E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2022:2700
Rechtbank Den Haag, NL21.14977

Inhoudsindicatie:

Eiser is een statushouder in Cyprus. Hij is via Roemenie naar Nederland gekomen en heeft direct bij de aankomst op de luchthaven Schiphol (bij de Schengen aankomstpost) om internationale bescherming gevraagd bij de KMar. Verweerder heeft op dat moment het besluit over de toegang uitgesteld en de asielaanvraag van eiser in de grensprocedure behandeld. Verweerder heeft de bewaring opgeheven met de motivering 'Uitbrengen beschikking o.g.v. niet-ontvankelijk in de grensprocedure, waarbij betrokkene reeds EU bescherming geniet'. Eiser is daarbij opgedragen om na het uitbrengen van die beschikking zelfstandig en onmiddellijk terug te keren naar Cyprus. Aan hem is vervolgens de toegang tot Nederland verleend.

Tussen partijen is niet in geschil dat zowel Cyprus als Roemenie een Schengenlanden zijn en dat eiser aan de buitengrens van het Schengengebied, te weten de grensdoorlaatpost op luchthaven Schiphol, om internationale bescherming heeft verzocht. De rechtbank stelt in haar deelconclusie vast dat er egen aanleiding was om de grensprocedure te voeren om nader onderzoek te doen naar de status van eiser in Cyprus, omdat die status al bij aanvang van de grensprocedure voldoende vast stond.

De rechtbank wijkt af van de Afdelingsuitspraak van 22 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2870) met de motivering dat de grensprocedure ervoor dient om te onderzoeken of aan een vreemdeling de toegang tot Nederland en in het verlengde daarvan toegang tot het Schengengebied kan worden verleend of dat het grensbewakingsbelang zich daartegen verzet. In het geval van een vreemdeling van wie is komen vast te staan dat hij een statushouder is in een ander EU-;and, hoeft dat onderzoek niet te worden verricht, omdat al op voorhand vaststaat dat hem hoe dan ook de toegang zal worden verleend, dus zonder beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Elke mogelijke afdoening van het verzoek om internationale bescherming zal, in weerwill van wat verweerder stelt, naar het oordeel van de rechtbank namelijk leiden tot toegangsverlening. Verweerder heeft in ieder geval niet voldoende gemotiveerd dat dat een onjuist uitgangspunt is. Daarmee is door verweerder ook onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een grensbewakingsbelang. Beroep gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie