< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

WWZ. Oosv. Wn heeft tijdens haar arb.ong (vergelijkbare) werkzaamheden verricht bij een derde ipv (verder) te re-integreren bij wg terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is. Beoordeling onverwijlde opzegging, dringende reden en allerhande vergoedingen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

CK/c

Zaaknummers: 9407354 RP VERZ 21-50531 en 9407379 RP VERZ 21-50532

Datum: 27 januari 2022

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

aangeduid als werknemer,

gemachtigde: mr. L.L.M.M. Smeets,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Klinisch Centrum Nootdorp B.V.,

gevestigd te Nootdorp,

verwerende partij,

aangeduid als werkgever,

gemachtigde: mr. D.M. Edelenbosch-Illingworth,

alsmede in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Klinisch Centrum Nootdorp B.V.,

gevestigd te Nootdorp,

verwerende partij,

aangeduid als werkgever,

gemachtigde: mr. D.M. Edelenbosch-Illingworth,

tegen

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

aangeduid als werknemer,

gemachtigde: mr. L.L.M.M. Smeets.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

in de zaak met kenmerk 9407354 RP VERZ 21-50531

het verzoekschrift tot betaling billijke vergoeding na ontslag op staande voet, ter griffie ingekomen op 24 augustus 2021;

het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 26 november 2021;

de bij brief van 1 december 2021 overgelegde productie 7 zijdens werknemer;

in de zaak met kenmerk 9407379 RP VERZ 21-50532

het voorwaardelijk verzoekschrift tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW , ter griffie ingekomen op 23 augustus 2021;

het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 26 november 2021.

1.2.

Op 7 december 2021 heeft een gezamenlijke mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die zitting is werknemer in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Namens werkgever zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] . Van hetgeen op die zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Tijdens de zitting zijn door beide partijen spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen zijn er onderling niet uitgekomen. De uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Werknemer, geboren op [geboortedag] 1992, is op 1 juni 2018 op grond van een arbeidsovereenkomst, in dienst getreden bij werkgever in de functie van Begeleider behandelsetting D tegen een bruto uurloon van € 18,68 voor gemiddeld 24 uur per week, exclusief 8% vakantietoeslag, onregelmatigheidstoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering.

2.2.

De bedrijfsarts heeft als eerste verzuimdatum van werknemer 4 januari 2021 geregistreerd.

2.3.

Op 3 maart 2021 is werknemer begonnen met re-integreren op de werklocatie. Deze re-integratiewerkzaamheden zijn op 9 juni 2021 gestaakt omdat werknemer onvoldoende belastbaarheid ervaarde.

2.4.

In ieder geval in de periode van maart tot en met juni 2021 is werknemer (via het uitzendbureau van haar zwager) werkzaam geweest bij een andere zorginstelling (’s Heeren Loo).

2.5.

Op vrijdag 18 juni 2021 heeft werkgever ontdekt dat werknemer gedurende de periode dat zij zich ziek had gemeld werkzaam is geweest bij ’s Heeren Loo.

2.6.

Op maandag 21 juni 2021 heeft tussen werkgever en werknemer een gesprek plaatsgevonden. Werkgever heeft werknemer in dat gesprek voorgehouden dat zij op 18 juni 2021 heeft gehoord dat werknemer ondanks haar ziekmelding werkzaam is geweest bij een andere zorginstelling (’s Heeren Loo). Werknemer heeft dit tijdens het gesprek ontkend.

2.7.

Op donderdag 24 juni 2021 is werknemer op staande voet ontslagen. Voor zover relevant vermeldt die brief het volgende:

Geachte [verzoekster] ,

In vervolg op uw gesprek met [naam 1] en [naam 2] van 21 juni jl. geef ik met deze brief aan dat Klinisch Centrum Nootdorp u op 24 juni 2021 met onmiddellijke ingang op staande voet ontslaat.

[…]

Op 4 januari 2021 hebt u zich ziek gemeld. U ervoer een disbalans in uw energie huishouding welke ook van invloed is op uw fysieke belastbaarheid (in uw functie), beschrijft de werkvermogensspecialist van ENERGY op 3 maart 2021. Nadien bent u gestart met re-integratie op de werklocatie met 3 x 4 uur per week. Deze ingezette opbouw heb u niet kunnen continueren. Op 9juni 2021 hebt u de werkvermogensspecialist aangegeven beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren te ervaren. U ervaarde op dat moment onvoldoende belastbaarheid om de opbouw zoals ingezet te continueren, aldus de werkvermogensspecialist. Zodra de belastbaarheid het toelaat, kunnen de werkzaamheden weer boventallig hervat worden.

Vrijdag 18 juni 2021 is ons ter ore gekomen dat u in voornoemde periode bij ‘s Heeren Loo hebt gewerkt, ook een zorginstelling die mensen met een verstandelijke beperking helpt. U zou daar in maart 2021 4 à 5 dagen hebben gewerkt, in april 2021 ook 4 à 5 dagen, in mei 2021 7 diensten en in juni 4 à 5 dagen per week, […]

Op maandag 21juni 2021 hebben wij u (vanaf 15.30 uur) gehoord over deze ontdekking. In dit gesprek hebt u aangegeven niet via een uitzendbureau bij ‘s Heeren Loo te hebben gewerkt tijdens uw verzuim. […]

Gelet op uw ontkenning hebben wij uit het oogpunt van de zorgvuldigheid nader onderzoek gedaan naar de bewijsbaarheid van de vermeende dringende reden. In middels menen wij dat dit voldoende aannemelijk en ook ernstig is.

[…]

Op basis van al het voorgaande stelt Klinisch Centrum Nootdorp zich op het standpunt dat u tijdens (volledige) arbeidsongeschiktheid werkzaamheden voor een derde hebt verricht. […]

[…] Door tijdens arbeidsongeschiktheid werkzaamheden te verrichten bij ‘S Heeren Loo en niet werkzaam te zijn c.q. te re-integreren bij Klinisch Centrum Nootdorp maar wel loon doorbetaald te krijgen, hebt u gehandeld in strijd met de belangen van Klinisch Centrum Nootdorp en daarmee in strijd met het nevenwerkzaamhedenverbod. […]

Van Klinisch Centrum Nootdorp kan niet worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met u nog langer te laten voortduren. Uw handelen vormt voor Klinisch Centrum Nootdorp een dringende reden om tot onmiddellijke beëindiging van uw arbeidsovereenkomst over te gaan.

[…]

3 Het geschil

3.1.

Werknemer heeft in de zaak met kenmerk 9407354 RP VERZ 21-50531 het volgende verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd en dat werknemer niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dan wel dat werknemer geen fraude heeft gepleegd; en

werkgever te veroordelen

2. tot betaling van de billijke vergoeding ad € 18.758,25 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en wettelijke rente;

3. tot betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, zijnde een bedrag van € 4.585,35 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en wettelijke rente;

4. tot betaling van de transitievergoeding ad € 2.298,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. tot betaling van de onterecht verrekende studiekosten ad € 600,88, te vermeerderen met de wettelijke rente;

6. om aan werknemer deugdelijke specificaties te verstrekken op straffe van een dwangsom;

7. tot betaling van de buitengerechtelijk incassokosten conform de staffel WIK, te vermeerderen met de wettelijke rente;

8. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Aan het verzoek heeft werknemer het volgende ten grondslag gelegd. Bij werkgever heerste een onveilige sfeer en een hoge werkdruk. Van de onveilige sfeer heeft werknemer melding gemaakt bij werkgever, maar werkgever heeft hier niets mee gedaan waardoor werknemer zich niet gehoord voelt. Mede om die reden heeft werknemer zich ziekgemeld. Het door werkgever gegeven ontslag op staande voet voldoet niet aan de criteria uit artikel 7:677 BW . Een dringende reden ontbreekt. Elders werkzaamheden verrichten tijdens arbeidsongeschiktheid is in dit geval, de (persoonlijk) omstandigheden van werknemer meegewogen, geen dringende reden. Voor zover sprake is van een dringende reden is de opzegging door werkgever niet onverwijld geweest. Het ontslag is daarom niet rechtsgeldig.

3.3.

De werkgever heeft verweer gevoerd. Werknemer heeft tijdens haar ziekte gewerkt bij een andere zorginstelling en dat kan gewoonweg niet. Werknemer heeft dit uiteindelijk ook erkend, zodat daarmee de dringende reden gegeven is. De dringende reden is werknemer onverwijld medegedeeld. Verder heeft werkgever bestreden dat van een onveilige werkomgeving geen sprake is. De meldingen die werknemer heeft gedaan, zijn door werkgever opgepakt en van andere incidenten heeft zij geen weet.

3.4.

In de zaak met kenmerk 9407379 RP VERZ 21-50532 heeft werkgever, na vermeerdering van eis, verzocht werknemer te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 5.218,03 nog te vermeerderen met de wettelijke rente, indien werknemer voor het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW een verzoekschrift heeft ingediend tot vernietiging van het ontslag op staande voet dan wel toekenning van een billijke vergoeding. Tevens heeft werkgever een proceskostenveroordeling verzocht.

3.5.

Werknemer heeft tegen het verzoek van werkgever tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding primair aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven en subsidiair beroept werknemer zich op het ontbreken van opzet of schuld.

3.6.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het ontslag op staande voet

4.1.

Het ontslag op staande voet is gebonden aan strenge vereisten. De opzeggende partij moet de arbeidsovereenkomst wegens dringende reden onverwijld opzeggen en hij moet de wederpartij onverwijld mededeling doen van de dringende reden.

Onverwijlde opzegging

4.2.

Werknemer heeft aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst niet onverwijld is opgezegd door werkgever. Volgens werknemer is zes dagen verstreken tussen het moment waarop werkgever heeft vernomen dat werknemer heeft gewerkt bij een andere zorginstelling, 18 juni 2021, en het moment waarop het ontslag op staande voet is gegeven, 24 juni 2021. Werkgever wist eigenlijk op vrijdag 18 juni 2021 al evenveel als op donderdag 24 juni 2021, aldus werknemer. Werkgever heeft daartegen – kort gezegd – aangevoerd dat zij adequaat heeft gehandeld. Na het hoorgesprek op maandag 21 juni 2021, waarbij een HRM Adviseur aanwezig moest zijn, heeft werkgever nader onderzoek gedaan om de dringende reden te kunnen bewijzen.

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de opzegging onverwijld is geweest. Zoals werkgever terecht heeft aangevoerd, diende zij werknemer eerst te horen over de vermoedelijke situatie dat werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid elders heeft gewerkt. Op vrijdag is werkgever hierachter gekomen en vervolgens heeft zij een hoorgesprek gepland op de maandag erna. Dat dit over het weekend heen werd getild omdat er tevens een HRM Adviseur bij het hoorgesprek aanwezig diende te zijn, maakt de onverwijldheid niet ongedaan. In het weekend was geen HRM Adviseur beschikbaar, aldus werkgever. Vervolgens heeft werknemer tijdens het hoorgesprek op die maandag 21 juni 2021 ontkend dat zij tijdens haar ziekmelding bij werkgever voor een andere zorginstelling heeft gewerkt. Door die ontkenning werd werkgever gedwongen concrete bewijzen te vergaren van de door haar vermoede dringende reden, alvorens het ontslag op staande voet aan werknemer te geven. Aangezien het ontslag op staande voet een ultimum remedium is omdat het voor een werknemer verregaande gevolgen heeft, wordt van een werkgever ook verwacht in korte tijd een gedegen onderzoek te verrichten alvorens over te gaan tot ontslag.

Dringende reden

4.4.

De reden als zodanig, het tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid werken bij een derde, wordt erkend door werknemer zodat deze daarmee vaststaat. Vervolgens is de vraag of dit een dringende reden is in de zin van de wet. Werkgever acht onverenigbaar dat werknemer werkzaamheden verricht bij een derde terwijl zij onderwijl loon doorbetaald krijgt van werkgever en er uiteindelijk ook geen re-integratieinspanningen meer worden verricht door werknemer bij werkgever. Dit levert een dringende reden op, aldus werkgever.

4.5.

Werknemer lijkt in haar verzoekschrift en ook op de zitting te suggereren dat haar arbeidsongeschiktheid (voornamelijk) verband houdt met de werkomgeving van werkgever, met name de onveilige sfeer waarin werknemer moest werken en waaraan werkgever niets deed, en dat rekening houdend met deze omstandigheid geen sprake kan zijn van een dringende reden die moet leiden tot een ontslag op staande voet. Indien deze stelling wordt gevolgd, is bij dergelijke omstandigheden sprake van situatieve arbeidsongeschiktheid; de arbeidsongeschiktheid van de werknemer houdt slechts een direct verband met de werkomgeving. Zodra een werknemer dezelfde werkzaamheden in een andere werkomgeving uitvoert, kan een werknemer wel functioneren. Als de omstandigheid dat sprake was van een onveilige werkomgeving zou komen vast te staan, kan dat gevolgen hebben voor een beoordeling of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW . Zeker wanneer tevens zou komen vast staan dat werkgever niet heeft zorggedragen voor een veilige werkomgeving voor haar werknemers.

4.6.

In het onderhavige geval wordt echter niet door de voorhanden stukken ondersteund dat werknemers arbeidsongeschiktheid samenhangt met de werkomgeving van werkgever. Uit de stukken van de werkvermogenspecialist, opgesteld naar aanleiding van gesprekken die hebben plaatsgevonden met werknemer in de periode van maart tot en met juni 2021, blijkt niet dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer verband houdt met werkgever of de werkomgeving. Ook toen werkgever aan werknemer op 21 juni 2021 heeft gevraagd of werknemer werkzaamheden elders verrichtte, heeft werknemer dat ontkend en daarmee ook de gelegenheid voorbij laten gaan om het verband tussen haar arbeidsongeschiktheid en werkgever te benoemen. Werknemer heeft als verklaring gegeven dat zij zich overvallen en geïntimideerd voelde door en tijdens het gesprek met werkgever, mede omdat haar was voorgehouden dat haar re-integratie zou worden besproken. Ondanks dat werknemer reeds op 24 juni 2021, de dag van het ontslag op staande voet, werd bijgestaan door de gemachtigde, is pas eerst bij verzoekschrift erkend dat werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid bij een derde werkzaamheden heeft verricht en wordt de arbeidsongeschiktheid van werknemer in verband gebracht met de werkomgeving bij werkgever. Nergens is uit gebleken dat op enig ander moment de arbeidsongeschiktheid van werknemer in verband is gebracht met de werkomgeving van werkgever. Ook de door werknemer overgelegde probleemanalyse van de bedrijfsarts maakt dat niet anders. De probleemanalyse dateert van 22 juni 2021, de dag na het hoorgesprek van 21 juni 2021. Het is logisch dat zo’n gesprek spanningen oplevert bij werknemer en dat de bedrijfsarts dat constateert en vermeldt, maar het betekent niet dat daaruit afgeleid moet worden dat werknemer in de maanden ervoor arbeidsongeschikt was als gevolg van de werkomgeving bij werkgever en dat werkgever dat had moeten oppakken. Om tot dat oordeel te kunnen komen heeft de kantonrechter aanknopingspunten nodig en die ontbreken. Sterker nog, de bedrijfsarts heeft in de probleemanalyse vermeld dat werknemer op 1 februari 2021 (opnieuw) is uitgevallen omdat toen sprake was van een medische aandoening. Daarbij komt dat werkgever de door werknemer gestelde onveilige sfeer heeft bestreden en daartegen heeft aangevoerd dat zij één melding van werknemer heeft ontvangen betreffende een situatie over de etnische achtergrond. Dit heeft werkgever besproken met de betrokkenen. Andere voorvallen zijn werkgever niet bekend, hetgeen werknemer verder ook niet gemotiveerd heeft bestreden.

4.7.

Voorgaande omstandigheden in aanmerking genomen is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een dringende reden in de zin van de wet. Werknemer heeft tijdens haar arbeidsongeschiktheid (vergelijkbare) werkzaamheden verricht bij een derde in plaats van (verder) te re-integreren bij werkgever, terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is gebleken. Met haar stelling dat werknemer niet volledig arbeidsongeschikt was, niet fulltime werkzaam was bij werkgever en het haar niet verboden is nevenwerkzaamheden te verrichten zodat het haar in die zin vrij stond enige werkzaamheden bij een derde te verrichten, gaat werknemer voorbij aan de feitelijke situatie ten tijde van haar werkzaamheden bij ’s Heeren Loo. Er was destijds geen situatieve arbeidsongeschiktheid vastgesteld en ook anderszins werd haar arbeidsongeschiktheid niet in verband gebracht met de werkomgeving van werkgever zodat niet houdbaar is wel vergelijkbare werkzaamheden te verrichten bij een derde maar niet bij werkgever terwijl er onderwijl wel het loon van werkgever wordt behouden.

4.8.

Ook de gevolgen van het ontslag opstaande voet voor werknemer heeft de kantonrechter bij haar oordeel meegewogen. Zoals reeds overwogen is ontslag op staande voet een ultimum remedium omdat het voor een werknemer verregaande gevolgen heeft, zo ook voor werknemer. Als gevolg van het ontslag op staande voet heeft werknemer haar opleiding moeten staken. Daardoor is enige studievertraging onvermijdbaar, maar niet onoverkomelijk. De opleiding kan op enig moment weer worden opgepakt en hervat. Werknemer is jong en in de zorg is nog steeds veel vraag naar personeel. Werknemer heeft verder aangevoerd dat zij door de fraudemelding van werkgever niet aan het werk komt in deze (Haagse) regio. Naar de kantonrechter heeft begrepen is het woord “fraude” inderdaad in de mond genomen door werkgever maar beoogt werkgever daaraan verder geen kwalificatie of gevolgen te verbinden, het vormt ook geen onderdeel van de dringende reden, zodat ook dit geen belemmering zal vormen voor werknemer in haar toekomstige loopbaan.

Conclusie

4.9.

De slotsom van het voorgaande is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst op 24 juni 2021 is geëindigd. Dit heeft tot gevolg dat de verzochte verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd en dat werknemer niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal worden afgewezen, evenals de verzoeken tot betaling van een billijke vergoeding, de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de buitengerechtelijke incassokosten. Op deze vergoedingen kan werknemer bij deze stand van zaken geen aanspraak maken. Wel toewijsbaar is het verzoek van werknemer te verklaren voor recht dat zij geen fraude heeft gepleegd. Zoals reeds overwogen vormt fraude geen onderdeel van de reden van het ontslag, maar de kantonrechter begrijpt het belang van werknemer om uitdrukkelijk vermeld te zien dat fraude niet aan de orde is nu het wel in de mond is genomen door werkgever. Het verzoek van werknemer tot het verstrekken van deugdelijke specificaties door werkgever is eveneens toewijsbaar. Deze dient werkgever vanzelfsprekend te verstrekken, hetgeen verder ook niet is weersproken door werkgever. De kantonrechter zal het verzoek van werknemer om hieraan een dwangsom te verbinden afwijzen, omdat werkgever niet de indruk heeft gewekt zich niet te zullen houden aan een rechterlijke veroordeling daartoe.

Transitievergoeding

4.10.

Ten aanzien van de verzochte transitievergoeding is de kantonrechter van oordeel dat werkgever deze verschuldigd is. Hoewel de handelwijze van werknemer door tijdens arbeidsongeschiktheid voor een derde vergelijkbare werkzaamheden te verrichten een dringende reden oplevert, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer maar hooguit van verwijtbaar, laakbaar handelen. Werknemer heeft ook bestreden dat haar handelen als ernstig verwijtbaar kan worden gekwalificeerd, terwijl werkgever verder niet heeft aangevoerd waarom de handelwijze van werknemer niettemin als ernstig verwijtbaar moet worden gekwalificeerd. Meegewogen bij haar oordeel heeft de kantonrechter dat de werknemer niet of niet volledig belastbaar werd bevonden voor het eigen werk. Werknemer heeft in dat licht bezien en strikt genomen haar re-integratieverplichtingen niet geschonden. Werkgever heeft zich voor wat betreft de hoogte van de transitievergoeding gerefereerd aan het door werknemer begrootte bedrag van € 2.298,00 bruto. De kantonrechter zal dienovereenkomstig beslissen. De verzochte wettelijke rente daarover is als onweersproken toewijsbaar. De wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Studiekosten

4.11.

Werknemer heeft aangevoerd dat er geen grond is voor de verschuldigdheid van de studiekosten aan werkgever zodat deze ook niet verrekend of in mindering mogen worden gebracht op het salaris. Werkgever heeft slechts aangevoerd dat werknemer de studiekosten verschuldigd is maar laat na aan te voeren en te onderbouwen op welke grond terwijl dit wel op de weg van werkgever ligt. Nu zij dat heeft nagelaten zal het verzoek van werknemer tot terugbetaling van de studiekosten als onvoldoende weersproken worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente daarover is eveneens als onweersproken toewijsbaar.

De door werkgever voorwaardelijk verzochte gefixeerde schadevergoeding

4.12.

In het geval werknemer voor het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW een verzoekschrift heeft ingediend tot vernietiging van het ontslag op staande voet dan wel tot toekenning van een billijke vergoeding, heeft werkgever een gefixeerde schadevergoeding gevorderd waarbij werkgever zich op het standpunt heeft gesteld dat het ontstaan van de dringende reden is veroorzaakt door opzet of schuld van werknemer. Volgens dat artikel vervalt de bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek betreft tot toekenning van een vergoeding wegens onregelmatig ontslag. Op 24 juni 2021 is het ontslag op staande voet gegeven zodat de vervaltermijn van twee maanden is aangevangen op 25 juni 2021 en eindigde op 25 augustus 2021. Op 24 augustus 2021 is het verzoekschrift ingediend. Dat is binnen de termijn van twee maanden. Daarmee is de voorwaarde waaronder werkgever haar verzoek heeft ingediend vervuld. Ook werkgever heeft tijdig aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding, namelijk met het verzoekschrift dat zij op 23 augustus 2021 heeft ingediend.

4.13.

De partij die de arbeidsovereenkomst opzegt wegens een door opzet of schuld van de wederpartij veroorzaakte dringende reden, heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding van die wederpartij over de termijn tot de datum waarop die wederpartij eerst regelmatig had kunnen opzeggen. Werknemer beroept zich op het ontbreken van opzet of schuld. Werkgever heeft aangevoerd dat de aan het ontslag ten grondslag gelegd reden werknemer verwijtbaar is en dat de eisen om opzet of schuld aan te nemen niet al te hoog zijn. Hoewel juist, dient tevens een afweging te worden gemaakt van de concrete omstandigheden van het geval.

4.14.

Tijdens de zitting hebben partijen de kantonrechter de indruk gegeven dat werkgever en werknemer gedurende lange tijd langs elkaar heen hebben gepraat. Zij verkeerden ieder in een andere veronderstelling. Zo had werkgever de indruk dat werknemer het naar haar zin had. Werkgever was dan ook geschokt dat werknemer voor een derde werkzaamheden bleek te verrichten tijdens haar arbeidsongeschiktheid. Werknemer voelde zich evenwel onveilig op haar werk. Werknemer heeft in haar beleving melding gemaakt van voorvallen die hebben geleid tot de onveilige werksfeer terwijl volgens haar niet met alle meldingen iets is gedaan. Beide partijen voelen zich in hun vertrouwen jegens de ander geschonden waardoor een situatie kon ontstaan waarin verkeerde keuzes zijn gemaakt. In het licht van deze omstandigheden kan de kantonrechter niet tot de conclusie komen dat sprake is van opzet of schuld aan de zijde van werknemer. Het verzoek van werkgever zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

4.15.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de proceskosten tussen partijen in beide zaken te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak met kenmerk 9407354 RP VERZ 21-50531

5.1.

verklaart voor recht dat werknemer geen fraude heeft gepleegd;

5.2.

veroordeelt werkgever om aan werknemer deugdelijke netto/bruto-specificaties te verstrekken;

5.3.

veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van de onterecht verrekende studiekosten ad € 600,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt werkgever tot betaling aan werknemer van de transitievergoeding ad € 2.298,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2021 tot de dag van algehele voldoening;

5.5.

wijst de overige verzoeken van werknemer af;

in de zaak met kenmerk 9407379 RP VERZ 21-50532

5.6.

wijst het verzoek van werkgever tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en wettelijke rente af;

in beide zaken

5.7.

compenseert de proceskosten in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door kantonrechter mr. E.A.W. Schippers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2022.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature