< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Dublin, Polen, AIDA-rapport, opvang, rechtsbijstand, gestelde gezinsband, ongegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.7831

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer], eiseres Mede namens haar minderjarige zoon:

[zoon] , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. D. Berben).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.7832, plaatsgevonden op 8 juni 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Poolse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.

2. Eiseres voert aan dat er ten aanzien van Polen niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres wijst ter onderbouwing op het AIDA-rapport, update 2020, van 16 april 2021. Uit dit rapport blijkt dat het leefgeld voor asielzoekers te laag is om een accommodatie van te huren, waardoor zij in overbevolkte appartementen moeten leven. Hierdoor zijn de veiligheid en privacy van eiseres en haar zoon bij terugkeer

naar Polen in gevaar. Daarbij zal eiseres door onvoldoende maatschappelijke ondersteuning illegaal in Polen moeten werken, maar door de coronapandemie en de zorg voor haar zoon zal het nagenoeg onmogelijk zijn om werk te vinden. Verder voert eiseres aan dat zij geen recht heeft op gratis rechtsbijstand in de beroepsfase in Polen. Weliswaar kunnen lidstaten bepalen dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet worden aangeboden wanneer een beroep van een eiseres geen reële kans van slagen heeft, doch in casu valt niet op voorhand uit te sluiten dat het beroep van eiseres in Polen een reële kans van slagen zal hebben. Indien eiseres voor de beoordeling van de vraag of zij recht heeft op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging afhankelijk is van de Poolse autoriteiten, die haar opponent zijn in een juridische procedure, dan is het recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in een juridische procedure illusoir. Het recht op een eerlijk proces, zoals verankerd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt derhalve niet gerespecteerd door de Poolse autoriteiten.

3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aan te tonen dat dit in haar geval niet mag. Eiseres is hier niet in geslaagd.

4. Uit het AIDA-rapport volgt niet dat sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele gebreken in het Poolse asiel- en opvangsysteem. Uit het rapport volgt dat asielzoekers opvang kunnen krijgen in een ‘reception centre’, of een toelage krijgen om zelf een accommodatie te regelen. Uit het rapport volgt verder dat het met deze toelage heel erg moeilijk is om een geschikte woonruimte te vinden. Hieruit blijkt echter niet dat het structureel onmogelijk is om opvang of een woonruimte te krijgen. Verder heeft eiseres niet onderbouwd dat zij in de beroepsfase in Polen geen recht heeft op gratis rechtsbijstand. Allereerst biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft. Daarbij blijkt uit het AIDA-rapport dat het verkrijgen van

kosteloze rechtsbijstand ‘met moeite’ gaat, maar het blijkt niet dat kosteloze rechtsbijstand er niet is of dat het geheel onmogelijk is om toegang daartoe te krijgen en ook niet dat de mogelijkheid er voor eiseres niet is om hier gebruik van te maken. Verder heeft eiseres geen asielaanvraag ingediend in Polen en zij heeft zelf dan ook geen ervaring met het Poolse asiel- en opvangsysteem. Indien eiseres wel problemen ondervindt in Polen met betrekking tot opvang of andere voorzieningen en van mening is dat Polen zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt, is het aan haar om daarover te klagen bij de Poolse (hogere) autoriteiten. Het is niet gebleken dat klagen voor haar niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.

5. Eiseres voert verder aan dat verweerder haar asielverzoek in behandeling moet nemen op basis van artikel 17 van de Dublinverordening. Overdracht aan Polen zal namelijk leiden tot een verbreking van de gezinsband tussen de in Nederland verblijvende vader van haar zoon en dit is niet in het belang van haar zoon. Op grond van artikel 6 van de Dublinverordening moeten de lidstaten het belang van het kind vooropstellen en nauw samenwerken om vast te stellen wat het belang van het kind is en daarbij houden ze in het bijzonder rekening met het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige.

6. De rechtbank overweegt allereerst dat eiseres de gestelde gezinsband tussen haar echtgenoot en haarzelf en haar zoon niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit terwijl verweerder

diverse keren heeft aangegeven dat voor het aannemen van de gezinsband onderbouwing nodig is. Daarbij blijkt ook niet hoe het bestaan van de gezinsband een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 17 van de Dublinverordening oplevert die maakt dat verweerder het asielverzoek van eiseres en haar zoon aan zich zou moeten trekken zoals gesteld. Ter zitting is namelijk gebleken dat haar gestelde echtgenoot ook is geclaimd in Polen, dat er een claimakkoord is en dat hij een besluit heeft ontvangen dat zijn asielverzoek niet in behandeling wordt genomen in Nederland en dat zijn beroep daartegen niet- ontvankelijk is verklaard. De gestelde echtgenoot van eiseres zal dus (ook) niet in Nederland mogen blijven en zal ook naar Polen overgedragen worden. De gezinsband zal dus door overdracht van eiseres en haar kind naar Polen niet verbroken worden en het belang van het kind zal daarom ook niet in het geding zijn.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

16 juni 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. L.A. Banga T.R. Vos

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature