E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2022:2444
Rechtbank Den Haag, AWB 21/6960

Inhoudsindicatie:

Eiseres heeft op 16 september 2021 de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om haar en haar familie op de evacuatielijst te plaatsen dan wel hen een proces te laten doorlopen waardoor zij een visum kunnen krijgen dat hen in staat stelt naar Nederland te reizen. Op 29 november 2021 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op 30 november 2021 heeft het ministerie van Defensie gereageerd op het verzoek van eiseres om geƫvacueerd te worden. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de reactie van het ministerie van Defensie van 30 november 2021 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb of een handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw .

Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 30 november 2021 van het ministerie van Defensie niet aan te merken als een besluit, omdat een bevoegdheid voor evacuatie bij of krachtens de wet ontbreekt en daarmee geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Het daadwerkelijk evacueren van Afghaanse burgers vanaf Afghaans grondgebied brengt met zich mee dat Nederland rechtsmacht moet uitoefenen in Afghanistan, een andere soevereine staat, en over diens burgers. Een belangrijk juridisch uitgangspunt is in dit verband dat de rechtsmacht van een staat zich beperkt tot zijn eigen grondgebied, omdat iedere staat op zijn eigen grondgebied soevereiniteit toekomt en iedere staat bij uitstek in staat is om daarop de rechten van zijn burgers te waarborgen. De soevereiniteit die een staat toekomt op zijn grondgebied wordt aangetast op het moment dat een andere staat rechtsmacht op dat grondgebied uitoefent. Slechts in uitzonderlijke situaties is door Europese en nationale rechters aangenomen dat een staat rechtsmacht heeft buiten zijn eigen grondgebied. Verder is van belang dat in de rechtspraak wordt aangenomen dat de Nederlandse Staat zich het lot aantrekt van Nederlandse staatsburgers of personen met een bijzondere band met Nederland die zich in het buitenland bevinden. De Nederlandse Staat heeft daarbij grote beleids- en beoordelingsvrijheid, omdat dit soort hulp en bijstand vaak geboden moet worden in onveilige situaties ter plaatse, waarbij internationale politieke belangen een grote rol spelen. Het is dus aan de Nederlandse Staat om te bepalen hoe hij vorm geeft aan deze hulp en bijstand. Tegen de achtergrond van deze gedachten speelt naar het oordeel van de rechtbank de kwestie van de evacuatie zich af.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de motie Belhaj van 18 augustus 2021 dan wel de Kamerbrief van 18 augustus 2021 in een bevoegdheid voor evacuatie bij of krachtens de wet voorziet. Wat de evacuatie betreft is een politiek-bestuurlijk standpunt ingenomen en een politiek-bestuurlijk standpunt vormt geen wettelijke grondslag voor evacuatie. Ook de door eiseres genoemde tolkenregeling en de in dat kader genoemde bevoegdheid tot het verstrekken van een inreisvisum als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Visumcode vormen naar het oordeel van de rechtbank geen bevoegdheid voor evacuatie bij of krachtens de wet. Met deze regeling is geen invulling gegeven aan een bevoegdheid bij of krachtens de wet. Evenmin biedt het bepaalde in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw , artikel 2p, tweede lid, van de Vw of artikel 9, tweede lid, van de Rijksvisumwet een publiekrechtelijke grondslag voor evacuatie

Met betrekking tot artikel 72, derde lid, van de Vw volgt de rechtbank verweerders standpunt dat, voor zover het gaat om evacuatie of overbrenging van niet-Nederlanders, die evacuatie of overbrenging niet heeft plaatsgevonden (of zo mogelijk nog zou moeten plaatsvinden) in of vanwege hun hoedanigheid als vreemdeling, maar omdat zij bijvoorbeeld behoorden tot de lokale staf van de Nederlandse ambassade, dus in de eventuele hoedanigheid van werknemer en zijn kerngezin. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen gaat het om buitenlands beleid en daarbij valt eiseres niet onder de rechtsmacht van de Nederlandse Staat. Een andere opvatting zou betekenen dat een veelheid aan handelen en nalaten van verweerders ten opzichte van personen die zich in het buitenland bevinden, dat mogelijk uitmondt in een aanvraag om toelating tot of verblijf in Nederland, onder het bereik van artikel 72, derde lid, van de Vw komt. Voor zo een verstrekkende uitleg ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en verklaart het beroep gericht tegen de brief van 30 november 2021 niet-ontvankelijk.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie