< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en inreisverbod voor de duur van 20 jaar in verband met veroordelingen wegens voorbereidende handelingen ten behoeve van een terroristisch misdrijf mag ook genomen worden als het op dezelfde feiten gebaseerde besluit tot het intrekking Nederlanderschap nog niet in rechte onaantastbaar is geworden. Terugkeer naar land van herkomst is wegens 3 EVRM-risico niet aan de orde, maar staat niet in de weg aan terugkeerbesluit en inreisverbod. Gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid. Criterium werkelijke actuele en voldoende ernstige bedreiging is voldoende geïndividualiseerd gemotiveerd. Geen strijd met artikel 3 en 8 EVRM.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/4859

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2022 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 62a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Daarbij heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Verder heeft verweerder met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twintig jaren.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 30 juli 2019 en zijn bij brief van 23 september 2021 aangevuld.

Nadat het onderzoek ter zitting van 4 oktober 2021 is verdaagd, heeft het onderzoek ter zitting, gevoegd met het beroep met zaaknummer NL20.14701, plaatsgevonden op 1 februari 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] in Arbil (Irak) en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is in september 1999 samen met zijn ouders, broers en zussen naar Nederland gekomen. Bij besluit van 7 februari 2005 heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Bij besluit van 13 januari 2006 is hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend met ingang van 25 november 2005. Bij Koninklijk Besluit van 26 juli 2008 is aan eiser, naast de Iraakse nationaliteit die hij al had, ook het Nederlanderschap verleend.

2. Bij besluit van (eveneens) 28 mei 2019 heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken op grond van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap . Bij uitspraak van 28 mei 2021 (zaaknummer ROE 19/3504, ECLI:NL:RBLIM:2021:4336) heeft de rechtbank het beroep hiertegen ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Op het hoger beroep van eiser is ten tijde van het sluiten van het onderzoek in dit beroep nog niet beslist. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het aan dit hoger beroep connexe verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij uitspraak van

5 november 2021 is afgewezen.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. In dit kader acht verweerder van belang dat eiser bij herhaling is veroordeeld wegens voorbereidende handelingen ten behoeve van een terroristisch misdrijf. Verweerder heeft hiertoe gewezen op de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2013 en van 29 augustus 2016. Uit het vonnis van 23 oktober 2013 blijkt dat de rechtbank bewezen heeft geacht dat eiser voorbereidende handelingen heeft verricht om af te reizen naar Syrië en aldaar deel te nemen aan de gewapende jihad. Bij het vonnis van 29 augustus 2016 heeft de rechtbank eiser veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf wegens voorbereidende handelingen ten behoeve van een terroristisch misdrijf. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat eiser opnieuw heeft geprobeerd uit te reizen naar Syrië of Irak om zich bij de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS) aan te sluiten en te gaan deelnemen aan de gewapende jihad.

Verweerder heeft daarnaast in aanmerking genomen dat eiser bij het arrest van 2 oktober 2017 van het Gerechtshof Den Haag (het Hof) in hoger beroep (tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2016) is veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren. Eiser is veroordeeld wegens overtreding van artikel 96, 157, 176a, 176b, 288a, 289 en 289a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Daarnaast heeft het Hof hem bijzondere voorwaarden opgelegd, waarbij het Hof heeft meegewogen dat de kans op recidive hoog is en dat er risico is op letselschade voor willekeurige personen door een aanslag in Nederland.

Ter verdere onderbouwing van zijn standpunt dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid heeft verweerder in het bestreden besluit verschillende gedragingen genoemd die uit de door het Hof bewezenverklaarde feiten naar voren komen. Daarnaast heeft verweerder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het Hof bij de strafmotivering in het bijzonder in aanmerking heeft genomen dat eiser voorbereidingen heeft getroffen om uit te reizen naar Syrië of Irak teneinde zich bij een terroristische organisatie in het zogenoemde ‘kalifaat’ aan te sluiten en mee te gaan doen. Ook de omstandigheid dat het Hof in aanmerking heeft genomen dat op eisers mobiele telefoon meerdere gruwelijke filmpjes van openbare executies door IS zijn gevonden, die eiser met anderen heeft gedeeld, vaak vergezeld van jubelende teksten waarin eiser aangeeft het te betreuren dat hij daar niet bij kan zijn, heeft verweerder in dit kader van belang geacht. Verweerder heeft er verder op gewezen dat het Hof daarbij acht heeft geslagen op een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie van

31 augustus 2017 waaruit blijkt dat bij eiser geen sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, hij geen intellectuele beperking heeft en een ongeveer gemiddelde intelligentie bezit. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het Hof uit een reclasseringsadvies van 14 september 2017 heeft opgemaakt dat eiser zich al lange tijd begeeft in een netwerk van personen die sympathiseren met Jahbat al Nusra, IS of soortgelijke strijdgroepen die geweld verheerlijken. Uit dit advies is het Hof verder gebleken dat eiser in gesprekken heeft aangegeven zich te willen aansluiten bij IS om te strijden en dat hij ook de bereidheid heeft geuit het martelaarschap in Nederland te verwerven indien het hem niet lukt om uit te reizen naar het kalifaat. Volgens het advies heeft eiser deelgenomen aan de planning van terroristische handelingen.

Verweerder heeft verder in aanmerking genomen dat eiser sinds 26 februari 2018 gedetineerd is op de terroristenafdeling (TA) van de Penitentiaire Inrichting te Vught wegens verdenking van het plegen van een terroristisch misdrijf. Uit een uittreksel van de Justitiële Informatiedienst van 21 mei 2019 is verweerder gebleken dat eiser onder andere verdacht wordt van overtreding van artikel 140a van het (WvSr.

De door eiser gepleegde misdrijven worden volgens verweerder aangemerkt als terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het WvSr . In artikel 83 WvSr zijn verschillende strafrechtelijke bepalingen opgesomd, die betrekking hebben op gedragingen die zijn aangemerkt als terroristische misdrijven indien ze zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83, eerste lid, van het WvSr worden de artikelen 96, 157 en 289 van het WvSr genoemd, waarvoor eiser is veroordeeld. Daarnaast is eiser veroordeeld wegens overtreding van de artikelen 176a, 176b en 289a van het WvSr . Laatstgenoemde artikelen worden in artikel 83, tweede lid, van het WvSr genoemd. Eiser is ook veroordeeld voor overtreding van artikel 188a van het WvSr , dat in artikel 83, derde lid, van het WvSr wordt genoemd. Op grond hiervan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de voorbereidende handelingen waarvoor eiser is veroordeeld worden gezien als het plegen van een terroristisch misdrijf. Al het voorgaande rechtvaardigt volgens verweerder de conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, zodat wordt voldaan aan het criterium zoals geformuleerd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Z.Zh. & I.O. van 11 juni 2015 (C-554/13). Omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarbij is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Tevens heeft verweerder eiser met toepassing van artikel 6.5a, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) een inreisverbod opgelegd voor de maximale duur van twintig jaar.

Omdat verweerder gebleken is dat eiser zowel in de nationale als in de internationale media in verband is gebracht met activiteiten voor IS heeft verweerder aangenomen dat bij terugkeer van eiser een risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid heeft verweerder hierin echter geen reden gezien om af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Ook voor het overige heeft verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen reden gevonden om wegens humanitaire of andere redenen, af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod, dan wel om de duur van het inreisverbod te beperken.

4. Eiser voert, op hoofdlijnen weergegeven, aan dat er geen grond bestaat voor het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod. Het besluit waarbij zijn Nederlanderschap is ingetrokken staat immers nog niet in rechte vast en dus staat ook niet vast dat hij geen Nederlander meer is. Ook voert hij aan dat het terugkeerbesluit niet in stand kan blijven omdat verweerder het land van terugkeer niet concreet heeft vermeld. Daarnaast kan het terugkeerbesluit met de onmiddellijke vertrekplicht volgens eiser geen standhouden omdat de aangehaalde veroordelingen en verdenkingen gezien het ter zake gevoerde beleid, als vermeld in paragraaf B1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), onvoldoende zijn om aan te nemen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Zoals blijkt uit het arrest Z.Zh. & I.O. had verweerder een individuele beoordeling moeten maken. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom de dreiging die van het persoonlijk gedrag van eiser uitgaat nog actueel, werkelijk en voldoende ernstig van aard is. Verweerder heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat aan eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht kon worden opgelegd. Verweerder had eiser, die wegens een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, ook meer tijd moeten gunnen om een eventueel vrijwillig vertrek te realiseren. Daarnaast heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een inreisverbod voor de maximale duur van twintig jaar. In de aangevoerde individuele omstandigheden, dan wel in eisers beroep op de artikelen 3 en 8 van het EVRM , had verweerder aanleiding moeten vinden om van het inreisverbod af te zien, dan wel om de duur daarvan te beperken.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader

6. Het voor deze uitspraak relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage.

De beoordeling

Intrekking Nederlanderschap staat nog niet in rechte vast

7. Eiser voert aan dat het besluit waarbij zijn Nederlanderschap is ingetrokken nog niet in rechte vast staat en dus niet vast staat dat hij geen Nederlander meer is. De zienswijze die hij heeft ingediend tegen het voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap is volgens eiser ook van belang voor de onderhavige procedure. Zolang niet is komen vast te staan dat hij geen Nederlander meer is, bestaat er volgens eiser geen grond voor het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod.

8. De rechtbank stelt voorop dat artikel 6, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn (PB 2008 L 348) niet belet dat de lidstaten een terugkeerbesluit nemen gelijktijdig met een besluit over de beëindiging van legaal verblijf. Verweerder heeft het Nederlanderschap van eiser bij besluit van 28 mei 2019 ingetrokken. Het rechtsgevolg van dat besluit is direct ingetreden. Dat betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat eiser met ingang van

28 mei 2019 geen Nederlander meer is, maar een vreemdeling als bedoeld in artikel 1 van de Vw 2000 . Als een voorlopige voorziening van kracht is, geldt op dit uitgangspunt een uitzondering. Nu daarvan niet is gebleken, concludeert de rechtbank dat verweerder er ten tijde van het bestreden besluit terecht vanuit gegaan is dat de Vw 2000 (en de Terugkeerrichtlijn) op eiser van toepassing zijn. Eisers betoog dat het bestreden besluit voorbarig genomen is, slaagt dan ook niet.

9. Dat eiser rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de intrekking van het Nederlanderschap en dat besluit daarom nog kan worden vernietigd maakt het voorgaande niet anders, omdat dit ten tijde van het bestreden besluit een onzekere toekomstige gebeurtenis was. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van

30 december 2020.

Het vereiste van de vermelding van het land van terugkeer in het terugkeerbesluit

10. Eiser voert aan dat het bestreden besluit de verplichting omvat om Nederland uit eigen beweging onmiddellijk te verlaten, maar het land van terugkeer niet concreet vermeldt. Dat is volgens eiser wel een vereiste. Hij verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 en het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 14 mei 2021.

11. De rechtbank overweegt dat verweerder strikt gezien inderdaad had moeten vermelden dat eiser naar Irak zal moeten terugkeren. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt echter ook dat het er om gaat dat het voor de vreemdeling kenbaar moet zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt, zodat hij eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan zo goed mogelijk naar voren kan brengen en in staat is om doeltreffende rechtsmiddelen tegen het terugkeerbesluit aan te wenden. Aan die voorwaarde is in dit geval voldaan. Uit de motivering van het voornemen en het bestreden besluit blijkt namelijk ondubbelzinnig dat verweerder ervan uitgaat dat eiser afkomstig is uit Irak en dat hij daarnaartoe moet terugkeren, maar dat uitzetting naar zijn land van herkomst nu niet mogelijk is en (vooralsnog) achterwege blijft. Er heeft in de terugkeerprocedure van eiser dus op geen enkel moment onduidelijkheid bestaan over het land waarheen hij zou moeten terugkeren. De rechtsbescherming van eiser is op dit punt dan ook niet in gevaar geweest. Eisers betoog dat het terugkeerbesluit om deze reden al geen stand kan houden gaat dan ook niet op.

12. Ter informatie wijst de rechtbank er nog op dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2021 blijkt dat indien verweerder in een situatie als de onderhavige op enig moment een ander land buiten de Europese Unie mocht identificeren waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd en hij de vreemdeling naartoe wil uitzetten, hij dan een nieuw terugkeerbesluit dient te nemen waarin dat land zal worden genoemd. Daartegen staat dan een rechtsmiddel open. Ook kan de vreemdeling bezwaar maken tegen zijn feitelijke uitzetting en om een voorlopige voorziening verzoeken om uitzetting te voorkomen (artikel 72, derde lid, van de Vw 2000).

Grondslag onmiddellijke vertrekplicht en inreisverbod

13. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht geen stand kan houden. Volgens eiser zijn de veroordelingen en verdenkingen die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, onvoldoende om aan te nemen dat hij een (ernstig) gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hij wijst erop dat volgens paragraaf B1/4.4. van de Vc 2000 een gevaar voor de nationale veiligheid (onder meer) kan blijken uit de omstandigheid dat de vreemdeling is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83, 134a en 205 van het WvSr . Dat eiser ten tijde van het bestreden besluit in de TA te Vught is gedetineerd vanwege een nieuwe verdenking, is geen veroordeling in de zin van genoemd beleid en kan daarom niet gelden als grond voor het aannemen van een gevaar voor de nationale veiligheid. Dat geldt ook voor het vonnis de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2013. De rechtbank heeft hem immers in dit vonnis vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, waar artikel 134a van het WvSr de grondslag voor vormde. Eiser erkent dat hij bij de uitspraak van het Hof van 2 oktober 2017 is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het WvSr , maar deze enkele veroordeling is in zijn ogen onvoldoende om aan te nemen dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, te meer omdat uit die veroordeling niet volgt dat hij de nationale veiligheid in gevaar heeft gebracht, maar veeleer de veiligheid van een ander land. De gevangenisstraf die het Hof hem heeft opgelegd is ook niet dusdanig hoog dat hieruit volgt dat hij een gevaar voor de nationale veiligheid vormt.

14. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat het vonnis van het Hof van 2 oktober 2017 wordt gezien als de juridische grondslag voor het aannemen van het gevaar voor de nationale veiligheid. Verweerder sluit hiermee aan op (de besluitvorming en) de uitspraak op het beroep over de intrekking van het Nederlanderschap van eiser. De andere veroordelingen en verdenkingen die in het bestreden besluit zijn weergegeven, heeft verweerder daarbij betrokken. Verweerder heeft benadrukt dat daarbij ook gekeken is naar de bevindingen in de strafzaken, naar het gedrag van eiser en naar de houding die hij aanneemt. Hoewel uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2013 niet blijkt dat eiser is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, gaat het wel om bijzonder ernstige gedragingen, aldus verweerder.

15. De rechtbank stelt op grond van het arrest van het Hof vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser is veroordeeld voor strafbare feiten zoals genoemd in artikel 83 van het WvSr . Daarmee is voldaan aan het beleid in paragraaf B1 /4.4. van de Vc 2000 voor het aannemen van een gevaar voor de nationale veiligheid. Het bestreden besluit maakt verder voldoende duidelijk dat de besluitvorming niet is gebaseerd op een enkele veroordeling voor een terroristisch misdrijf, maar dat verweerder ook de overwegingen van de strafrechter over de gedragingen en over de persoon van eiser in aanmerking heeft genomen. Dit betreft onder meer de overwegingen over de hoog geachte kans op recidive, de proeftijd van vijf jaar, de passage uit het reclasseringsrapport waarin staat dat eiser het martelaarschap in Nederland wenst te verwerven als het hem niet lukt om uit te reizen, alsmede de verklaringen die eiser tijdens de hoorzitting van 1 oktober 2018 tegenover verweerder heeft afgelegd waarin hij de bewezenverklaarde feiten heeft ontkend. Eiser heeft de desbetreffende overwegingen als zodanig inhoudelijk niet weerlegd. Er is geen grond om aan te nemen dat verweerder daarnaast niet bij zijn besluitvorming had mogen betrekken dat bij het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2013 bewezen is verklaard dat eiser vergelijkbare feiten heeft gepleegd, ook voor zover de feiten als zodanig niet als terroristisch misdrijf zijn aangemerkt. De omstandigheid dat eiser op het moment van besluitvorming sinds februari 2018 is gedetineerd op de TA van de PI te Vught, wederom wegens de verdenking van het plegen van een terroristisch misdrijf, heeft verweerder eveneens mogen betrekken. Dit geldt te meer nu eiser volgens het verweerschrift inmiddels bij uitspraak van 22 oktober 2019 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar vanwege onder meer deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt is dan ook duidelijk dat het niet gaat om een eenmalige gebeurtenis, maar om drie gebeurtenissen die betrekking hebben op het aanhangen van het jihad-gedachtengoed, waarin eiser heeft gepersisteerd: hij is er immers ondanks de eerdere veroordeling klaarblijkelijk mee verder gegaan. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder op grond van dit alles tezamen terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid.

16. Eiser beroept zich verder op de jurisprudentie van het Hof van Justitie, meer in het bijzonder het arrest Z. Zh. en IO, die een individuele beoordeling voorschrijft. In zijn visie heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de van het gedrag van eiser uitgaande dreiging nog actueel, werkelijk en voldoende ernstig van aard is. Verweerder heeft immers geen (nieuw) onderzoek verricht naar het gedrag van eiser, bijvoorbeeld door middel van het inwinnen van advies bij de Reclassering Nederland of anderszins.

17. In de uitspraak van 30 december 2020 heeft de Afdeling het volgende overwogen:

In punt 50 van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, heeft het Hof overwogen dat bij de beoordeling van het begrip "gevaar voor de openbare orde" per geval moet worden beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen. Het Hof heeft verder in punt 65 van dat arrest overwogen dat bij de beoordeling of een derdelander een gevaar voor de openbare orde vormt, naast de verdenking of veroordeling van een als misdrijf strafbaar gesteld feit, ook de aard en de ernst van dat feit en het tijdsverloop sinds dat feit werd gepleegd, van belang kunnen zijn. In punt 58 van het arrest van 2 mei 2018, K. en H.F., ECLI:EU:C:2018:296, heeft het Hof overwogen dat de eventuele uitzonderlijke ernst van de betrokken handelingen ook na een betrekkelijk lang tijdsverloop, het voortbestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving kan inhouden. Het Hof heeft verder in punt 60 van dat arrest overwogen dat gedrag van de betrokkene dat ervan getuigt dat hij nog steeds een - uit die misdrijven of gedragingen blijkende - houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) bedoelde fundamentele waarden als de menselijke waardigheid en de mensenrechten aantast, op zich een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving kan opleveren.

18. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Volgens verweerder wordt daarmee aan het criterium zoals geformuleerd in het arrest Z.Zh. & I.O. voldaan. Verweerder heeft van belang geacht dat de dreiging die van betrokkenheid bij terroristische daden uitgaat lang tot zeer lang actueel blijft. Het Hof heeft eiser op 2 oktober 2017 onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van meerdere terroristische misdrijven. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was er sindsdien slechts anderhalf jaar verstreken. Daarnaast heeft verweerder in aanmerking genomen dat het Hof gelet op de kans op recidive een (langere) proeftijd van vijf jaar heeft opgelegd.

19. Verweerder heeft er verder op gewezen dat het blijven ontkennen van de desbetreffende daad naar zijn aard ziet op het gedrag van de desbetreffende vreemdeling en dus van belang is bij de beoordeling of de bedreiging die van het gedrag van de vreemdeling uitgaat nog actueel is. In dit kader heeft verweerder in het bestreden besluit betrokken dat eiser tijdens de hoorzitting van 1 oktober 2018 over de intrekking van het Nederlanderschap heeft verklaard dat hij in 2012 naar Syrië wilde reizen en dat hij in de strafzaak van

23 oktober 2013 dat ook had toegegeven. Over de veroordeling van 29 augustus 2016 en het daaropvolgende arrest van het Hof van 2 oktober 2017 heeft eiser verklaard dat hij ten onrechte veroordeeld is voor het uitreizen naar het strijdgebied en dat hij enkel naar zijn vrouw in Pakistan wilde gaan. Eiser heeft verklaard dat hij zo goed als zonder bewijzen veroordeeld is en dat hij in hoger beroep op advies van zijn strafrechtadvocaat toch bekend heeft dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd om te voorkomen dat hem TBS zou worden opgelegd. Hij heeft tijdens deze hoorzitting volgehouden onschuldig te zijn. Verweerder heeft hieruit afgeleid dat de dreiging die van het gedrag van eiser uitgaat nog actueel is. Daarnaast heeft verweerder de omstandigheid dat eiser op 26 februari 2018 strafrechtelijk is aangehouden wegens betrokkenheid bij een ontvoering van twee personen in Afrika bij de beoordeling van de actuele dreiging betrokken. Eiser is overgeplaatst naar de TA van de PI te Vught (waar hij ten tijde van het bestreden besluit nog steeds gedetineerd was), omdat het misdrijf waarvan hij werd verdacht is aangemerkt als een terroristisch misdrijf. Tijdens de hoorzitting van 1 oktober 2018 heeft eiser in reactie hierop aangegeven dat hij ook in deze strafzaak onschuldig is, dat hij niets met deze ontvoering te maken had en dat de rechter hem hiervan heeft vrijgesproken. Verweerder heeft eisers gemachtigde vervolgens in de gelegenheid gesteld om hiervan bewijs te overleggen, maar dat bewijs is niet geleverd.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het voorgaande voldoende geïndividualiseerd heeft gemotiveerd dat eisers gedragingen ervan getuigen dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde fundamentele waarden als de menselijke waardigheid en de mensenrechten aantast.

21. Eisers verklaring in de zienswijze en tijdens de hoorzitting dat hij geen gevaar (meer) vormt heeft verweerder ontoereikend mogen vinden om de conclusie te weerleggen dat eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser heeft hiermee immers niet voldoende aannemelijk gemaakt dat, en hoe, hij afstand van het hem tegengeworpen gedachtegoed heeft gedaan. Eisers verklaringen ter zitting op dit punt hebben hier geen wezenlijk ander licht op geworpen. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of de van het gedrag van eiser uitgaande dreiging nog actueel, werkelijk en voldoende ernstig van aard is. De omstandigheid dat eiser, nadat het bestreden besluit genomen was, bij uitspraak van 22 oktober 2019 opnieuw is veroordeeld (dit keer tot een gevangenisstraf van zes jaar) vanwege onder meer deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven geeft eens te minder aanleiding om aan te nemen dat de van zijn gedrag uitgaande dreiging niet meer actueel zou zijn.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de van het gedrag van eiser uitgaande dreiging nog actueel, werkelijk en voldoende ernstig van aard is.

22. Nu in het voorgaande is geconcludeerd dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid, is de grondslag voor het opleggen van een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en het uitvaardigen van een inreisverbod (in beginsel) gegeven.

23. Eisers betoog dat de onmiddellijke vertrekplicht zich slecht verhoudt met de omstandigheid dat hij, zoals verweerder heeft onderkend, wegens een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, gaat niet op. Verweerders standpunt daarover strekt immers volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet verder dan de vaststelling dat eiser thans feitelijk niet kan vertrekken. Dit standpunt strekt er niet toe dat het terugkeerbesluit, waaruit de (directe) vertrekplicht van eiser voortvloeit, zijn betekenis heeft verloren. Eiser heeft overigens ook niet onderbouwd waarom hij een mogelijk vertrek uit Nederland niet vanuit zijn detentie zou kunnen voorbereiden.

Duur van het inreisverbod

24. Gelet op het bepaalde in artikel 6.5a, zesde lid, van het Vb 2000 bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Gezien het voorgaande heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd dat een dergelijke ernstige bedreiging zich ten aanzien van eiser voordoet.

25. Zoals blijkt uit eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 3 december 2014 heeft verweerder in de omstandigheid dat eiser wegens een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst (ook) geen grond hoeven te vinden om af te zien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel om de duur daarvan te beperken.

26. In het bestreden besluit heeft verweerder verder genoegzaam gemotiveerd waarom dit besluit geen ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het privé- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM van eiser. Verweerder heeft onder meer in aanmerking genomen dat eiser heeft aangegeven dat hij geen familie in Nederland heeft wonen. Met uitzondering van een jongere broer die in Engeland woont en in Portugal werkt, en een jongere zus die in Engeland woont, verblijft zijn hele familie in Irak. Verweerder heeft verder betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij op 1 juli 2015 via Skype met de handschoen is getrouwd met een Pakistaanse vrouw, die in Pakistan verblijft. Verweerder heeft op basis hiervan terecht geconcludeerd dat momenteel geen sprake is van familie- of gezinsleven in Nederland en er dus ook geen sprake is van inmenging in het recht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM . Verweerder heeft ook betrokken dat eiser in de 20 jaar dat hij in Nederland verblijft naar school is gegaan, betaalde arbeid heeft verricht en hier een sociaal netwerk heeft opgebouwd. Dat eisers binding met Nederland hierdoor sterker is dan zijn band met het land van herkomst heeft verweerder niet gevolgd. Daarbij heeft verweerder overwogen dat gezien de eiser tegengeworpen veroordelingen eerder het beeld ontstaat dat hij de banden met Nederland sinds 2012 aan het schaden is dan dat hij een band met Nederland aan het opbouwen is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft doen uitvallen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser lange tijd in Nederland verblijft, van plan is om na zijn detentie weer in Nederland te gaan werken en zijn echtgenote naar Nederland wil halen om hier een gezinsleven op te bouwen, niet opweegt tegen het belang van de Nederlandse Staat om de nationale veiligheid te beschermen.

27. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven te zien om met toepassing van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 en artikel 6.5 van het Vb 2000 af te zien van het opleggen van een inreisverbod voor de duur 20 jaar, dan wel om de duur daarvan te beperken.

De conclusie

28. Op grond van al het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder eiser terecht een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod voor de duur van 20 jaar heeft opgelegd.

29 Het beroep is ongegrond.

30 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, en mr. R.M.M. Kleijkers en mr. N.J.J. Derks-Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 mei 2022.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Artikel 62a van de Vw 2000

1. Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:

a. reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan;

b. de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot veblijf, of

c. de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.

2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden

3. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling si vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Artikel 62 van de Vw 2000

Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;

b. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

c. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

3. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de duur van de verlenging en worden de gevallen aangewezen waarin de termijn kan worden verlengd.

Artikel 66a van de Vw 2000

1. Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a. Onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b. Niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

2. Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten.

3. De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd wordt ter fine van weigering van de toegang en het verblijf gesignaleerd in de daartoe bij of krachtens een verdrag, een EU-verordening, -richtlijn, of -besluit of een algemene maatregel van bestuur aangewezen informatie- dan wel signaleringssystemen.

4. Het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

5. Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij het inreisverbod is uitgevaardigd, geschiedt door toezending, wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Staatscourant.

6. In afwijking van artikel 8 kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt of die is gesignaleerd ter fine van weigering van de toegang geen rechtmatig verblijf hebben, met uitzondering van het rechtmatig verblijf:

a. Van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend, zolang op die aanvraag nog niet is beslist;

b. bedoeld in artikel 8, onder j, en

c. van de vreemdeling wiens uitzetting op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of beroepschrift is beslist.

7. In afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling:

a. bij onherroepelijk geworden rechtelijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd;

b. een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

c. naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid, dan wel

d. ingevolge een verdrag of in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ieder verblijf dient te worden ontzegd.

8. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Artikel 6.5a van het Vb 2000

De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren.

In afwijking van het eerste lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste één jaar, indien het betreft de vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in artikel 3.3, heeft overschreden met meer dan drie dagen maar niet meer dan 90 dagen.

In afwijking van het eerste en tweede lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste drie jaren, indien het betreft een vreemdeling die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van minder dan zes maanden.

In afwijking van het eerste tot en met derde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren, indien het betreft een vreemdeling die:

a. is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes maanden of langer;

b. gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben;

c. reeds het onderwerp is geweest van meer dan één terugkeerbesluit, of

d. zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer:

a. een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict;

b. een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd;

c. de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of

d. de oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van meer dan tien jaren.

Zaaknummer 202104398/1/V6.

ECLI:NL:RBROT:2013:8265.

ECLI:NL:RBROT:2016:6681.

ECLI:NL:GHDHA:2017:2791.

ECLI:EU:C:2015:377.

ABRvS 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3046.

ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155.

Hof van Justitie EU 14 mei 2021 inzake FMS e.a., ECLI:EU:C:2020:367.

ABRvS 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2466.

ABRvS 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3046.

ABRvS 3 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4530.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature