< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Eiseres is een vennootschap onder firma die met ingang van 1 juni 2013 erkend referent is geworden voor de categorie ‘uitwisseling’. Zij bemiddelt tussen au pairs en gastgezinnen in Nederland. De vraag die in deze zaak voorligt is of verweerder direct tot intrekking van de erkenning van eiseres als referent heeft kunnen overgaan op grond van artikel 2g, aanhef en onder b en onder c, van de Vw 2000 . Verweerder hecht terecht veel waarde aan de vertrouwensband die tussen hem en de erkend referent bestaat en mag veel gewicht toekennen aan een situatie die ervan blijk geeft dat hij van de betrouwbaarheid van de erkend referent niet langer kan uitgaan. Op de erkend referent rusten verschillende plichten, zowel jegens de vreemdeling wiens referent hij is als jegens de overheid. Het gaat om plichten tegenover de overheid tot het verstrekken van relevante feiten en gegevens die van belang zijn voor het houden van toezicht op de naleving van de Vw 2000 en om het voeren van een administratie en het bewaren daarvan. Tegenover de vreemdeling bestaat er voor de erkend referent een zorgplicht, waarbij de bescherming van de belangen van de au pair het uitgangspunt vormt. Zowel voor als na plaatsing van de au pair in een gastgezin, heeft de erkend referent op grond van zijn zorgplicht verantwoordelijkheden tegenover de au pair. Verweerder wijst er terecht op dat au pairs een kwetsbare groep vormen en dat op erkend referenten, die een verblijfsvergunning kunnen aanvragen voor au pairs, een bijzondere en grote verantwoordelijkheid rust. Gelet op de professionaliteit, deskundigheid en ervaring op het specifieke terrein waarop de erkend referent actief is, acht de rechtbank het een redelijke verwachting van verweerder dat de erkend referent, zonder dat de zorgplicht tot in detail is voorgeschreven, aan die plicht op adequate wijze invulling kan geven. Hoewel het door de referent opgestelde uitwisselingsprogramma een uitgangspunt en leidraad kan vormen voor de manier waarop de erkend referent aan de op hem rustende plicht voldoet, ontslaat dit hem er niet van om, als de situatie daar om vraagt, op andere wijze dan weergegeven in het uitwisselingsprogramma invulling te geven aan de zorgplicht. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de lat waaraan erkend referenten, specifiek voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’, moeten voldoen, hoog leggen.

Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning als referent zijn bevindingen ten grondslag uit tien casussen waarbij eiseres als bemiddelaar tussen de au pair en het gastgezin heeft opgetreden. Hoewel de rechtbank niet alle tegenwerpingen volgt die verweerder eiseres in de verschillende casussen doet, is eiseres op meerdere punten tekortgeschoten en maakt verweerder eiseres niet ten onrechte een groot aantal en ook ernstige verwijten. Verweerder heeft alleen al op basis van één van de casussen die hij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, en de verwijten die eiseres in dat verband kunnen worden gemaakt, tot de conclusie kunnen komen dat de betrouwbaarheid van eiseres als erkend referent zodanig in twijfel moet worden getrokken dat deze voor hem niet langer vaststaat, en heeft die conclusie zeker kunnen trekken als de andere casussen daarbij worden betrokken.

Het gaat erom of de IND in redelijkheid nog kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van de erkend referent. Verweerder is vrij in de motivering die hij ten grondslag legt aan zijn conclusie dat is gebleken dat daarvan niet langer sprake is. Dit is niet beperkt tot bepaalde aspecten, zoals gevallen van uitbuiting, mensensmokkel of illegale tewerkstelling.

Met het onvoldoende vaststaan van de betrouwbaarheid van eiseres, voldoet eiseres niet aan de voorwaarde voor erkenning als referent als bedoeld in artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 . Verweerder was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 over te gaan tot het intrekking van de erkenning van eiseres als erkend referent. In dit artikel is een zelfstandige grondslag voor de intrekking van het erkend referentschap gelegen.

Het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6651

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.J. Krop),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Wildeboer).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ ingetrokken, met ingang van de dag na bekendmaking van dat besluit.

Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 29 juli 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 26 augustus 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 6 april 2021. Namens eiseres zijn verschenen [naam vennoot 1] ( [vennoot 1] ) en [naam vennoot 2] ( [vennoot 2] ), bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Eiseres is een vennootschap onder firma, gedreven voor rekening van [vennoot 1] en [vennoot 2] . Met ingang van 8 april 2013 heeft eiseres met de IND een convenant gesloten en met ingang van 1 juni 2013 is eiseres erkend referent geworden voor de categorie ‘uitwisseling’. Eiseres was als zodanig geregistreerd in het openbaar register van de IND.

Inleiding

3. De vraag die in deze zaak voorligt is of verweerder (direct) tot intrekking van de erkenning van eiseres als referent heeft kunnen overgaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot dit oordeel komt. Daartoe zet de rechtbank (onder 4 tot en met 4.2) eerst uiteen wat in de wet- en regelgeving is opgenomen over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om als erkend referent te worden aangemerkt en over de intrekking van die erkenning. Daarna zet de rechtbank (onder 5) uiteen wat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag legt. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres gaat de rechtbank vervolgens – voor zover van belang – in op de redenen waarom eiseres het niet met het bestreden besluit eens is en wat de rechtbank daarvan vindt. In dat verband gaat de rechtbank (onder 7 en 7.1) eerst in op wat eiseres aanvoert over de zorgvuldigheid van de besluitvorming. Daarna bespreekt de rechtbank (onder 8 tot en met 17) – voor zover van belang – de casussen die verweerder aan de besluitvorming ten grondslag legt en welke conclusies verweerder daaruit heeft kunnen trekken, voorafgegaan door enkele casus overstijgende overwegingen. Vervolgens licht de rechtbank (onder 18 tot en met 20.2) toe waarom zij van oordeel is dat verweerder in deze conclusies aanleiding kon zien over te gaan tot intrekking van de erkenning van eiseres als referent. Daarna bespreekt de rechtbank (onder 21 en 21.1) of hier sprake is van een bestuurlijke sanctie. Tot slot gaat de rechtbank (onder 22 en 22.1) in op het betoog van eiseres dat de belangen onjuist zijn afgewogen. De rechtbank sluit (onder 23) af met een woord gericht aan [vennoot 1] en [vennoot 2] .

Wet- en regelgeving over de erkenning als referent en de intrekking van die erkenning

4. Voor zover voor deze zaak van belang, leidt de rechtbank uit de wet- en regelgeving het volgende af. Een rechtspersoon die is ingeschreven in het Handelsregister kan voor het verblijf van een vreemdeling, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, in Nederland als referent optreden. Hiervoor moet de rechtspersoon aan bepaalde regels voldoen. De minister van Justitie en Veiligheid (minister) is bevoegd de aanvraag om erkenning als referent in te willigen, af te wijzen of niet in behandeling te nemen en de erkenning als referent te schorsen, in te trekken of te wijzigen. De erkenning als referent houdt verband met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven en geldt voor onbepaalde tijd. De minister kan de aanvraag om (wijziging van de) erkenning als referent onder andere afwijzen als de betrouwbaarheid van de aanvrager of van de direct of indirect bij die aanvrager betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of ondernemingen, onvoldoende vaststaat.

4.1.

Erkend referenten (voor het verblijfsdoel uitwisseling) hebben bepaalde verplichtingen. Het gaat om een zorgplicht richting de vreemdeling wiens referent hij is, een plicht tot het verstrekken van informatie aan de IND die relevant kan zijn voor de verblijfsrechtelijke positie van die vreemdeling, en verplichtingen met betrekking tot het voeren van een administratie van gegevens en bescheiden die van belang zijn voor de toelating en het verblijf van die vreemdeling in Nederland en voor zijn eigen positie als referent. Deze verplichtingen zijn uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). De zorgplicht is – voor zover van belang – neergelegd in artikel 1.16 van het Vb 2000 en artikel 1.5 van het VV 2000. De informatieplicht volgt – voor zover van belang – uit artikel 24a, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, en artikel 54, tweede lid, van de Vw 2000, artikel 4.44a van het Vb 2000 en de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19 van het VV 2000. De administratieplicht is – voor zover van belang – neergelegd in artikel 4.53 van het Vb 2000 en de artikelen 4.27, 4.28, 4. 41 en 4.42 van het VV 2000.

4.2.

De minister kan de erkenning als referent intrekken als de erkend referent niet langer voldoet aan de voorwaarden voor erkenning. Zoals hiervoor aangegeven, is één van de voorwaarden voor de erkenning als referent dat de betrouwbaarheid van de aanvrager of direct of indirect bij de aanvrager betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of ondernemingen, voldoende vaststaat. De betrouwbaarheidsbeoordeling ziet op de vraag of de IND in voldoende mate kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van degene die voor erkenning als referent in aanmerking wenst te komen, zo volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de versterking van de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke procedure (Wet modern migratiebeleid).

Ook kan de minister de erkenning als referent intrekken als de erkend referent zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen als referent. Het gaat dan om de eerder genoemde zorgplicht, informatieplicht en administratieplicht. De IND trekt de erkenning als referent op deze grond in als:

de referent voor de derde keer is beboet wegens het niet naleven van de zorg- of informatieplicht waarbij de overtreding door de IND als ernstig is gekwalificeerd;

de referent weigert om zijn medewerking te verlenen aan nalevingstoezicht door de IND;

de referent niet zorgvuldig toetst of de vreemdeling wiens overkomst hij wenst aan de verblijfsvoorwaarden voldoet; of

als de referent bij kennis of vermoedens van misstanden met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet adequaat heeft opgetreden.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet modern migratiebeleid (Memorie van Toelichting) is over de intrekking van de erkenning – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:

“De Minister van Justitie (IND) kan referenten erkennen en die erkenning schorsen en intrekken. Erkenning geeft toegang tot de versnelde procedure, waarin op basis van de eigen verklaringen versneld toelating en verblijf van een vreemdeling kan worden verkregen. De minister blijft daarvoor verantwoordelijk en moet die verantwoordelijkheid ook kunnen waarmaken. Om die reden wordt voorzien in een voorafgaande beoordeling van onder meer de betrouwbaarheid van de referent, die voor erkenning in aanmerking wil komen. (…)

Verder kan niet-naleving door de erkende referent van diens verplichtingen leiden tot intrekking van de erkenning. Om disproportionele beslissingen te voorkomen, zal de erkenning in het algemeen niet direct na een eerste overtreding worden ingetrokken. Met het oog op gevallen waarin sprake is van een zodanig ernstige eerste overtreding dat de betrouwbaarheid van de referent ernstig in twijfel moet worden getrokken, voorziet het

onderhavige wetsvoorstel wel in de mogelijkheid dat de erkenning al na de eerste overtreding wordt ingetrokken. (…)

Als regel zal bij de eerste overtreding een waarschuwing worden gegeven. Bij een tweede overtreding kan een bestuurlijke boete worden opgelegd en bij een derde overtreding een verhoogde boete. Geconstateerde overtredingen kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften door de betreffende referent. In ernstiger gevallen kan daarnaast tot schorsing of intrekking van de erkenning als referent worden overgegaan.”

In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet modern migratiebeleid (Nota naar aanleiding van het verslag) is – voor zover hier van belang – onder andere het volgende opgenomen:

“In ernstige gevallen kan de erkenning als referent worden geschorst of direct worden ingetrokken als reactie op een eerste overtreding. De leden van de CDA-fractie, die naar een toelichting op het begrip «ernstige gevallen» hebben gevraagd, antwoorden wij, dat daaronder in ieder geval worden geschaard die gevallen, waarin de erkende referent ervoor heeft gekozen het vertrouwen dat de overheid in hem heeft gesteld door de

versnelde procedure voor hem open te stellen, te schenden uit overwegingen van eigen gewin. Daarvan zal in ieder geval sprake zijn in gevallen van uitbuiting van migranten, mensensmokkel of illegale tewerkstelling door de referent.

Het onderscheidend criterium is de vraag of de IND na de overtreding in redelijkheid nog kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van de referent. Daarbij past de nodige voorzichtigheid om misbruik en daarmee illegale immigratie te voorkomen. In gevallen waarin sprake is van een incidentele overtreding, veroorzaakt door een moment van onachtzaamheid, zou intrekking of schorsing van de erkenning als referent al snel disproportioneel zijn. In dergelijke gevallen hoeft er geen reden te zijn om aan de betrouwbaarheid van de erkende referent te twijfelen, en kan worden volstaan met een waarschuwing of een boete om verdere naleving van de voorschriften te bevorderen. Bij meerdere overtredingen binnen korte tijd zal de twijfel aan de betrouwbaarheid van de erkende referent echter groter zijn en komt schorsing of intrekking in zicht. In de Vreemdelingencirculaire 2000 zal nader worden geregeld in welke gevallen de erkenning hangende een nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van de erkende referent wordt geschorst, in welke gevallen zij wordt ingetrokken en in welke gevallen kan worden volstaan met een waarschuwing of een boete. (…)

De betrouwbaarheid van bestuurders die het beleid van een onderneming, een rechtspersoon of een vestiging daarvan (mede) bepalen, moet buiten twijfel staan, opdat in de versnelde procedure redelijkerwijs van de juistheid van hun eigen verklaringen kan worden afgegaan. In het moderne migratiebeleid zal de IND de betrouwbaarheid van deze personen beoordelen, voordat de betrokken onderneming of rechtspersoon als referent wordt erkend.”

Besluitvorming

5. Na daartoe op 14 maart 2019 een voornemen te hebben uitgebracht, heeft verweerder bij het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, de erkenning van eiseres als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ ingetrokken. Uit door eiseres op verzoek van verweerder overgelegde dossiers van au pairs uit 2016 en 2017, die zijn voortgekomen uit een steekproef, en gegevens die bij verweerder ambtshalve aan het licht zijn gekomen, is gebleken dat eiseres niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de erkenning als referent. Daaraan legt verweerder ten grondslag dat de betrouwbaarheid van eiseres als referent onvoldoende vaststaat en dat zij zich niet heeft gehouden aan haar verplichtingen als referent. Kort samengevat, overweegt verweerder daartoe dat eiseres zich in de gepresenteerde tien casussen van au pairs niet heeft gehouden aan haar zorg-, informatie- en/of administratieplicht dan wel daaraan niet op adequate wijze invulling heeft gegeven en zij in een aantal casussen onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan haar eigen uitwisselingsprogramma, dat de basis vormt voor de erkenning als referent. Verweerder zet hiertoe per casus, aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich daar volgens hem hebben voorgedaan, uiteen aan welke op haar rustende plichten eiseres niet heeft voldaan dan wel waarom deze tot de conclusie leiden dat eiseres anderszins verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder overweegt dat zijn bevindingen in één van de dossiers, dat van au pair [naam au pair 1] , al leiden tot de conclusie dat sprake is van een zodanig ernstige en verwijtbare overtreding, dat alleen al daarom tot intrekking van de erkenning als referent kan worden overgegaan. In wat eiseres aanvoert over haar bereidheid om te leren en om haar bedrijfsvoering aan te passen, dat zich niets ernstigs heeft voorgedaan in de beoordeelde casussen, dat zij langere tijd geen accountmanager van de zijde van de IND had en dat het lang heeft geduurd totdat verweerder het bestreden besluit heeft genomen, ziet verweerder geen aanleiding voor een ander standpunt. Dit geldt ook voor de verwijzing van eiseres naar de conclusies die worden getrokken in het rapport ‘Selectief naast restrictief. Evaluatie van de Wet modern migratiebeleid’ van het evaluatieonderzoek naar de Wet modern migratiebeleid (WODC-rapport).

6. Eiseres is het hiermee niet eens. Op wat zij daartoe aanvoert, gaat de rechtbank hieronder in.

Zorgvuldigheid van de besluitvorming

7. Eiseres betoogt dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Het voornemen en het primaire besluit zijn onoverzichtelijk en daarin wordt niet duidelijk wat eiseres wordt verweten, en waarom en op welke grondslag tot intrekking van de erkenning als referent wordt overgegaan. In het bestreden besluit zijn de grondslag en de motivering van het primaire besluit bovendien volledig herzien, aldus eiseres.

7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het primaire besluit voldoende duidelijk wat eiseres wordt verweten. Dit zet verweerder in het primaire besluit per casus uiteen. Verder motiveert verweerder welke tegenwerpingen leiden tot de conclusie dat volgens hem tot intrekking van de erkenning als referent kan worden overgegaan, en waarom. Ook geeft verweerder in het primaire besluit aan welke wettelijke grondslagen hij daarvoor hanteert, namelijk dat eiseres niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de erkenning als referent als bedoeld in artikel 2e van de Vw 2000 en dat eiseres zich niet heeft gehouden aan haar verplichtingen als referent. Dat het primaire besluit wat de motviering betreft niet inzichtelijk is en het onduidelijk is op welke wettelijke grondslag dit besluit rust, volgt de rechtbank dan ook niet.

De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat de grondslag en de motivering van het primaire besluit in het bestreden besluit volledig zijn herzien. In het bestreden besluit reageert verweerder – begrijpelijkerwijs – op wat eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht. Overwegingen uit het primaire besluit die in bezwaar niet worden betwist, zoals de verwijten die verweerder eiseres maakt in de casussen van au pairs [naam] en [naam] , herhaalt verweerder niet in het bestreden besluit. Dat hoeft verweerder ook niet te doen. Wel is het primaire besluit in het bestreden besluit herhaald en ingelast. Verder bespreekt verweerder ook in het bestreden besluit – daar waar dat in bezwaar is betwist – per casus en in lijn met de motivering die hij aan het primaire besluit ten grondslag legt, wat hij eiseres verwijt en haar tegenwerpt. Ook uit het bestreden besluit volgt duidelijk welke wettelijke grondslag verweerder hanteert voor de intrekking van de erkenning van eiseres als referent, namelijk artikel 2g, aanhef en onder b en onder c, van de Vw 2000 . De beroepsgrond slaagt niet.

Bespreking van de individuele casussen en casus overstijgende uitgangspunten

Algemene uitgangspunten

8. Voordat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiseres ingaat op de – voor deze uitspraak van belang zijnde – afzonderlijke casussen, formuleert de rechtbank eerst een aantal algemene, casus overstijgende uitgangspunten over de verwachtingen die verweerder naar het oordeel van de rechtbank van eiseres als erkend referent redelijkerwijs mag hebben.

8.1.

Een erkend referent, wiens betrouwbaarheid de IND voorafgaand aan de erkenning heeft vastgesteld, heeft toegang tot de versnelde toelatingsprocedure. In die procedure worden (mvv-)aanvragen beoordeeld op grond van de eigen verklaring van de erkend referent dat de vereiste gegevens en stukken aanwezig zijn en dat aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan. Dit gebeurt dus niet op grond van gegevens en stukken die normaal gesproken met de aanvraag moeten worden meegezonden en die vervolgens door de IND worden beoordeeld. Het is de erkend referent die voorafgaand aan de indiening van de (mvv-)aanvraag zelf beoordeelt of alle benodigde gegevens en bescheiden aanwezig zijn en aan de hand daarvan of aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. Ook worden aanvragen in deze procedure sneller dan normaal gesproken het geval is behandeld. Deze snelle en eenvoudige toelatingsprocedure is gebaseerd op duurzaam vertrouwen. De IND moet kunnen uitgaan van de juistheid, volledigheid en tijdigheid van de informatie die de erkend referent hem ten tijde van de (mvv-)aanvraag verstrekt, waarop beslissingen over de toelating en het verblijf van vreemdelingen in Nederland worden gebaseerd, en dat hij deze informatie ook blijft verstrekken tijdens het verblijf in Nederland van de vreemdeling wiens referent hij is, blijft verstrekken. De betrouwbaarheid van de referent is in dit systeem dus essentieel. Het voorgaande laat overigens onverlet dat de IND verantwoordelijk blijft voor de toelating, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en de IND toezicht uitoefent op de erkend referent en ook op de vreemdeling wiens referent hij is. Verweerder hecht gelet op het voorgaande terecht veel waarde aan de vertrouwensband die tussen hem en de erkend referent bestaat en mag veel gewicht toekennen aan een situatie die ervan blijk geeft dat hij van de betrouwbaarheid van de erkend referent niet langer kan uitgaan.

8.2.

Op de erkend referent rusten verschillende plichten, zowel jegens de vreemdeling wiens referent hij is als jegens de overheid. Het gaat om plichten tegenover de overheid tot het (desgevraagd of uit eigen beweging) verstrekken van relevante feiten en gegevens die van belang zijn voor het houden van toezicht op de naleving van de Vw 2000 en om het voeren van een administratie en het bewaren daarvan, zowel met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is als met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als erkend referent. De informatie- en administratieplicht zijn van belang voor de beoordeling van het verblijfsrecht van de vreemdeling en het houden van toezicht op de naleving door de erkend referent van zijn plichten. Tegenover de vreemdeling bestaat er voor de erkend referent een zorgplicht, waarbij de bescherming van de belangen van de au pair het uitgangspunt vormen. Verweerder wijst er terecht op dat au pairs een kwetsbare groep vormen, in die zin dat zij sneller dan andere groepen vreemdelingen slachtoffer kunnen worden van misbruik en uitbuiting omdat er – in algemene zin – weinig toezicht is op wat er in de gastgezinnen gebeurt, au pairs de Nederlandse cultuur niet kennen en zij een beperkt sociaal netwerk hebben. Verweerder stelt dan ook terecht dat op erkend referenten, die een verblijfsvergunning kunnen aanvragen voor au pairs, een bijzondere en grote verantwoordelijkheid rust.

8.2.1

Concreet in het geval van au pairs, is de erkend referent verantwoordelijk voor een zorgvuldige werving en selectie van het gastgezin en een zorgvuldige bemiddeling tussen de au pair en het gastgezin, en is de erkend referent verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van het door de IND goedgekeurde uitwisselingsprogramma. De erkend referent moet de au pair en het gastgezin, al bij de werving en selectie, goed voorlichten over de rechten en plichten die zij hebben. Het voorgaande moet de au pair beschermen tegen oneigenlijk gebruik van culturele uitwisseling, het hoofddoel van het verblijf van de au pair, zoals verkapte arbeid. Ook na plaatsing van de au pair in een gastgezin, heeft de erkend referent op grond van zijn zorgplicht verantwoordelijkheden tegenover de au pair. Zo moet de erkend referent erop toezien dat het gastgezin en de au pair zich tijdens het verblijf van de au pair in Nederland houden aan hun plichten en de gemaakte afspraken ten aanzien van de aard en omvang van de werkzaamheden, zodat het verblijf van de au pair daadwerkelijk in het teken staat van culturele uitwisseling. Ook moeten zij zich houden aan de kaders van het uit te voeren uitwisselingsprogramma. Verder moet de erkend referent zich op de hoogte stellen van het welzijn en welbevinden van de au pair tijdens het verblijf in het gastgezin en daarop toezien. Bij niet-naleving van wat is overeengekomen en bij misstanden, rust op de erkend referent de plicht om op te treden. Bij het voorgaande is van belang dat de zorgplicht een inspanningsverplichting betreft. Op de naleving van de zorgplicht wordt toegezien door de IND.

Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de wijze waarop de erkend referent aan zijn zorgplicht tegenover de vreemdeling invulling moet geven, (bewust) niet van overheidswege in detail is voorgeschreven, maar dat de erkend referent zoveel mogelijk de ruimte is gelaten om zelf te bepalen hoe hij aan die plicht voldoet. Geredeneerd vanuit het in de erkend referent gestelde vertrouwen, kan de erkend referent met middelen die hij daartoe vrij kan kiezen, maatwerk leveren, zo is de gedachte. Gelet op de professionaliteit, deskundigheid en ervaring op het specifieke terrein waarop de erkend referent actief is, acht de rechtbank het een redelijke verwachting van verweerder dat de erkend referent, zonder dat de zorgplicht tot in detail is voorgeschreven, aan die plicht op adequate wijze invulling kan geven. Hierbij kan het door de erkend referent opgestelde, en door verweerder goedgekeurde, uitwisselingsprogramma een uitgangspunt en leidraad vormen voor de manier waarop de erkend referent aan de op hem rustende plicht voldoet, maar dit ontslaat hem, zo overweegt verweerder niet ten onrechte, er niet van om, als de situatie daar om vraagt, op andere wijze dan voorgeschreven in het uitwisselingsprogramma invulling te geven aan de zorgplicht. Die vrijheid wordt de erkend referent geboden en het is gelet op het veronderstelde kennisniveau en de ervaring van de erkend referent geen onredelijke verwachting van verweerder dat de erkend referent in staat is die vrijheid op zodanige wijze in te vullen dat hij op adequate wijze voldoet aan de zorgplicht die hij heeft richting de vreemdeling wiens referent hij is.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de lat waaraan erkend referenten, specifiek voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’, moeten voldoen, hoog leggen. Niet alleen vanwege het vertrouwen dat de IND bij de erkenning in de referent en zijn veronderstelde deskundigheid en professionaliteit heeft gesteld, maar ook gelet op de bijzondere en grote verantwoordelijkheid die de erkend referent op zich neemt door als bemiddelaar tussen gastgezinnen en au pairs op te treden. Verweerder mag van de erkend referent – en dus ook eiseres – verwachten dat deze zich actief op de hoogte stelt en blijft stellen van de geldende wet- en regelgeving en zich bewust is van de plichten waaraan hij moet voldoen alsook dat de erkend referent het inzicht, de kennis en de kunde in huis heeft om op zorgvuldige en deugdelijke wijze invulling te geven aan die plichten en zo te voldoen aan wat van hem wordt verlangd. In het geval van eiseres heeft verweerder in het bijzonder van belang mogen achten dat eiseres sinds 2012 optreedt als bemiddelingsbureau voor au pairs, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet Modern Migratiebeleid heeft deelgenomen aan de ‘proeftuin Au Pair’ en bij de inwerkingtreding van die wet in 2013 is erkend als referent voor het doel ‘uitwisseling’. De rechtbank kan inzien dat eiseres met een andere blik dan verweerder kijkt naar de overkomst van au pairs naar Nederland en het faciliteren daarvan, maar dat ontslaat eiseres er niet van, vanuit haar verantwoordelijkheden richting die au pairs en het vertrouwen dat verweerder in haar als erkend referent heeft gesteld, dat deze blik een kritische is en dat haar zogenoemde antennes op scherp staan. Bij het voorgaande realiseert de rechtbank zich dat eiseres voor het voldoen aan haar zorgplicht soms mede afhankelijk is van de informatie die zij van het gastgezin en de au pair ontvangt, en dat zij niet altijd de middelen tot haar beschikking heeft om de verstrekte informatie op juistheid te verifiëren.

8.4.

De rechtbank acht het waard te vermelden dat zich volgens verweerder gevallen van erkend referenten voor het doel ‘uitwisseling’ hebben voorgedaan waarin boetes zijn opgelegd, maar dat zich niet eerder een vergelijkbaar geval heeft voorgedaan als dat van eiseres, waarin direct tot intrekking van de erkenning als referent is overgegaan.

De casussen

9. Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning als referent zijn bevindingen ten grondslag uit tien casussen waarbij eiseres als bemiddelaar tussen de au pair en het gastgezin heeft opgetreden. Deze bevindingen zijn gebaseerd op de door eiseres in die casussen op verzoek van verweerder verstrekte dossiers uit haar eigen administratie, op informatie die bij verweerder op andere wijze aan het licht is gekomen, op informatie uit gespreksverslagen met getuigen en op verklaringen van getuigen en overtreder afgelegd ten overstaan van de Inspectie SZW van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

9.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de weergave van de casussen van onjuiste feiten uitgaat. Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning als referent overtredingen ten grondslag die niet hebben plaatsgevonden dan wel niet verwijtbaar zijn. Hoewel er een aantal (administratieve) fouten zijn gemaakt, zijn veel gemaakte verwijten onterecht en ongefundeerd, aldus eiseres.

9.2.

Hierna, onder 10 tot en met 17, gaat de rechtbank nader in op de afzonderlijke casussen en de verwijten die verweerder eiseres in dat verband maakt, wat eiseres daar tegenover zet en wat de rechtbank daarvan vindt.

9.3.

Een aantal verwijten maakt verweerder eiseres in verschillende casussen en zijn meer algemeen van aard. Daarover overweegt de rechtbank voorafgaand aan het bespreken van de individuele casussen het volgende.

9.3.1

In een aantal casussen verwijt verweerder eiseres dat zij onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht door zich er onvoldoende van te vergwissen hoe het de au pair verging bij het gastgezin en of het gastgezin en de au pair zich aan de verplichtingen hielden, waarbij verweerder eiseres specifiek tegenwerpt dat zij geen huisbezoek heeft afgelegd terwijl die mogelijkheid wel voorhanden was en de situatie daartoe aanleiding gaf. Eiseres voert hierover in zijn algemeenheid aan dat de mogelijkheid van het afleggen van een huisbezoek niet was opgenomen in het uitwisselingsprogramma, dat door verweerder keer op keer is goedgekeurd.

Zoals hiervoor uiteengezet, rust op de erkend referent een zorgplicht tegenover de au pair, die behoort tot een kwetsbare groep. De erkend referent moet zich ervan op de hoogte stellen dat de au pair het goed maakt bij het gastgezin en er conform de regels en afspraken wordt gehandeld. Zoals ook hiervoor uiteengezet, betreft dit een inspanningsverplichting en is de zorgplicht niet tot in detail in de regelgeving uitgewerkt. De erkend referent wordt de ruimte gelaten om naar eigen inzicht nadere invulling aan de zorgplicht te geven. Van de erkend referent wordt de kennis en kunde en het inzicht verwacht dat hij hieraan vanuit zijn deskundigheid op deugdelijke wijze invulling kan geven. Mede gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat, ondanks dat de mogelijkheid van het afleggen van een huisbezoek niet was opgenomen in de verschillende versies van door eiseres opgestelde en door verweerder goedgekeurde uitwisselingsprogramma’s, specifieke situaties wel om een huisbezoek kunnen vragen om zich te vergwissen van het welzijn en welbevinden van de au pair en in zo’n geval dan van eiseres verwacht kan worden dat zij daartoe overgaat. Zo’n situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als er via andere middelen (telefoon, e-mail ) langere tijd geen contact kan worden gelegd met de au pair of de au pair is geplaatst in een gezinssituatie die om verhoogde controle vraagt. Verweerder verwacht niet ten onrechte van eiseres dat zij de situaties die dit betreft kan herkennen, vanuit haar deskundigheid en kennis kan inschatten of dit middel nodig en/of doeltreffend is en dit middel daar waar nodig ook daadwerkelijk inzet. In een geval dat maanden geen contact kan worden gelegd met een au pair, vindt de rechtbank het dan ook geen onredelijke verwachting van verweerder, in het kader van de zorgplicht die op eiseres rust, dat zij zich nader inspant en een huisbezoek aflegt en dat het niet daartoe overgaan gevolgen kan hebben voor het oordeel over de wijze waarop eiseres haar zorgplicht nakomt. Bovendien is in de toelichting bij artikel 1.5 van het VV 2000 al in 2013 de mogelijkheid van het afleggen van huisbezoeken genoemd, zodat eiseres er ook niet onkundig van kon zijn dat deze mogelijkheid voorhanden was.

9.3.2

Verder werpt verweerder eiseres in verschillende casussen tegen dat zich in het dossier geen uittreksel uit de Basisadministratie Personen (Brp) bevindt ten aanzien van de au pair. Eiseres brengt hierover naar voren dat verweerder aanvankelijk genoegen nam met een Burgerservicenummer (BSN-nummer) en dat pas later, na een workshop bij de IND op 29 juni 2017, bleek dat verweerder ook voor de au pair een Brp-uittreksel verlangde. Op de zitting reageert verweerder hierop dat, hoewel uit de regelgeving niet expliciet volgt dat een Brp-uittreksel moet worden overgelegd, het duidelijk is en was dat verweerder een Brp-uittreksel verlangt omdat deze informatie alleen via een Brp-uittreksel kan worden gegarandeerd.

In artikel 4.27 van het VV 2000 is vastgelegd dat de referent in het kader van de administratieplicht het woonadres van de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie opneemt. Ook bestaat er op grond van artikel 4.28, aanhef en onder b, van het VV 2000 een administratieplicht voor wat betreft de naam en het adres van de hoofdpersonen van alle gastgezinnen waarbij de vreemdeling verblijft of heeft verbleven, de periode waarin de vreemdeling bij deze gezinnen heeft verbleven en de gezinssamenstelling van deze gastgezinnen. Uit deze twee artikelen volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er (ook) voor wat betreft de au pair een uittreksel uit de Brp in de administratie van de erkend referent moet worden opgenomen. Niet is in geschil dat wat in artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV 2000 wordt gevraagd, enkel kan worden onderbouwd met een Brp-uittreksel. Dit ziet naar het oordeel van de rechtbank echter op het gastgezin en de samenstelling daarvan. De rechtbank ziet niet in waarom eiseres uit het bepaalde in artikel 4.27 van het VV 2000 dan wel artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV 2000 had moeten afleiden dat ook voor de au pair een uittreksel uit de Brp was vereist. Eiseres had hier vóór 29 juni 2017 in het kader van de administratieplicht dan ook niet op bedacht hoeven zijn.

Au pair [au pair 1]

10. In de casus [au pair 1] gaat het om een bemiddeling door eiseres tussen [au pair 1] en, in eerste instantie, gastgezin [naam gastgezin 1] . Het betrof een zogeheten ‘self-match’ waarbij het gastgezin zelf een au pair had gevonden. Eiseres heeft met [au pair 1] op 29 april 2016 een kennismakingsgesprek gehouden, waarbij [au pair 1] informatie is verstrekt over het au pair-programma en haar verschillende vragen zijn gesteld, waaronder hoe zij in contact is gekomen met het gastgezin. Op de voor plaatsing bij gastgezin [gastgezin 1] ten behoeve van [au pair 1] aangevraagde mvv, is op 16 juni 2016 positief beslist. Op 21 juni 2016 ontving eiseres een e-mailbericht van gastgezin [gastgezin 1] met de mededeling dat zij afzagen van de komst van [au pair 1] . Niet in geschil is dat eiseres, zonder op dat moment hierover met verweerder in contact te treden, de overkomst van [au pair 1] naar Nederland desondanks heeft doorgezet. Gastgezin [gastgezin 1] had aangegeven dat [au pair 1] na aankomst in Nederland tijdelijk bij hen kon verblijven, totdat zij in een ander gastgezin kon worden geplaatst. Eiseres heeft vervolgens bemiddeld tussen [au pair 1] en een nieuw gastgezin, gastgezin [naam gastgezin 2] . Gastgezin [gastgezin 2] voldeed op het moment van de overkomst van [au pair 1] niet aan de voorwaarden om als gastgezin te dienen en zou daaraan pas vanaf 1 oktober 2016 gaan voldoen. [au pair 1] is Nederland eind augustus 2016 ingereisd.

10.1.

Verweerder werpt eiseres tegen dat zij willens en wetens informatie voor hem heeft achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning van [au pair 1] zou hebben geleid als verweerder daarmee bekend zou zijn geweest. Hierbij doelt verweerder op het feit dat er ten tijde van de komst van [au pair 1] naar Nederland geen gastgezin was dat aan de voorwaarden voldeed voor plaatsing van [au pair 1] , en eiseres, die daarvan op de hoogte was, de ten behoeve van [au pair 1] ingediende mvv-aanvraag niet heeft ingetrokken, maar eraan heeft meegewerkt dat [au pair 1] toch kon inreizen. Hiermee heeft eiseres, zo overweegt verweerder, het vertrouwen dat de IND in de erkend referent en diens verklaringen heeft en moet kunnen hebben, ernstig geschonden. Ook heeft eiseres zich volgens verweerder in de casus [au pair 1] niet gehouden aan de op haar rustende zorg-, informatie- en administratieplicht. Deze overtredingen merkt verweerder aan als ernstig en van maximale verwijtbaarheid. Uit de gehouden hoorzitting in bezwaar leidt verweerder bovendien af dat van enig besef bij eiseres op welke punten zij haar plichten als erkend referent heeft verzaakt, niet is gebleken en dit er niet op duidt dat eiseres op de hoogte was van de voor haar geldende verplichtingen en bijbehorende procedures. Over het niet voldoen door eiseres aan de op haar als referent van [au pair 1] rustende plichten overweegt verweerder het volgende.

Zorgplicht

Verweerder overweegt dat eiseres zich niet heeft gehouden aan de zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef onder a en b, van het VV 2000. Eiseres heeft niet op zorgvuldige wijze bemiddeld tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] en hen niet op zorgvuldige wijze geselecteerd. Verder heeft eiseres de bemiddeling tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] voortgezet en de overkomst van [au pair 1] gefaciliteerd, terwijl zowel [au pair 1] als gastgezin [gastgezin 1] onwaarheden hadden verteld dan wel informatie hadden achtergehouden die relevant was voor het verblijfsrecht van [au pair 1] . Dit betreft informatie over het kennen van mensen in Nederland en de relatie tussen [au pair 1] en [familielid gastgezin 1] , een familielid van gastgezin [gastgezin 1] . Niet is gebleken dat eiseres, nadat zij in ieder geval op 21 juni 2016 van deze informatie – en dus van ongerijmdheden in de door de au pair en het gastgezin eerder verstrekte informatie – op de hoogte raakte, nader onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsdoel van [au pair 1] of consequenties heeft verbonden aan het verstrekken van onjuiste informatie door de au pair en het gastgezin. Desondanks heeft eiseres er, in overeenstemming met gastgezin [gastgezin 1] , toen voor gekozen [au pair 1] toch naar Nederland te laten komen, waarbij [au pair 1] ongeveer twee weken bij gastgezin [gastgezin 1] kon verblijven totdat zij bij een ander gastgezin terecht zou kunnen. Ook gastgezin [gastgezin 2] , het tweede gastgezin, heeft eiseres niet op zorgvuldige wijze geselecteerd. Omdat eiseres wist dat gastgezin [gastgezin 2] op het moment dat [au pair 1] Nederland inreisde niet aan de voorwaarden voor het verblijf van [au pair 1] voldeed, heeft eiseres evenmin op zorgvuldige wijze bemiddeld tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 2] . Nadat eiseres werd geconfronteerd met een vergelijkbare zaak en tot het besef zou zijn gekomen dat zij in de casus [au pair 1] onjuist had gehandeld, heeft zij dit niet gemeld bij verweerder. Eiseres heeft pas (gedeeltelijk) openheid van zaken gegeven nadat in maart 2018 de administratie in de casus [au pair 1] bij eiseres is opgevraagd. Bovendien heeft eiseres haar verklaring voor het feit dat zij verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van de gemaakte fout in de casus [au pair 1] meerdere keren gewijzigd. Dit roept bij verweerder des te meer vragen op over de betrouwbaarheid van eiseres. Ook lijkt sprake te zijn van willekeur in de handelwijze in twee vergelijkbare zaken, wat vragen oproept over de rol van eiseres als erkend referent, aldus verweerder

Verder heeft eiseres zich volgens verweerder niet gehouden aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder e, van het VV 2000. Eiseres heeft zich er onvoldoende van vergewist dat [au pair 1] en de twee gastgezinnen zich aan de verplichtingen hielden. Bij aankomst van [au pair 1] in Nederland was er geen gastgezin dat aan de voorwaarden voldeed, waarvan eiseres op de hoogte was. Gebleken is dat [au pair 1] woonachtig is geweest bij [familielid gastgezin 1] en niet heeft verbleven bij gastgezin [gastgezin 1] . Dat eiseres dit niet wist kan haar worden verweten omdat zij zich er voldoende (actief) van had moeten vergewissen waar [au pair 1] verbleef en of de verplichtingen werden nageleefd. Eiseres is hier tekortgeschoten. Ook was eiseres er van op de hoogte dat [au pair 1] al vóór 1 oktober 2016 bij gastgezin [gastgezin 2] is gaan verblijven, terwijl dit gezin op dat moment niet voldeed aan de voorwaarden om [au pair 1] te ontvangen. Dit heeft eiseres niet tijdig bij verweerder gemeld, wat ook een overtreding oplevert van de op eiseres rustende informatieplicht. Van aantoonbare inspanningen van eiseres naar de vraag of [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 2] zich vóór 1 oktober 2016 aan de verplichtingen hielden, is niet gebleken. Dat [au pair 1] en/of de gastgezinnen eiseres niet (volledig) op de hoogte hebben gesteld van bepaalde zaken, ontslaat eiseres niet van haar zorgplicht als erkend referent, aldus verweerder. Eiseres moet zich er actief van vergewissen of de au pair en de gastgezinnen zich aan de verplichtingen houden en informatie die haar door de au pair of het gastgezin wordt verstrekt, juist is.

Eiseres heeft niet voldaan aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder f, van het VV 2000, zo overweegt verweerder verder. Ondanks de omstandigheden die zich in het geval van [au pair 1] voordeden, heeft eiseres onvoldoende actief en adequaat onderzocht hoe het [au pair 1] verging bij gastgezinnen [gastgezin 1] en [gastgezin 2] . Zo is niet gebleken dat eiseres bij de twee gastgezinnen op bezoek is geweest, terwijl eiseres wist dat gastgezin [gastgezin 2] pas per 1 oktober 2016 aan de voorwaarden zou gaan voldoen om [au pair 1] te ontvangen en [au pair 1] al ruim daarvóór bij gastgezin [gastgezin 2] is gaan verblijven. Door geen aanvullende actie te ondernemen of grondig onderzoek te doen, bijvoorbeeld via huisbezoek, heeft eiseres verzuimd in deze specifieke situatie goed toezicht te houden op het welzijn en welbevinden van [au pair 1] . Vanwege de inspanningsverplichting die op eiseres rust, had het in de rede gelegen dat zij aanvullende handelingen had verricht om op een op de situatie toegesneden wijze invulling te geven aan haar zorgplicht.

Ook heeft eiseres volgens verweerder haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder i, van het VV 2000 overtreden. In dit verband overweegt verweerder dat eiseres op de hoogte had kunnen zijn van de relatie tussen [au pair 1] en [familielid gastgezin 1] als zij zich goed van de situatie had vergewist. Toen eiseres ervan op de hoogte raakte dat zowel [au pair 1] als gastgezin [gastgezin 1] informatie had achtergehouden dan wel onwaarheden had verteld, heeft eiseres in plaats van het instellen van onderzoek of het nemen van passende maatregelen, de overkomst van [au pair 1] gefaciliteerd. Hiermee is eiseres de zorgplicht die op haar rust toerekenbaar niet nagekomen, aldus verweerder.

Informatieplicht

Verder overweegt verweerder dat eiseres haar informatieplicht uit artikel 4.17, eerste lid, en artikel 4.19, eerste lid, aanhef en onder j, van het VV 2000 heeft overtreden. Eiseres heeft na 21 juni 2016 niet bij verweerder gemeld dat [au pair 1] per die datum niet meer voldeed aan de verblijfsvoorwaarden. Ook heeft eiseres niet bij verweerder gemeld dat [au pair 1] Nederland vervolgens is ingereisd zonder dat er een gastgezin was dat aan de voorwaarden voldeed en dat [au pair 1] bij gastgezin [gastgezin 2] verbleef al voordat dat dit gastgezin aan de voorwaarden voor het verblijf van [au pair 1] voldeed. Op 14 oktober 2016 heeft eiseres vervolgens een melding gedaan bij verweerder, namelijk dat gastgezin [gastgezin 1] na overkomst van [au pair 1] had besloten niet met haar verder te gaan en dat [au pair 1] per 1 oktober 2016 bij gastgezin [gastgezin 2] verbleef en een fijne tijd bij gastgezin [gastgezin 1] had gehad, waarvan is gebleken dat deze op onwaarheden berust. Ook nadien heeft eiseres geen openheid van zaken gegeven over de casus [au pair 1] en bewust informatie over haar verblijfspositie achtergehouden. Eiseres heeft toerekenbaar onjuiste en onvolledige verklaringen afgelegd. Eiseres heeft hiermee het vertrouwen dat de IND in erkend referenten moet kunnen hebben, geschonden, aldus verweerder.

Administratieplicht

Onder verwijzing naar artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV 2000 overweegt verweerder dat eiseres haar administratieplicht heeft verzaakt. Er is geen bewijs van inschrijving van [au pair 1] op de adressen van de twee gastgezinnen. Eiseres heeft ten onrechte genoegen genomen met een BSN-nummer en dat is haar toe te rekenen. Verder ontbreekt het tweede intakeverslag van [au pair 1] , dat wel in de administratie van eiseres aanwezig zou moeten zijn. In de bezwaarfase zijn bovendien aanvullende stukken uit het dossier van [au pair 1] overgelegd, terwijl volgens verweerder niet valt in te zien waarom die stukken niet al na het opvragen van het dossier zijn overgelegd. Dat ontbrekende stukken niet onverwijld aan het dossier zijn toegevoegd, leidt bij verweerder tot twijfel aan het op orde zijn van de administratie van eiseres.

10.1.1

Het voorgaande leidt verweerder tot de conclusie dat eiseres in de casus [au pair 1] stelselmatig haar zorg-, informatie- en administratieplicht heeft geschonden. Verweerder merkt de geconstateerde overtredingen aan als overtredingen van maximale ernst en verwijtbaarheid, nu hieraan bewuste keuzes ten grondslag liggen en eiseres als erkend referent onoordeelkundig is gebleken. Hiermee heeft eiseres het vertrouwen dat verweerder in haar als erkend referent heeft gesteld, en moet kunnen stellen, ernstig beschadigd. Verweerder overweegt dat de verwijten die eiseres in de casus [au pair 1] kunnen worden gemaakt zodanig ernstig zijn dat deze voldoende zijn om over te gaan tot intrekking van de erkenning als referent omdat hij niet meer kan vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de informatie die eiseres hem verstrekt. Hierbij neemt verweerder in aanmerking het belang van de Nederlandse Staat bij het hanteren van een restrictief toelatingsbeleid en het beschermen van de kwetsbare groep van au pairs.

10.2.

De rechtbank overweegt, mede aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, als volgt over de tegenwerpingen die verweerder eiseres in de casus [au pair 1] doet.

Naar het oordeel van de rechtbank werpt verweerder eiseres terecht tegen dat zij onjuist heeft gehandeld door, nadat gastgezin [gastgezin 1] bij e-mailbericht van 21 juni 2016 aangeeft van de komst van [au pair 1] te willen afzien, dit niet alleen niet bij verweerder te melden, maar de komst van [au pair 1] naar Nederland op basis van de mvv-aanvraag waarop al positief was beslist bovendien te faciliteren. Op die mvv-aanvraag was beslist op basis van (door eiseres verstrekte) informatie dat [au pair 1] als au pair bij gastgezin [gastgezin 1] zou gaan verblijven en dat aan de verblijfsvoorwaarden werd voldaan. En op die (onjuiste) informatie is nadien ook de verblijfsvergunning aan [au pair 1] verleend. Op het moment van de komst van [au pair 1] naar Nederland wist eiseres dat er geen gastgezin was dat aan de voorwaarden voldeed om [au pair 1] als au pair te ontvangen. Daarmee voldeed [au pair 1] op dat moment niet aan de verblijfsvoorwaarden. Deze handelwijze van eiseres en de keuzes die zij hierbij heeft gemaakt, mag verweerder eiseres als erkend referent zwaar aanrekenen. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat dit afbreuk doet aan het vertrouwen dat hij in eiseres heeft gesteld. Verweerder moet kunnen vertrouwen op de juistheid van door eiseres verstrekte informatie én dat zij verweerder erover informeert als zich relevante wijzigingen voordoen. Dat is in het geval van [au pair 1] niet het geval gebleken. Dat eiseres stelt dat zij het voor au pair [au pair 1] mogelijk wilde maken om, nadat gastgezin [gastgezin 1] van de komst van [au pair 1] afzag, toch naar Nederland af te reizen voor de gewenste au pair-ervaring, maakt het voorgaande niet anders. Het is in het belang van zowel de au pair als de Nederlandse staat dat bij binnenkomst in Nederland aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan. Niet ten onrechte verwacht verweerder van eiseres dat zij daarvan op de hoogte is en daarnaar handelt.

Zorgplicht

Verweerder verwijt eiseres verder dat zij niet op zorgvuldige wijze heeft bemiddeld tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] en tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 2] . Niet in geschil is dat in het geval van [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] sprake was van een ‘self-match’. Verweerder betwist niet dat een ‘self-match’ tussen au pair en gastgezin was toegestaan en stelt ook niet dat in zo’n geval een meer kritische blik van eiseres kon worden verlangd. Naar het oordeel van de rechtbank onderbouwt verweerder onvoldoende deugdelijk waarom, op het moment dat het gezin [gastgezin 1] als potentieel gastgezin optrad, de bemiddeling tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] niet voldeed aan de zorgvuldigheidseisen die daaraan worden gesteld. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van een ongeschikt gastgezin of dat eiseres dat onvoldoende had onderzocht. Dat wat verweerder eiseres tegenwerpt in het kader van de bemiddeling tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 2] is terug te voeren op de fout die eiseres heeft gemaakt door de komst van [au pair 1] als au pair naar Nederland te faciliteren, zonder dat [au pair 1] aan de verblijfsvoorwaarden daarvoor voldeed omdat er geen gastgezin was dat aan de voorwaarden voor plaatsing van [au pair 1] als au pair voldeed. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bemiddeling tussen gastgezin [gastgezin 2] en [au pair 1] op zichzelf onzorgvuldig was.

Verweerder verwijt eiseres ook dat zij gastgezinnen [gastgezin 1] en [gastgezin 2] niet op zorgvuldige wijze heeft geselecteerd, terwijl deze verplichting wel op haar rust. De rechtbank ziet geen deugdelijke onderbouwing van deze tegenwerping en ziet ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat gezinnen [gastgezin 1] en [gastgezin 2] niet op een zorgvuldige manier als gastgezin door eiseres zijn geselecteerd. Gezin [gastgezin 2] zou pas op 1 oktober 2016 gaan voldoen aan de voorwaarden om als gastgezin te fungeren, maar [au pair 1] is daar vóór die datum ook niet als au pair actief geweest. Gastgezin [gastgezin 2] diende voor die datum enkel als logeer- en verblijfsadres voor [au pair 1] . Bovendien heeft eiseres gesteld dat gastgezin [gastgezin 2] al vaker en naar tevredenheid had gediend als gastgezin voor au pairs. Dit heeft verweerder niet betwist.

Voor zover verweerder eiseres tegenwerpt dat zij onvoldoende heeft onderzocht wat het motief van de komst van [au pair 1] naar Nederland was, valt dit naar het oordeel van de rechtbank onder de zorgvuldige bemiddeling, als bedoeld in artikel 1.5, aanhef en onder a, van het VV 2000. Verweerder verwijt eiseres in dit verband dat zij in het intakegesprek op 29 april 2016 onvoldoende heeft doorgevraagd op het antwoord van [au pair 1] op de vraag hoe [au pair 1] in contact is gekomen met het gastgezin ( [gastgezin 1] ). Als antwoord op die vraag is in het gesprekverslag opgenomen ‘Via een kennis van haar die bevriend was met een bekende van het gastgezin. Hij heeft haar in contact gebracht met het gg’. De rechtbank acht het enigszins onzorgvuldig dat eiseres op dat moment niet nader heeft uitgevraagd wie dit precies is en waar diegene woont. Op de zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat zij er, voordat [au pair 1] naar Nederland afreisde, van op de hoogte was dat [au pair 1] een familielid van gastgezin [gastgezin 1] in Nederland kende. Eiseres stelt ook dat zij, toen zij daarvan op de hoogte raakte, bij [au pair 1] nader onderzoek heeft gedaan naar haar verblijfsdoel in Nederland en dat daaruit volgde dat het doel van [au pair 1] enkel was om als au pair in Nederland te verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank is het ook enigszins onzorgvuldig van eiseres dat zij dit nergens heeft gerapporteerd. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank echter geen ernstige overtreding van de zorgplicht op. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook als na doorvragen boven tafel was gekomen dat [au pair 1] een familielid van gastgezin [gastgezin 1] in Nederland kende, dit geen afbreuk had hoeven doen aan het verblijfsdoel van [au pair 1] . Eiseres heeft onbetwist gesteld dat het kennen van of hebben van een relatie met iemand in Nederland, geen belemmering vormde om in aanmerking te komen voor een mvv met als doel uitwisseling als au pair. Verweerder heeft ook niet het standpunt ingenomen dat [au pair 1] een ander verblijfsdoel had dan uitwisseling als au pair. Evenmin is uit het dossier gebleken dat dit het geval is geweest.

Verweerders verwijten richting eiseres dat zij zich er onvoldoende van heeft vergewist dat zowel het gastgezin als [au pair 1] zich aan de verplichtingen hielden en eiseres onvoldoende toezicht heeft gehouden op het welzijn en welbevinden van [au pair 1], hebben betrekking op de periode na aankomst van [au pair 1] in Nederland op 23 augustus 2016 tot aan de officiële plaatsing van [au pair 1] bij gastgezin [gastgezin 2] op 1 oktober 2016. Uit het dossier volgt dat er na aankomst van [au pair 1] telefonisch contact is geweest met gastgezin [gastgezin 1] , waarbij door de gastvader is aangegeven dat het goed gaat met [au pair 1] , ook in het gezin. Hieruit heeft eiseres niet ten onrechte afgeleid dat [au pair 1] op dat moment, zoals was afgesproken, bij gastgezin [gastgezin 1] verbleef. Half september heeft eiseres nogmaals contact gezocht met gastgezin [gastgezin 1] , waarbij de gastmoeder heeft aangegeven dat alles goed ging. Ook volgt uit het dossier dat er in die periode regelmatig contact is geweest met [au pair 1] , zowel telefonisch en via WhatsApp als fysiek. Zo heeft [vennoot 1] fysiek met [au pair 1] afgesproken, zonder dat gastgezin [gastgezin 1] daarbij aanwezig was, zodat [au pair 1] de mogelijkheid had vrijuit te spreken. Gelet op wat uit de contactmomenten blijkt, bestond er naar het oordeel van de rechtbank weinig aanleiding voor eiseres om voor de periode dat [au pair 1] bij gastgezin [gastgezin 1] zou verblijven, nadere stappen te ondernemen, zoals het afleggen van een huisbezoek. Hoewel (achteraf) gebleken is dat [au pair 1] niet bij gastgezin [gastgezin 1] , maar bij een familielid van dit gastgezin verbleef, valt eiseres hier naar het oordeel van de rechtbank weinig te verwijten. Verweerder stelt zich dan ook onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat de inspanningen die eiseres in dit verband heeft verricht om aan de hier bedoelde zorgplicht te voldoen, niet actief en adequaat genoeg waren. Eiseres is zowel door [au pair 1] als door gastgezin [gastgezin 1] in de waan gebracht dat [au pair 1] daadwerkelijk bij [gastgezin 1] verbleef en zij het daar goed maakte. De rechtbank ziet geen reden, ook niet in de ongebruikelijke situatie waarin [au pair 1] na aankomst in Nederland verkeerde, waarom eiseres niet op de uitlatingen van zowel gastgezin [gastgezin 1] als [au pair 1] zelf mocht vertrouwen en van haar nadere inspanningen konden worden verwacht.

Ook voor wat betreft het verblijf van [au pair 1] bij gastgezin [gastgezin 2] tot 1 oktober 2016, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder erin te volgen dat eiseres haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder e en onder f, van het VV 2000 heeft veronachtzaamd. Hoewel gastgezin [gastgezin 2] pas vanaf 1 oktober 2016 aan de voorwaarden voor plaatsing van [au pair 1] als au pair zou gaan voldoen en gebleken is dat [au pair 1] al vóór die datum bij gastgezin [gastgezin 2] is gaan verblijven, heeft eiseres onbetwist gesteld dat de kinderen van gastgezin [gastgezin 2] vóór 1 oktober 2016 niet thuis verbleven. [au pair 1] heeft vóór deze datum dan ook geen au pair-werkzaamheden verricht. Gastgezin [gastgezin 2] fungeerde op dat moment enkel als logeer- en verblijfadres voor [au pair 1] . Dat eiseres zich in dat geval, via het afleggen van een huisbezoek, nader van het welzijn en welbevinden van [au pair 1] had moeten vergewissen, volgt de rechtbank niet. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres al eerdere, goede ervaringen met gastgezin [gastgezin 2] als au pair-gezin had. Gedurende deze periode heeft eiseres ook regelmatig contact met [au pair 1] onderhouden. Dat [au pair 1] tot 1 oktober 2016 in Nederland verbleef zonder dat er een gastgezin was dat aan de voorwaarden voldeed, en zich in die zin niet aan haar verplichtingen hield, is een gevolg van de eerdere (foute) keuze van eiseres om de overkomst van [au pair 1] naar Nederland te faciliteren. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres op het punt van de zorgplicht niet een extra verwijt worden gemaakt.

Op grond van artikel 1.5, aanhef en onder i, van het VV 2000, draagt de referent van een vreemdeling die in het kader van uitwisseling als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven er zorg voor dat hij bij kennis of een redelijk vermoeden van misbruik of misstanden en bij meldingen hiervan passende maatregelen treft. Deze bepaling heeft naar het oordeel van de rechtbank betrekking op de situatie van de au pair. Uit dat wat verweerder eiseres in dit verband tegenwerpt volgt niet dat in het geval van [au pair 1] sprake was van misbruik of misstanden waarop eiseres vervolgens geen actie heeft ondernomen. Dat eiseres de op haar rustende zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder i, van het VV 2000 niet zou hebben nageleefd, heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd.

Informatieplicht

Los van het feit dat verweerder eiseres terecht tegenwerpt dat zij de overkomst van [au pair 1] heeft doorgezet op een moment dat [au pair 1] niet aan de voorwaarden voor toelating en verblijf als au pair voldeed, had eiseres het op grond van de op haar rustende informatieplicht uit artikel 4.19 van het VV 2000 ook aan verweerder moeten melden toen zij op 21 juni 2016 van gastgezin [gastgezin 1] het bericht ontving dat zij de overkomst van [au pair 1] niet langer wensten. Er lag op dat moment immers een positieve beslissing op de aanvraag om afgifte van de mvv, gebaseerd op het voorgenomen verblijf van [au pair 1] als au pair bij gastgezin [gastgezin 1] . Dat voorgenomen verblijf was van tafel. Bovendien was op dat moment in het geheel geen sprake van een gastgezin dat aan de voorwaarden voldeed om [au pair 1] als au pair in Nederland te laten verblijven. Niet in geschil is dat eiseres van het voorgaande op dat moment geen melding bij verweerder heeft gemaakt. Ook is niet bestreden dat eiseres er op 14 oktober 2016 bij de IND melding van heeft gedaan dat er in het geval van [au pair 1] een wisseling van gastgezin is geweest en dat eiseres daarbij heeft aangegeven dat gastgezin [gastgezin 1] na aankomst van [au pair 1] in Nederland heeft aangegeven dat zij afzagen van een au pair en dat [au pair 1] vervolgens per 15 september 2016 is overgeplaatst naar gastgezin [gastgezin 2] waar zij tot 1 oktober 2016 als gast zou verblijven. Eiseres heeft het richting de IND doen voorkomen dat sprake was van een re-match. Daarvan was echter geen sprake. Niet in geschil is ook dat de informatie die eisers op 14 oktober 2016 heeft verstrekt op meerdere punten onjuist was. Gastgezin [gastgezin 1] had immers al bij e-mailbericht van 21 juni 2016, en dus vóór de komst van [au pair 1] naar Nederland, aan eiseres laten weten dat zij afzagen van de komst van [au pair 1] als au pair in hun gezin. Bovendien is gebleken, en was bij eiseres bekend, dat [au pair 1] vóór 1 oktober 2016 bij gastgezin [gastgezin 2] is gaan verblijven.

In het licht van het vertrouwen dat verweerder in eiseres als erkend referent heeft gesteld, mag verweerder het overtreden door eiseres van de informatieplicht als hierboven benoemd, zwaar aanrekenen. Verweerder mag van eiseres als erkend referent verwachten dat zij hem informeert, juist informeert en zeker niet bewust onjuiste informatie verstrekt.

Administratieplicht

Zoals onder 10.3.2 in zijn algemeenheid al is overwogen, werpt verweerder eiseres in het kader van de op haar rustende administratieplicht ten onrechte tegen dat zich geen Brp-uittreksel van [au pair 1] in het dossier bevindt. Dat dit stuk ook voor wat betreft de au pair door verweerder werd verlangd, blijkt niet (duidelijk) uit de regelgeving. Verweerder heeft niet nader onderbouwd op welke wijze eiseres ervan op de hoogte moest zijn dat een registratie van de woonplaats en een BSN-nummer niet volstond, maar zij in haar administratie voor [au pair 1] een uittreksel uit de Brp moest opnemen.

De door eiseres in bezwaar overgelegde stukken ten aanzien van [au pair 1] horen naar het oordeel van de rechtbank bij het dossier van [au pair 1] . Hoewel is gebleken dat deze stukken kennelijk in de administratie van eiseres aanwezig waren, mocht verweerder van eiseres verwachten dat zij deze direct bij het verstrekken van het dossier aan verweerder had overgelegd, of in ieder geval vlak daarna. Deze stukken zien op de verslaglegging van het contact tussen eiseres en [au pair 1] en bevatten voor verweerder dan ook relevante informatie over de gang van zaken in de casus [au pair 1] . Naar het oordeel van de rechtbank kon dit bij verweerder enige twijfel doen ontstaan aan het op orde zijn van de administratie bij eiseres. Hieruit volgt dat verweerder er niet volledig op kan vertrouwen dat hem alle relevante informatie wordt verstrekt, als hij daar om vraagt.

Verweerder werpt eiseres in het kader van het niet naleven van de administratieplicht ook tegen dat één van de twee verslagen van de intake met [au pair 1] niet in de administratie is opgenomen, terwijl dat er wel zou moeten zijn. De rechtbank heeft echter geen reden te twijfelen aan de uitleg die eiseres geeft voor het ontbreken van het tweede intakeverslag, namelijk dat er geheel overbodig twee keer een intakegesprek met [au pair 1] heeft plaatsgevonden en het verslag van het tweede gesprek daarom niet is bewaard. Dit is door verweerder ook niet betwist.

10.2.1

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat nauwelijks sprake is van overtreding door eiseres van de op haar rustende zorgplicht die zij tegenover [au pair 1] had, als bedoeld in artikel 1.5 van het VV 2000. Het enige verwijt dat eiseres in dit verband kan worden gemaakt is dat het enigszins onzorgvuldig is dat zij niet heeft doorgevraagd op het moment dat [au pair 1] tegenover haar verklaarde dat zij mensen in Nederland kende en dat eiseres niet in de verslaglegging heeft vermeld dat zij daarover op een later moment alsnog navraag heeft gedaan bij [au pair 1] . Daar waar volgens verweerder verder sprake is van overtreding van de zorgplicht door eiseres, zijn deze in wezen het gevolg van het laten overkomen van [au pair 1] naar Nederland zonder dat zij aan de voorwaarden voor toegang en verblijf in Nederland voldeed. De rechtbank ziet niet direct in hoe de door verweerder gestelde overtredingen als zelfstandige overtredingen van de zorgplicht zijn aan te merken en waar eiseres iets anders te verwijten valt dan dat zij onjuist heeft gehandeld door de overkomst van [au pair 1] te faciliteren op een moment dat zij niet aan de toelatings- en verblijfsvoorwaarden voldeed. Dat dit op zichzelf staande verwijten zijn die eiseres kunnen worden tegengeworpen, volgt de rechtbank dan ook niet. Wel volgt de rechtbank verweerder in zijn overwegingen dat sprake is van behoorlijke overtredingen door eiseres van de op haar rustende informatieplicht door op of vlak na 21 juni 2016 geen informatie aan verweerder te verstrekken over het terugtrekken door gezin [gastgezin 1] als gastgezin voor [au pair 1] en het doen van een melding op 14 oktober 2016 die onjuiste informatie bevat. Ook volgt de rechtbank verweerder erin dat eiseres voor wat betreft de administratieplicht een en ander valt aan te rekenen. Dat eiseres de overkomst van [au pair 1] naar Nederland heeft gefaciliteerd op basis van een mvv waarover eerder al positief was beslist, maar waar na wijziging van de omstandigheden niet meer aan de voorwaarden werd voldaan en zonder dat [au pair 1] op dat moment aan de voorwaarden voor toelating tot en verblijf in Nederland voldeed, valt als zodanig niet onder overtreding van de zorgplicht die eiseres had tegenover [au pair 1] . Niettemin heeft verweerder dit als een grove fout van eiseres mogen aanmerken, die in grote mate afbreuk doet aan het vertrouwen dat de IND in eiseres als erkend referent heeft gesteld. Zoals hiervoor overwogen, is betrouwbaarheid een voorwaarde voor de erkenning door de IND als referent en vormt dit op grond van artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ook grond voor intrekking van het erkend referentschap.

10.3.

Volgens verweerder maakte eiseres niet alleen in de casus [au pair 1] fouten, maar heeft eiseres ook in het geval van andere au pairs voor wie zij heeft bemiddeld, geen adequate invulling heeft gegeven aan haar zorg-, informatie- en/of administratieplicht en zich in een aantal gevallen niet aan haar eigen uitwisselingsprogramma gehouden. Dat heeft verweerder per casus toegelicht. De rechtbank zet hieronder per casus uiteen welke tegenwerpingen en verwijten van verweerder standhouden en waarom.

Au pair [naam au pair 2]

11. Van belang is dat in rechte vaststaat dat [au pair 2] vooral betaalde werkzaamheden heeft verricht als nanny in het gastgezin en dat geen invulling is gegeven aan wat het primaire doel had moeten zijn van het au pair-schap, namelijk het kennismaken met de Nederlandse cultuur en samenleving. Naar het oordeel van de rechtbank verwijt verweerder eiseres niet ten onrechte dat zij zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het gastgezin en [au pair 2] zich hielden aan de verplichtingen en ook dat eiseres zich onvoldoende heeft vergewist van het welzijn en welbevinden van [au pair 2] tijdens zijn verblijf in het gastgezin. Hierbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat er gedurende zeven maanden geen contact is geweest tussen eiseres en [au pair 2] . Dit is ook niet in geschil. Niet ten onrechte stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen om contact te leggen met [au pair 2] , om zich ervan te vergewissen of hij en het gastgezin zich aan de verplichtingen hielden en om zich op de hoogt te stellen van het welzijn en welbevinden van [au pair 2] . Zoals onder 10.3.1 is overwogen, mag verweerder gelet op de zorgplicht die op de erkend referent rust en diens ervaring en deskundigheid verwachten dat deze, als de specifieke situatie daarom vraagt, nadere inspanningen doet om aan de bedoelde zorgplicht te voldoen, bijvoorbeeld door middel van het afleggen van een huisbezoek. Gelet op het feit dat eiseres gedurende zo’n lange tijd geen contact kon leggen met [au pair 2] , acht de rechtbank verweerders verwachting dat eiseres zich in dit geval nader had ingespannen via het afleggen van een huisbezoek, niet onredelijk. Dat er, zoals eiseres stelt, hier geen indicatie was voor het afleggen van een huisbezoek, volgt de rechtbank dan ook niet. Aan het voorgaande doet dus niet af dat het afleggen van huisbezoek niet als middel was opgenomen in het uitwisselingsprogramma van eiseres. Verweerder stelt zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat van voldoende inspanningen van eiseres om aan de hier bedoelde zorgplicht te voldoen, niet is gebleken. Dit mag verweerder eiseres aanrekenen.

Au pair [naam au pair 3]

12. Au pair [au pair 3] werd geplaatst in een gastgezin waarvan de ouders verwikkeld waren in een echtscheidingsprocedure. Hoewel dit niet per definitie een ongeschikte situatie is voor het ontvangen van een au pair, overweegt verweerder niet ten onrechte dat zo’n geval wel een hoge mate van zorgvuldigheid en nauwe monitoring van de zijde van eiseres vergt waar het gaat om de zorgplicht die eiseres tegenover de au pair heeft. De kans dat er in een situatie van scheiding een voor de au pair onstabiele situatie ontstaat is immers niet ondenkbaar. Van eiseres als erkend referent mag verweerder verwachten dat eiseres zich dit realiseert bij de keuze van het gastgezin en de plaatsing van een au pair in zo’n gezinssituatie, en dat zij, als zij daartoe overgaat, dus nauwgezet in de gaten houdt hoe het de au pair in het gastgezin vergaat en of zowel de au pair als het gastgezin zich aan de verplichtingen houden. In het geval van [au pair 3] mocht verweerder op dat punt van eiseres meer inspanningen verwachten dan eiseres heeft laten zien. Het had in de rede gelegen dat eiseres hier aanvullende waarborgen had ingebouwd, door vaker dan zij dat normaal zou doen contact te zoeken met [au pair 3] en het gastgezin, en ook op andere manieren dan telefonisch en per e-mail contact had gelegd om zich op de hoogte te stellen van het welzijn en welbevinden van [au pair 3] . Niet is gebleken dat dat is gebeurd. Dit mag verweerder eiseres aanrekenen. De stelling van eiseres dat zij zich voor wat betreft het contact met [au pair 3] en het gastgezin aan haar uitwisselingsprogramma heeft gehouden, doet er niet aan af dat eiseres zich moet realiseren dat de invulling van de zorgplicht niet voor iedere situatie gelijk is en dat zij voor iedere situatie op zichzelf moet inschatten wat deze nodig heeft. Het uitwisselingsprogramma is daarbij leidend, maar niet doorslaggevend. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres in het geval van [au pair 3] onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder e en onder f, van het VV 2000.

Ter zitting heeft eiseres meegedeeld dat zij wist dat de ouders afwisselend een week in de gezinswoning zouden zijn, en dat de au pair dus de enige constante factor voor de kinderen was. Deze informatie is niet aanwezig in het dossier van eiseres over au pair [au pair 3] . In de stukken uit het dossier van [au pair 3] is wel opgenomen dat de gastouders verwachtten dat een au pair als lijm binnen het gezin zou fungeren en voor stabiliteit voor hun kinderen zou zorgen. Hoewel dat wellicht ongelukkig geformuleerd is van de zijde van eiseres, lijkt het bieden van stabiliteit voor de kinderen wel het idee te zijn geweest voor het ontvangen van een au pair in het gezin. Verweerder werpt eiseres niet ten onrechte tegen dat zij zonder hierop door te vragen of zich op andere wijze nader van de situatie op de hoogte te stellen, dit gezin als gastgezin voor een au pair heeft geselecteerd en haar inschatting heeft gebaseerd op een enkel telefoongesprek. Niet ten onrechte verwacht verweerder van eiseres dat zij aanvullende stappen had ondernomen om tot een zorgvuldige selectie van het gastgezin te komen. Niet is inzichtelijk gemaakt op basis van welke overwegingen eiseres tot de conclusie is gekomen dat dit gezin, ondanks de situatie, een geschikt gastgezin was om een au pair te plaatsen. Verweerder stelt zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres op dit punt niet heeft voldaan aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder b, van het Vb 2000 . Hierbij is ook nog het volgende van belang. Verweerder constateert terecht dat zich in het dossier van [au pair 3] geen stuk bevindt waaruit het woonadres van alle gezinsleden blijkt. Slechts van de gastvader is een Brp-inschrijving overgelegd en blijkt waar hij woonachtig is. Niet blijkt daaruit waar de gastmoeder en de kinderen van het gezin woonachtig zijn. Het ten aanzien van de gastmoeder overgelegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel heeft verweerder onvoldoende kunnen achten omdat daaruit niet blijkt op welk woonadres de moeder staat ingeschreven. Een uittreksel uit de Brp waaruit de gezinssamenstelling en het woonadres van de verschillende gezinsleden blijkt, ontbreekt dus. Dit mag verweerder eiseres aanrekenen in het kader van de plicht die zij heeft het gastgezin zorgvuldig te selecteren. Zoals hiervoor reeds vermeld heeft eiseres bovendien op de zitting aangegeven dat de ouders niet altijd op het betreffende adres woonachtig waren, maar dat zij afwisselend in het huis verbleven en dat eiseres daarvan ook op de hoogte was. Dit blijkt echter niet uit de stukken die zijn overgelegd. Met het voorgaande heeft eiseres ook haar administratieplicht uit artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV 2000 niet nageleefd, zo overweegt verweerder niet ten onrechte.

Au pair [naam au pair 4]

13. In het geval van au pair [au pair 4] verwijt verweerder eiseres onder andere dat zij zich niet heeft gehouden aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder a, e en f, van het VV 2000. Centraal in de overwegingen van verweerder op dit punt staat de omstandigheid dat eiseres vanwege de taalbarrière niet naar behoren (rechtstreeks) met [au pair 4] kon communiceren. [au pair 4] sprak Vietnamees, maar geen Nederlands en slechts basaal Engels. Voor de communicatie met [au pair 4] heeft eiseres zich volledig verlaten op het gastgezin en andere niet-onafhankelijke derden. Naar het oordeel van de rechtbank verwijt verweerder het eiseres niet ten onrechte dat het onzorgvuldig is dat zij voor de communicatie met en informatievoorziening richting [au pair 4] geen onafhankelijke tolk heeft ingeschakeld. Dit verwijt raakt zowel de zorgvuldige bemiddeling tussen [au pair 4] en het gastgezin vóór de komst van [au pair 4] naar Nederland, als de plicht van eiseres zich ervan te vergewissen dat het gastgezin en [au pair 4] zich aan de verplichtingen hielden en de plicht van eiseres zich op de hoogte te stellen van het welzijn en welbevinden van [au pair 4] tijdens haar verblijf in het gastgezin. In het voortraject heeft eiseres [au pair 4] immers niet rechtstreeks op de hoogte kunnen stellen van de voorwaarden van het uitwisselingsprogramma en de relevante wet- en regelgeving. Dit gebeurde vanwege de taalbarrière via de toekomstig gastmoeder. Niet is gebleken dat eiseres bij [au pair 4] heeft geverifieerd of de informatie die [au pair 4] had ontvangen, juist was en zij deze had begrepen. Ook blijkt dat [au pair 4] of niet op de hoogte was van de inhoud van formulieren die zij heeft ondertekend om aan het au pair-programma deel te nemen of dat zij van de inhoud van deze formulieren op de hoogte werd gesteld door de toekomstig gastmoeder, die de formulieren ook voor [au pair 4] invulde. Eiseres had zich moeten realiseren dat zij er op deze manier niet van was verzekerd dat [au pair 4] juist en volledig werd geïnformeerd over de inhoud van het au pair-programma, de relevante wet- en regelgeving en de voorwaarden van het uitwisselingsprogramma, terwijl zij hiervoor wel verantwoordelijk is. Ook tijdens het verblijf van [au pair 4] in Nederland heeft eiseres enkel op indirecte wijze met [au pair 4] gecommuniceerd. Zo stond de gastmoeder naast [au pair 4] om tijdens een gesprek tussen eiseres en [au pair 4] , vlak na haar aankomst in Nederland, te vertalen. Tijdens dit gesprek werd [au pair 4] onder andere de vraag gesteld hoe het met haar ging en hoe zij zich voelde. Ook e-mails die [au pair 4] tijdens haar verblijf in Nederland van eiseres ontving, werden door de gastmoeder voor [au pair 4] vanuit het Engels vertaald waarna de gastvader de e-mails beantwoordde. Eiseres heeft dus enkel met tussenkomst van het gastgezin zich ervan op de hoogte gesteld of het gastgezin en [au pair 4] zich aan de verplichtingen hielden en zich vergewist van het welzijn en welbevinden van [au pair 4] . Van nadere inspanningen van eiseres om het één en ander te verifiëren, is niet gebleken. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat in het geval eiseres ervoor kiest te bemiddelen bij een au pair die niet een taal machtig is die zij beiden machtig zijn, van haar gelet op haar zorgplicht en de voorwaarden van haar uitwisselingsprogramma nadere inspanningen mogen worden verwacht daaraan te voldoen. In dit geval dus bijvoorbeeld door inschakeling van een onafhankelijke tolk. Naar het oordeel van de rechtbank rekent verweerder het eiseres niet ten onrechte (ernstig) aan dat zij voor [au pair 4] niet de situatie heeft gecreëerd waarin zij zonder tussenkomst van het gastgezin met eiseres kon communiceren. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dat in het destijds geldende uitwisselingsprogramma was opgenomen dat de au pair de taal van het gastgezin, of Engels, Duits, Frans of Nederlands, moest spreken, doet aan het voorgaande niet aan af. Hoewel [au pair 4] de taal van het gastgezin sprak, rust op eiseres de zorgplicht als hiervoor genoemd. Het is aan eiseres om op adequate wijze invulling te geven aan die plicht. Als zij daaraan door een taalbarrière niet de invulling kan geven die van haar wordt verlangd, dan ligt het op de weg van eiseres dat te onderkennen en daarin actief stappen te ondernemen en de inspanning te leveren daaraan desondanks te kunnen voldoen, dan wel van bemiddeling af te zien. Dat in het uitwisselingsprogramma is opgenomen dat de au pair ook de taal van het gastgezin mag spreken, maakt dan ook niet, anders dan eiseres stelt, dat de overtreding als hier geconstateerd niet verwijtbaar is. Daarbij komt nog dat eiseres heeft toegegeven dat er onvoldoende contactmomenten zijn geweest, gelet waarop zij niet conform haar uitwisselingsprogramma heeft gehandeld.

Au pair [naam au pair 5]

14. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres in het geval van [au pair 5] niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder f, van het VV 2000. Eiseres betwist niet dat er tussen 2 november 2016 en 31 maart 2017, dus gedurende bijna vijf maanden, slechts één keer (telefonisch) contact is geweest tussen haar en [au pair 5] . De stelling van eiseres dat er vele malen vaker is geprobeerd (telefonisch en via e-mail) contact met [au pair 5] te krijgen, heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven leiden. Eiseres betwist ook niet dat het onder deze omstandigheden voor de hand had gelegen om op andere wijze dan telefonisch of via e-mail met [au pair 5] in contact te komen. Gesteld noch gebleken is dat eiseres daartoe inspanningen heeft verricht. Niet ten onrechte concludeert verweerder dan ook dat eiseres zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van het welzijn en welbevinden van [au pair 5] tijdens haar verblijf in het gastgezin en dat eiseres dit te verwijten valt.

Au pair [naam au pair 6]

15. Verweerder overweegt dat eiseres zich in het geval van au pair [au pair 6] onder andere niet heeft gehouden aan de zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder a, b en f, van het VV 2000.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet op zorgvuldige wijze is bemiddeld tussen [au pair 6] en het gastgezin. In de verklaring die door [au pair 6] als getuige is afgelegd op 9 oktober 2017 is onder meer het volgende vermeld:

“V: Met wie heeft u dan contact gehad over de au-pair procedure?

A: Ik had dus contact met mijn nichtje, [naam nichtje] . Die heeft contact opgenomen met [naam gastvader] en die heeft mij op een gegeven moment gebeld om vragen te stellen over mijn ervaring met kinderen. Vervolgens heeft hij mij gezegd dat ik bepaalde papieren moest invullen/aanleveren. Op het consulaat hebben ze ook een aantal stukken gevraagd, die heb ik aangeleverd; daar stonden vragen in als van ‘wat ga je met de kinderen doen, hoe ga je de tijd vullen, etc’. die stukken heb ik volgens mij nog wel thuis liggen, die heb ik nu niet meegenomen. Volgens mij waren ze in het Nederlands en vertaald naar het Frans. Ik kan zelf een beetje Frans. Ik heb zelf niet die vragen ingevuld, daarvoor ben ik naar een bepaald bureau gegaan, die stelt dan de vragen en vult ze in; in Marokko heb je losse bureau’s die je bij dat soort dingen kunnen helpen; officiële stukken invullen etc. ook heeft [gastvader] mij verteld dat ik een keer vanuit Nederland gebeld zou worden door een bepaald bureau uit Nederland, om ongeveer dezelfde vragen te beantwoorden. Dat was in het Arabisch en die mevrouw heette ‘ [naam medewerker] ’. Toen ik in Nederland aankwam heeft die mevrouw me nog een keer gebeld, om samen met meerdere au-pairs een uitje te maken; dat was zwemmen met meerdere au-pairs in Nederland, maar daaraan heb ik niet meegedaan, omdat ik op de kinderen aan het passen ws. Ik heb ‘ [medewerker] ’ nooit in persoon gezien en daarna nooit meer gesproken. Ik weet wel dat ‘ [medewerker] ’ voor het au-pair bureau werkt, maar of dat [eiseres] heet weet ik niet; mijn Nederlands is nog niet zoe goed, misschien kunnen we dat aan [gastvader] vragen.

V: Dus u heeft geen contact gehad met [eiseres] voor uw aanvraag?

A: Nee, ik weet niets van dat au-pair bureau af.”

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres nader onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsdoel van au pair [au pair 6] en naar de motieven van de gastvader, en dat eiseres ten onrechte geen aanvullende stappen heeft ondernomen om zich er van te vergewissen dat geen misbruik van de regeling werd gemaakt en dat eiseres daartoe niet werd gebruikt.

Wat betreft de selectie van het gastgezin acht verweerder van belang dat het om een alleenstaande gastvader ging, wiens echtgenote enkele maanden voor de komst van [au pair 6] was overleden bij de geboorte van het jongste kind, dit kind ernstig gehandicapt is en dagelijks intensieve zorg nodig heeft. Gelet op deze omstandigheden verlangt verweerder in het kader van de plicht die op eiseres rust om het gastgezin zorgvuldig te selecteren van eiseres niet ten onrechte nadere inspanningen om zich ervan te verzekeren dat dit gastgezin geschikt was om een au pair te plaatsen. Een au pair mag immers geen taken verrichten voor personen die bijzondere zorg nodig hebben. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat onvoldoende is gebleken hoe eiseres heeft vastgesteld dat volgens haar sprake was van een geschikt gastgezin. De afwegingen die eiseres in dit verband stelt te hebben gemaakt, heeft zij niet gedocumenteerd. Dat eiseres tijdens de intake met de gastvader gesproken zou hebben over de wijze waarop de zorg voor het jongste kind was geregeld, en waaruit bleek dat er op basis van een persoonsgebonden budget zorg werd ingekocht en er hulp was van familieleden, en dat de gastvader een weekschema met werkzaamheden voor [au pair 6] zou hebben ondertekend, heeft verweerder in dit verband onvoldoende mogen achten. Bovendien is ook dit door eiseres niet gedocumenteerd. Van eiseres mochten inspanningen worden verwacht om uit te zoeken hoe de zorg voor het jongste kind precies was geregeld en dat zij deze inspanningen ook had vastgelegd om – in het belang van de au pair – te kunnen beoordelen of sprake was van een voor de plaatsing van een au pair geschikt gastgezin. Gesteld noch gebleken is dat zulke inspanningen zijn verricht. Verweerder heeft eiseres dan ook mogen verwijten dat zij onvoldoende zorg heeft gedragen voor een zorgvuldige selectie van het gastgezin. Dat [au pair 6] heeft verklaard dat zij geen zorgtaken voor het jongste kind heeft verricht, doet aan het voorgaand niet af. Het gaat immers om de op eiseres rustende plicht om het gastgezin zorgvuldig te selecteren.

Verder stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat het gelet op de omstandigheden van dit specifieke geval en de zorgplicht die op eiseres rust, op de weg van eiseres had gelegen dat zij zich op actievere wijze dan zij heeft gedaan en was voorgeschreven in het uitwisselingsprogramma op de hoogte had gesteld van het welzijn en welbevinden van [au pair 6] tijdens haar verblijf in het gastgezin. Van eiseres mocht verlangd worden dat zij extra waarborgen had ingebouwd om na te gaan hoe het [au pair 6] in het gastgezin verging. Niet alleen door intensiever contact met [au pair 6] te onderhouden, maar ook door op andere wijze dan enkel telefonisch, bijvoorbeeld via huisbezoek, na te gaan hoe het met [au pair 6] ging. Daarbij neemt verweerder terecht in aanmerking dat pogingen van eiseres om contact met [au pair 6] te krijgen meermaals faalden. Zeker in deze specifieke gastgezinsituatie verwacht verweerder niet ten onrechte van eiseres als erkend referent dat zij vanuit het oogpunt van het belang van de au pair een juiste inschatting kan maken van wat nodig is om aan de zorgplicht te voldoen. Verweerder verwijt eiseres daarom niet ten onrechte dat zij zich onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van het welzijn en welbevinden van [au pair 6] . Bovendien is niet in geschil dat er slechts vier keer telefonisch contact met [au pair 6] is geweest, terwijl het uitwisselingsprogramma minimaal vijf contactmomenten voorschreef. Verweerder komt niet ten onrechte tot de conclusie dat eiseres niet op adequate wijze uitvoering heeft gegeven aan haar zorgplicht.

Au pair [naam au pair 7]

16. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres in het geval van au pair [au pair 7] niet heeft voldaan aan de op haar rustende administratieplicht als bedoeld in artikel 4.28, tweede lid, aanhef en onder b en d, van het VV 2000. Er ontbreekt namelijk een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die eiseres heeft gepleegd om ervoor te zorgen dat [au pair 7] en het gastgezin de overeengekomen afspraken in de dagindeling nakomen. Ook ontbreekt een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die eiseres heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van [au pair 7] . Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit het gestelde (telefonisch) contact met [au pair 7] dan wel het gastgezin blijkt en evenmin een verslaglegging van wat daarbij is besproken, met informatie over hoe het [au pair 7] verging. Dit is door eiseres niet betwist. De rekeningen die eiseres heeft overgelegd, van gestelde follow-ups, zijn in dit verband te mager.

Samenvatting casussen

17. Samenvattend stelt de rechtbank vast dat eiseres onder meer op de volgende punten tekort is geschoten.

Eiseres heeft niet aan verweerder gemeld dat au pair [au pair 1] enkele dagen na het besluit tot afgifte van de mvv niet meer aan de verblijfsvoorwaarden voldeed en heeft au pair [au pair 1] naar Nederland laten komen wetend dat zij niet aan de voorwaarden voldeed. Ook heeft eiseres bewust onjuiste informatie verstrekt over de wisseling van gastgezin.

Met au pair [au pair 2] heeft eiseres zeven maanden geen contact gehad. Eiseres heeft zich niet vergewist van het welzijn en welbevinden van au pair [au pair 2] , en ook niet of aan de verplichtingen werd voldaan. Achteraf is gebleken dat deze au pair feitelijk betaalde arbeid heeft verricht, en niet als au pair bij het gastgezin heeft verbleven.

In het gezin van au pair [au pair 3] was sprake van een echtscheidingssituatie, waarbij de ouders om de beurt een week in de gezinswoning waren en de au pair bedoeld was als ‘lijm’ binnen het gezin en als stabiele factor voor de kinderen.

Met au pair [au pair 4] kon eiseres niet rechtstreeks communiceren. Alle communicatie liep via de gastouders. Eiseres heeft dus niet kunnen vaststellen wat het verblijfsdoel van au pair [au pair 4] was, en of zij op de hoogte was van de voorwaarden en regels. Ook heeft eiseres zich niet kunnen vergewissen van het welzijn en welbevinden van au pair [au pair 4] , en of aan de verplichtingen werd voldaan.

Met au pair [au pair 5] heeft eiseres in vijf maanden tijd slechts één keer contact gehad.

Bij au pair [au pair 6] is de mvv-procedure door de gastvader geregeld en heeft eiseres geen aanvullende stappen ondernomen om zich ervan te vergewissen dat geen misbruik van de regeling werd gemaakt en dat eiseres daartoe niet werd gebruikt. Ook heeft verweerder onvoldoende onderzocht of de gezinssituatie (moeder bij geboorte jongste kind overleden, jongste kind ernstig gehandicapt) geschikt was voor een au pair, en onvoldoende in de gaten gehouden of het gastgezin zich aan de verplichtingen hield en of het in deze bijzondere situatie wel goed ging met de au pair.

WODC-onderzoek

18. Eiseres voert aan dat uit het WODC-onderzoek blijkt dat er veel knelpunten zijn in de systematiek van de erkend referent bij au pair-procedures. De reikwijdte en de invulling van met name de zorgplicht is onduidelijk, en erkend referenten verkeren in een onmogelijke positie omdat zij wel volledige verantwoordelijkheid dragen, maar geen bevoegdheden hebben om naleving te controleren of af te dwingen.

18.1.

De rechtbank is van oordeel dat in de gevallen die hiervoor besproken zijn en waarin is geconcludeerd door de rechtbank dat eiseres niet aan haar zorgplicht heeft voldaan, voor eiseres, mede gelet op haar rol als erkend referent en haar veronderstelde deskundigheid op dit gebied, voldoende duidelijk was op welke wijze zij adequate invulling had moeten geven aan de op haar rustende zorgplicht. Dat volgens het WODC-rapport onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte en inhoud van de zorgplicht maakt dat niet anders. In dit verband wordt ook verwezen naar overweging 8.2.1.

18.2.

De verwijten die verweerder aan eiseres heeft gemaakt en die in deze uitspraak door de rechtbank zijn onderschreven, houden geen verband met de vraag of eiseres al dan niet de bevoegdheid had om naleving te controleren of af te dwingen. De verwijten houden immers in hoofdzaak in dat eiseres verweerder in de casus van au pair [au pair 1] niet heeft geïnformeerd over het feit dat de au pair niet voldeed aan de voorwaarden voor toegang tot en verblijf in Nederland en bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over de wisseling van gastgezin, en in de andere casussen dat eiseres onzorgvuldig heeft bemiddeld en/of het gastgezin onzorgvuldig heeft geselecteerd en/of zich onvoldoende heeft ingespannen om na te gaan of gastgezin en au pair zich aan de verplichtingen hielden en/of zich onvoldoende heeft ingespannen om het welzijn en welbevinden van de au pair in de gaten te houden. Wat in het WODC-rapport is opgemerkt over de verantwoordelijkheid van de referent en het ontbreken van bevoegdheden om naleving te controleren of af te dwingen, is dus niet van belang voor de onderhavige zaak.

Uitwisselingsprogramma

19. Eiseres heeft aangevoerd dat zij handelde conform haar goedgekeurde uitwisselingsprogramma, en dat zij erop mocht vertrouwen dat zij aldus aan haar verplichtingen voldeed.

De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar hetgeen in het voorgaande reeds is overwogen, onder andere in overweging 8.2.1.

Bevoegdheid tot intrekking

20. Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 10.2 tot en met 16 heeft overwogen, en zoals samengevat is weergegeven onder 17, komt zij tot het oordeel dat verweerder eiseres niet ten onrechte een groot aantal en ook ernstige verwijten maakt.

Een erkend referent beoordeelt of een au pair voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot en verblijf in Nederland. Gelet op het zwaarwegende algemeen belang dat geen vreemdelingen tot Nederland worden toegelaten die geen recht hebben om hier te verblijven, heeft verweerder groot gewicht kunnen toekennen aan het feit dat eiseres verweerder niet heeft geïnformeerd dat au pair [au pair 1] kort na het besluit tot afgifte van een mvv niet meer aan de voorwaarden voldeed, en dat eiseres, wetend dat au pair [au pair 1] niet aan de voorwaarden voldeed, haar komst naar Nederland toch heeft gefaciliteerd heeft. Ook heeft verweerder zwaar kunnen laten wegen dat eiseres bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over de wisseling van gastgezin. Uit de gang van zaken in de casus [au pair 1] blijkt dat bij eiseres kennelijk onvoldoende het besef aanwezig was van haar grote verantwoordelijkheid met betrekking tot de toelating tot en het verblijf in Nederland.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder alleen al op basis van deze casus tot de conclusie heeft kunnen komen dat de betrouwbaarheid van eiseres als erkend referent zodanig in twijfel moet worden getrokken dat deze voor hem niet langer vaststaat. Die conclusie heeft verweerder zeker kunnen trekken indien de andere casussen daarbij worden betrokken.

Uit de wet- en regelgeving en de toelichting daarbij blijkt dat au pairs als een kwetsbare groep worden beschouwd. De zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.5 van het VV 2000 is onder meer bedoeld om te voorkomen dat een au pair op oneigenlijke gronden naar Nederland komt of in een ongewenste situatie terecht komt. In de hiervoor besproken casussen heeft eiseres verwijtbaar niet aan die zorgplicht voldaan.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij als erkend referent heel veel au pairs heeft bemiddeld en dat de verwijten die verweerder haar maakt slechts een beperkt aantal zaken betreffen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat slechts een beperkt aantal bemiddelingen zijn onderzocht en dat niet de conclusie kan worden getrokken dat de niet onderzochte bemiddelingen allemaal in orde zijn geweest.

20.1.

Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting en de Nota naar aanleiding van het verslag, stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was om tot intrekking over te gaan.

Zoals volgt uit de Memorie van Toelichting, kan verweerder niet alleen tot intrekking van het erkend referentschap overgaan als de erkend referent zich niet aan de op hem rustende verplichtingen heeft gehouden, maar ook als de betrouwbaarheid van de erkend referent niet langer vaststaat. Hoewel in het geval van eiseres van situaties van uitbuiting, mensensmokkel of illegale tewerkstelling, zoals genoemd in de Nota naar aanleiding van het verslag, in het geheel niet is gebleken, is wel gebleken van een optelsom van verwijten die verweerder eiseres niet ten onrechte maakt en waaraan verweerder niet ten onrechte de conclusie verbindt dat de betrouwbaarheid van eiseres onvoldoende vaststaat. Zoals uit de Nota van Toelichting volgt, gaat het erom of de IND in redelijkheid nog kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van de erkend referent. Verweerder is vrij in de motivering die hij ten grondslag legt aan zijn conclusie dat is gebleken dat daarvan niet langer sprake is. Dit is niet beperkt tot bepaalde aspecten, zoals gevallen van uitbuiting, mensensmokkel of illegale tewerkstelling; verweerder mag daarbij naar het oordeel van de rechtbank alle overtredingen betrekken die hierboven zijn genoemd. In dit geval heeft verweerder de conclusie dat eiseres voor hem niet langer een betrouwbare partner voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ is mede gebaseerd op het niet voldoen door eiseres aan de plichten die op haar als erkend referent rusten.

20.2.

Met het onvoldoende vaststaan van de betrouwbaarheid van eiseres, voldoet eiseres niet aan de voorwaarde voor erkenning als referent als bedoeld in artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 . Verweerder is daarom bevoegd om met toepassing van artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 over te gaan tot het intrekking van de erkenning van eiseres als erkend referent. Omdat in artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een zelfstandige grondslag voor de intrekking van het erkend referentschap is gelegen en verweerder de intrekking op die grond kon baseren, gaat de rechtbank niet in op de andere wettelijke grondslag die verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, namelijk artikel 2g, aanhef en onder c, van de Vw 2000 .

Bestuurlijke sanctie? Artikel 5:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

21. Eiseres heeft aangevoerd dat de intrekking een bestuurlijke sanctie is, en dat niet is voldaan aan artikel 5:4, tweede lid, van de Awb . Verweerder stelt zich op het standpunt dat van een bestuurlijke sanctie geen sprake is.

21.1.

Daargelaten de vraag of de intrekking op grond van artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een bestuurlijke sanctie is, is de rechtbank, onder verwijzing naar al hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de verplichtingen voor eiseres als erkend referent voldoende duidelijk zijn omschreven bij wettelijk voorschrift (Vw 2000, Vb 2000, VV 2000). De intrekking is geregeld in de Vw 2000. De conclusie is dat, als de intrekking als bestuurlijke sanctie aangemerkt zou moeten worden, aan artikel 5:4, tweede lid, van de Awb is voldaan.

Belangenafweging

22. Eiseres heeft gesteld dat de belangenafweging onjuist is omdat weliswaar af en toe een (administratieve) fout is gemaakt, maar veel van de aantijgingen van verweerder onterecht en ongefundeerd zijn. Verder heeft eiseres gesteld dat, ook als van de gestelde overtredingen en de ernst daarvan, uitgegaan zou moeten worden, de belangenafweging onjuist is.

22.1.

De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder eiseres niet ten onrechte een groot aantal en ook ernstige verwijten maakt. Deze verwijten bij elkaar opgeteld hebben verweerder niet ten onrechte tot de conclusie mogen leiden dat de betrouwbaarheid van eiseres als erkend referent zodanig in twijfel moet worden getrokken dat deze voor hem niet langer vaststaat. Wat betreft de zorgplicht heeft de rechtbank overwogen dat deze voldoende duidelijk was en dat het WODC-rapport dat niet anders maakt.

Inherent aan de intrekking is dat eiseres niet langer als referent kon optreden, en dat dit financiële gevolgen voor eiseres heeft (gehad). Niet gebleken is dat die financiële gevolgen zodanig zijn dat verweerder van intrekking had moeten afzien, ondanks het zwaarwegende belang van verweerder om tot intrekking over te gaan wegens het ontbreken van betrouwbaarheid.

Afsluitende opmerking

23. Op de zitting hebben [vennoot 1] en [vennoot 2] beiden een slotwoord gehouden. Naar aanleiding van wat zij naar voren hebben gebracht, vindt de rechtbank het belangrijk om op te merken dat het oordeel in deze zaak niet betekent dat [vennoot 1] en [vennoot 2] als persoon niet betrouwbaar zijn, maar dat het oordeel (alleen) inhoudt dat de bedrijfsvoering van [eiseres] niet langer voldeed aan de voorwaarden om voor de IND een betrouwbare partner te zijn.

24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. drs. J.H. van Breda en

mr. J.A. van Schagen, leden, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 5 augustus 2021.

griffier

de voorzitter is verhinderd te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder b

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur:

(…)

b. wordt ten aanzien van referenten voorzien in zorgplichten jegens de vreemdeling; (…)”.

Artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder b

“Onze Minister is bevoegd:

(…)

b.de erkenning als referent te schorsen, in te trekken dan wel te wijzigen.”

Artikel 2e, eerste lid

“Onze Minister kan de aanvraag tot erkenning als referent of tot wijziging van de erkenning als referent afwijzen, indien:

a. de aanvrager, voor zover vereist op grond van de Handelsregisterwet 2007, niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet;

b. de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming, rechtspersoon of organisatie onvoldoende is gewaarborgd;

c. de betrouwbaarheid van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken natuurlijke of rechtspersonen of ondernemingen onvoldoende vast staat;

d. de erkenning als referent van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken rechtspersonen of ondernemingen binnen een periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de aanvraag is ingetrokken;

e. de aanvrager niet voldoet aan de vereisten die verband houden met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven, waaronder in ieder geval kan worden verstaan de aansluiting bij en naleving van een gedragscode. (…)”.

Artikel 2 f

“1 Onze Minister kan de erkenning als referent schorsen op grond van ernstige vermoedens dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 2 g.

2 De schorsing van de erkenning als referent eindigt op de dag na de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de schorsing drie maanden zijn verstreken.

3 De termijn, bedoeld in het tweede lid, kan worden verlengd, indien naar het oordeel van Onze Minister advies van of onderzoek door derden of het openbaar ministerie nodig is.

4 Schorsing van de erkenning heeft tot gevolg dat de referent voor de duur van de schorsing niet als erkend referent wordt aangemerkt.”

Artikel 2g, aanhef en onder b en c

“Onze Minister kan de erkenning als referent intrekken, indien:

(…)

b. de erkende referent niet langer voldoet aan de voorwaarden voor erkenning;

c. de erkende referent zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen als referent, of (…)”.

Artikel 24 a

1 Gegevens en bescheiden worden niet verkregen van de vreemdeling of diens referent, voor zover:

a. Onze Minister die gegevens of bescheiden kan verkrijgen uit bij regeling van Onze Minister aan te wijzen administraties, tenzij hierdoor een goede uitvoering van de wet wordt belet, of

b. de aanvraag is ingediend door de erkende referent, en deze omtrent die gegevens en bescheiden eigen verklaringen heeft overgelegd.

2 De eigen verklaringen, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden volledig en naar waarheid opgesteld.

3 De aanvrager verstrekt Onze Minister op diens verzoek en al dan niet in persoon alsnog de gegevens en bescheiden, die van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aanvrager van een gecombineerde vergunning verstrekt Onze Minister de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden beoordeeld of aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan.

4 Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de gegevens en bescheiden waarop het eerste lid, onder a, van toepassing is, en kunnen regels worden gesteld omtrent:

a. de administraties of delen daarvan waarvoor het eerste lid, onder a, tijdelijk niet van toepassing is;

b. de eigen verklaringen, bedoeld in het eerste lid, onder b,

c. de toepassing van het derde lid.”

Artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a

“Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt ten aanzien van referenten en gewezen referenten voorzien in verplichtingen tot:

a. het al dan niet in persoon verstrekken van gegevens en bescheiden welke van belang kunnen zijn voor de toepassing van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, en (…)”

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 1.1 6

“1 De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, draagt zorg voor de juiste uitvoering van het uitwisselingsprogramma, bedoeld in artikel 3.43, eerste lid, onder a.

2 De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, voor arbeid als kennismigrant of voor studie, draagt zorg voor een zorgvuldige selectie en werving van de vreemdeling.

3 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de voorgaande leden.”

Artikel 1.1 7

“Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent deze paragraaf. Daarbij kan in ieder geval:

a. worden voorzien in nadere concretisering van de zorgplichten, bedoeld in artikel 1.1 6;

b. worden bepaald in welke gevallen de referent rechtspersoonlijkheid moet hebben, en

c. worden voorzien in nadere regels omtrent de beëindiging van het referentschap.”

Artikel 1.19, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid

“1 Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:

(…)

b. opgelegde boetes terzake van een op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000 , artikel 18 van de Wet arbeid vreemdelingen en artikel 18b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag beboetbaar feit; (…)

2 Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager wordt tevens betrokken dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid van een vreemdeling voor wie als referent werd opgetreden. (…)”.

Artikel 1.2 2

“Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de erkenning als referent, de schorsing en de intrekking van die erkenning en de indiening en behandeling van de aanvraag. Daarbij worden in ieder geval nadere regels gesteld omtrent:

a. de continuïteit en solvabiliteit van de aanvrager, en

b. de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke antecedenten, die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden betrokken”

Artikel 4.44 a

“1 De referent die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de vreemdeling, wiens referent hij is, niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, doet hiervan binnen vier weken mededeling aan Onze Minister.

2 De referent doet binnen vier weken mededeling aan Onze Minister van de beëindiging van diens aan het referentschap ten grondslag liggende relatie tot de vreemdeling.

3 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de door de referent te verstrekken gegevens betreffende:

a. de vreemdeling wiens referent hij is of is geweest;

b. de nakoming van zijn verplichtingen als referent, en

c. zijn positie als referent,

en kan ten aanzien van de referent worden voorzien in een verplichting tot jaarlijkse bevestiging of correctie van de gegevens die bij Onze Minister blijkens diens opgaaf bekend zijn.

4 In het belang van het toezicht op vreemdelingen of het toezicht op referenten kan Onze Minister of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met het toezicht op referenten bepalen dat de referent de gegevens in persoon verstrekt.”

Artikel 4.5 3

“1 De referent voert overeenkomstig bij ministeriële regeling gestelde regels een administratie met gegevens met betrekking tot:

a. de vreemdeling wiens referent hij is of was;

b. de nakoming van zijn verplichtingen als referent, en

c. zijn positie als referent.

2 In de administratie, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval opgenomen:

a. een kopie van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, tenzij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.72 heeft geoordeeld dat die vreemdeling niet in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk document;

b. gegevens waaruit blijkt dat de referent tijdig en volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de artikelen 2a, tweede lid, onder b, 24a, eerste lid, onder a en tweede lid, en 54, tweede lid, onder a, van de Wet;

c. de bij ministeriële regeling genoemde gegevens.

3 Voor zover zulks noodzakelijk is voor de naleving van diens informatieplicht en administratieplicht, en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet onevenredig wordt geschaad, verlangt de referent van de vreemdeling opgave van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet en verstrekt de vreemdeling die gegevens.

4 De referent verstrekt Onze Minister of de ambtenaar belast met het toezicht op referenten overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels gegevens uit de administratie. Gedurende vijf jaar na beëindiging van het referentschap bewaart de gewezen referent de administratie en verstrekt hij op verzoek van de ambtenaar belast met het toezicht op referenten daaruit de gegevens en bescheiden, welke van belang zijn voor het toezicht op referenten.”

Voorschrift Vreemdelingen 2000

Artikel 1. 5

De referent van een vreemdeling die in het kader van uitwisseling als au pair in Nederland verblijft of wil verblijven draagt er zorg voor dat:

a. op zorgvuldige wijze wordt bemiddeld tussen de vreemdeling en het gastgezin;

b. het gastgezin op zorgvuldige wijze wordt geselecteerd;

c. indien hij op de hoogte is of vermoedens heeft van misbruik van een vreemdeling door een gastgezin plaatsing bij dit gastgezin achterwege blijft;

d. het gastgezin en de vreemdeling bij de werving en selectie op de hoogte worden gesteld van de relevante regelgeving;

e. hij zich ervan vergewist dat zowel het gastgezin als de vreemdeling zich aan de verplichtingen houden;

f. hij zich vergewist van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling gedurende het verblijf van de vreemdeling in het gastgezin;

g. de vreemdeling zich te allen tijde kan wenden tot de referent met vragen en klachten;

h. hij de vreemdeling op de hoogte stelt van het bestaan en de werking van het Meldpunt Misbruik au pairs, en

i. hij bij kennis of een redelijk vermoeden van misbruik of misstanden en bij meldingen hiervan passende maatregelen treft.

Artikel 4.1 7

“1 De inlichtingen, bedoeld in deze paragraaf, worden binnen vier weken door de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger, diens referent of diens gewezen referent verstrekt, voor zover hij daarvan kennis heeft of kan hebben, in een door de Minister ter beschikking gesteld formulier.

2 In de verklaring wordt in ieder geval melding gemaakt van:

a. het feit waarover hij inlichtingen dient te verstrekken;

b. de personalia van de vreemdeling waarop de inlichtingen betrekking hebben;

c. de relevante feiten en omstandigheden;

d. vanaf wanneer de wijziging of omstandigheden zich voordoen of voordeden.”.

Artikel 4.1 8

“1 De referent verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

a. de vreemdeling niet langer in Nederland verblijft en deze wijziging niet tijdig is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven;

b. de vreemdeling geen overkomst naar Nederland meer wenst.

2 De erkende referent geeft kennis van het feit dat:

a. een uitschrijving van de onderneming, organisatie of rechtspersoon in het handelsregister, als bedoeld in artikel 2 van het Handelsregisterwet, heeft plaatsgevonden;

b. een surseance van betaling of faillissement van de onderneming, organisatie, natuurlijke of rechtspersoon is uitgesproken of aangevraagd;

c. de onderneming, organisatie of rechtspersoon is beëindigd, of

d. er geen aansluiting meer is bij een voor erkenning als referent verplicht gestelde gedragscode.”

Artikel 4.19, eerste lid

“De referent van een vreemdeling, die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling verstrekt inlichtingen over de vreemdeling wiens referent hij is indien:

a. de tussen het gastgezin en de au pair overeengekomen dagindeling niet wordt nageleefd of zodanig is gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1j, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3 tot en met 5, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen;

b. de vreemdeling arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen verricht;

c. de vreemdeling bij een ander gastgezin gaat verblijven;

d. de vreemdeling, niet zijnde een au pair, werkzaamheden verricht welke niet vallen binnen de kaders van het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma;

e. de samenstelling van het gastgezin wijzigt;

f. het gastgezin waarin de au pair verblijft niet langer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

g. de vreemdeling, niet zijnde een au pair, niet langer in zijn levensonderhoud kan voorzien;

h. de vreemdeling niet langer in het gastgezin verblijft;

i. de vreemdeling niet langer deelneemt aan het uitwisselingsprogramma;

j. hij weet of redelijkerwijs vermoedt dat er sprake is van onregelmatigheden, misstanden of misbruik.”

Artikel 4.2 7

“De referent, met uitzondering van de referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft als familie- of gezinslid, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is, het woonadres van de vreemdeling in de administratie op.”

Artikel 4.2 8

1 De referent van een vreemdeling die in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling, neemt met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie op:

a. de tussen de au pair en gastgezin overeengekomen dagindeling;

b. de naam en het adres van de hoofdpersonen van alle gastgezinnen waarbij de vreemdeling verblijft of heeft verbleven, de periode waarin de vreemdeling bij deze gastgezinnen heeft verbleven en de gezinssamenstelling van deze gastgezinnen;

c. bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het gastgezin, voor zover het een gastgezin van een au pair betreft, zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan;

d. de door het gastgezin en au pair ondertekende bewustverklaring;

e. de overeenkomst bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van richtlijn (EU) 2016/801, indien de vreemdeling Europees Vrijwilligerswerk gaat verrichten;

f. de door de vreemdeling ingevulde en ondertekende antecedentenverklaring, bedoeld in artikel 3.77, elfde lid, van het Besluit.

2 De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als referent in de administratie op:

a. een overzicht, voorzien van data en handelingen, van de meldingen van de vreemdeling aan de referent over het gastgezin en de gevolgen die hij daaraan heeft verbonden;

b. een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die de referent heeft gepleegd opdat de au pair en het gastgezin de overeengekomen afspraken in de dagindeling nakomen;

c. een overzicht, voorzien van data en handelingen, waaruit blijkt op welke wijze de referent opgetreden heeft bij problemen, misstanden, misbruik of noodsituatie;

d. een overzicht van de inspanningen, voorzien van data en handelingen, die de referent heeft gepleegd om zich te vergewissen van het welzijn en welbevinden van de vreemdeling.

3 De referent, bedoeld in het eerste lid, neemt met betrekking tot zijn positie als referent in de administratie het door de Minister goedgekeurde uitwisselingsprogramma op.”

Artikel 4.4 1

“1 De referent of de gewezen referent houdt de administratie ter plaatse waar hij in Nederland kantoor houdt, dan wel ter plaatse waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep heeft, of ter plaatse waar hij woont of gevestigd is. Bij gebreke aan een van vorenstaande plaatsen houdt hij de administratie onder zijn berusting. De referent doet bij het model, bedoeld in artikel 2a, derde lid, van de Wet, opgave van de plaats waar de administratie wordt gehouden.

2 Indien het adres ter plaatse waar de administratie wordt gevoerd, wijzigt, doet de referent binnen twee weken melding van het nieuwe adres aan de Minister.

3 De referent of gewezen referent verstrekt schriftelijk op verzoek van de Minister de gegevens of bescheiden binnen een periode van vier weken na ontvangst van het daartoe strekkend verzoek, of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, binnen een door de Minister te bepalen termijn.

4 In bijzondere gevallen kan de Minister de in het derde lid bedoelde termijn verkorten.”

Artikel 4.4 2

“Indien de referent of gewezen referent niet aan de op hem ingevolge artikel 4.53 van het Besluit rustende verplichtingen kan voldoen, stelt hij de Minister daarvan binnen vier weken op de hoogte, alsmede van de redenen daarvan.”

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf B1/2.2

“Schorsen van de erkenning als referent

Op grond van artikel 2f, eerste lid, Vw juncto artikel 1.22 Vb schorst de IND de erkenning als referent omdat ernstige twijfels bestaan over de betrouwbaarheid van de erkend referent als één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

• de IND doet aangifte bij de officier van justitie of bij een van zijn hulpofficieren tegen de referent of raakt bekend met de omstandigheid dat een ander overheidsorgaan aangifte heeft gedaan tegen de referent, dat er een opsporingsonderzoek is opgestart of vervolging is ingesteld tegen de referent;

• de IND heeft een klacht ingediend tegen een referent bij de Landelijke Commissie Gedragscode internationale student in het Nederlands hoger onderwijs;

• de Inspectie van het Onderwijs heeft een onderzoek ingesteld naar een referent; of

• de Inspectie SZW heeft een onderzoek naar fraude door de referent ingesteld in verband met het niet naleven van bepalingen uit de Wav of de Wml.

Een schorsing van de erkenning duurt drie maanden. De IND verlengt de schorsing steeds met drie maanden als advies van derden of de uitkomst van onderzoek door derden of het OM moet worden afgewacht om een besluit omtrent de erkenning als referent te kunnen nemen.

Intrekken van de erkenning als referent

De IND trekt op grond van artikel 2g, aanhef en onder c, Vw de erkenning als referent in als zich één van de volgende omstandigheden voordoet:

• de referent is voor de derde keer beboet wegens het niet naleven van de zorg- of informatieplicht waarbij de overtreding door de IND als ernstig is gekwalificeerd. Hierbij wordt verwezen naar paragraaf 9 van dit hoofdstuk;

• de referent weigert om zijn medewerking te verlenen aan nalevingstoezicht door de IND;

• de referent niet zorgvuldig toetst of de vreemdeling wiens overkomst hij wenst aan de verblijfsvoorwaarden voldoet; of

• de referent heeft bij kennis of vermoedens van misstanden met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet adequaat opgetreden.”.

Artikel 2a, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 .

Artikel 2c, eerste lid, van de Vw 2000 .

Artikel 2c, tweede en derde lid, van de Vw 2000 .

Artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 .

Artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 .

Artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 . In artikel 1.19 van het Vb 2000 is bepaald welke omstandigheden bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager (van het erkend referentschap) in ieder geval worden betrokken.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2008-2009, 32 052, nr. 3, pagina 75.

Artikel 2g, aanhef en onder c, van de Vw 2000 .

Paragraaf B1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2008-2009, 32 052, nr. 3, pagina 28-29.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2008-2009, 32 052, nr. 3, pagina 43.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2008-2009, 32 052, nr. 3, pagina 91.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2009-2010, 32 052, nr. 7, pagina 42-43.

Artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 .

Artikel 2g, aanhef en onder c, van de Vw 2000 .

Een rapport van juni 2019, opgesteld door mr. drs. Gerrie Lodder, na onderzoek uitgevoerd door de Universiteit Leiden, Instituut voor Immigratierecht, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en documentatiecentrum op aanvraag van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 .

Artikel 2g, aanhef en onder c, van de Vw 2000 .

Als één van de voorwaarden voor erkenning uit artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 .

Zie ook Staatscourant 2013, nr. 9199, pagina 32.

Zie ABRvS 26 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4108. Anders dan de zorgplicht, zijn de informatie- en administratieplicht een resultaatverplichting. Zie ABRvS 26 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:183.

Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2008-2009, 32 052, nr. 3, pagina 66. Zie ook Staatscourant 2013, nr. 9199, pagina 32.

Stcrt. 2013, 9199, pagina 32.

Artikel 1.5, aanhef en onder a, van het VV 2000.

Artikel 1.5, aanhef en onder b, van het VV 2000.

Artikel 1.5, aanhef en onder e, van het VV 2000.

Artikel 1.5, aanhef en onder f, van het VV 2000.

Dit volgt uit het stuk ‘Contactmomenten met het gastgezin [gastgezin 1] ’.

Idem.

Dit volgt uit het stuk ‘Contactmomenten au pair Hilda’.

Idem.

Zie artikel 2e, onder c, van de Vw 2000 .

Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 1 november 2019, zaaknrs. AWB 19/2673, 19/2674 en 19/3411 (niet gepubliceerd) en ABRvS 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:788.

Artikel 1.5, aanhef en onder e, van het VV 2000.

Artikel 1.5, aanhef en onder f, van het VV 2000.

Zie de ‘Verklaring getuige’ van 16 november 2017 op bijlage 10 bij het Rapport van bevindingen Erkend Referent van de Inspectie SZW van 17 januari 2018, pagina 3.

Idem.

Bijlage 10 bij het Rapport van bevindingen Erkend Referent van de Inspectie SZW van 17 januari 2018, pagina 4.

Bijlage 8 bij het Rapport van bevindingen Erkend Referent van de Inspectie SZW van 17 januari 2018, pagina 2.

Bijlage 8 bij het Rapport van bevindingen Erkend Referent van de Inspectie SZW van 17 januari 2018, pagina 6.

Uit ABRvS 21 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:183, volgt dat de wetgever heeft beoogd om de staatssecretaris de norm van de betrouwbaarheid van een referent nader te laten invullen en hem hierbij beoordelingsruimte te geven. Dat maakt dat de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris dat de betrouwbaarheid van een referent onvoldoende vaststaat, met de nodige terughoudendheid moeten toetsen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature