< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Terugkeerbesluit en inreisverbod. Prematuur beroep, maar niet-ontvankelijkverklaring om die reden blijft achterwege. Procesbelang. Beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL22.7361

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiseres

V-nummer: [Nummer]

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2022 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ). Daarbij heeft verweerder haar mondeling meegedeeld dat tegen haar een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren is uitgevaardigd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring (NL22.7189) en tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod (NL22.7361).

Op 28 april 2022 heeft verweerder het terugkeerbesluit en inreisverbod op schrift gesteld.

Op 2 mei 2022 heeft verweerder de maatregel van bewaring opgeheven. Op 3 mei 2022 heeft eiseres het beroep daartegen ingetrokken.

Op 28 april 2022 en op 3 mei 2022 heeft eiseres gronden van beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2022 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Braziliaanse nationaliteit te bezitten.

2. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat er ten tijde van het instellen van het beroep nog geen sprake was van een besluit in de zin van de wet, zodat het beroep prematuur is. De rechtbank volgt verweerder hierin niet, gelet op het volgende.

3. Uit artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt, onder meer, dat een besluit een schriftelijke beslissing is. Daarnaast is in artikel 12, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) neergelegd dat een terugkeerbesluit schriftelijk wordt uitgevaardigd. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Nu ten tijde van de indiening van het beroep nog geen sprake was van een schriftelijk besluit, kon dat ook niet op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt en was dus de termijn voor het indienen van het beroep nog niet aangevangen.

4. In artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb staat echter dat ten aanzien van een vóór het begin van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich hier voor. Niet in geschil is immers dat vóór de indiening van het beroepschrift al wel aan eiseres was meegedeeld dat tegen haar een terugkeerbesluit en een inreisverbod was uitgevaardigd, en dat zij in bewaring was gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, waarvoor een terugkeerbesluit vereist is.

5. Ten aanzien van het terugkeerbesluit wordt het volgende overwogen. Zowel uit het dossier als uit de mededeling van verweerder ter zitting is gebleken dat eiseres al is vertrokken. Daardoor heeft het terugkeerbesluit zijn werking verloren. Eiseres kan dan ook met het beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, niet meer in een gunstiger positie komen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.

6. Voor zover het beroep zich richt tegen het inreisverbod, stelt de rechtbank vast dat daartegen geen beroepsgronden zijn gericht. Het beroep is dan ook in zoverre ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, niet-ontvankelijk;

 verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature