< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

artikel 6 WVW1994; aanmerkelijk onvoorzichtig; ongeval waardoor een ander is gedood; geparkeerde vrachtwagen; laadklep

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/145410-20

Datum uitspraak: 14 september 2022

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 november 2021 en 7 maart 2022 (regie) en 31 augustus 2022 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.J. Ros en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.S. van der Biezen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 november 2021, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2019 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg(en) de kruising van de Terletstraat met de Nunspeetlaan, althans de Terletstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gereden en/of geparkeerd en/of gebruik gemaakt van een oplegger terwijl de laadklep van die oplegger niet gekeurd was en/of niet voldeed aan de vereisten aan de Europese norm van laadkleppen (CEN-norm 1756-1), immers was die laadklep niet voorzien van waarschuwingssignalen (lampen en/of vlaggen) en/of (vervolgens)

- heeft hij aldaar de trekker met oplegger op de rijbaan van de rechter rijstrook van de

Terletstraat, in een flauwe bocht, geparkeerd en vervolgens de laadklep naar beneden gedaan zonder de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen en/of op die laadklep voorzieningen aan te brengen waardoor die laadklep, op die positie, voldoende zichtbaar was voor de overige verkeersdeelnemers, ten gevolge waarvan een fietser (te weten [slachtoffer] ) tegen die laadklep is gebotst of door die laadklep gehinderd werd waardoor die fietser ten val gekomen is en letsel heeft bekomen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2019 is overleden;

(art. 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 maart 2019 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg(en), de kruising van de Terletstraat met de Nunspeetlaan, althans de Terletstraat als volgt heeft gehandeld:

- hij heeft aldaar gereden en/of geparkeerd en/of gebruikgemaakt van een oplegger terwijl de laadklep van die oplegger niet gekeurd was en/of niet voldeed aan de vereisten aan de Europese norm van laadkleppen (CEN-norm 1756-1), immers was die laadklep niet voorzien van waarschuwingssignalen (lampen en/of vlaggen) en/of (vervolgens)

- heeft hij aldaar de trekker met oplegger op de rijbaan van de rechter rijstrook van de Terletstraat, in een flauwe bocht, geparkeerd en vervolgens de laadklep naar beneden gedaan zonder de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen en/of op die laadklep voorzieningen aan te brengen waardoor die laadklep, op die positie, voldoende zichtbaar was voor de overige verkeersdeelnemers, ten gevolge waarvan een fietser, te weten [slachtoffer] , tegen die laadklep is gebotst of door die laadklep gehinderd werd waardoor die fietser ten val gekomen is en letsel heeft bekomen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2019 is overleden, door welke gedraging (en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

(art. 5 Wegenverkeerswet 1994)

3 De bewijsbeslissing

3.1

Inleiding

Op 28 maart 2019 heeft de verdachte zijn vrachtwagen neergezet op de Terletstraat te ’s-Gravenhage. De verdachte heeft daar de laadklep van de oplegger laten zakken. Ter hoogte van de linkerhoek van de uitgeklapte laadklep is een naderende fietser ( [slachtoffer] , hierna: het slachtoffer) ten val gekomen. Het slachtoffer viel met zijn hoofd op de grond en is op [overlijdensdatum] 2019 overleden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte schuld heeft aan dit ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), dan wel of door zijn gedragingen gevaar op de weg werd veroorzaakt of het verkeer werd gehinderd in de zin van artikel 5 WVW 1994 .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en zich op het standpunt gesteld dat het gedrag van de verdachte kan worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig. De verdachte heeft de trekker met oplegger (vrachtwagencombinatie) op een gevaarlijke plek geparkeerd en onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de open laadklep voldoende zichtbaar was voor andere weggebruikers.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe stelt de verdediging dat niet is gebleken dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Slechts het niet keuren van de laadklep kan de verdachte worden verweten en een enkele (verkeers)fout staat niet gelijk aan aanmerkelijke schuld. Dat het slachtoffer tegen de laadklep is gebotst staat volgens de raadsman niet vast. Hij kan er ook van zijn geschrokken, zodat dit onderdeel in ieder geval niet bewezen kan worden.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De toedracht

Op 28 maart 2019 heeft de verdachte zijn vrachtwagen (een trekker met oplegger) geparkeerd in een flauwe bocht op de rechterzijde van de Terletstraat in ’s-Gravenhage, met het doel goederen te lossen. De verdachte heeft vervolgens de laadklep van de oplegger geopend en in een horizontale positie, op dezelfde hoogte als de vloer van de oplegger, gebracht. De alarmlichten van de trekker/oplegger stonden aan en de openstaande laadruimte was verlicht. De laadklep was niet voorzien van lampen of vlaggen. Ook werden geen andere middelen aangetroffen die het verkeer waarschuwden voor het gevaar van de openstaande laadklep. Er stonden geen pylonen op of voor de laadklep. Vanaf het geopend zijn van de laadklep moest verkeer dat reed over de Terletstraat in de richting van de Schaarbergenstraat volgens camerabeelden om de trekker/oplegger heen rijden. Ongeveer twintig seconden na het openen van de laadklep is het slachtoffer op zijn fiets ter hoogte van de linker punt van de laadklep ten val gekomen. Het slachtoffer is vervolgens overgebracht naar het ziekenhuis en daar aan zijn verwondingen overleden.

Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat, als er geen botsing is geweest, het ook mogelijk is dat de fietser ten val is gekomen door een uitwijkmanoeuvre zonder daarbij de laadklep te hebben geraakt.

De rechtbank acht niet bewezen dat het slachtoffer tegen de laadklep is gebotst. Dat laat echter onverlet dat de rechtbank bewezen acht dat het slachtoffer door de laadklep gehinderd werd en daardoor ten val is gekomen en is overleden.

Europese norm van laadkleppen (CEN-norm 1756-1)

De laadklep van de oplegger had op het moment van het ongeval niet een vereiste keuring (de Laadkleppen Periodieke Keuring) ondergaan. De basis van de checklist die wordt gebruikt bij deze keuring is de Europese norm voor laadkleppen (CEN-norm 1756-1). In het kader van deze keuring wordt de laadklep gecontroleerd op de aanwezigheid van vlaggen of lampen. De laadklep van de oplegger was op het moment van het ongeval niet voorzien van dergelijke vlaggen of lampen.

De mate van schuld van de verdachte aan het ongeval

De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van de ten laste gelegde strafbepaling (artikel 6 van de WVW 1994), het volgens vaste jurisprudentie aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid van de verdachte. De verdachte heeft de trekker met oplegger in een bocht op de rijbaan geparkeerd. Daar heeft hij de laadklep geopend, terwijl deze niet gekeurd was en niet voorzien was van de vereiste vlaggen of lampen. Daarnaast heeft de verdachte onvoldoende aanvullende veiligheidsmaatregelen genomen. Hij heeft geen pylonen geplaatst of andere toereikende stappen ondernomen om de zichtbaarheid van een openstaande laadklep te vergroten voor andere weggebruikers. Zo de verdachte al een zak uien op de laadklep heeft geplaatst zoals hij heeft verklaard, dan is dit naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende om te zorgen voor voldoende zichtbaarheid van de open laadklep. Door de plek waar de verdachte zijn vrachtwagen heeft neergezet en het nalaten van veiligheidsmaatregelen heeft de verdachte er onvoldoende voor gezorgd dat andere weggebruikers de trekker met oplegger veilig konden passeren tijdens het lossen van goederen, terwijl dat van hem als ervaren beroepschauffeur wel mocht worden verwacht. Dat geldt des te meer aangezien de verdachte al een gewaarschuwd mens was; hij heeft op ongeveer dezelfde plek anderhalf jaar eerder een soortgelijk ongeval gehad. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat er meerdere auto’s op zijn laadklep zijn gereden. Dit alles heeft de verdachte er niet toe kunnen bewegen om lampen of vlaggen aan zijn laadklep te laten bevestigen.

De raadsman heeft gewezen op de verklaring van verdachte dat hij in de bocht heeft geparkeerd op advies van de politie. Daarnaast stelt de raadsman dat mee moet worden gewogen dat het slachtoffer met zijn capuchon op fietste en dat het kruispunt onoverzichtelijk is. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat niet is gebleken van een advies van de politie aan de verdachte om op de betreffende plek te laden en lossen. In de tweede plaats ontslaat het bestaan van zo’n eventueel advies de verdachte niet van de plicht om op een veilige plek en manier te laden en lossen. Dit geldt zeker in het geval van een onoverzichtelijk kruispunt. Dat weggebruikers een capuchon dragen ontslaat de verdachte niet van zijn zorgplicht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte de trekker met oplegger zodanig in de bocht heeft geparkeerd, dat de uiteinden van de open laadklep zich in het midden van de rijbaan bevonden. Gezien vanuit de rijrichting van de fietser stond de oplegger in een bocht naar rechts op de rijbaan. Vanuit het perspectief van het aanfietsende slachtoffer stak de laadklep links naast de contouren van de oplegger uit. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank een buitengewoon gevaarzettende situatie opgeleverd, nu de (punt van de) open laadklep vanwege de bocht - en het gebrek aan aanvullende veiligheidsmaatregelen om de zichtbaarheid van de laadklep te vergroten - niet gelijk zichtbaar is geweest voor andere weggebruikers.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest en dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden waardoor het slachtoffer is overleden. Hiermee is sprake van schuld als bedoeld in de zin van artikel 6 WVW 1994 .

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

primair:

hij op 28 maart 2019 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg de Terletstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig als volgt te handelen:

- hij heeft aldaar gebruik gemaakt van een oplegger terwijl de laadklep van die oplegger niet gekeurd was en/of niet voldeed aan de vereisten aan de Europese norm van laadkleppen (CEN-norm 1756-1), immers was die laadklep niet voorzien van waarschuwingssignalen (lampen enof vlaggen) en vervolgens

- heeft hij aldaar de trekker met oplegger op de rijbaan van de rechter rijstrook van de

Terletstraat, in een flauwe bocht, geparkeerd en vervolgens de laadklep naar beneden gedaan zonder de nodige veiligheidsmaatregelen te nemen en op die laadklep voorzieningen aan te brengen waardoor die laadklep, op die positie, voldoende zichtbaar was voor de overige verkeersdeelnemers, ten gevolge waarvan een fietser (te weten [slachtoffer] ) door die laadklep gehinderd werd waardoor die fietser ten val gekomen is en letsel heeft bekomen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op [overlijdensdatum] 2019 is overleden.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De aanmerkelijke onvoorzichtigheid van de verdachte heeft bijzonder ernstige gevolgen gehad. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij als beroepschauffeur de veiligheid van medeweggebruikers onvoldoende in acht heeft genomen, met alle gevolgen van dien voor het slachtoffer en zijn nabestaanden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf deze gevolgen, waaronder het aan de nabestaanden toegebrachte leed, kan compenseren.

Blijkens het strafblad van de verdachte d.d. 3 februari 2022 is aan hem in 2018 tot tweemaal toe een geldboete opgelegd ter zake van het veroorzaken van gevaar in het verkeer. Een van die geldboetes had betrekking op het hiervoor genoemde, met het thans bewezenverklaarde feit vergelijkbare incident. De rechtbank weegt deze omstandigheid mee in het nadeel van de verdachte.

Om te bevorderen dat voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld (LOVS-oriëntatiepunten). Anders dan de officier van justitie, sluit de rechtbank gelet op de bewezenverklaring aan bij de oriëntatiepunten uit de categorie ‘aanmerkelijke schuld’ in plaats van ‘ernstige schuld’. De rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de ernst van de gedragingen van de verdachte en de jurisprudentie in dit soort zaken. In de categorie ‘aanmerkelijke schuld’ vermelden de oriëntatiepunten een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar. Voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat, hoewel de redelijke termijn voor berechting niet is overschreden, inmiddels geruime tijd is verstreken sinds het ongeval en dat uit het strafblad van de verdachte niet blijkt dat hij sindsdien strafbare feiten heeft gepleegd in het verkeer. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat het ongeval impact op verdachte heeft gehad en dat hij voor zijn inkomsten afhankelijk is van zijn werk als vrachtwagenchauffeur. Deze omstandigheden brengen met zich mee dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd. De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.E. Postema, voorzitter,

mr. D. Gruijters, rechter,

mr. M.R. Aaron, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Otter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 september 2022.

Mr. L.M. Otter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Wanneer wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer [proces-verbaal nummer] , van de politie eenheid Den Haag, Dienst regionale operationele samenwerking, Afdeling infrastructuur, Team verkeer, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 70).

Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 3-6.

Proces-verbaal aanrijding misdrijf, p. 3-4.

Verkort Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 45.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

Verkort Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 44.

Schouwverslag, p. 37.

Verkort Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 44.

Verkort Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 45.

Verkort Proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, p. 45.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature