< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

trefwoorden: Eritrea, identiteit, terugkeerbesluit, arrest TQ.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.19148

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Hodaifa Adam [naam eiser], eiser

v-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M.E.M. Jacquemard),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop Bij besluit van 1 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.19149, op 6 januari 2022 te Breda op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn voogd van Nidos A.K. Hansen. Als tolk is verschenen M. Mahassen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2005 en van Eritrese nationaliteit te zijn. Op 11 juli 2021 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op vijfjarige leeftijd met zijn familie Eritrea moest ontvluchten. Eiser vreest bij terugkeer voor de autoriteiten omdat hij nog niet heeft voldaan aan zijn militaire dienstplicht en Eritrea illegaal heeft verlaten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig geacht. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat eiser wisselende gegevens heeft verstrekt over zijn naam en geboortedatum. Uit Eurodac is gebleken dat hij in Italië geregistreerd staat met de naam [alias eiser], geboren op [geboortedatum alias] 2004. Eiser heeft daarnaast geen identificerende documenten overgelegd. Aan de door eiser overgelegde kopieën van de identiteitskaarten van zijn gestelde ouders en ooms kan niet de waarde worden gehecht die eiser hieraan wenst te hechten, nu de familieband met hen niet is aangetoond. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. Uit openbare bronnen volgt bijvoorbeeld dat een geboorteakte ook geruime tijd na de geboorte van een kind kan worden verkregen. Eventueel kan dit met behulp van getuigen. Eiser heeft verder vaag en summier verklaard over Eritrea. Verweerder volgt niet dat de jonge leeftijd van eiser ten tijde van het gestelde vertrek uit Eritrea hiervoor een adequate verklaring is. Eiser stelt immers zelf dat hij uit Eritrea afkomstig is en hij heeft tot aan zijn vertrek uit Soedan in 2020 met zijn ouders samengewoond. Van eiser mag daarom verwacht worden dat hij meer over Eritrea kan vertellen. Ook over Soedan verklaart eiser vaag en summier ondanks dat hij heeft verklaard dat hij in dat land ruim tien jaar heeft gewoond.

4. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan. Eiser betwist dat hij in Italië een andere naam heeft opgegeven. Zijn naam is aldaar fonetisch genoteerd en de naam [naam eiser] is ten onrechte niet geregistreerd. Eiser wist daarnaast zijn precieze geboortedatum in Italië niet. Pas toen hij op doorreis was naar Nederland heeft hij in België contact gehad met zijn ouders en naar zijn exacte geboortedatum gevraagd. Van eiser is het verder onredelijk om te verwachten dat hij identificerende documenten overlegt. Eiser is minderjarig en hij was vijf jaar oud toen hij Eritrea verliet. Eiser voert verder aan dat de kopieën van de identiteitskaarten die hij heeft overgelegd zijn relaas ondersteunen. De informatie op de documenten komt namelijk overeen met zijn verklaringen over zijn ouders en hun geboorteplaats. Eiser heeft verder, anders dan verweerder stelt, wel voldoende verklaard over Eritrea. Hij heeft namelijk verklaringen gegeven over onder meer de taal, de munteenheid, het eten en de feestdagen in Eritrea. Verweerder heeft tot slot nauwelijks doorgevraagd over het leven in Soedan. Eiser kan dan ook niet verweten worden dat hij weinig over Soedan verklaard heeft.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. In geschil zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. De rechtbank zal daarnaast ambtshalve toetsen of verweerder bevoegd is om bij het bestreden besluit geen terugkeerbesluit uit te vaardigen.

Identiteit, nationaliteit en herkomst

6. De rechtbank stelt vast dat eiser in Nederland heeft verklaard dat zijn naam [naam eiser] is, dat hij is geboren op [geboortedatum] 2005 en de Eritrese nationaliteit bezit. Uit onderzoek dat door verweerder is verricht blijkt echter dat hij in Italië staat geregistreerd met een andere naam en geboortedatum, te weten [alias eiser], geboren op [geboortedatum alias] 2004. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uit mag gaan dat de registratie van de gegevens van eiser in Italië zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze gegevens onjuist zijn. Eiser is hierin niet geslaagd. De stelling dat eiser pas in België, nadat hij contact heeft gehad met zijn ouders, op de hoogte was van zijn geboortedatum, verklaart niet waarom eiser in Italië eerdergenoemde geboortedatum heeft opgegeven. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook terecht opgemerkt dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd die zijn identiteit kunnen onderbouwen. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn relaas kopieën van vijf Eritrese identiteitskaarten overgelegd, naar gesteld van de ouders en ooms van eiser. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser geen document heeft overgelegd dat de gestelde familieband met deze personen onderbouwt. De kopieën kunnen bovendien niet worden onderzocht op echtheid. Verweerder heeft zich voorts niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser weinig kan verklaren over zijn gestelde woonplaats in Eritrea maar ook weinig algemene kennis heeft van zijn gestelde land van herkomst. Eiser heeft weliswaar verklaard over onder andere de feestdagen, het eten en de munteenheid van Eritrea maar dit is onvoldoende om uit te kunnen gaan van eisers gestelde herkomst en nationaliteit. Eiser heeft daarnaast tot aan zijn vertrek uit Soedan in 2020 met zijn ouders samengewoond. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat verwacht mocht worden dat eiser bijvoorbeeld via van zijn ouders verkregen informatie meer had kunnen verklaren over Eritrea en zijn herkomstgebied. Ook ten aanzien van zijn gestelde verblijf in Soedan heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser hierover vaag en summier heeft verklaard. Verweerder heeft mogen verwachten van eiser dat hij meer over Soedan kon vertellen. Eiser heeft tenslotte naar eigen zeggen ruim tien jaar in Soedan verbleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt.

7. Eiser heeft tegen de afdoening van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond geen verdere beroepsgronden aangevoerd. Gelet op voornoemde conclusie heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw .

Ontbrekend terugkeerbesluit

8. Bij het bestreden besluit is aan eiser geen terugkeerbesluit opgelegd. Onder het kopje ‘rechtsgevolgen van deze beschikking’ staat vermeld dat dit besluit nog niet als terugkeerbesluit geldt omdat eerst zal worden onderzocht of er voor eiser adequate opvang aanwezig is buiten Nederland. Niet in geschil is dat eiser minderjarig is. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat uitgegaan wordt van de minderjarigheid van eiser nu verweerder afgaat op de persoonsgegevens van eiser zoals in Italië is geregistreerd.

9. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of verweerder bevoegd is om bij de afwijzing van een asielaanvraag een terugkeerbesluit achterwege te laten. Uit artikel 45 van de Vw volgt dat een besluit tot afwijzing van de asielaanvraag van rechtswege geldt als terugkeerbesluit. Dit artikel is dwingend geformuleerd. In het negende lid van deze bepaling is een uitzondering geformuleerd indien de asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Deze uitzondering is hier niet van toepassing. De Nederlandse wet biedt verweerder verder geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerders handelwijze om in het bestreden besluit te bepalen dat er nog geen terugkeerbesluit is genomen, in strijd is met de Nederlandse wet. Voor zover het bestreden besluit moet worden geacht ondanks de vermelding onder het kopje ‘rechtsgevolgen van deze beschikking’ van rechtswege een terugkeerbesluit te bevatten, komt dit in strijd met het unierecht.

10. In het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2021 is namelijk overwogen dat wanneer een lidstaat voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen aan een niet-begeleide minderjarige (minderjarige), in alle fases rekening moet worden gehouden met de belangen van de minderjarige. Wanneer een lidstaat een terugkeerbesluit uitvaardigt aan een minderjarige dient de lidstaat zich ervan te vergewissen dat er voor de betrokken minderjarige adequate opvang is in het land van terugkeer. Indien een lidstaat dit laatste nalaat maar wel de asielaanvraag heeft afgewezen kan de minderjarige gelet op artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2008 /115/EG (de Terugkeerrichtlijn) niet worden verwijderd. In de situatie dat aan de minderjarige geen verblijf wordt toegestaan, betekent dit dat hij in grote onzekerheid komt te verkeren over zijn wettelijke status en zijn toekomst, onder meer wat betreft zijn opleiding, zijn band met een pleeggezin of de mogelijkheid om in de betrokken lidstaat te blijven.Een dergelijk situatie is volgens het Hof onverenigbaar met het vereiste overeenkomstig artikel 5, onder a), van de Terugkeerrichtlijn en artikel 24, tweede lid, van het Handvest om het belang van het kind in alle fasen van de procedure te beschermen. Uit het voorgaande volgt dat een lidstaat, voordat hij een terugkeerbesluit vaststelt, moet onderzoeken of er voor de betrokken niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer. Als die opvang niet aanwezig is, kan tegen de minderjarige geen terugkeerbesluit op grond van de Terugkeerrichtlijn worden uitgevaardigd.

11. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de beoordeling van het Hof in het arrest TQ, voorkomen dient te worden dat eiser, een niet-begeleide minderjarige, in grote onzekerheid komt te verkeren over zijn verblijfssituatie in Nederland. In dit geval is enerzijds besloten dat eiser (nog) niet hoeft terug te keren in afwachting van het onderzoek naar de opvangmogelijkheden buiten Nederland, terwijl anderzijds is besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Als gevolg hiervan is een gedoogconstructie ontstaan, die, zo volgt uit het arrest TQ, niet is toegestaan.

Slotsom

12. Omdat ten onrechte al op de asielaanvraag is beslist voordat een terugkeerbesluit kon worden uitgevaardigd, is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Er is, gelet op de noodzaak van nader onderzoek door verweerder, geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Rekening houdend met de tijd die nader onderzoek mogelijkerwijs in beslag neemt, zal een termijn worden gesteld van twaalf weken waarbinnen een nieuwe beslissing op eisers aanvraag moet worden genomen.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518

(vijftienhonderdachttien euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr.S.D.C.J. Verheezen, griffier, en bekendgemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ).

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2219)

ECLI:EU:C:2021:9 (hierna arrest TQ)

Punt 44.

Punt 52.

Punt 53.

Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Punt 54.

Punten 55 en 56.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature