< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw 2000 en overdrachtsbesluit Bulgarije. Eiser heeft geen asielverzoek ingediend in Nederland. Verweerder hoeft niet

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.13141 en NL21.13143

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2021 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 ( Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld (NL21.13143). Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Bij besluit van 13 augustus 2021 (het bestreden besluit 2, ook: het overdrachtsbesluit) heeft verweerder aan eiser te kennen gegeven dat hij eiser met toepassing van artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening aan de autoriteiten van Bulgarije zal overdragen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld (NL21.13141). Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL21.13142).

De rechtbank heeft het beroep tegen het overdrachtsbesluit en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 augustus 2021 op zitting behandeld. Eiser was middels videoverbinding aanwezig, waarbij als tolk aanwezig was [naam tolk] (Arabisch, Syrisch-Libanees). Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting in het beroep tegen de maatregel van bewaring is aangevangen op 23 augustus 2021, maar de rechtbank heeft de behandeling van het onderzoek ter zitting geschorst, omdat eiser zich niet verstaanbaar kon maken tegenover de tolk. Omdat de rechtbank eiser dient te horen is op 24 augustus 2021 het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Ahmad (Koerdisch, Kermandji). Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en van Syrische nationaliteit te zijn. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en heeft in Nederland geen asielverzoek ingediend.

2. Eiser is op 10 augustus 2021 staandegehouden en overgebracht naar- en opgehouden op een plaats van verhoor. Eiser is vervolgens op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 , in vreemdelingen bewaring gesteld.

3. Op 11 augustus 2021 heeft verweerder de Bulgaarse autoriteiten gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Bulgaarse autoriteiten hebben met dit verzoek ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Bij het bestreden besluit 2 van 13 augustus 2021 is eiser vervolgens op grond van artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening, aangezegd dat hij zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Bulgarije.

4. Eiser voert aan dat de situatie voor Dublinclaimanten in Bulgarije zorgelijk is. Gelet op het claimakkoord gaat eiser ervan uit dat zijn asielaanvraag in Bulgarije is afgewezen, dit betekent dat hij na overdracht in detentie zal worden geplaatst. Eiser verwijst naar het in februari 2021 gepubliceerde Country Report: Bulgaria 2020 update van AIDA. De toestand in de detentiecentra is zorgwekkend. Daarnaast heeft eiser in Bulgarije bij een opvolgende asielaanvraag geen recht op materiële opvangvoorzieningen omdat deze aanvraag geen schorsende werking heeft. Verder is er geen mogelijkheid om een effectief rechtsmiddel in te stellen, volgens de wet in Bulgarije bestaat kosteloze rechtsbijstand wel, maar in de praktijk wordt deze niet gegeven. Eiser zal bij overdracht in een situatie van vergaande materiële deprivatie terechtkomen en hij heeft geen mogelijkheid om daarover te klagen in Bulgarije. De ondergrens van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) wordt volgens eiser overschreden. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van het Tribunale Ordinario di Roma van 2 april 2021. Eiser stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een tussenuitspraak moet doen waarbij aan verweerder gevraagd wordt om garanties van de Bulgaarse autoriteiten, ook zal de rechtbank deze zaak moeten verwijzen naar de meervoudige kamer. Eiser is van mening dat ook bij dit overdrachtsbesluit, zonder asielverzoek, getoetst dient te worden aan artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Hij wijst erop dat (artikel 4 van ) het Handvest een absoluut karakter heeft. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1995 (C-312/93). Voor de beoordeling van de maatregel van bewaring is ook de vraag van belang of de rechtbank bij een ‘kaal’ overdrachtsbesluit dient te toetsen aan artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. Het antwoord op deze vraag volgt volgens eiser uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 maart 2019 (C-163/17, het arrest Jawo), en dan met name uit het antwoord op de derde prejudiciële vraag.

Ten aanzien van het beroep tegen het overdrachtsbesluit

5. Niet in geschil is dat eiser in Nederland geen asielverzoek heeft ingediend. Uit artikel 26 van de Dublinverordening volgt dat een overdrachtsbesluit, indien de vreemdeling geen asielverzoek in Nederland heeft ingediend, slechts een kennisgeving aan de vreemdeling is dat hij wordt overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Hierbij hoeft verweerder niet te toetsen of de overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. Als de vreemdeling vreest bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in een met de hiervoor genoemde artikelen strijdige situatie terecht te komen, dan kan hij dat laten beoordelen in een procedure op basis van een daartoe in Nederland ingediend asielverzoek. Dit heeft eiser evenwel niet gedaan. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:788).

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure niet inhoudelijk kan worden ingegaan op het beroep van eiser op artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De verwijzing van eiser naar het arrest Jawo van het HvJEU maakt dit niet anders nu het in dat arrest ging om een vreemdeling die in de overdragende lidstaat wél had verzocht om internationale bescherming. De rechtbank overweegt dat het eiser te allen tijde vrij staat zijn beroep op artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest aan de orde te stellen in een asielprocedure. Omdat de rechtbank niet zal toetsen aan artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding om verweerder bij tussenuitspraak op te dragen garanties te vragen bij de Bulgaarse autoriteiten en de rechtbank ziet daarom evenmin reden om deze zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer.

7. De rechtbank verklaart het beroep tegen het overdrachtsbesluit (NL21.13141) ongegrond.

Ten aanzien van het beroep tegen de maatregel van bewaring

8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en dat de openbare orde de maatregel vordert omdat er een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist, zodat deze vaststaan. Nu de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, in onderlinge samenhang bezien, het vermoeden rechtvaardigen dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, kunnen zij de maatregel van bewaring dragen.

10. Wel stelt eiser zich op het standpunt dat de maatregel van bewaring opgeheven dient te worden indien de voorzieningenrechter de gevraagde voorlopige voorziening (verweerder te verbieden verzoeker over te dragen) toewijst. In dat geval zou geen zicht op overdracht bestaan. Voor de beoordeling van de maatregel van bewaring is dus het oordeel van de rechtbank over het overdrachtsbesluit van belang.

11. Nu de rechtbank in het bovenstaande heeft geoordeeld dat het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit ongegrond is en de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van heden (NL21.13142) heeft afgewezen, slaagt de beroepsgrond van eiser tegen de maatregel van bewaring niet.

12. Ten aanzien van de ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de wet. Vastgesteld kan worden dat de termijnen van artikel 94, eerste, vierde en vijfde lid, van de Vw 2000 in acht zijn genomen.

13. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond (NL21.13143). Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Conclusie

14. De beroepen zijn ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Goofers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 augustus 2021.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature