E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDOR:2012:BW0643
LJN BW0643, Rechtbank Dordrecht, 09/491

Inhoudsindicatie:

Opleidingsvereisten leidinggevenden bij archeologische opgravingen

De rechtbank ziet op grond van hetgeen is aangevoerd door eiseres omtrent de abruptheid waarmee bestaande rechtsposities van leidinggevenden zijn gewijzigd geen grond voor het oordeel dat artikel 17 van het Besluit archeologische monumentenzorg (hierna: Bamz) als onverbindend zou moeten worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat artikel 17 van het Bamz is ingevoerd per 1 september 2007, maar de feitelijke toepassing is uitgesteld tot 1 januari 2012, waardoor een ruime overgangstermijn is gecreëerd. Voor het opleidingsvereiste in artikel 17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Bamz is een voorziening getroffen met een overgangsregeling in de vorm van een procedure ter waardering van elders verworven competenties in het kader van de opleidingseisen (de zogenoemde “EVC-regeling”). Dat die regeling niet heeft gebracht wat eiseres daarvan verwachtte, doet er niet aan af dat hiermee een bijzondere mogelijkheid werd geboden om aan de academische opleidingseisen van artikel 17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Bamz te voldoen.

Ook het betoog van eiseres dat artikel 17, tweede lid, onder d, van het Bamz onverbindend is, omdat het verder gaat dan artikel 45 van de Monumentenwet 1988 daar het geen bekwaamheidseisen stelt aan de aanvrager maar aan het personeel, kan in dit kader niet worden gevolgd. In een geval zoals van eiseres, waarin de aanvrager van de opgravingsvergunning een rechtspersoon is, kunnen in redelijkheid bekwaamheidseisen aan de natuurlijke personen worden gesteld die zich met het doen van opgravingen bezighouden.

Verder heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de opleidings- en ervaringseisen in het kader van de verlening van een opgravingsvergunning moeten worden onderscheiden van die in het kader van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (hierna: KNA). In de onderhavige procedure ligt de opgravingsvergunning voor en de rechtbank ziet geen direct verband tussen deze vergunningverlening en de KNA. De KNA wordt niet beheerd door verweerder, maar door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer en speelt een rol bij het feitelijk uitvoeren van opgravingen. In dat kader is door verweerder aansluiting gezocht bij bepaalde protocollen van de KNA. Echter, daarmee heeft de KNA als vereiste voor het feitelijk uitvoeren van opgravingen nog geen betrekking op de opgravingsvergunning en de verlening daarvan. Dat in het kader van de EVC-regeling gestreefd wordt naar gelijkschakeling van de opleidingseisen in het kader van de opgravingsvergunning en die in het kader van de KNA als opgravingsvereiste doet aan dit onderscheid niet af.

De omschrijving van het vereiste getuigschrift voor een leidinggevende bevat in artikel 17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Bamz de toevoeging "op het terrein van de archeologie". Uit de nota van toelichting bij deze bepaling (Staatsblad 2007, 292, p. 17) blijkt dat verweerder bij de invulling hiervan beoordelingsruimte toekomt. Verweerder heeft aan eiseres uitgebreid uiteengezet hoe hij de opleidings- en ervaringscriteria hanteert en gemotiveerd welke gevolgen die voor het personeel van eiseres hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid dit standpunt kunnen innemen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie