< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak van mensenhandel, afpersing en oplichting van 4 vrouwen. Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf wegens ontucht met een minderjarige en oplichting van 2 vrouwen door middel van telefoonabonnementen. Tevens oplegging van een contactverbod ex artikel 38v Sr .

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881714-17

Datum uitspraak : 10 mei 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedatum 1] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats 1] ,

thans gedetineerd te P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave,

raadsman: mr. R.J. Laatsman, advocaat te Oss.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 augustus 2018, 7 oktober 2018, 17 december 2018, 11 maart 2019, 16 april 2019 en 26 april 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

De inhoud van de tenlastelegging is te vinden in de bijlage bij dit vonnis en omvat – kort weergegeven en na verschillende toegewezen vorderingen tot aanpassing respectievelijk wijziging van de tenlastelegging – de navolgende verdenkingen:

 feit 1: (mede)plegen van mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] ,

en/of oplichting van voornoemde personen, met uitzondering van [slachtoffer 2] ,

en/of afpersing van [slachtoffer 4] ;

feit 2: afpersing van [slachtoffer 7] ;

feit 3: oplichting van [slachtoffer 8] ;

feit 4: seksueel binnendringen bij iemand beneden de zestien jaar, te weten [slachtoffer 9] ;

feit 5: (mede)plegen van mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 9] .

2a. Nietigheid dagvaarding?

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding partieel nietig is, doordat een noodzakelijke verfeitelijking in de tenlastelegging ontbreekt. Volgens de raadsman valt uit de tenlastelegging niet af te leiden welke gedragingen verdachte precies worden verweten met betrekking tot artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) en evenmin met wie verdachte dan precies heeft samengewerkt.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het laatstgenoemde dat uit artikel 261 Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) niet volgt dat het begrip “medeplegen” in de tenlastelegging dient te worden verfeitelijkt. De rechtbank merkt op dat overigens uit het dossier voldoende valt te herleiden op wie de opsteller van de tenlastelegging heeft gedoeld.

Voorts leest de rechtbank de tenlastelegging aldus dat de in de tenlastelegging onder het kopje “(lid 1, onder 6º)” opgesomde uitvoeringshandelingen ook betrekking hebben op alle daarvóór beschreven strafbare feiten van artikel 273f Sr .

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging ten aanzien van de door de raadsman genoemde punten wel voldoet aan de in artikel 261 Sv genoemde vereisten. Het beroep op nietigheid wordt verworpen.

Ambtshalve merkt de rechtbank nog op dat – gelet op de vele verwijzingen in de opsomming na “(lid 1, onder 6º)” naar seksuele handelingen – uit de tenlastelegging niet zonder meer duidelijk blijkt wat de opsteller van de tenlastelegging heeft bedoeld met de in de tenlastelegging genoemde woorden “arbeid en/of diensten”. Dit wordt immers niet nader gespecificeerd in de tekst van de tenlastelegging die ziet op artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 ⁰, Sr.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende. De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat het dossier een beeld oproept van een verdachte die welbewust slachtoffers heeft uitgekozen en verleid met het vooropgezette doel om hen telefoonabonnementen te laten afsluiten om zo geld te verdienen. Volgens de officier van justitie vormde seks daarbij een middel om tot het afsluiten van die telefoonabonnementen te komen. Gelet op dit betoog van de officier van justitie, gaat de rechtbank er vanuit dat de woorden “arbeid en/of diensten” in de tenlastelegging zien op het afsluiten van telefoonabonnementen. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting concludeert de rechtbank dat ook de verdediging van deze interpretatie is uitgegaan. De rechtbank zal dan ook in het vervolg van dit vonnis uitgaan van deze lezing van de tenlastelegging.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging, aldus gelezen, in overeenstemming is met de vereisten genoemd in artikel 261 Sv .

Verder merkt de rechtbank op dat met de op 16 april 2019 toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging niet alleen de vermelding “subsidiair”, maar (impliciet) ook de toevoeging “primair” aan feit 1 is komen te vervallen. Voor de leesbaarheid van de tenlastelegging en begrijpelijkheid van dit vonnis heeft de rechtbank de verschillende aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten, zoals opgenomen onder feit 1, genummerd van A tot en met F.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

2b.-1 Met betrekking tot feit 1onder A (mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2]

, [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] )

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

De in de tenlastelegging genoemde vrouwen hebben in elk geval de volgende telefoonabonnementen afgesloten in de ten laste gelegde periode:

Naam:

Datum:

Provider:

Telefoon:

IMEI-nummer:

Telefoonnr.:

[slachtoffer 1]

16 oktober 2014

T-Mobile

iPhone 5s

[nummer 1]

[telefoonnummer 1]

KPN

iPhone 6

[nummer 2]

[telefoonnummer 2]

KPN

iPhone 5s

[nummer 3]

[telefoonnummer 3]

Vodafone

onbekend

onbekend

[slachtoffer 2]

4 mei 2016

KPN

iPhone 6s

[nummer 4]

[telefoonnummer 4]

[slachtoffer 3]

11 februari 2016

KPN

iPhone 6s Gold

[nummer 5]

[telefoonnummer 5]

T-Mobile

iPhone 6s

[nummer 6]

[telefoonnummer 6]

Vodafone

iPhone 6s

onbekend

[telefoonnummer 7]

[slachtoffer 4]

18 februari 2016

T-Mobile

iPhone 6s

[nummer 7]

[telefoonnummer 8]

[slachtoffer 5]

4 mei 2016

KPN

iPhone 6s

onbekend

[telefoonnummer 9]

T-Mobile

iPhone 6s

[nummer 8]

[telefoonnummer 10]

T-Mobile

iPhone 6s

[nummer 9]

[telefoonnummer 11]

[slachtoffer 6]

9 januari 2017

KPN/ Telfort

iPhone 7

[nummer 10]

[telefoonnummer 12]

T-Mobile

iPhone 7

[nummer 11]

[telefoonnummer 13]

Tele2

iPhone 7 plus

[nummer 12]

onbekend

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde mensenhandelfeiten. In dit kader heeft de officier van justitie er op gewezen dat het dossier een beeld oproept van een vaste werkwijze waarbij verdachte doelbewust slachtoffers uitkoos en hen verleidde met de vooropgezette bedoeling hen telefoonabonnementen te laten afsluiten, de daarbij verkregen telefoons door te verkopen en aldus daarmee geld te verdienen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van (oogmerk tot) uitbuiting en heeft verzocht om vrijspraak van de ten laste gelegde mensenhandelfeiten.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte wordt mensenhandel in vier varianten verweten, kort weergegeven:

dat hij de genoemde vrouwen door middel van dwangmiddelen met het oogmerk tot uitbuiting (de rechtbank begrijpt: door te profiteren van het afsluiten van telefoonabonnementen) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen;

dat hij de vrouwen door middel van dwangmiddelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (de rechtbank begrijpt: het afsluiten van telefoonabonnementen);

dat hij onder bepaalde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waardoor hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat de genoemde vrouwen zich beschikbaar zouden stellen voor het verrichten van arbeid en/of diensten (de rechtbank begrijpt: het afsluiten van telefoonabonnementen);

dat hij voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (de rechtbank begrijpt: door te profiteren van het afsluiten van telefoonabonnementen) van de genoemde vrouwen.

Ad 1) Werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen

Uit de wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen met het oogmerk van uitbuiting.

Met betrekking tot het “werven” overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft aangeefster [slachtoffer 1] leren kennen via haar vriend [naam 1] , die in de gevangenis zat. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft hij leren kennen in het uitgaansleven en aangeefster [slachtoffer 4] heeft hij leren kennen via medeverdachte [medeverdachte] . In geen van deze gevallen is iets naar voren gekomen waaruit kan worden afgeleid dat sprake was van “werven” door verdachte. Verdachte heeft aangeefsters [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] via datingsite Badoo leren kennen. Uit het dossier blijkt niet of verdachte bij het tot stand komen van het contact een actieve, dan wel passieve rol vervulde. Werven veronderstelt een actieve rol. Het leggen van contacten via internet is tegenwoordig dermate gebruikelijk, dat dit niet zonder meer als “werven” in de zin van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1 ⁰, Sr kan worden beschouwd.

Met betrekking tot “vervoeren”, “overbrengen”, “huisvesten” en “opnemen” overweegt de rechtbank navolgend. Dat verdachte met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] is meegegaan naar of richting telefoonwinkels in Nijmegen, zodat zij op één dag één of meer telefoonabonnementen konden afsluiten, valt wel uit de bewijsmiddelen af te leiden. Maar dat enkele meegaan is onvoldoende om van “vervoeren” of “overbrengen” in de zin van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1 ⁰, Sr te kunnen spreken. Nu evenmin is gebleken dat verdachte voornoemde aangeefsters met het oogmerk van uitbuiting heeft gehuisvest of opgenomen, zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ad 2) en 3) Dwingen of bewegen zich beschikbaar te stellen voor arbeid en/of diensten, dan wel handelingen ondernemen waarvan hij weet of vermoedt dat die ander zich beschikbaar stelt

Aan verdachte is - in twee varianten - tevens ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 ⁰, Sr. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet voor strafbaarheid hiervan worden uitgegaan van uitbuiting als impliciet bestanddeel. De Hoge Raad heeft immers in zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315, overwogen dat de in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 4 ⁰, Sr omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

Een gedraging als het afsluiten van een telefoonabonnement is, ingevolge vergelijkbare jurisprudentie, niet zonder meer aan te merken als arbeid of dienst tot het verrichten waarvan iemand wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 ⁰, Sr. Voor bewezenverklaring daarvan is vereist dat op grond van de omstandigheden van het geval uitbuiting komt vast te staan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald en dat bij de weging van deze en andere relevante factoren de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader dienen te worden gehanteerd (vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598).

De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen een beeld naar voren komt waarbij verdachte samen met aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] verschillende telefoonabonnementen heeft afgesloten, waarna de desbetreffende telefoons zijn (door)verkocht en waarvan verdachte en enkele aangeefsters financieel hebben geprofiteerd. Naar de uiterlijke schijn ontstaat hierdoor het beeld dat de aangeefsters “medeplegers”, dan wel “medeplichtigen” zijn geweest.

De officier van justitie heeft betoogd dat de rechtbank de vraag of al dan niet sprake was van uitbuiting, dient te beoordelen door “in de breedte” naar het dossier te kijken en – zo begrijpt de rechtbank – niet in elk afzonderlijk geval te beoordelen of wel of niet sprake was van uitbuiting.

De rechtbank overweegt dat het betoog van de officier van justitie er op neerkomt dat de rechtbank een eventuele bewezenverklaring zou uitspreken op basis van een globale beoordeling van de bewijsmiddelen. Dat acht de rechtbank in strijd met het recht van eenieder op een eerlijk proces en in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde. Een dergelijke procesvoering door de rechtbank zou ook een goede verdediging onmogelijk maken. Deze tenlastelegging is zodanig opgesteld dat deze een grote hoeveelheid verschillende, zelfstandige strafbare feiten beschrijft. De rechtbank zal dan ook per aangeefster apart beoordelen of sprake is geweest van uitbuiting en zal daarbij per aangeefster bezien of overtuigend bewijs aanwezig is voor het tenlastegelegde.

Volgens [slachtoffer 1] zei verdachte tegen haar dat het fijn zou zijn als zij geld zou verdienen om aan haar vriend [naam 1] in de gevangenis te geven. Hij vertelde haar dat er een bedrijf zou zijn dat – na het afsluiten van een telefoonabonnement – dit abonnement kon verwijderen uit het systeem. Er zouden dan voor haar geen gevolgen aan het telefoonabonnement vastzitten. De bij elk abonnement verkregen telefoon kon dan verkocht worden en zij zou het geld dan aan haar vriend kunnen geven. Volgens deze aangeefster bezwoer verdachte dat het voor haar veilig was. Hoewel ze het gevoel had dat het niet allemaal klopte, ging zij met verdachte op 16 oktober 2014 naar diverse telefoonwinkels en sloot zij vier telefoonabonnementen af. Verdachte verkocht de verkregen telefoons. [slachtoffer 1] kreeg hier € 100,- voor. Zij was blij dat zij haar vriend hiermee had kunnen helpen.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij vanaf januari 2016 een “open” relatie had met verdachte. Ze was er op 18 februari 2016 samen met verdachte bij toen ene [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt dat wordt gedoeld op [medeverdachte]) met een meisje, genaamd [slachtoffer 4] , telefoonabonnementen ging afsluiten. Zij wist dat [slachtoffer 4] daarvoor € 200 had gekregen (p. 1448). Zij wist ook dat [slachtoffer 5] op vergelijkbare wijze telefoonabonnementen had afgesloten (p. 1433). Op 4 mei 2016 is een telefoonabonnement op naam van [slachtoffer 2] afgesloten, waarvan [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij dat voor verdachte moest doen. Zij moest hiervoor € 100,- betalen, hetgeen zij later van verdachte had teruggekregen (p. 1453). Volgens de getuige [getuige 1] , een vriendin van [slachtoffer 2] , had [slachtoffer 2] haar verteld dat [slachtoffer 2] een telefoonabonnement voor verdachte had afgesloten en betaald, omdat hij haar had gezegd dat hij een nieuw abonnement nodig had, maar dit niet kon betalen (p. 1521). Ook had [slachtoffer 2] aan [getuige 1] verteld dat die telefoon later door verdachte verkocht was.

[slachtoffer 3] had volgens haar eigen verklaringen tussen 16 januari 2016 en 25 maart 2016 verkering met verdachte. Verdachte wilde op 10 februari 2016 dat zij telefoonabonnementen zou afsluiten, omdat hij geld nodig had. Op 11 februari 2016 gingen zij samen naar telefoonwinkels om drie abonnementen af te sluiten. Hij had haar niet bedreigd of gedwongen, maar wel was zij bang dat de verkering misschien uit zou gaan als zij zou weigeren (p. 1701). Verdachte had tegen haar gezegd dat hij iemand wist die bij een telefoonbedrijf werkte. Die persoon kon volgens verdachte de abonnementen van haar naam afhalen.

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij door verdachte en [medeverdachte] is overgehaald om op 18 februari 2016 telefoonabonnementen af te sluiten. Zij vertelden haar dat zij geld kon verdienen als zij abonnementen afsloot. Verdachte vertelde haar dat hij iemand kende die later de abonnementen weer van haar naam af kon halen. Hij vroeg aan [slachtoffer 4] of haar dit iets leek en of zij hier geld mee wilde verdienen. Zij heeft daarmee ingestemd. Vervolgens is zij met hen naar een winkelstraat in Nijmegen gegaan. Na het afsluiten van de telefoonabonnenten heeft zij € 200,- ontvangen.

Volgens [slachtoffer 5] vroeg verdachte haar of zij extra geld wilde verdienen. Zij wilde hier meer over weten en toen hij later bij haar thuis was, vertelde hij haar dat hij mensen bij een bedrijf kende die een door haar afgesloten telefoonabonnement konden verwijderen uit de systemen. Dan zou het telefoonabonnement niet meer op haar naam staan en zou zij geen rekeningen ontvangen. Hoewel [slachtoffer 5] dacht dat het fout was, geloofde ze verdachte wel. Op 4 mei 2016 is zij met verdachte naar diverse winkels gegaan en heeft zij diverse abonnementen afgesloten. De telefoons had zij aan verdachte gegeven, die de telefoons later aan [slachtoffer 2] had afgegeven (p. 1174). [slachtoffer 5] ontving die dag een vergoeding van € 100,- van verdachte.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat verdachte haar, ’s avonds laat, vroeg zes telefoonabonnementen af te sluiten. Hij vertelde haar dat hij samenwerkte met een Nederlandse man die de abonnementen weer ongedaan kon maken. Zij was bang dat zij zijn liefde zou verliezen, als zij zou weigeren. De volgende ochtend ging zij samen met hem naar Nijmegen, waar zij in drie winkels telefoonabonnementen afsloot. Drie andere pogingen om een abonnement af te sluiten mislukten. De drie telefoons en de contracten, die zij wel heeft verkregen, heeft zij aan verdachte afgegeven (p. 1544).

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij in 2016 meermalen een telefoon van verdachte kocht. Daarvoor betaalde hij ongeveer € 450,- tot € 500,- aan verdachte (p. 1669-1670).

Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de aard en duur van de hierboven genoemde gedragingen door de aangeefsters, de beperkingen die het afsluiten van de telefoonabonnementen voor de aangeefsters meebracht en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte werd behaald, in deze gevallen geen sprake van (oogmerk van) uitbuiting. Immers, de activiteiten van de aangeefsters zijn telkens beperkt gebleven tot het afsluiten van één tot enkele abonnementen op één dag, terwijl van noemenswaardige beperkingen in hun bewegingsvrijheid of anderszins voor hen geen sprake was. Evenmin volgt uit overige omstandigheden dat bij de aangeefsters sprake was van (oogmerk van) uitbuiting in voormelde zin.

Ad 4) Voordeel trekken uit de uitbuiting van de genoemde aangeefsters.

Voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 6 º Sr, is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht is op de uitbuiting van een ander (Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467). Nu de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat er geen sprake was van (oogmerk) van uitbuiting, kan evenmin worden geoordeeld dat verdachte daaruit voordeel heeft getrokken.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van mensenhandel. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder feit 1 onder A ten laste gelegde feiten.

2b.-2 Met betrekking tot feit 1 onder B t/m E (oplichting [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4]

, [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] )

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichtingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . De officier van justitie heeft echter niet aangegeven welke bewijsmiddelen tot zijn conclusie hebben geleid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in geen van de gevallen sprake is van oplichting en heeft verzocht om vrijspraak. De verdediging heeft met betrekking tot [slachtoffer 6] opgemerkt dat sprake is van niet meer dan een enkele leugen en dat zij over meer intellectuele vermogens bezit dan verdachte. Daarbij kan uit haar verklaringen worden afgeleid dat zij wist dat zij iets deed wat verboden is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.

Bij een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien (vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889).

B.

Ten aanzien van oplichting van [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank het navolgende.

Uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat zij zich door een aantal mededelingen, die verdachte tegen haar heeft gedaan, heeft laten overhalen om telefoonabonnementen af te sluiten. Zo vertelde verdachte haar dat het fijn zou zijn om geld voor haar vriend in de gevangenis te verdienen en dat er een bedrijf was dat de abonnementen uit het systeem kon verwijderen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee ten aanzien van [slachtoffer 1] geen sprake is van oplichting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij het gevoel had dat het niet klopte en dat zij wist dat de telefoons zouden worden verkocht, waarvoor zij geld zou krijgen. Gelet op haar opleidingsniveau (HAVO) mocht naar het oordeel van de rechtbank van haar verlangd worden dat zij onderzoek had gedaan naar de juistheid van de beweringen van verdachte. Zeker nu het voor haar duidelijk moet zijn geweest dat door het afsluiten van de abonnementen de desbetreffende telefoonwinkels werden misleid, lag het voor haar in de rede om niet zonder meer van de betrouwbaarheid van de beweringen van verdachte uit te gaan. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat zij ten tijde van het tenlastegelegde dusdanig kwetsbaar was, dat dit niet van haar verwacht mocht worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [slachtoffer 1] de door verdachte weergegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 1 onder B ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 1] .

C.

Met betrekking tot [slachtoffer 3] overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 3] volgt dat zij wist dat zij telefoonabonnementen ging afsluiten, omdat verdachte geld nodig had om te investeren. Uit haar verklaringen volgt wel dat verdachte tegen haar gezegd heeft dat hij iemand bij een telefoonbedrijf kende die de abonnementen van haar naam kon halen, maar onduidelijk is of dit is gezegd voorafgaand aan het afsluiten van de abonnementen of pas daarna (hetgeen zou kunnen worden afgeleid uit het woord “vervolgens” op pagina 1692). Zelfs al zou verdachte dit tegen haar gezegd hebben voorafgaand aan het afsluiten van de telefoonabonnementen, dan is sprake van niet meer dan één enkele leugen en niet van een samenweefsel van verdichtsels. Nu ook niet is gebleken van enig ander in artikel 326, eerste lid, Sr genoemd oplichtingsmiddel, zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van de onder feit 1 onder C ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 3] .

D.

Wat betreft de ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 4] oordeelt de rechtbank als volgt. [slachtoffer 4] heeft onder meer verklaard dat zij telefoonabonnementen afsloot, omdat verdachte aan haar vroeg of zij geld wilde verdienen en vertelde dat hij iemand kende die de abonnementen van haar naam af kon halen. Dat vond zij goed. Verder heeft ze verklaard dat zij bang was dat zij bij weigering zou worden neergeschoten, omdat medeverdachte [medeverdachte] haar al een pistool had laten zien. Allereerst merkt de rechtbank hierover op dat dwang of dreiging – zou daar al sprake van zijn geweest – geen rol speelt in de beoordeling van de vraag of sprake is van oplichting.

Voorts overweegt de rechtbank, net als bij [slachtoffer 3] , dat onduidelijk is wanneer haar zou zijn verteld dat het abonnement van haar naam zou worden afgehaald. Weliswaar heeft zij verklaard dat dit voorafgaand aan het afsluiten van de abonnementen is geweest, maar uit een WhatsApp-gesprek van 18 februari 2016, 20:15 uur (p. 1011) kan ook worden afgeleid dat zij pas na het afsluiten van de abonnementen hieraan dacht. Zelfs al zou verdachte dit tegen haar gezegd hebben voorafgaand aan het afsluiten van de telefoonabonnementen, dan is sprake van niet meer dan één enkele leugen en niet van een samenweefsel van verdichtsels. Uit het voorgaande blijkt dat geen sprake is geweest van een in artikel 326, eerste lid, Sr genoemd oplichtingsmiddel. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 1 onder D ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 4] .

E.

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij telefoonabonnementen heeft afgesloten vanwege de mooie praatjes van verdachte en de vooruitzichten om geld te verdienen. Met de verdiensten zouden zij samen een auto kopen en gaan samenwonen in Duitsland. Verdachte vertelde haar dat hij mensen kende bij een bedrijf die de abonnementen uit een systeem konden verwijderen. Hoewel [slachtoffer 5] dacht dat het fout was, geloofde zij verdachte wel. Gelet op haar opleidingsniveau (MBO) mag naar het oordeel van de rechtbank van haar verlangd worden dat zij onderzoek had gedaan naar de juistheid van de beweringen van verdachte. Ook voor haar geldt dat het haar duidelijk moet zijn geweest dat door het afsluiten van de abonnementen de betreffende telefoonwinkels werden misleid, zodat het voor haar in de rede lag om niet zonder meer van de betrouwbaarheid van de beweringen van verdachte uit te gaan. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat zij ten tijde van het tenlastegelegde dusdanig kwetsbaar was, dat dit niet van haar verwacht mocht worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [slachtoffer 5] de door verdachte weergegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van de onder feit 1 onder E ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 5] .

F.

Met betrekking tot de ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 6] overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer 6] heeft op 9 januari 2017 in Nijmegen drie telefoonabonnementen afgesloten. Aan de bij de abonnementen verkregen telefoons zijn onder andere de IMEI-nummers [nummer 10] en [nummer 11] verbonden. [getuige 2] heeft deze telefoons overgenomen en doorverkocht aan anderen. [slachtoffer 6] heeft aan het afsluiten van de telefoonabonnementen een schuld overgehouden.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij verdachte heeft leren kennen op een moment dat zij erg kwetsbaar was na een verbroken relatie. Verdachte gaf haar een goed gevoel en zij werd verliefd op hem. Volgens haar heeft verdachte haar gevraagd om telefoonabonnementen af te sluiten. Zij hoorde verdachte zeggen dat hij samenwerkte met een Nederlandse man die de abonnementen weer ongedaan zou kunnen maken. Hij vertelde haar ook dat hij iemand bij de ING Bank kende die kon voorkomen dat er betaald zou worden. Verdachte wilde de telefoons die [slachtoffer 6] zou ontvangen doorverkopen. Al de door haar verkregen telefoons en contracten heeft zij aan verdachte gegeven.

[slachtoffer 6] heeft vanaf augustus 2016 tot juli 2017 onder behandeling gestaan van een psychotherapeut. Uit het verkregen diagnose- en behandelplan blijkt dat diverse behandeldoelen zijn gesteld. Zo is onder meer benoemd dat de Algemene en de Locale Ik-sterkte, het zelfvertrouwen en de assertiviteit moeten worden verhoogd en dat het evenwicht tussen draagkracht en draaglast moet worden hersteld.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 6] geen telefoonabonnementen voor hem heeft hoeven afsluiten. Hij bracht haar slechts in contact met [getuige 2] , omdat hij wist dat [getuige 2] een eerlijke prijs voor de telefoons zou geven. Verdachte heeft hier geen commissie voor ontvangen. Als [getuige 2] zegt dat hij de telefoons van verdachte heeft gekocht, dan liegt hij, aldus verdachte.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte dat [slachtoffer 6] geen telefoonabonnementen voor hem heeft hoeven afsluiten, dat hij niet de telefoons aan [getuige 2] heeft verkocht en geen commissie heeft ontvangen, ongeloofwaardig. De rechtbank wijst er in dit kader op dat verschillende vrouwen (waaronder [slachtoffer 6] ) hebben verklaard door verdachte te zijn overgehaald om telefoonabonnementen af te sluiten. Zij hebben allemaal verklaard dat zij de telefoons en de contracten aan verdachte hebben afgestaan om daaraan geld te verdienen.

De rechtbank acht niet geloofwaardig dat verdachte anders bij [slachtoffer 6] zou hebben gehandeld dan bij de andere aangeefsters. Dit geldt temeer nu getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij verschillende telefoons van verdachte heeft gekocht om weer door te verkopen. Volgens hem heeft hij de telefoons met de IMEI-nummers [nummer 10] en [nummer 11] van verdachte gekocht.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte door middel van een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 6] heeft bewogen tot het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen, het afstaan van de telefoons en contracten aan verdachte en het aangaan van een schuld. Hij heeft haar immers verteld dat hij iemand kende die de abonnementen van haar naam kon halen èn dat hij iemand kende bij de ING Bank die kon voorkomen dat er geld van haar rekening kon worden gehaald. De rechtbank houdt hierbij rekening met de informatie die is verstrekt door de psychotherapeut van [slachtoffer 6] . Hieruit volgt dat zij voorafgaand aan het afsluiten van de telefoonabonnementen een kwetsbare vrouw was. Van haar kan redelijkerwijs niet verlangd worden dat zij onderzoek zou hebben gedaan naar de beweringen van verdachte. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 onder F ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 6] , met dien verstande dat de rechtbank niet bewezen acht dat sprake is geweest van medeplegen.

2b.-3 Met betrekking tot het tweede “feit 1 onder D” (afpersing van [slachtoffer 4] )

De tenlastelegging bevat als cumulatief/alternatief ten laste gelegd feit 1 onder D niet alleen de verdenking van oplichting van [slachtoffer 4] , maar de afpersing van [slachtoffer 4] . Wat hierboven is vermeld over het afsluiten van telefoonabonnementen op 18 februari 2016 door [slachtoffer 4] wordt hier als herhaald en ingelast aangemerkt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer 4] . De officier van justitie heeft echter niet aangegeven welke bewijsmiddelen tot zijn conclusie hebben geleid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van afpersing en heeft verzocht om vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij zich bedreigd voelde door medeverdachte [medeverdachte] . Hij had haar een voorwerp laten zien dat op een vuurwapen leek (p. 904). Daarnaast had hij haar een filmpje gestuurd waarop te zien was dat hij met een pistool stond te schieten in een bos (p. 905).

De rechtbank heeft geconstateerd dat zij op 18 februari 2016 in elk geval één telefoonabonnement heeft afgesloten. Uit onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer 4] blijkt echter dat zij op 22 februari 2016 het hierboven genoemde filmpje heeft ontvangen van (zeer waarschijnlijk) [medeverdachte] (p. 908 en 927). Bovendien heeft zij verklaard dat hij haar op 10 maart 2016 een voorwerp toonde dat op een vuurwapen leek (p. 904).

De beweerdelijke bedreigingen door [medeverdachte] hebben derhalve pas plaatsgevonden nadat [slachtoffer 4] op 18 februari 2016 de telefoonabonnementen had afgesloten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat [slachtoffer 4] door geweld of dreiging met geweld is gedwongen tot het afgeven van telefoons en/of telefoonabonnementen aan verdachte. Daarbij laat de rechtbank nog in het midden welk rol verdachte zou hebben gespeeld bij de beweerdelijke bedreigingen.

De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van de eveneens onder feit 1 onder D ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer 4] .

2b.-4 Met betrekking tot feit 2 (afpersing [slachtoffer 7] )

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer 7] . In dit kader heeft de officier van justitie aangevoerd dat zij zes telefoonabonnementen heeft afgesloten waardoor schulden zijn ontstaan. Zij werd regelmatig door verdachte geslagen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van afpersing en heeft verzocht om vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 7] heeft aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft verklaard dat zij telefoonabonnementen voor hem moest afsluiten, zodat hij geld kon verdienen aan de telefoons die bij het abonnement hoorden. Zij heeft verklaard dat zij dat onder dwang heeft gedaan, omdat verdachte haar sloeg en schopte. Daarnaast bedreigde hij haar met de dood. Zij voelde zich daardoor gedwongen om abonnementen af te sluiten en hiermee te voorkomen dat verdachte haar zou mishandelen en bedreigen. Dit was in de periode tussen 1 november 2013 en 6 februari 2014.

Hoewel in de aangifte van [slachtoffer 7] en de verklaring van haar moeder naar voren komt dat [slachtoffer 7] blauwe plekken had, heeft de rechtbank geen ondersteunend bewijs aangetroffen waaruit kan worden geconcludeerd dat deze blauwe plekken zijn veroorzaakt door verdachte.

Evenmin heeft de rechtbank bewijs aangetroffen dat [slachtoffer 7] telefoon-abonnementen heeft moeten afsluiten ten gevolge van door verdachte gebruikt geweld. Weliswaar is dat wat [slachtoffer 7] heeft verklaard, maar de rechtbank acht dat bij gebrek aan ondersteunend bewijs niet geloofwaardig. Daarbij betrekt de rechtbank dat het veeleer lijkt alsof [slachtoffer 7] onder één hoedje heeft gespeeld met verdachte. Immers, zij heeft als getuige verklaard (p. 1955) ooit iemand (de rechtbank concludeert hieronder: [slachtoffer 8]) aan de telefoon te hebben gehad en dan deed alsof zij familie van verdachte, “tante [slachtoffer 7] ”, was. Ze deed toen alsof ze bij een telefoonwinkel werkte en dat zij telefoonabonnementen kon annuleren, hetgeen een verzonnen verhaal was.

De rechtbank betrekt in dit kader nog de verklaring van [medeverdachte] die op 26 juni 2016 heeft verklaard (p. 308) dat verdachte wel eens tekeer kan gaan, maar dat dat beperkt blijft tot schreeuwen en niet zo ver gaat dat hij slaat.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder feit 2 ten laste gelegde afpersing.

2b.-5. Met betrekking tot feit 3 (oplichting [slachtoffer 8] )

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 8] met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat sprake was van medeplegen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Volgens verdachte gaat het hooguit om een enkele leugen dat “tante [slachtoffer 7] ” de telefoonabonnementen van naam zou halen.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij verdachte op 30 januari 2014 heeft leren kennen. Hij is die nacht bij haar blijven slapen, zodat hij haar de volgende dag naar school kon brengen. De volgende ochtend vroeg hij haar of zij telefoonabonnementen wilde afsluiten. Zijn tante, genaamd [slachtoffer 7] , werkte bij Telecom en kon abonnementen annuleren. Toen [slachtoffer 8] tegen hem zei dat zij dat niet wilde doen, belde hij zijn tante en zette hij de telefoon op de speakerstand. Zij hoorde een persoon die zich [slachtoffer 7] noemde zeggen dat het gewoon te vertrouwen was en dat zij alles kon weghalen. Verdachte en zijn zusje hadden dat ook al een paar keer gedaan. Ook WhatsApp-te verdachte met een man die de telefoons zou kopen en verdachte liet haar die WhatsApp-berichten lezen. [slachtoffer 8] heeft vervolgens in het bijzijn van verdachte in vier verschillende winkels een telefoonabonnement afgesloten. Hierna liepen zij naar de Mediamarkt, maar het lukte niet om daar ook een telefoonabonnement af te sluiten. Ze moest de vier verkregen iPhones aan verdachte geven. Daarna reed zij met verdachte naar de woning van “tante [slachtoffer 7] ” en stapte “tante [slachtoffer 7] ” bij hen in de auto. Zij reden naar de woning van de persoon die de telefoons zou kopen. Vervolgens bracht verdachte [slachtoffer 8] naar het station en kreeg zij € 600,- van verdachte. Op 3 februari 2014 is zij met haar vader naar de Mediamarkt gegaan en hoorde zij van medewerker [getuige 3] dat verdachte was herkend en vaker met jonge vrouwen komt om telefoonabonnementen af te sluiten.

Getuige [getuige 3] heeft dit laatste bevestigd.

Getuige [slachtoffer 7] heeft verklaard dat zij ooit iemand aan de telefoon heeft gehad en dan deed alsof zij familie van verdachte was. Zij was dan “tante [slachtoffer 7] ”. Ze deed toen alsof ze bij een telefoonwinkel werkte en alsof zij telefoonabonnementen kon annuleren. Maar dat was een verzonnen verhaal. [slachtoffer 7] wist niet meer of zij of verdachte dat verhaal verzonnen had.

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 8] over het afsluiten van vier telefoonabonnementen en het afstaan van de verkregen telefoons aannemelijk, nu belangrijke onderdelen van haar aangifte worden ondersteund door de hiervoor aangehaalde verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [slachtoffer 7] . Uit het voorgaande volgt dat er sprake is geweest van listige kunstgrepen waarmee verdachte [slachtoffer 8] heeft bewogen tot het afsluiten van meerdere abonnementen en het afstaan van de telefoons aan verdachte.

Zijn verklaring dat hij [slachtoffer 8] geen telefoonabonnementen heeft laten afsluiten en dat hij het nooit over “tante [slachtoffer 7] ” heeft gehad, acht de rechtbank, gelet op de getuigenverklaringen, niet geloofwaardig.

De rechtbank acht overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 8] . Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank evenwel van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van het tenlastegelegde.

2b.-6 Met betrekking tot feit 4 (seksueel binnendringen bij [slachtoffer 9] )

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer 9] is geboren op [geboortedatum 2] en was in de ten laste gelegde periode derhalve jonger dan 16 jaar. [slachtoffer 9] woonde in de ten laste gelegde periode in Nijmegen.

[slachtoffer 9] heeft in de ten laste gelegde periode meermalen seks gehad met een man die “ [naam 2] ” werd genoemd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat hij [slachtoffer 9] niet kent en hij niet “ [naam 2] ” of “ [naam 2] ” is. Hij is dus niet degene die seks heeft gehad met [slachtoffer 9] .

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 9] heeft verklaard meermalen seks te hebben gehad met een man die door [medeverdachte] via de WhatsApp aan haar werd voorgesteld als [verdachte 1] . Toen zij die man daarna ontmoette, werd hij echter [naam 2] genoemd. Na drie maanden kwam zij erachter dat hij niet [naam 2] , maar [verdachte 1] heette. Zij ontmoette hem rond maart 2016 voor het eerst. Zij verklaarde dat zij vermoedelijk toen ook al seks met hem heeft gehad. Verder verklaarde zij dat zij ook op 28 september 2016 seks met hem heeft gehad. Zij moest hem eerst pijpen. Zij heeft meer dan tien keer seks met hem gehad. Vaak had zij seks in “doggy-style” met hem. In haar telefoon staat zijn nummer [telefoonnummer 14] onder “ [naam 2] ” opgeslagen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte degene is geweest met wie [slachtoffer 9] diverse malen seks heeft gehad. Immers, verdachte ontkent dit en er bevindt zich in het dossier geen bewijsmiddel waaruit een herkenning van verdachte als “ [naam 2] ” of “ [naam 2] ” voortvloeit.

Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat het wel verdachte is geweest die seksuele handelingen met [slachtoffer 9] heeft verricht.

Allereerst overweegt de rechtbank daartoe dat [slachtoffer 9] heeft verklaard dat de slaapkamer van de man met wie zij seks had aanvankelijk op de eerste verdieping naast de badkamer aan de voorkant van de woning was. Het raam bevond zich aan de linkerkant van de ruimte. Later was zijn slaapkamer op zolder.

Op 31 augustus 2018 is door de politie onderzoek gedaan naar de slaapkamer van verdachte. Verbalisanten verklaren dat deze ruimte overeen zou kunnen komen met de tekening van de slaapkamer die [slachtoffer 9] heeft gemaakt tijdens een eerder verhoor. Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij eerst in de slaapkamer op de eerste verdieping sliep en later had hij zijn slaapkamer op de zolder. Zijn voormalige slaapkamer is toen babykamer geworden.

De rechtbank trekt de conclusie dat deze bevindingen passen bij de verklaring van [slachtoffer 9] .

Voorts overweegt de rechtbank dat in de telefoon van [slachtoffer 6] onder het contact [verdachte 1] het telefoonnummer [telefoonnummer 14] is gevonden. [slachtoffer 6] kreeg in december 2016 een relatie met verdachte. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat dit telefoonnummer toebehoorde aan verdachte en derhalve dat de hierna vermelde WhatsApp-gesprekken plaatsvonden tussen [slachtoffer 9] en verdachte.

Vanaf 28 oktober 2016 heeft [slachtoffer 9] verschillende WhatsApp-gesprekken gehad met “ [naam 2] ” met telefoonnummer [telefoonnummer 14] . Op 29 oktober 2016 heeft zij aan [naam 2] geappt dat zij geen seks kan hebben als ze bij hem komt, omdat zij aan de medicijnen zit. Ze kan hem amper seks geven, omdat zij de hele dag moet overgeven.

Op 30 oktober 2016 heeft het volgende gesprek plaatsgevonden:

“ [naam 2] : Haha van mij moet niks

[slachtoffer 9] : Jij neukt hier 14 jarig meisje

[slachtoffer 9] : Strafbaar

[naam 2] : Maar weet je wat ik zal nu wel zorgen dat je ouders die USB stick krijgen zodat je letterlijk alles zien wat hun dochter uitspookt zelfs vieze snaps maken na verschillende boys neuk filmpjes van andere jongens”

Op 17 november 2016 heeft [naam 2] haar geappt met de vraag wanneer zij weer lekker “doggy” gaat doen met hem. Op 18 november 2018 werden de volgende berichten over en weer gestuurd:

“ [naam 2] : Als het echt leuk is met die gene krijg je zelfs meer oke?

[slachtoffer 9] : je hebt toch vriendin en genoeg meisjesd

[slachtoffer 9] : Maar die 70?

[naam 2] : Ja ga je dan doggy bukken voor me

[naam 2] : Ey verwijder die gesprekken steeds oke x”

Gelet op de overeenkomst van het telefoonnummer van verdachte in de telefoon van [slachtoffer 6] en het nummer van [naam 2] in de telefoon van [slachtoffer 9] heeft de rechtbank de overtuiging dat het hier gaat om verdachte. De verklaringen van [slachtoffer 9] worden op details ondersteund door de gevoerde WhatsApp gesprekken en de locaties van de slaapkamers van verdachte. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 9] niet kent, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Nu verdachte ten tijde van het tenlastegelegde 22 jaar oud was en [slachtoffer 9] 14 respectievelijk 15 jaar oud, was sprake van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 245 Sr .

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 4 tenlastegelegde.

2b.-7 Met betrekking tot feit 5 (mensenhandel [slachtoffer 9] )

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 5 ten laste gelegde mensenhandel. In dit kader heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte [slachtoffer 9] heeft gechanteerd met seksfilmpjes, dat zij een SOA heeft opgelopen en dat zij continu beschikbaar moest blijven voor verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen wettige bewijsmiddelen zijn waaruit kan worden geconcludeerd dat [slachtoffer 9] slachtoffer was van enige vorm van mensenhandel. De rechtbank heeft dan ook niet de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 5 tenlastegelegde.

De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 1 onder F, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

feit 1 onder F - oplichting [slachtoffer 6]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 10 januari 2017 tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens en het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door op indringende wijze tegen die [slachtoffer 6] te zeggen dat verdachte samenwerkte met een Nederlandse man die de abonnementen weer ongedaan kan maken en/of hij iemand kent binnen het hoofdkantoor die het abonnement weer van naam kan halen althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waardoor die [slachtoffer 6] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

feit 3 - oplichting [slachtoffer 8]

hij op of omstreeks 31 januari 2014 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, en het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

 afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

 het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door

 aan die [slachtoffer 8] te vertellen dat zijn, verdachtes, tante [slachtoffer 7] bij de Telecom werkte en/of een abonnement kon annuleren en/of

 te zeggen dat het te vertrouwen was en/of dat die tante alles weg kon halen en/of

 te zeggen dat hijzelf en zijn zusje het ook hadden gedaan

althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

 door die tante [slachtoffer 7] in de auto bij die [slachtoffer 8] te laten plaatsnemen en/of

 door op indringende wijze tegen die [slachtoffer 8] te spreken

waardoor die [slachtoffer 8] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

feit 4 - seksueel binnendringen [slachtoffer 9]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 28 november 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, met [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 9] , te weten zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 9] heeft geduwd en/of gebracht en/of zijn penis in de mond van die [slachtoffer 9] geduwd en/of gebracht en/of laten nemen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 onder F:

oplichting;

ten aanzien van feit 3:

oplichting;

ten aanzien van feit 4:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 tot en met feit 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. Subsidiair heeft de officier van justitie geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v dan wel artikel 38z Sr op te leggen, van wege de algemene veiligheid van personen en de bescherming van de aangeefsters in het bijzonder. Meer subsidiair heeft de officier van justitie geëist dat, in geval een lagere gevangenisstraf dan vier jaren wordt opgelegd, een contactverbod met de in de tenlastelegging genoemde aangeefsters aan verdachte wordt opgelegd ex artikel 14, tweede lid, aanhef en onder 5⁰, Sr, waarvan de dadelijke uitvoerbaarheid wordt bevolen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen iPhone verbeurd wordt verklaard en dat het onder hem in beslag genomen rijbewijs zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de periode die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis. De verdediging heeft in dit kader gewezen op de omstandigheden dat verdachte geen uitgebreid strafblad heeft, mogelijk verminderd toerekeningsvatbaar is en beperkte intellectuele capaciteiten bezit. Voorts is verzocht om rekening te houden met de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde, alsmede met de omstandigheid dat het jaren geleden is dat de bewezen verklaarde feiten zich hebben voorgedaan.

Ten aanzien van het beslag heeft verdachte verzocht om de in beslag genomen goederen (zijn rijbewijs en iPhone) aan hem te retourneren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 12 februari 2019;

- een reclasseringsadvies door Reclassering Nederland, gedateerd 28 maart 2019;

- een Triple onderzoek Pro Justitia, gedateerd 18 oktober 2018, opgemaakt door drs. B. Koudstaal, psycholoog, drs. G.J.A.M. Bakkeren, psychiater, en G.J. Ploeg, milieuonderzoeker;

- een reclasseringsadvies door Reclassering Nederland, gedateerd 4 oktober 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende meerdere maanden schuldig gemaakt aan ontucht met een meisje dat in het grootste deel van die periode slechts 14 jaar oud was, terwijl hij op dat moment 22 jaar oud was. Hij heeft meermalen vaginale seks met haar gehad en hij heeft zich door haar laten pijpen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij seksuele handelingen heeft verricht met zo’n jong meisje zonder na te denken over de gevolgen voor haar. Meisjes op die leeftijd dienen beschermd te worden tegen zichzelf en tegen personen die seksueel misbruik van hen willen maken. Hieraan doet niet af dat [slachtoffer 9] mogelijk ook zelf contact zocht met verdachte. Door haar seksueel te penetreren en zich oraal door haar te laten bevredigen, heeft verdachte een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke inbreuk ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid of seksuele ontwikkeling van het jonge slachtoffer.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting van twee jonge vrouwen. Hij heeft beide vrouwen bewogen tot het afsluiten van telefoonabonnementen en het aan hem afstaan van de daarbij verkregen smartphones. Dat daardoor financieel nadeel voor de vrouwen is ontstaan is evident. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door het snelle en makkelijke financiële gewin. Hij heeft zich er niet om bekommerd dat dit voor aangeefsters financieel nadelig gevolg zou hebben.

In het rapport van het Triple onderzoek staat beschreven dat bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken is vastgesteld. Hoewel deze stoornis ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde, is onduidelijk wat de invloed hiervan was op het bewezenverklaarde. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat verdachte met zijn stoornis zonder toezicht of behandeling een grotere kans heeft om in herhaling te vervallen. Risicofactoren voor de toekomst zijn gelegen in de omstandigheid dat verdachte geen inzicht toont in zijn pathologie en derhalve ook geen noodzaak ziet voor behandeling of verandering. Voorts bezit verdachte een gebrekkig geweten dat hem onvoldoende afremt in het ontwikkelen van crimineel gedrag. De gedragsdeskundigen hebben geen strafrechtelijk advies vanuit gedragskundig perspectief gegeven.

Als deskundige ter terechtzitting d.d. 16 april 2019 heeft de psychiater in aanvulling op het rapport verklaard dat vanwege de ontkenning van verdachte, zijn geslotenheid en het beeld dat hij van zichzelf neerzet, enkel correctieve maatregelen kunnen worden genomen die gericht zijn op vergelding en afstraffing. Volgens de psychiater is er te weinig houvast om een klinisch intensieve behandeling als een TBS-maatregel te adviseren, omdat verdachte de feiten ontkent waardoor geen inzicht wordt verkregen in zijn denkproces en gevoelsgronden.

Uit het uittreksel justitiële documentatie volgt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De weinig respectvolle houding van verdachte ten aanzien van vrouwen en minderjarige meisjes baart de rechtbank zorgen. Verdachte is ten aanzien van [slachtoffer 9] bovendien voorbij gegaan aan de verantwoordelijkheid die hij als volwassen man had moeten nemen. Zijn enigszins beperkte intellectuele capaciteiten maken dit niet anders.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank tot een heel andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Gelet op de bewezenverklaring en het advies van de psychiater acht de rechtbank daarnaast oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet een passend middel. De rechtbank zal dan ook afzien van gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen te zijner tijd voorwaarden gesteld worden waarmee het gedrag van verdachte kan worden gecontroleerd om mogelijk recidivegevaar in te perken.

De rechtbank ziet geen mogelijkheid om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen ex artikel 38z Sr vanwege het ontbreken van een met reden omkleed advies van de reclassering zoals vereist ingevolge artikel 38z, tweede lid, Sr .

Wel ziet de rechtbank aanleiding om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen teneinde [slachtoffer 9] te beschermen. Verdachte heeft immers ernstig misbruik gemaakt van [slachtoffer 9] .

Om te waarborgen dat verdachte in de nabije toekomst geen contact met haar zoekt en opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens haar gedraagt, zal de rechtbank aan hem de maatregel ex artikel 38v Sr voor een periode van vijf jaren opleggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich zal onthouden van elke vorm van contact met [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedatum 2] , wonende aan de [adres 2] , [woonplaats 2] .

De rechtbank zal daarbij de vervangende hechtenis stellen op één week per overtreding.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het in beslag genomen identiteitsbewijs en de in beslag genomen iPhone van verdachte. Niet is komen vast te staan dat verdachte de door hem gepleegde feiten met behulp van de in beslag genomen iPhone heeft gepleegd.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7] zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van de met betrekking tot hen ten laste gelegde feiten.

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 onder F bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.285,31 bestaande uit € 4.500,- aan immateriële schade en € 1.785,31 aan materiële schade.

De benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 33.543,92 bestaande uit € 20.000,- aan immateriële schade en €13.543,92 aan materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 9] tot betaling van het bedrag van respectievelijk € 6.285,31 en

€ 33.543,92 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr wordt opgelegd tot deze bedragen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om matiging van de bedragen die door zowel [slachtoffer 6] als [slachtoffer 9] worden gevorderd.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 onder F bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 1.535,31 aan materiële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Deze schade betreft de kosten van de door haar afgesloten abonnementen. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft de therapiekosten ad € 250,- zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij reeds voorafgaand aan het bewezenverklaarde onder behandeling van een therapeut stond. Daardoor is onduidelijk in hoeverre causaal verband bestaat tussen de onderhavige therapiekosten en het bewezenverklaarde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard in het immateriële deel van haar vordering voor zover dat op feit 1 onder A ziet (te weten: € 3.500,-), nu verdachte is vrijgesproken van het onder 1 onder A tenlastegelegde.

Voor een vergoeding van immateriële schade die is ontstaan door het onder 1 onder F bewezenverklaarde (oplichting) overweegt de rechtbank dat moet worden voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek , kort weergegeven:

verdachte had met de oplichting het oogmerk om de benadeelde partij nadeel toe te brengen;

de benadeelde partij heeft door de oplichting lichamelijk letsel opgelopen;

de benadeelde partij is door de oplichting in haar eer en goede naam geschaad;

e benadeelde partij is door de oplichting op andere wijze in haar persoon aangetast;

r is sprake van een overlijdensgeval.

Niet is gebleken dat voldaan is aan de voorwaarden a), b), c) en e).

Denkbaar is dat wel wordt voldaan aan voorwaarde d). Immers, de benadeelde partij heeft gesteld dat zij psychische gevolgen heeft ondervonden van het afsluiten van de telefoonabonnementen. Maar zij heeft niet met stukken onderbouwd in welk opzicht sprake is van psychisch letsel. Om dat nader te kunnen bepalen is verder onderzoek nodig, hetgeen niet past binnen het kader van deze strafzaak. De behandeling van deze vordering vormt in zoverre dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding.

De benadeelde partij kan daarom in dit onderdeel van de vordering (te weten: € 1.000,-) niet worden ontvangen. Zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 9]

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het immateriële deel van haar vordering voor zover dat op feit 5 ziet (te weten: € 10.000,-), nu verdachte is vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade die verbonden is aan het onder 4 bewezenverklaarde (te weten: € 10.000,-), zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu nader onderzoek naar dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat het bewezenverklaarde achteraf bezien zeer onaangenaam moet zijn geweest voor de benadeelde partij. Zij heeft immers verklaard dat zij eenmaal tegen haar wil seks heeft gehad met verdachte, maar dat is niet separaat ten laste gelegd. De enkele vaststelling dat zij aan PTSS leidt, is onvoldoende om psychische schade geheel aan verdachte te kunnen toerekenen. Een onderzoek naar de bijdrage van verdachtes handelen aan de PTSS van de benadeelde partij is te complex voor de strafrechter in het kader van de strafzaak om het aandeel van verdachte vast te kunnen stellen. De benadeelde partij kan derhalve dit deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voor wat betreft de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank dat moeilijk vast te stellen is in hoeverre de door de benadeelde partij opgelopen studievertraging aan het bewezenverklaarde te wijten is en daarmee aan verdachte toe te rekenen. De benadeelde partij zal dan niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van haar materiële vordering (te weten: € 13.400,-), nu nader onderzoek naar dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij heeft daarnaast € 70,- gevorderd voor geld dat zij aan verdachte had gegeven voor een riem en medicijnen en € 73,92 aan door haar moeder gemaakte reiskosten. Bij geen van deze kostenposten is sprake van rechtstreekse schade met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat de benadeelde partij ook voor dit deel van de materiële schade niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 57, 245 en 326 van het Wetboek van Strafrecht .

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 1 onder A tot en met E, 2 en 5 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 legt op de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich gedurende 5 jaren – direct of indirect – zal onthouden van contact met [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedatum 2] te Nijmegen;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: zijn rijbewijs en zijn iPhone (IBN-code: [nummer 13] ).

De beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] :

 verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

 veroordeelt veroordeelde ten aanzien van feit 1 onder F tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 6], tot een bedrag van € 1.535,31 (vijftienhonderdvijfendertig euro en 31 cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] , een bedrag te betalen van € 1.535,31 (vijftienhonderdvijfendertig euro en 31 cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.W. van de Sande (voorzitter), mr. P.C. Quak en

mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril en mr. S. de Rooij,

griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 mei 2019.

Bijlage: tenlastelegging

Aan verdachte is na een door de rechtbank toegewezen vordering tot nadere omschrijving tenlastelegging en toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

feit 1

A: mensenhandel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5]

, [slachtoffer 6]

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2014 tot en met 10 januari 2017 te Nijmegen en/of Arnhem en/of Eindhoven, in elk geval (telkens) in Nederland,

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer ander(en), te weten, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]

(lid 1, onder 1°)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] en/of

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dwang en /of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of

onder de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden, te weten door dwang en /of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s), wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten, en/of

(lid 1, onder 6°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s)

 contact gezocht met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] , al dan niet via sociale media (Tagged en/of Baddoo en/of Facebook)

 terwijl hij en/of zijn mededader(s) wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] verstandelijk beperkt en/of kwetsbaar en/of gemakkelijk te beïnvloeden was/waren en/of geen werk en/of schulden had(den) en/of

 terwijl hij en/of zijn mededader(s) een (liefdes)relatie met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] is aangegaan en/of onderhouden en/of haar/hen in de veronderstelling heeft/hebben laten verkeren dat zij die enige voor hem was/waren, en zodoende haar/hen onder zijn/hun invloedssfeer heeft/hebben gebracht en/of

 terwijl hij en/of zijn mededader(s) zich in de omgang met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] schreeuwend en/of (telkens) agressief en/of boos en/of intimiderend heeft/hebben opgesteld en/of

 terwijl hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 4] heeft bedreigd met een (namaak)pistool, althans een of meer wapen(s) getoond, althans een filmpje met een (namaak)pistool via social media naar haar heeft/hebben gestuurd en/of

 terwijl hij en/of zijn mededader(s) tegen die [slachtoffer 6] heeft gesproken over het voor handen hebben van en vuurwapen en/of

 (trio)seks met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] gehad en/of (deze) seksuele handelingen op film heeft opgenomen en/of

 (vervolgens) gedreigd dat seksfilmpje met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6] te zullen openbaren en/of

 (telkens) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] ingepraat en/of haar/hen bedreigd, teneinde haar/hen te bewegen (al dan niet tegen betaling) seks te hebben met een of meerdere ander(e) man(nen) en/of

 (telkens) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] ingepraat en/of haar/hen bedreigd, teneinde haar/hen te bewegen tot het afsluiten van een telefoonabonnement en/of

 die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] voorgehouden dat iemand de/het afgesloten abonnement(en) en/of contract(en) uit het systeem zou halen en/of dat de abonnementen geannuleerd zouden worden en/of dat de betalingen van de abonnementsgelden stopgezet zouden worden en/of

 die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] (vervolgens) instructies gegeven een of meerdere telefoonabonnement(en) op haar/hun naam af te sluiten en/of

 die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] (telkens) naar een of meer telefoonwinkel(s) vervoerd en/of vergezeld en/of

 door met meerdere personen gezamenlijk aanwezig te zijn en/of in de nabijheid zich op te houden bij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] bij het aangaan van de afspraken over het/de telefoonabonnement(en) en/of bij het afsluiten van het/de telefoonabonnement(en) (zodoende) een numeriek overwicht gevormd en/of

 (telkens) nadat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] het telefoonabonnement had afgesloten tegen haar/hun gezegd om (de tas met) bijbehorende telefoontoestel(len) en/of Ipad aan hem verdachte of zijn mededader(s) af te geven en/of

 terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] rekeningen van de telefoonmaatschappij(en) heeft ontvangen en/of

 die [slachtoffer 1] geld van haar rekening voor hem, verdacht een/of zijn mededader(s) laten pinnen en/of

 die [slachtoffer 2] haar auto aan hem verdachte laten afgeven en/of

 die [slachtoffer 8] haar bankpas aan hem verdachte en/of zijn mededader(s) laten afgeven zodat hij verdachte en/of zijn mededader(s) geld van haar bankrekening konden pinnen en/of

 door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 6] een (afhankelijkheids) situatie is ontstaan waaraan zijn/hun zich niet heeft/hebben kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij/hen geen weerstand aan verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben kunnen bieden.

en/of

B: oplichting [slachtoffer 1]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van september 2014 tot en met 17 april 2015 te Nijmegen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door indringende wijze tegen die [slachtoffer 1] te zeggen

dat er een bedrijf was dat abonnementen kon verwijderen uit het systeem en/of

dat een abonnement geen gevolgen had en/of

dat het veilig was en/of

dat zij later meer geld zou krijgen en/of

dat zij het voor [naam 1] deed

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

en/of

C: oplichting [slachtoffer 3]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 januari 2016 tot en met 11 februari 2016 te Nijmegen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door op indringende wijze tegen die [slachtoffer 3] te zeggen

dat hij wel iemand wist die bij een telefoon bedrijf werkte en/of die het abonnement van haar naam kon halen en/of dat deze persoon hem, verdachte, nog geld schuldig was en/of

dat hij dat zelf ook had gedaan en/of

dat het allemaal goed zou komen en/of

dat hij die jongen had gesproken en/of dat de leidinggevende van die jongen het op kon lossen

althans woorden van gelijke aard en/of strekking

waardoor die [slachtoffer 3] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

en/of

D: afpersing/oplichting [slachtoffer 4]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 februari 2016 tot en met 10 maart 2016 te Nijmegen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer telefoons en/of telefoonsabonnementen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 4] toebehoorde, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer 4]

aan die [slachtoffer 4] een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp heeft getoond en/of

aan die [slachtoffer 4] filmpjes heeft laten zien op social media waarop verdachte en/of diens mededader te zien waren met een wapen en/of

tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat ze tegen niemand iets mocht vertellen anders wisten ze haar te vinden, althans telkens woorden en/of handelingen van gelijke aard en/of strekking;

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 februari 2016 tot en met 10 maart 2016 te Nijmegen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door

- op indringende wijze tegen die [slachtoffer 4] te zeggen dat hij iemand kent binnen het hoofdkantoor die het abonnement weer van naam kondenhalen,

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

waardoor die [slachtoffer 4] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

en/of

E: oplichting [slachtoffer 5]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 mei 2016 tot en met 13 mei 2016 te Eindhoven, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door op indringende wijze tegen die [slachtoffer 8] te zeggen

dat hij mensen kende die werkten bij een bedrijf en/of dat deze mensen het abonnement konden verwijderen uit het systeem en/of

dat zij geen rekeningen zou krijgen,

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

waardoor die [slachtoffer 8] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

en/of

F: oplichting [slachtoffer 6]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 10 januari 2017 tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door op indringende wijze tegen die [slachtoffer 6] te zeggen

- dat verdachte samenwerkte met een Nederlandse man die de abonnementen weer ongedaan kan maken en/of hij iemand kent binnen het hoofdkantoor die het abonnement weer van naam kan halen

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

waardoor die [slachtoffer 6] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

feit 2

afpersing [slachtoffer 7]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 december 2013 tot en met 6 februari 2014 te Nijmegen (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer telefoons en/of telefoonabonnementen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer 7] heeft geslagen en/of heeft geschopt tegen het lichaam;

feit 3

oplichting [slachtoffer 8]

hij op of omstreeks 31 januari 2014 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

 afgifte van meerdere, althans één mobiele telefoon(s) en/of contract(en), in elk geval van enig goed, en/of

 het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één telefoonabonnement(en)

door

 aan die [slachtoffer 8] te vertellen dat zijn, verdachtes, tante [slachtoffer 7] bij de Telecom werkte en/of een abonnement kon annuleren en/of

 te zeggen dat het te vertrouwen was en/of dat die tante alles weg kon halen en/of

 te zeggen dat hijzelf en zijn zusje het ook hadden gedaan

althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

 door die tante [slachtoffer 7] in de auto bij die [slachtoffer 8] te laten plaatsnemen en/of

 door op indringende wijze tegen die [slachtoffer 8] te spreken

waardoor die [slachtoffer 8] werd bewogen tot voornoemde afgifte en/of het aangaan van voornoemde schuld;

feit 4

seksueel binnendringen [slachtoffer 9]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 28 november 2016 te Nijmegen, althans in Nederland, met [slachtoffer 9] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 9] , te weten zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 9] heeft geduwd en/of gebracht en/of zijn penis in de mond van die [slachtoffer 9] geduwd en/of gebracht en/of laten namen;

feit 5

mensenhandel [slachtoffer 9]

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2016 tot en met 28 november 2018 te Nijmegen en/of elders in Nederland

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 9] (geboren [geboortedatum 2] ),

(lid 1, onder 2°)

(telkens) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 9] en/of

(lid 1, onder 5°)

(telkens) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer 9] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 9] zich daardoor beschikbaar zou(den)

stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen en/of

(lid 1, onder 8°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [slachtoffer 9] , met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 9] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s)

 contact gezocht met die [slachtoffer 9] en/of een relatie aangegaan met die [slachtoffer 9] en/of

 (trio)seks met die [slachtoffer 9] gehad en/of (deze) seksuele handelingen op film heeft opgenomen

en/of

 ( (vervolgens) gedreigd dat seksfilmpje met die [slachtoffer 9] [slachtoffer 1] te zullen openbaren en/of

 ( (telkens) op die [slachtoffer 9] ingepraat, teneinde haar/hen te bewegen (al dan niet tegen betaling) seks te hebben met een of meerdere ander(e) man(nen) en/of

 ( die [slachtoffer 9] seks laten hebben met een of meerdere ander(e) man(nen).

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek ONRAD17007 Dante, gesloten op 17 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal van bevindingen afgesloten telefoonabonnementen [slachtoffer 6] , p. 1586, proces-verbaal telefooncontracten en €0,01 pintransacties, p. 1596 en 1597

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 april 2019; proces-verbaal van bevindingen IMEI-nummer [nummer 10] , p. 1634 en 1635; proces-verbaal van bevindingen vervolgonderzoek IMEI-nummer [nummer 11] , p. 1659.

Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 1676.

Proces-verbaal van aangifte, p. 1543.

Proces-verbaal van aangifte, p. 1554.

Proces-verbaal van aangifte, p. 1544.

Proces-verbaal verstrekking medische gegevens psycholoog, p. 1576.

Een schriftelijk bescheid zijnde een diagnose- en behandelplan, p. 1581.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] , p. 1668 en 1669.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 2] , p. 1669 en 1670.

Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 8] , p. 1881 t/m 1883.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 1889.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 7] , p. 1955.

Proces-verbaal aangifte door [aangever] , p. 610.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] , p. 626.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] , p. 616 en 617.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 604.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] , p. 618.

Proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon [slachtoffer 9] Samsung GS5, p. 745.

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 9] , p. 818-819.

Proces-verbaal bevindingen locatie slaapkamer [verdachte 1] , p. 623 en p.817.

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 16 april 2019.

Proces-verbaal van bevindingen uitlezen mobiele telefoon [slachtoffer 6] , p. 1562.

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6] , p. 1551.

Proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon [slachtoffer 9] Samsung GS5, p. 745.

Proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon [slachtoffer 9] Samsung GS5, p. 746.

Proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon [slachtoffer 9] Samsung GS5, p. 747.

Proces-verbaal van bevindingen uitlezen telefoon [slachtoffer 9] Samsung GS5, p. 748.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature