< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens grove veronachtzaming van belangen van de verdachte door de politie. Verdachte wordt vervolgd voor het belemmeren van de politie bij een verkeerscontrole. Verdachte ontkent. Het is zijn woord tegen dat van vier politiemensen. Verdachte heeft met zijn mobiele telefoon gefilmd wat voor zijn aanhouding is gebeurd. Deze beelden zijn door twee politieambtenaren gewist, omdat zij geen toestemming hadden gegeven te worden gefilmd. De politierechter oordeelt dat verdachte zijn standpunt daardoor niet meer kan onderbouwen en dat zijn recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) is geschonden, dat de wet dit onder zich nemen van de telefoon en het wissen door de politie niet toestaat (art. 1, 94 e.v. en 134 Sv) en dat verdachte niet vrijelijk informatie heeft kunnen vergaren (art. 10 EVRM).

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11-084255-10

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Dordrecht op 30 juni 2010.

Tegenwoordig als:

politierechter: mr. F. van Laanen,

officier van justitie: mr. D. van der Sluis,

griffiers: A. Vigelius en F.A.E. van Dort.

De zaak tegen na te noemen verdachte wordt uitgeroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1975,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [GBA-adres].

De verdachte wordt bijgestaan door mr. H. Yilmaz, advocate te Rotterdam, en de heer S.F. Erel, beëdigd tolk in de Turkse taal.

De politierechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt mede de korte inhoud van:

1. Een proces-verbaal van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, dossiernummer PL1810 2010031395-1, d.d. 13 april 2010, met daarin gerelateerde bijlagen;

2. Een uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 26 april 2010, de verdachte betreffend.

De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – naar aanleiding van vragen van de politierechter :

Ik heb een winkel op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2]. Op 31 maart 2010 wilde de politie daar een verkeerscontrole houden. Ik heb vanuit mijn deuropening de politieambtenaren aangesproken die dat wilden doen. Ik heb correct met hen gesproken. Ik vind het vervelend dat er voor mijn deur een politiecontrole wordt gehouden. Het is niet de eerste keer. Mijn klanten vinden dit ook vervelend. Men vraagt zich af wat er toch bij mij aan de hand is. Ik heb er ook bij de gemeente en de politiecommandant over geklaagd. Er is die dag geen verhitte discussie geweest. De verklaring van de politieagenten dat ik agressief ben geweest en dat ik hen in hun werk heb belemmerd, klopt niet. Ik denk dat zij daar zijn gaan staan om mij te pesten. Ik ben met geweld aangehouden en ik heb daar letsel aan overgehouden. U kunt dat zien op de foto’s in het dossier. In het verleden ben ik ook al eens kwalijk woordelijk en lijfelijk door de politie bejegend als ik wat van de controle zei. Aangezien ik eerder te horen heb gekregen dat ik daarvan geen bewijs heb, heb ik met mijn mobiele telefoon opgenomen wat er die dag gebeurde. Het betreft beeld en geluid. Ik heb wel 45 minuten materiaal opgenomen, waarvan 15 minuten voordat ik werd aangehouden, 15 minuten toen zij in de winkel waren om een sleutel te zoeken om af te sluiten en 15 minuten daarna. Gedurende de tweede periode heeft de politie mijn telefoon gepakt. De politie heeft mijn mobiele telefoon van de straat gepakt toen die viel en die stond toen nog aan. Men heeft mij niet gezegd dat ik hen niet mocht filmen. Ik heb hun geen toestemming gegeven om mijn telefoon te pakken of om iets met mijn telefoon te doen. Ik heb mijn telefoon pas weergekregen toen ik werd vrijgelaten.

In reactie op het strafblad dat u mij voorhoudt en waarop drie veroordelingen staan uit 2001 en 2002 zeg ik dat ik een nieuw leven heb opgebouwd met een eigen winkel en dat ik veel tevreden, ook Nederlandse klanten heb.

De politierechter biedt de officier van justitie en de raadsvrouwe gelegenheid om vragen te stellen aan de verdachte over de feiten dan wel over diens persoonlijke omstandigheden.

De officier van justitie rekwireert. Zij vindt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van het proces-verbaal van bevindingen van de vier verbalisanten. Omtrent het filmen met de telefoon is niets ten laste gelegd. De politie mag inderdaad niet zo maar beelden wissen, maar verdachte mag ook niet zo maar filmen. De officier van justitie leest de vordering voor en legt deze aan de politierechter over. Zij is van oordeel dat het ten laste gelegde feit is bewezen en vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 250,00 subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis.

De raadsvrouwe voert het woord ter verdediging overeenkomstig de overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en wordt geacht daarvan deel uit te maken. Zakelijk weergegeven bepleit zij primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens het wissen van de beelden van de mobiele telefoon, waardoor de verdediging in haar belangen is geschaad. Subsidiair bepleit zij schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel wegens de omstandigheden van dit geval.

De officier van justitie repliceert dat er geen aanleiding is voor niet-ontvankelijkheid. Als de raadsvrouwe haar eerder had geadieerd, dan had zij nog een proces-verbaal kunnen laten opmaken over hetgeen de verbalisanten op de beelden hebben gezien, maar thans verlaat zij zich op de in het dossier aanwezige stukken.

De raadsvrouwe dupliceert dat dit de gelegenheid is om over het gebeuren verweer te voeren en dat overigens een dergelijk aanvullend proces-verbaal niets oplevert. Feit is immers dat de verdediging zich had willen kunnen beroepen op het enig aanwezige objectieve bewijsmateriaal, dat de politie al heeft vernietigd.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte zegt van Nederland te houden en zijn bijdrage aan de samenleving te willen blijven leveren.

De politierechter sluit het onderzoek ter terechtzitting en zegt terstond mondeling vonnis te zullen wijzen.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting en deelt mede dat de officier van justitie daartegen binnen veertien dagen in appel kan gaan.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------

AANTEKENING VAN HET MONDELING VONNIS

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Daartoe wordt in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, LJN AM2533 het volgende overwogen.

In het dossier bevinden zich drie processen-verbaal die, zakelijk weergegeven, neerkomen op het volgende: 1) vier verbalisanten verklaren dat en hoe verdachte twee van hen bemoeilijkt hun werk – het houden van een verkeerscontrole – te doen; 2) verdachte verklaart dat hij deze twee verbalisanten aanspreekt, omdat hij niet wil dat voor zijn winkel – alweer – een politiecontrole wordt gehouden en dat hij er beelden van heeft hoe een en ander is verlopen; 3) de desbetreffende twee verbalisanten verklaren dat verdachte hen voorafgaand aan zijn aanhouding zonder toestemming hunnerzijds filmt met zijn mobiele telefoon en dat zij deze beelden nadien op het bureau verwijderen. Op de zitting verklaart verdachte nog dat hij daarin niet heeft toegestemd en de opnamen heeft gemaakt om, gelet op ervaringen uit het verleden, bewijs te verzamelen

In de eerste plaats bepaalt artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat bij de vaststelling van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, een ieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Artikel 6, derde lid onder b EVRM bepaalt dat moet kunnen worden beschikt over faciliteiten om de verdediging voor te bereiden. In verband met deze bepalingen beschouwt de politierechter het wissen van de beelden door de politie mede in het licht van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 31 maart 2009, Appl. No. 21022/04 in de zaak van Natunen tegen Finland, waar het gaat om het door de opsporingsautoriteiten wissen van door hen opgenomen materiaal, waarop de verdediging zich in ontlastende zin en dus vergeefs wil beroepen. Het is een fundamenteel onderdeel van het recht op een eerlijk proces dat strafrechtspleging, inclusief de onderdelen die betrekking hebben op de procedure, tegensprekelijk (‘adversarial’) is en dat de vervolgende instantie en de verdediging gelijkelijk mogelijkheden hebben hun punt te maken (‘equality of arms’). De beschuldigde moet zijn verdediging op een passende manier kunnen voorbereiden en zonder voorbehoud alle relevante argumenten bij de rechter naar voren kunnen brengen om zo de uitkomst van de procedure te kunnen beïnvloeden. In de nu voorliggende zaak staat het woord van vier politiemensen tegenover het woord van de verdachte. Door artikel 344, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft het verhaal van een opsporingsambtenaar grote betekenis: anders dan bij gewone getuigen het geval is, kan de rechter al op basis van het proces-verbaal van één opsporingsambtenaar bewezen achten dat een verdachte schuldig is. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal een rechter aan zo’n proces-verbaal – dat op eed of belofte is opgemaakt door een dienaar van de wet – geen doorslaggevende betekenis toekennen. Naar zeggen van de verdachte en volgens de betrokken verbalisanten is op de gewiste beelden te zien geweest wat er voor de aanhouding van verdachte heeft plaatsgevonden. Waren die beelden er nog geweest, dan zou verdachte deze ter zitting hebben kunnen tonen of kunnen laten beschrijven en aan het dossier laten toevoegen, en zo zijn standpunt dat hij niets verkeerds heeft gedaan, hebben kunnen proberen te onderbouwen. Gelet op de zonet genoemde bepaling en de praktische toepassing daarvan zou dat in dit geval de enige reële mogelijkheid zijn geweest voor verdachte om zijn onschuld voor de rechter aan te tonen. De verbalisanten hebben hem die mogelijkheid ontnomen door de beelden zonder verdachtes toestemming te wissen. Dit is in strijd met artikel 6 EVRM .

In de tweede plaats bepaalt artikel 1 Sv dat strafvordering slechts plaatsvindt op de wijze bij de wet voorzien. De politie mag in een strafvorderlijke context slechts bevoegdheden uitoefenen die een wettelijke grondslag hebben. De enige grondslag die in aanmerking komt voor het de hand leggen op de mobiele telefoon van verdachte en het verrichten van handelingen daarmee, is de inbeslagnemingsregeling. Voor deze in de artikelen 94 e.v. en 134 Sv neergelegde regeling is, voor zover hier relevant, vereist dat een voorwerp dat de waarheidsvinding kan dienen, in beslag wordt genomen en van inbeslagneming is sprake indien men een voorwerp ten behoeve van de strafvordering onder zich is gaan nemen of houden. Van inbeslagneming blijkt niets, hetgeen op grond van artikel 152 Sv in voorkomend geval wel zo had moeten zijn, en van een beschikken over de telefoon in verband met waarheidsvinding of ten behoeve van de strafvordering is geen sprake. Integendeel, hetgeen de waarheid mogelijk objectief weergeeft, wordt juist gewist, kennelijk omdat de verbalisanten niet op beeld willen staan. Voor dergelijk wissen bestaat geen wettelijke grondslag. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat zowel het onder zich nemen van de telefoon als het handelen daarmee in dit geval – in weerwil van het eerste artikel van het wetboek – geen basis vindt in de wet.

In de derde plaats bepaalt artikel 10 EVRM dat een ieder recht heeft om informatie te vergaren, bepaalde bij de wet voorziene uitzonderingen daargelaten. Uitgangspunt is daarom dat verdachte die filmt wat op de openbare weg gebeurt, daartoe ook het recht heeft en het recht heeft die beelden te bewaren. De politierechter roept daarbij ten overvloede in herinnering dat uit de wet en de vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de politie die op een niet-stelselmatige manier met een technisch hulpmiddel observeert, evenmin inbreuk op iemands privacy maakt. Van onrechtmatige bedoelingen met de beelden of van strafbaar (bijv. hinderend) handelen door te filmen, blijkt niets uit de stukken die zich in het dossier bevinden. Voor het lukraak wissen bestaat geen al dan niet strafvorderlijke grondslag. Het wissen is daarom ook in strijd met artikel 10 EVRM .

De politierechter concludeert dat in verband met het wissen van de genoemde beelden tijdens het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake het aan hem ten laste gelegde feit vormen zijn verzuimd.

De politierechter oordeelt dat de verzuimde vormen niet zijn hersteld en ook niet meer zijn te herstellen. Onder de gegeven omstandigheden kan ook een nader ambtsedig proces-verbaal naar zijn oordeel geen uitkomst bieden. In het geding is immers juist dat verdachte met objectief materiaal zou hebben willen aantonen dat zijn lezing de juiste is en niet de lezing van mede dezelfde verbalisanten in hun andere, tot het dossier behorende proces-verbaal.

De politierechter stelt vast dat de wet geen rechtsgevolgen verbindt aan deze vormverzuimen. De politierechter is van oordeel dat in dit geval belangrijke voorschriften aan de orde zijn. Het gaat immers om de eerlijkheid van het proces en het kunnen voeren van een adequate verdediging, om ongestoorde eigendom en beperkte, door de wet exclusief genormeerde toepassing van dwangmiddelen, en het verzamelen van informatie om een mening, nota bene in een strafproces, te kunnen uiten. De verzuimen zijn naar het oordeel van de politierechter ook ernstig. Verbalisanten die feitelijk kunnen beschikken c.q. macht hebben over de aan een van zijn vrijheid beroofde verdachte toebehorende telefoon, hebben daarmee opzettelijk gedaan wat hun goeddunkt en objectieve informatie die de verdediging had kunnen en ook willen gebruiken om haar lezing aannemelijk te maken, definitief verloren doen gaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de wettelijke en praktische bewijskracht van een ambtsedig proces-verbaal en bij gebrek aan ander bewijs is de verdediging naar het oordeel van de politierechter ook daadwerkelijk in haar belangen geschaad. Aldus is door inbreuken die in onderlinge samenhang beschouwd – en wat betreft hetgeen hiervoor over artikel 6 EVRM is overwogen: ook reeds op zichzelf genomen – ernstig zijn, weliswaar niet doelbewust, maar wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekortgedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Aan een inhoudelijk oordeel over de zaak behoort niet meer te worden toegekomen, nu naar het oordeel van de politierechter geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Dan past maar een sanctie en dat is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de eerste griffier, zijnde de tweede griffier niet aanwezig en daarom buiten staat dit proces-verbaal mede vast te stellen en te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature