< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Einduitspraak na tussenuitspraak. Nadeelcompensatie. Verweerder is er slechts gedeeltelijk in geslaagd de geconstateerde gebreken te herstellen. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat vanwege de veranderde concurrentiepositie een korting van 50% op omzetdaling van eiseres in 2015 redelijk is. Verweerder heeft ook onvoldoende onderbouwd dat de omzetdaling in 2016 geheel is toe te rekenen aan de toegenomen concurrentie en dat daarom de schade vanaf dat jaar buiten beschouwing moet worden gelaten. Beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/3383

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2022 in de zaak tussen Hotel Restaurant Noordzee, te Katwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. D. Kik),

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verweerder

(gemachtigde: mr. C.C. Bakker).

Procesverloop

Voor het procesverloop wordt verwezen naar de tussenuitspraak die de rechtbank heeft gewezen op 28 juni 2021. In die tussenuitspraak is verweerder in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij brief van 6 juli 2021 heeft verweerder te kennen gegeven de geconstateerde gebreken te willen herstellen. Bij brief van 23 september 2021 heeft verweerder een reactie ingediend. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 29 oktober 2021. Op 7 maart 2022 heeft verweerder nog een reactie ingediend. Op 16 maart 2022 heeft eiseres hierop gereageerd.

De behandeling ter zitting is voortgezet op 28 maart 2022. Namens eiseres is verschenen mr. [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Voorts was voor eiseres aanwezig [B] ( [B] ), deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en doen vergezellen door mr. [C] , de voorzitter van de Adviescommissie Nadeelcompensatie Hoogheemraadschap van Rijnland (de schadeadviescommissie).

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

De veranderde concurrentiepositie

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een gebrek vertoont, omdat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom als gevolg van de in het bestemmingsplan Kustwerk Katwijk opgenomen verruimde exploitatieoppervlakte voor strandpaviljoens een korting van 50% op de omzetdaling van eiseres in 2015 moet worden toegepast. Ook voor de jaren 2016 en 2017 moet verweerder nader onderbouwen in welke mate gebruik is gemaakt van de verruimingsmogelijkheid en met inachtneming daarvan waarom de omzetdaling vanaf 2016 geheel buiten beschouwing is gelaten. Daarbij heeft de rechtbank meegegeven dat verweerder aan de hand van verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld aan de hand van door de gemeente Katwijk (de gemeente) verstrekte exploitatievergunningen of gesloten huurovereenkomsten, zal moeten onderbouwen in welke mate gebruik is gemaakt van de verruimingsmogelijkheid.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder de schadeadviescommissie om nader advies gevraagd. Op 22 september 2021 heeft de schadeadviescommissie nader advies II uitgebracht. Op 4 maart 2022 heeft de schadeadviescommissie dit nader advies II aangevuld. Verweerder heeft deze adviezen overgenomen en gebruikt als aanvullende en verbeterde motivering van het bestreden besluit.

4. In nader advies II heeft de schadeadviescommissie toegelicht dat zij er niet in was geslaagd de door de rechtbank verzochte verifieerbare gegevens zoals verstrekte exploitatievergunningen of gesloten huurovereenkomsten van de gemeente te verkrijgen, ondanks herhaald verzoek daartoe. Uiteindelijk heeft de gemeente de schadeadviescommissie toch inzage verleend in de omgevingsvergunningen die aan strandpaviljoens in Katwijk zijn verleend. Uit alle door de gemeente ter beschikking gestelde informatie concludeert de schadeadviescommissie in de aanvulling op nader advies II dat in de periode van 2014 tot en met 2017 aan negen strandpaviljoens op het strand van Katwijk een omgevingsvergunning is verleend op basis waarvan de betreffende paviljoens met inachtneming van de planregels van het bestemmingsplan Kustwerk Katwijk zijn vernieuwd. Voor acht paviljoens gaat het om een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw jaarrond strandpaviljoen. Voor één paviljoen betreft het een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een seizoensgebonden strandpaviljoen. In de periode 2015 tot en met 2017 is als gevolg van de vernieuwing van de strandpaviljoens het aantal personen in de paviljoens en op de terrassen samen toegenomen met (maximaal) 1.463 per dag. De verkregen informatie versterkt het beeld dat de schadeadviescommissie vanaf aanvang had, namelijk dat de concurrentie voor eiseres in de jaren 2015 tot en met 2017 is toegenomen. De toegenomen concurrentie is ingegeven door het bestemmingsplan Kustwerk Katwijk en niet door het Projectplan Kustwerk Katwijk. De eventuele nadelige effecten die hieruit voor eiseres voortvloeien, staan daarom niet in een rechtstreeks en onmiddellijk causaal verband met het Projectplan Kustwerk Katwijk. Er bestaat om die reden geen grondslag voor het vergoeden van nadeelcompensatie door verweerder aan eiseres.

5. Eiseres stelt, kort samengevat, dat de meeste strandpaviljoens niet direct gebruik hebben gemaakt van de verleende omgevingsvergunning, maar pas later zijn vernieuwd en jaarrond zijn gegaan. Ook is niet altijd maximaal gebruik gemaakt van de verruimingsmogelijkheden die het bestemmingsplan bood. Volgens eiseres is verweerder er dan ook niet in geslaagd te onderbouwen dat als gevolg van de toenemende concurrentiepositie een korting van 50% op de omzetdaling van eiseres in 2015 moet worden toegepast en dat de omzetdaling vanaf het jaar 2016 geheel buiten beschouwing moet worden gelaten.

5.1.

Bij de aanvulling op nader advies II is een overzicht gevoegd van de negen strandpaviljoens waaraan volgens de schadeadviescommissie in de periode 2014 tot en met 2017 een omgevingsvergunning is verleend op basis waarvan de betreffende paviljoens met inachtneming van de planregels van het bestemmingsplan Kustwerk Katwijk zijn vernieuwd. Voor acht van deze strandpaviljoens betreft het een omgevingsvergunning voor het bouwen van een jaarrond strandpaviljoen, voor één strandpaviljoen gaat het om het plaatsen van een seizoensgebonden strandpaviljoen (Willy Noord). In alle gevallen is sprake van een toename van het bruto vloeroppervlak. Op basis van dit overzicht concludeert verweerder in navolging van de schadeadviescommissie dat één strandpaviljoen in 2014 (Paal 14) is vernieuwd, drie in 2015 (Zilt, Zand en Strandhuys/Benny’s Beach Inn), twee in 2016 (Zee en Zon, en Het Strand) en drie in 2017 (Surf & Beach, Willy Noord en Zomers).

De concurrentiepositie in 2015

5.2.

Volgens eiseres is strandpaviljoen Paal 14 niet in 2014, maar feitelijk pas eind 2017 gerealiseerd en jaarrond gegaan. Eiseres verwijst in dit verband naar een krantenartikel. Verweerder heeft niet weersproken dat Paal 14 pas later dan in 2014 gebruik heeft gemaakt van de verleende omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de in 2014 verstrekte omgevingsvergunning dan ook niet aannemelijk gemaakt dat Paal 14 al in 2015 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid het exploitatieoppervlak te verruimen. De koppeling die verweerder legt tussen het moment van verlenen van de omgevingsvergunning en het uitbreiden van het strandpaviljoen, kan daarom niet worden gevolgd.

5.3.

Volgens eiseres zijn strandpaviljoens Zilt en Zand niet in 2015, maar respectievelijk per april 2016 en begin 2018 vernieuwd en aansluitend jaarrond gegaan. Ter onderbouwing verwijst eiseres opnieuw naar krantenartikelen. Verweerder heeft niet bestreden dat deze twee strandpaviljoens pas later dan in 2015 gebruik hebben gemaakt van de toegekende omgevingsvergunningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de in 2015 verleende omgevingsvergunningen dan ook niet aannemelijk gemaakt dat deze strandpaviljoens gelijk in 2015 zijn vernieuwd en van de verruimingsmogelijkheid gebruik hebben gemaakt.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat strandpaviljoen Strandhuys/Benny’s Beach Inn wel in hetzelfde jaar als dat van de verleende omgevingsvergunning is gebouwd en uitgebreid, te weten in 2015. Verweerder heeft geen andere verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat andere strandpaviljoens dan Strandhuys/Benny’s Beach Inn in 2015 gebruik hebben gemaakt van de verruimingsmogelijkheid die het bestemmingsplan bood.

5.5.

Gelet op het voorgaande resteert één strandpaviljoen waarvan verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het in 2015 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het uitbreiden van het exploitatievlak. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de uitbreiding van dit ene strandpaviljoen niet de door verweerder toegepaste aftrek van 50% op de omzetdaling van eiseres in 2015. Daarbij komt dat strandpaviljoen Strandhuys/Benny’s Beach Inn op één kilometer van eiseres is gelegen, zodat het de vraag is in hoeverre eiseres daarvan concurrentie ondervindt. De rechtbank concludeert dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat een korting van 50% op omzetdaling van eiseres in 2015 redelijk is.

5.6.

De rechtbank concludeert dat verweerder er in zoverre niet in is geslaagd het geconstateerde gebrek te herstellen.

De concurrentiepositie in en na 2016

5.7.

Onder verwijzing naar een krantenartikel en gegevens van internet stelt eiseres dat het nieuwe strandpaviljoen ‘Zee en Zon’ pas in het voorjaar van 2017 klaar was en niet eerder jaarrond is gegaan. Ook dit standpunt heeft verweerder niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de in 2016 verleende omgevingsvergunning dan ook niet aannemelijk gemaakt dat dit strandpaviljoen al in 2016 is vernieuwd en uitgebreid.

5.8.

Ten aanzien van strandpaviljoen Het Strand zijn partijen het erover eens dat dit strandpaviljoen in 2016 is gebouwd. Door eiseres is niet weersproken dat dit strandpaviljoen in 2016 gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het exploitatieoppervlak te verruimen.

5.9.

Uit het voorgaande volgt dat in 2016 twee strandpaviljoens zijn vernieuwd, te weten Zilt en Het Strand.

5.10.

Ten aanzien van strandpaviljoen Zomers zijn partijen het erover eens dat het nieuwe strandpaviljoen in 2017 is geopend. Eerst ter zitting heeft eiseres de stelling ingenomen dat strandpaviljoen Surf & Beach niet in 2017 maar 2018 is vernieuwd en dat strandpaviljoen Willy Noord pas in 2019 gebruik heeft gemaakt van de in 2017 verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een seizoensgebonden strandpaviljoen. Eiseres heeft haar standpunt niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat strandpaviljoens Surf & Beach en Willy Noord in 2017 zijn opgebouwd en uitgebreid.

5.11.

In de tussenuitspraak van 28 juni 2021 heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat de verleende jaarrondvergunningen, in het bijzonder de in 2016 aan de nabijgelegen strandpaviljoens ‘Zee en Zon’ en Zomers verleende jaarrondvergunningen, van invloed zijn geweest op de omzet van eiseres vanaf 2016. Bij gebrek aan tegenbewijs is de rechtbank er toen vanuit gegaan dat als een omgevingsvergunning voor de bouw van een jaarrond strandpaviljoen is aangevraagd en verleend, deze ook daadwerkelijk moet zijn benut. De rechtbank ziet aanleiding om van dit oordeel terug te komen. Dat kan alleen in bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een bijzondere omstandigheid omdat de feitelijke aannames die aan dat standpunt ten grondslag lagen niet blijken te kloppen. Daarbij acht de rechtbank relevant dat verweerder bij zijn poging de geconstateerde gebreken te herstellen zelf een koppeling heeft gelegd tussen het moment waarop de omgevingsvergunningen zijn verleend en het moment waarop het desbetreffende strandpaviljoen gebruik heeft gemaakt van de verruimingsmogelijkheid. Uit het voorgaande blijkt dat eiseres ten aanzien van strandpaviljoen ‘Zee en Zon’ gemotiveerd heeft bestreden dat het al in 2016 jaarrond is gegaan. Ten aanzien van strandpaviljoen Zomers gaat verweerder er zelf vanuit dat het pas in 2017 is vernieuwd. Dit betekent dat niet langer kan worden volgehouden dat de veranderde concurrentiepositie als gevolg van de verleende omgevingsvergunningen, met name van die aan ‘Zee en Zon’ en Zomers, al in 2016 van invloed is geweest op de omzet van eiseres.

5.12.

Gelet op het voorgaande resteren twee strandpaviljoens waarvan aannemelijk is geworden dat deze in 2016 zijn vernieuwd en uitgebreid en jaarrond zijn gegaan. Het gaat om strandpaviljoens Zilt en Het Strand Gelet op dit beperkte aantal is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat de omzetdaling in 2016 geheel is toe te rekenen aan de toegenomen concurrentie en dat daarom de schade vanaf dat jaar buiten beschouwing moet worden gelaten.

5.13.

De rechtbank concludeert dat verweerder er ook in zoverre niet in is geslaagd het geconstateerde gebrek te herstellen.

Directe bedrijfskosten

Personeelskosten

6. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank een besparing op de gederfde omzet in 2015 van 44% aan personeelskosten redelijk en voldoende aannemelijk geacht.

7. Naar aanleiding van de tussenuitspraak voert eiseres aan dat de rechtbank ten onrechte van genoemde korting van 44% is uitgegaan. Zij stelt, kort samengevat, dat de personeelskosten niet recht evenredig stijgen of dalen met de omzet. Zij heeft verzocht de uitspraak op dit punt te rectificeren.

7.1.

De rechtbank heeft het verzoek tot rectificatie afgewezen, omdat geen sprake is van een kennelijke fout of verschrijving in de tussenuitspraak. De rechtbank vat het verzoek van eiseres tevens op als een verzoek om terug te komen van haar oordeel in de tussenuitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om van haar eerdere oordeel terug te komen. Dat kan alleen in bijzondere omstandigheden. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Overige directe bedrijfskosten

8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit gebrekkig is, omdat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat een besparing van 50% op de overige directe bedrijfskosten mogelijk is, gelet op de aard van deze kosten in relatie tot de doorlopende restaurantactiviteiten.

8.1.

In nader advies II en de aanvulling daarop heeft de schadeadviescommissie uiteengezet dat zij is aangewezen op schattingen, omdat het gaat om de verwachting hoe de overige directe bedrijfskosten zich op de langere termijn bij een lager omzetniveau zullen ontwikkelen. Van de overige directe bedrijfskosten is evident een gedeelte variabel. Hoe groot dit gedeelte is, is echter moeilijk vast te stellen. Omdat de kosten in de jaarrekeningen van eiseres niet zijn uitgesplitst per bedrijfsactiviteit, is het niet mogelijk om exact vast te stellen in hoeverre er daadwerkelijk een kostendaling heeft plaatsgevonden die aan de restaurantomzetdaling is te relateren. De overige directe bedrijfskosten maakten in 2015 tezamen circa 11% van de omzet uit. De schadeadviescommissie schat in dat ongeveer de helft daarvan daadwerkelijk een variabel karakter heeft. Het gaat afgerond om een percentage van 6. De schadeadviescommissie acht dit percentage niet onredelijk.

8.2.

Eiseres stelt, kort samengevat, dat bij een lagere omzet nauwelijks bespaard kan worden op overige directe bedrijfskosten. De meeste kosten lopen door ook als er minder gasten worden ontvangen in het restaurant.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat de permanente schade alleen betrekking heeft op de restaurantomzet. In de door eiseres aan de schadeadviescommissie ter beschikking gestelde jaarrekeningen zijn de overige directe bedrijfskosten niet per bedrijfsonderdeel uitgesplitst. Naar het oordeel van de rechtbank kon de schadeadviescommissie dan ook niet anders dan een inschatting maken van de besparing die mogelijk is op deze kosten bij een lager omzetniveau. De rechtbank acht het aannemelijk dat van de overige directe bedrijfskosten, zoals energie , water en schoonmaak, een gedeelte variabel is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de schadeadviescommissie dan ook in redelijkheid de helft van de overige directe bedrijfskosten als variabel kunnen aanmerken.

8.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het geconstateerde gebrek met de nadere motivering hersteld.

Contant maken van de schade en het normaal maatschappelijk risico (NMR)

9. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder verzocht om de berekeningswijze met betrekking tot het contant maken van de schade nader toe te lichten in het licht van de door eiseres aangevoerde gronden.

9.1.

In nader advies II heeft de schadeadviescommissie toegelicht dat de schade als gevolg van het projectplan is ontstaan in 2015, zodat de schade in dat jaar als uitgangspunt heeft te gelden. De schade in 2015 is vervolgens eerst met de gebruikelijk factor 10 gekapitaliseerd, waarmee een totaal bedrag aan permanente schade ontstaat. Op dit totale bedrag is vervolgens een aftrek doorgevoerd vanwege het NMR. Die aftrek ziet op de eliminatie van de eerste twee schadejaren (2015 en 2016) uit de permanente schade, omdat de schade in die jaren de omzetdrempel vanwege het NMR niet overstijgt. Om eiseres niet te benadelen in de wijze waarop het tijdsaspect meeweegt in de berekening van de contante waarde van de permanente schade, heeft de schadeadviescommissie de permanente schade die over twee jaar ontstaat contant gemaakt en gematigd, waardoor de aftrek van de schade over die twee schadejaren lager uitvalt.

9.2.

Eiseres betoogt dat de permanente schade onjuist is berekend. Aangezien de schade volgens de schadeadviescommissie pas vanaf het derde jaar (2017) voor vergoeding in aanmerking komt, is ten onrechte een kostenvoet van 10% toegepast. Het gaat om een achteraf uitgevoerde berekening op basis van feitelijke omzetcijfers. Volgens eiseres is voor de eerste twee schadejaren (2015 en 2016) dan ook een verkeerde aftrek doorgevoerd.

9.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door de schadeadviescommissie gehanteerde rekenmethode redelijk en aanvaardbaar. Daartoe overweegt de rechtbank dat de schadeadviescommissie het jaar 2015 terecht als peildatum heeft aangemerkt. Vervolgens is de gebruikelijke kapitalisatiefactor 10 gehanteerd waarop eveneens terecht een aftrek van twee jaren is toegepast omdat de eerste twee jaren vanwege het NMR volgens de berekening van de schadeadviescommissie op basis van de huidige uitgangspunten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het feit dat eiseres een andere rekenmethode voorstaat, betekent niet dat de door de schadeadviescommissie gehanteerde methode onjuist of ondeugdelijk zou zijn of dat het advies van de schadeadviescommissie op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen. Bij het berekenen van schades moeten altijd keuzes worden gemaakt. Het gaat erom dat die keuzes redelijk en aanvaardbaar zijn.

9.4.

De rechtbank concludeert dat het betoog van eiseres in zoverre faalt.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande is verweerder er slechts gedeeltelijk in geslaagd de geconstateerde gebreken te herstellen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.

De door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 2.656,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 17 mei 2021, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, 1 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 28 maart 2022 met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

13. De door eiseres gevraagde reiskosten van € 41,20 komen ook voor vergoeding in aanmerking.

14. Voorts heeft eiseres verzocht om vergoeding van de door [B] gemaakte deskundigenkosten. Blijkens de declaratie van 16 maart 2022 zijn deze kosten begroot op € 1.191,09 vanwege diverse werkzaamheden, bestaande uit de bestudering van de aanvulling op nader advies II en het geven van een inhoudelijke reactie. Daarnaast is verzocht om een vergoeding voor de aanwezigheid ter zitting (1,5 uur).

14.1

Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb komen alleen kosten van een deskundige voor vergoeding in aanmerking die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. De rechtbank stelt vast dat eiseres naar aanleiding van nader advies II dan wel de aanvulling daarop geen deskundigenbericht van de deskundige in het geding heeft gebracht. Alleen de gemachtigde van eiseres heeft reacties ingediend. De rechtbank zal daarom alleen de niet-juridische bijstand tijdens de zitting vergoeden. Deze vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het Bpb, gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht , en dus met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003. De rechtbank stelt vast dat het uurtarief van de deskundige hoger ligt dan het maximaal te vergoeden tarief uit het Besluit tarieven in strafzaken. De rechtbank stelt de vergoeding daarom vast op de forfaitaire tarieven. Voor de aanwezigheid van de deskundige bij de zitting wordt de vergoeding vastgesteld op 1,5 uur x € 134,04 = € 201,06.

15. De te vergoeden proceskosten bedragen daarmee in totaal € 2.898,76.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.898,76.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. M.P. Verloop, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2022.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature