze iedereen verkettert die de leer niet onderschrijft. Ze is zeer intolerant tegenover andersdenkenden, of die nu wel of niet moslim zijn. En ze ziet geweld als middel om het heilige doel te realiseren.”

Deze passage is als zodanig niet onrechtmatig jegens [naam eiser] . In de daarop volgende alinea legt de burgemeester echter een rechtstreeks verband met de persoon van [naam eiser] :

“Die achtergrond maakt volgens Marcouch dat predikers als [naam eiser] ( [naam eiser] ; vzr.) jongeren ideologisch zodanig kunnen voeden dat deze uiteindelijk in actie komen, ook met geweld: ‘Die jongeren denken op enig moment: ik heb genoeg gehoord, en reizen dan af om in Syrië te strijden of om zich bij IS te voegen en te helpen met het realiseren van de heilstaat. En als die er is moet je daar vooral heen, want dan is er geen reden meer om in het land van ongelovigen te wonen’.”

In deze alinea wordt [naam eiser] onmiskenbaar rechtstreeks in verband gebracht met salafisme in de betekenis die de burgemeester daaraan even daarvoor heeft gegeven. Daarmee is sprake van ernstige verdachtmaking van [naam eiser] . Daarvoor bestaat echter onvoldoende grond in de feiten zoals die in dit kort geding zijn gebleken. De eerdere krantenberichten brengen [naam eiser] wel in verband met het soort salafisme dat de burgemeester op het oog heeft, maar feitelijke gegevens waaruit blijkt dat [naam eiser] de daarbij behorende gedragingen en uitlatingen vertoont, zijn daarin als zodanig niet te vinden. Dat geldt ook voor het verslag van het gesprek van [naam veiligheidsdeskundige] . Daarin wordt slechts een oordeel over [naam eiser] gegeven op basis van zijn houding en gedrag in dat gesprek. Verder beroept de gemeente zich op schriftelijke informatie van de NCTV van medio 2018 en schriftelijke informatie van de politie van december 2018. Op zichzelf is wel begrijpelijk dat er redenen van veiligheid kunnen zijn waarom de gemeente die informatie niet openbaar kan maken. Op basis van de verklaring van [naam veiligheidsmedewerker gemeente] ter zitting moet worden aangenomen dat die informatie is gebaseerd op onderzoek van (voor iedereen openbare) internetgegevens die door de politie en NCTV zijn geanalyseerd. Tot welke conclusies van politie en NCTV dit heeft geleid is niet duidelijk geworden. Het is niet vast te stellen of die conclusies zodanig zijn dat [naam eiser] blijkens uitingen en gedrag een representant is van salafisme zoals de burgemeester dat voor ogen heeft. Hierbij komt dat de burgemeester zelf eerder heeft benadrukt dat er in de boodschappen die van [naam eiser] bekend zijn geen haatdragende of strafbare uitspraken voorkomen en niet is gebleken van causaal verband tussen activiteiten van [naam eiser] en radicalisering. De gemeente heeft in dit geding ook geen gepubliceerde preken van [naam eiser] overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat [naam eiser] wel boodschappen van haat en onverdraagzaamheid verspreidt die oproepen tot radicalisering. Het ligt voor de hand dat het in verband brengen van [naam eiser] met de hiervoor bedoelde vorm van salafisme met bijbehorende gedragingen en uitingen beschadigend zal zijn voor de eer en goede naam van [naam eiser] en met het oog op zijn mogelijkheden om zijn werk als imam te doen, temeer indien dit, zoals hier, door een burgemeester van een middelgrote stad wordt gedaan.

4.3.

Het is denkbaar dat het uitdragen van een enkel religieus-salafistische geloofsovertuiging ook zonder dat wordt aangezet tot onverdraagzaamheid of haat (onbedoeld) een radicaliseringseffect kan hebben op jongeren. Daarvoor zou de burgemeester best in de krant aandacht hebben mogen vragen en hebben mogen waarschuwen ook onder verwijzing naar [naam eiser] . In het hiervoor bedoelde artikel wordt echter gesuggereerd dat ook [naam eiser] zelf zeer onverdraagzaam is, iedereen verkettert, streeft naar de heilstaat van het kalifaat en geweld als middel ziet om het heilige doel te realiseren. Zonder dat daarvoor aantoonbaar grond bestaat in de feiten, behoorden zulke suggesties in de gegeven omstandigheden achterwege te blijven. De gevaren die mogelijk verbonden kunnen zijn aan religieus salafisme als voedingsbodem voor radicalisering, legitimeren zulke suggesties zonder voldoende grond in de feiten niet. De burgemeester heeft aldus onrechtmatig gehandeld tegenover [naam eiser] , welk handelen aan de gemeente moet worden toegerekend. Dat [naam eiser] al eerder in krantenberichten in verband is gebracht met – kort gezegd – haatzaaiend en opruiend salafisme, doet daaraan niet af. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de gemeente als maatregel tot rechtzetting en ter voorkoming van verder nadeel de volgende rectificatie in de Gelderlander te doen plaatsen:

“De voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem heeft bij vonnis van

29 mei 2019 geoordeeld dat de suggestie die de burgemeester van Arnhem, Marcouch, in de Gelderlander van 21 december 2018 heeft gewekt dat imam [naam eiser] een salafist is die zelf streeft naar de heilstaat van het kalifaat, zeer onverdraagzaam is, iedereen verkettert die de leer niet onderschrijft en geweld ziet als middel om het heilige doel te bereiken en behoort tot een salafistische stroming die dit uitdraagt en daartoe aanzet, geen steun vindt in de feiten zoals die in het kort geding zijn gebleken.”

Voor een verbod tot het doen van verdere negatieve uitlatingen zoals door [naam eiser] gevorderd ziet de voorzieningenrechter thans geen grond. Het zal de gemeente op grond van het onderhavige vonnis duidelijk zijn wat wel en niet toelaatbaar is. Voor het opleggen van een dwangsom ziet de voorzieningenrechter vooralsnog evenmin aanleiding. Van de gemeente mag als overheid worden verwacht dat zij dit vonnis vrijwillig en naar behoren zal nakomen.

4.4.

In de tweede plaats stelt [naam eiser] zich op het standpunt dat de burgemeester en/of de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door zich te wenden tot het bestuur van de [naam moskee] in Arnhem in het kader van een voorgenomen benoeming van [naam eiser] tot imam, met als gevolg dat het bestuur van zijn benoeming heeft afgezien. Op die grond vordert hij een voorschot op de schade die hij daardoor heeft geleden. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. De gemeente Arnhem voert een beleid om radicalisering van moslims binnen de gemeente tegen te gaan. In het kader van dat beleid zijn er ook contacten met besturen van moskeeën. Het kan op zichzelf niet onrechtmatig of ongeoorloofd worden genoemd dat de gemeente daarbij ook het gesprek aangaat over de wenselijkheid van benoeming van imams van een signatuur die aanzet tot radicalisering, onverdraagzaamheid, haat en geweld. Voor zover de gemeente [naam eiser] daarbij in verband heeft gebracht met een dergelijke vorm van salafisme bestond daarvoor onvoldoende grond in de feiten. Los van dat laatste kan het enkele aangaan van het gesprek met het bestuur over de wenselijkheid van de benoeming van een imam van een bepaalde religieuze signatuur op zichzelf niet onrechtmatig worden genoemd. Het is, zoals hiervoor gezegd, denkbaar dat het uitdragen van een bepaalde (salafistische) geloofsovertuiging ook zonder dat wordt aangezet tot onverdraagzaamheid of haat (onbedoeld) een radicaliseringseffect kan hebben op jongeren. Het past binnen het beleid van de gemeente om te trachten radicalisering tegen te gaan en dus ook het gesprek met het bestuur van een moskee over de wenselijkheid van benoeming van een imam met een bepaalde signatuur aan te gaan. Het is mogelijk dat het gesprek daarover de grens van inmenging heeft overschreden. Klaarblijkelijk is aan het bestuur van de moskee voorgehouden dat de moskee door de gemeente verder als een salafistische organisatie zou worden beschouwd indien het [naam eiser] als imam zou aanstellen. Gezien het beeld dat bij de gemeente van salafisme bestaat, zal dat een vooruitzicht zijn dat het bestuur liever zal vermijden. Niet kan echter worden vastgesteld dat het bestuur door dit een en ander ook werkelijk is bewogen om [naam eiser] niet aan te stellen. Het is heel goed mogelijk dat het bestuur van de moskee na het gesprek met [naam eiser] in aanwezigheid van [naam veiligheidsdeskundige] en na eigen onderzoek besloten heeft om af te zien van aanstelling van [naam eiser] . Dat zou ook heel goed met eerdere berichtgeving in de pers te maken kunnen hebben gehad, voor de inhoud waarvan de gemeente niet verantwoordelijk is. In het kader van dit kort geding laat zich niet een causaal verband vaststellen tussen de handelwijze van de gemeente en het mislopen van de aanstelling. Voor een voorschot op schadevergoeding door inkomensderving is daarom geen grond.

4.5.

Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding de gemeente te veroordelen tot betaling van een voorschot op immateriële schade wegens aantasting in eer en goede naam. Het is aannemelijk dat de reputatie van [naam eiser] is aangetast doordat hij zonder dat dit bevestiging vindt in de feiten in de krant in verband is gebracht met salafisme dat aanzet tot radicalisering, onverdraagzaamheid, haat en geweld. Hier geldt echter dat [naam eiser] al enkele keren eerder in de pers daarmee in verband was gebracht en dat zijn reputatie daardoor al geschaad was, waarvoor de gemeente niet verantwoordelijk is. Daarom zal slechts een beperkt bedrag toegewezen kunnen worden, dat de voorzieningenrechter zal stellen op € 4.000,-. Het meer gevorderde bedrag zal worden afgewezen.

4.6.

Voorts vordert [naam eiser] een bedrag van € 13.134,00 aan buitengerechtelijke kosten voor het inschakelen van een gespecialiseerde media advocaat, het trachten tot een schikking te komen en het indienen van enkele WOB-verzoeken bij de gemeente. Ter onderbouwing van deze kosten heeft [naam eiser] een urenstaat overgelegd waarin de door zijn advocaat aan deze werkzaamheden bestede uren zijn weergegeven. Voor vergoeding van (een gedeelte van) de reële proceskosten in deze zaak is vanwege de aard en inhoud van het voorgelegde geschil echter geen plaats. De gevorderde kosten betreffen feitelijk kosten ter voorbereiding van het kort geding en uitgangspunt is dat deze kosten voor rekening van eisende partij zelf komen. Er bestaat geen aanleiding daarover in deze zaak anders te oordelen, zodat de vordering strekkende tot betaling van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Wel bestaat vanwege de aan de gemeente verzonden brieven en sommaties aanleiding een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen, welk bedrag in overeenstemming met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden vastgesteld op € 525,00.

4.7.

[naam eiser] vordert verder dat de gemeente zal worden veroordeeld om hem de informatie te verstrekken die de gemeente van de NCTV en de politie heeft ontvangen. Tegen een verplichting daartoe van de gemeente verzetten zich zwaarwichtige redenen. Het is de vraag of zulke informatie [naam eiser] om redenen van veiligheid kan worden verstrekt. Of die informatie kan worden verstrekt zal verder moeten worden beoordeeld in het kader van de aanhangige verzoeken op grond van de WPG en/of de AVG. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

4.8.

De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de exploot- en/of advertentiekosten aan de griffier niet mogelijk. Met inachtneming hiervan worden aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op:

griffierecht € 79,00

salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.059,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de gemeente binnen acht werkdagen na de datum van dit vonnis in dagblad “De Gelderlander” op een goed zichtbare plaats en van voldoende opvallend formaat een rectificatie te plaatsen, waarvan de inhoud luidt:

“De voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem heeft bij vonnis van

29 mei 2019 geoordeeld dat de suggestie die de burgemeester van Arnhem, Marcouch, in de Gelderlander van 21 december 2018 heeft gewekt dat imam [naam eiser] een salafist is die zelf streeft naar de heilstaat van het kalifaat, zeer onverdraagzaam is, iedereen verkettert die de leer niet onderschrijft en geweld ziet als middel om het heilige doel te bereiken en behoort tot een salafistische stroming die dit uitdraagt en daartoe aanzet, geen steun vindt in de feiten zoals die in het kort geding zijn gebleken.”

5.2.

veroordeelt de gemeente in het kader van immateriële schadevergoeding aan [naam eiser] te betalen € 4.000,00,

5.3.

veroordeelt de gemeente tot betaling van € 525,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.4.

veroordeelt de gemeente tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [naam eiser] begroot op € 1.059,00 in totaal, welk bedrag bestaat uit € 79,00 aan griffierecht en € 980,00 aan salaris advocaat,

5.5.

bepaalt dat de gemeente de proceskosten moet betalen aan de advocaat van [naam eiser] ,

5.6.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 29 mei 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature