< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Aanvraag afgifte art. 9 Vw document afgewezen omdat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie, als bedoeld in het arrest K.A. Beroep ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.8793

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres, V-nummer: [v-nummer]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Deniz).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.

Bij besluit van 11 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2022 op zitting behandeld. Eiseres en referent waren aanwezig, vergezeld door [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1966 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 21 oktober 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot afgifte van een EU/EER document, waaruit een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez blijkt. Zij beoogt verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot, [B], geboren op [geboortedag 2] 1965 (referent). Eiseres stelt dat sprake is van een zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eiseres, als bedoeld in het arrest K.A. Referent is vanwege zijn medische problematiek zodanig afhankelijk van de mantelzorg van eiseres dat het weigeren van verblijf aan eiseres in Nederland ertoe zal leiden dat referent zal zijn gedwongen het grondgebied van de lidstaten te verlaten.

2. Verweerder handhaaft in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag. Alleen in uitzonderlijke situaties kan een familielid van een meerderjarige burger van de Unie een afgeleid verblijfrecht op grond van artikel 20 van het VWEU hebben. Volgens verweerder is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het arrest K.A. Eiseres heeft niet aangetoond dat sprake is van een zodanige afhankelijkheid dat zij op geen enkele wijze van referent kan worden gescheiden. Evenmin is aangetoond dat het weigeren van verblijf aan eiseres ertoe zal leiden dat referent zal zijn gedwongen het grondgebied van de lidstaten te verlaten. Eiseres heeft dus geen afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU .

Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres is het niet eens met verweerder. Op wat zij tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

De afhankelijkheidsrelatie

4. Uit het arrest K.A. volgt dat een derdelander niet uitsluitend een verblijfsaanspraak aan artikel 20 van het VWEU kan ontlenen indien hij verblijf beoogt bij zijn minderjarig kind dat Unieburger is, maar dat ook een afgeleid verblijfsrecht kan ontstaan op grond van artikel 20 van het VWEU als een derdelander verblijf beoogt bij een meerderjarig familielid die burger van de Unie is. In het arrest is uitgelegd dat een situatie waarin tussen twee volwassen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan, in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is.

4.1.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in het arrest K.A., waarin sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiseres en referent op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat referent zodanig afhankelijk is van eiseres, dat hij zich in Nederland zonder haar aanwezigheid niet staande kan houden en dus met haar de Europese Unie zou moeten verlaten.

4.2.

De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat eiseres en referent met betrekking tot de gestelde afhankelijkheidsrelatie onvoldoende naar voren hebben gebracht, terwijl het wel op hun weg had gelegen hun afhankelijkheidsrelatie te onderbouwen. Zoals verweerder in het bestreden besluit al voldoende heeft toegelicht, is verweerder ingegaan op de overgelegde medische stukken, waarbij is geconcludeerd dat niet is gebleken dat referent dusdanige medische problemen heeft dat hij zich niet zelfstandig staande zou kunnen houden zonder de hulp/mantelzorg van eiseres of derden. Evenmin zijn er objectief verifieerbare stukken overgelegd, bijvoorbeeld medische verklaringen van een arts of andere behandelaar, waaruit blijkt dat eiseres de enige is die de gestelde mantelzorg aan referent kan bieden.

4.3.

Verder heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende toegelicht dat in dit geval geen aanleiding bestaat het BMA advies uit te laten brengen. Daarbij is van belang dat het BMA geen uitspraken kan doen of de mantelzorg slechts door één specifieke persoon kan worden gedaan. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar stelling dat verweerder het BMA advies had moeten vragen over de door eiseres overgelegde medische gegevens en bescheiden.

4.4.

Evenmin is gebleken dat de door eiseres gestelde medische klachten een medische noodsituatie vormen op grond waarvan eiseres niet kan reizen. Zoals verweerder in het bestreden besluit al heeft toegelicht dient eiseres indien zij van mening is dat hiervan wel sprake is een aanvraag in te dienen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’.

4.5.

Ook het beroep van eiseres op het arrest Jeunesse en de verwijzing naar de Guidance van de EC van 3 april 2014 helpen eiseres niet. Op deze argumenten is verweerder al ingegaan in het bestreden besluit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, heeft de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 geen verdere strekking dan dat het bestaan van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt bevestigd. Een beroep op artikel 8 van het EVRM kan nooit leiden tot afgifte van het gevraagde document. Als eiseres haar aanspraak op verblijf met het oog op artikel 8 van het EVRM wil laten beoordelen, kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen.

4.6.

De rechtbank ziet in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, nu dit grotendeels een herhaling is van wat al in bezwaar naar voren is gebracht en waarop verweerder in het bestreden besluit al gemotiveerd is ingegaan, geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiseres heeft immers niet aangegeven wat niet juist is aan de motivering van het bestreden besluit.

5. In wat eiseres verder nog in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel.

6. Van een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit is de rechtbank niet gebleken.

Hoorplicht

7. Van horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is slechts sprake indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidende beslissing dan in het primaire besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw ).

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.

Arrest van het Hof van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:308.

Uitspraak van 16 april 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2021:789.

Het Bureau Medisch Advies.

Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 in de zaak Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.

Communication from the Commission to the European Parliament and Council on guidance for application of Directive 2003/86/EC on the right to family reunification van 3 april 2014.

Uitspraak van de Afdeling van 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:790.

Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb .


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature