< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek opheffing inreisverbod / verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt / gegrond

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/6311

[V-Nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1967, van Iraanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: M.J. Baaij),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet ( Vw ) 2000, afgewezen.

Bij besluit van 19 juni 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van 19 juni 2019 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 17 december 2019 van deze rechtbank en zittingsplaats is het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat verweerder opnieuw op het verzoek om opheffing van het inreisverbod moest beslissen. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 januari 2020 kennelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 19 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Op 10 augustus 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op

9 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. L. Denishin. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Vervolgens is het onderzoek heropend en heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn in de aanhef genoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig mevrouw

[naam] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het griffierecht

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank ziet aanleiding dit verzoek toe te wijzen, gelet op de ondertekende verklaring met betrekking tot het inkomen en vermogen van 1 september 2020.

Ten aanzien van het beroep

Inleiding

2.1.

Eiser is naar Nederland gekomen en heeft in 1997 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Tot die tijd heeft hij in Iran gewoond. De asielaanvraag is door verweerder afgewezen. Vervolgens heeft eiser meerdere aanvragen ingediend. De aanvraag van

11 april 2006 is door verweerder met toepassing van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag (Vv) afgewezen. Op dat punt heeft de afwijzing in beroep stand gehouden. Bij besluit van 7 juni 2010 is voornoemde aanvraag opnieuw afgewezen. Hierbij is een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Iran aangenomen vanwege zijn geloofwaardig bevonden bekering tot het christendom. Hij is daarom niet uitzetbaar. Bij besluit van 17 juli 2013 heeft verweerder een nieuwe asielaanvraag afgewezen en daarbij een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren, die in rechte vaststaat. Eiser heeft daarna nog twee keer een asielaanvraag ingediend, die beide zijn afgewezen.

2.2.

Op 20 juli 2018 heeft eiser om afgifte verzocht van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000 op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen. Het daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 december 2019 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 19 juni 2019 gegrond verklaard ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag op grond van de openbare orde en het niet opheffen van het inreisverbod op grond van openbare orde. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar en onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser blijkens zijn persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang voor de samenleving vormt. Verweerder had daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding is tot opheffing van het inreisverbod. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van

14 januari 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om een artikel 9-document op grond van het arrest Chavez-Vilchez in rechte vaststaat.

Omvang van het geding

3. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verweerder het verzoek van eiser om het inreisverbod op te heffen heeft kunnen afwijzen, omdat eiser ook nu nog een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving in de zin van het arrest K. en H.F. (het arrest) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Met name is van belang de vraag of eiser nog een actueel gevaar vormt.

Standpunt verweerder

4.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser nog altijd een actuele, werkelijke, voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en daarmee een gevaar voor de openbare orde. Verweerder verwijst naar het arrest van het HvJEU. Op eiser is artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv van toepassing. Aan eiser is in het besluit van 25 augustus 2009 dit artikel tegengeworpen omdat eiser verklaard heeft dat hij in 1997 onder invloed van alcohol zijn zus heeft verkracht. De verkrachting door eiser is aan te merken als een ernstig niet-politiek misdrijf. De tegenwerping van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv is in rechte vast komen te staan met de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2011. Verweerder stelt dat het gaat om een zeer ernstig misdrijf. Als eiser dit misdrijf in Nederland zou hebben gepleegd, zou dit misdrijf de rechtsorde hebben geschokt. Verder is het een misdrijf in strijd met artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Eiser kan in verband worden gebracht met het persoonlijk plegen van het misdrijf. Niet is gebleken van strafuitsluitingsgronden. Eiser is nooit strafrechtelijk veroordeeld, maar dat komt doordat eiser het land van herkomst heeft verlaten voordat de autoriteiten op de hoogte waren geraakt van het strafbare feit. Het misdrijf is weliswaar lang geleden gepleegd, maar verkrachting is een ernstig misdrijf dat naar zijn aard zeer lang actueel blijft, waardoor het sindsdien verstreken tijdsverloop slechts een marginale betekenis kan hebben. Verder werpt verweerder tegen dat eiser tijdens de asielaanvragen in 1997, 2005 en 2006 bekennend over de verkrachting heeft verklaard en dat heeft onderbouwd met een verklaring van een dominee, maar de verkrachting in de asielaanvragen 2012, 2013, 2014 en 2016 heeft ontkend. Verweerder gelooft de ontkenning niet en dit standpunt is bevestigd in de verschillende uitspraken van de rechtbank. Eiser is kennelijk niet doordrongen van de ernst van het misdrijf en hij bagatelliseert dit. Hieruit blijkt evenmin dat hij zich heeft geconformeerd aan de waarden van de Nederlandse rechtsorde. Eiser heeft geen criminele antecedenten, maar dit maakt de conclusie niet anders, omdat eiser geen spijt heeft betuigd en later zelfs zijn betrokkenheid heeft ontkend.

4.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van

17 december 2019 heeft er op 3 juli 2020 een zitting van de ambtelijke hoorcommissie plaatsgevonden. Op deze zitting zijn vragen aan eiser gesteld in het kader van het onderzoek naar zijn persoonlijke gedrag om te kunnen beoordelen of eiser nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang voor de samenleving vormt. Verweerder vindt de verklaringen zoals afgelegd tijdens de hoorzitting van groot belang. Eiser ontkent nog steeds dat hij het misdrijf persoonlijk in 1997 heeft gepleegd. Eiser bagatelliseert zijn eigen handelen ten aanzien van het genoemde misdrijf, neemt geen verantwoordelijkheid en heeft tijdens meerdere asielaanvragen zijn verklaringen afgezwakt. De omstandigheid dat eiser zijn gedragingen bagatelliseert, is relevant nu eiser daarmee geenszins recht doet aan de ernst van het feit en de impact die dit naar zijn aard heeft op het slachtoffer van de verkrachting. Laat staan dat eiser zich daarvan bewust is en er blijk van geeft berouw ervan te hebben. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser nog steeds wordt beschouwd als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Het inreisverbod van tien jaar wordt derhalve niet ingetrokken, aldus verweerder.

Standpunten eiser

5.1.

Eiser betoogt dat het inreisverbod moet worden opgeheven, omdat hij niet langer een actueel, ernstig en werkelijk gevaar voor de openbare orde vormt. Eiser voert daartoe aan dat hij zijn gedragingen niet bagatelliseert. Op advies van andere asielzoekers heeft eiser verklaringen afgelegd over een verkrachting die nooit heeft plaatsgevonden. Tijdens het gehoor op 3 juli 2020 heeft eiser ernstig spijt betuigt voor alle valse verklaringen die hij eerder heeft afgelegd. Ook heeft eiser toegelicht dat hij zich realiseert dat verkrachting een ernstig misdrijf is. Eiser blijft bij zijn stelling dat de verkrachting nooit heeft plaatsgevonden. Verweerder stelt dat de verkrachting zeer lang actueel blijft, maar dit wordt niet nader gespecificeerd. Verweerder betrekt bij zijn huidige beoordeling de verklaringen van eiser en de toepassing van artikel 1F van het Vv in de eerdere procedures, maar verweerder moet een belangenafweging maken en beoordelen of eiser op dit moment nog een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Vaststaat dat het vermeende feit zich 22 jaren geleden zou hebben afgespeeld en dat eiser sindsdien geen andere strafbare feiten heeft gepleegd. Daarnaast heeft eiser ernstig spijt betuigd over de leugenachtige en wisselende verklaringen die hij heeft afgelegd. Eiser vraagt zich af wat hij nog meer zou kunnen doen om verweerder te kunnen overtuigen dat hij niet als actuele dreiging voor de samenleving wordt gezien. Eiser wordt al 22 jaar lang telkens weer berecht en gestraft voor zijn daden door de houding die verweerder telkens weer inneemt. Verder betoogt eiser dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn verklaringen, de gevolgen ervan heeft ondervonden en berouw heeft getoond. Eiser doet ter ondersteuning van zijn betoog een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 21 mei 2019.

5.2.

Eiser stelt verder dat het blijven onthouden van een verblijfsvergunning in dit geval disproportioneel is. Verweerder houdt in zijn beleid in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 immers een termijn aan van tien jaren als een vreemdeling op grond van artikel 3 van het EVRM niet kan worden teruggezonden naar zijn land van herkomst.

5.3.

Daarnaast stelt eiser dat het, nu hij niet kan vertrekken, en verweerder ook niet tot verblijfsaanvaarding over wenst te gaan, onredelijk is om vast te houden aan het opgelegde inreisverbod. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 20 februari 2014, bevestigd in hoger beroep.

Juridisch kader

6.1.

In het arrest heeft het HvJEU geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vv van toepassing is, op het grondgebied van de lidstaat niet automatisch voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het bestaan van een dergelijke bedreiging moet worden vastgesteld op basis van het persoonlijke gedrag van de betrokkene, zoals dat blijkt uit het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Daarbij komt onder meer gewicht toe aan de aard en de ernst van de gedragingen die aan de betrokkene worden verweten, de mate waarin hij daar persoonlijk bij betrokken was en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. Bij de beoordeling is het tijdsverloop sinds het plegen een stellig gegeven dat ook relevant is. De eventuele uitzonderlijke ernst van de betrokken handeling kan echter ook na een betrekkelijk lang tijdsverloop het voortbestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving inhouden. Verder moet verweerder rekening houden met hoe de vreemdeling zich nadien heeft gedragen, met name om te bepalen of uit dat gedrag blijkt dat de vreemdeling nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het VEU bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord. Volgens het HvJEU moeten, voor zover van belang, de bevoegde instanties overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel de bescherming van het betrokken fundamentele belang van de samenleving afwegen tegen de belangen van de vreemdeling.

6.2.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 december 2020 de volgende uitleg gegeven van het arrest:

“10. Het arrest K. en H.F. leidt tot het volgende. Een vreemdeling moet ter onderbouwing van zijn betoog dat hij geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) is omstandigheden aanvoeren met betrekking tot zijn gedrag en houding ná het plegen van de 1(F)-misdrijven en waaruit volgens hem blijkt dat hij zijn leven ná het plegen van die misdrijven heeft gebeterd. Als die vreemdeling een of meer van die omstandigheden aanvoert, dan moet de staatssecretaris daarnaar onderzoek doen. Daarvoor is van belang dat een vreemdeling de benodigde gegevens uit zichzelf of desgevraagd aan de staatssecretaris verschaft. De beoordeling die de staatssecretaris vervolgens in het besluit moet verrichten, moet hij verrichten aan de hand van de in punt 66 van het arrest K. en H.F. genoemde elementen. De staatssecretaris kan daarbij de 1(F)-vaststelling in eerdere procedures als uitgangspunt nemen, omdat bij die beoordeling naar zijn aard zeer zwaar gewicht toekomt aan het gegeven dat een vreemdeling ook internationaal gezien de meest ernstige oorlogsmisdaden heeft gepleegd en hij daarom in beginsel niet in aanmerking komt voor rechtmatig verblijf in Nederland en in de Europese Unie. De ernst van die misdaden is dan ook reden om niet voetstoots aan te nemen dat een vreemdeling zijn leven heeft gebeterd. Aan uitsluitend tijdsverloop en aan het gegeven dat de vreemdeling in Nederland geen nieuwe handelingen heeft verricht die maken dat hij een bedreiging voor de openbare orde vormt, komt in de beoordeling op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe. In gevallen, waarin een vreemdeling verantwoordelijkheidsbesef en oprecht berouw heeft getoond en daarnaast zijn leven aantoonbaar en duurzaam heeft gebeterd, kan ruimte zijn voor een andere afweging en beoordeling (vergelijk in dit opzicht de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1057, en 23 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2434, over artikel 3 EVRM en de tienjarentermijn ). Die afweging moet de staatssecretaris verrichten aan de hand van alle omstandigheden van het geval en in het licht van wat die vreemdeling heeft aangevoerd. Hij moet zijn besluitvorming van een deugdelijke motivering voorzien die de bestuursrechter in staat stelt het besluit effectief te toetsen.”

Het oordeel van de rechtbank

7.1.

Niet in geschil is dat verweerder eiser destijds een asielvergunning mocht weigeren op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv . Eiser wordt namelijk verweten een ernstig, niet politiek misdrijf begaan te hebben in Iran; hij heeft verklaard dat hij in 1997 zijn zus heeft verkracht. Hoewel eiser later meerdere malen heeft ontkend dat hij dit misdrijf heeft gepleegd, heeft de rechtbank in beroep geoordeeld dat de 1F- tegenwerping in verband met dit misdrijf in rechte vaststaat.

7.2.

De rechtbank is, gelet op de door het HvJEU voorgeschreven toets en de daaraan gegeven uitleg door de Afdeling, van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Allereerst overweegt de rechtbank dat verweerder aan eisers verklaringen over het vermeende misdrijf, te weten dat hij in de eerste drie asielprocedures heeft verklaard zijn zus te hebben verkracht zwaar gewicht heeft mogen toekennen. Verweerder heeft ook terecht aangevoerd dat verkrachting in Nederland een misdrijf is dat niet verjaart. Verweerder heeft niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de ernst van het vermeende misdrijf en heeft hierbij terecht betrokken dat eiser hiervoor niet strafrechtelijk is veroordeeld. Daartegenover staat echter dat het misdrijf ten tijde van het bestreden besluit 22 jaar en ten tijde van de zitting 24 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld in de uitspraak van 17 december 2019 kan tijdsverloop van een niet-politiek misdrijf, zoals verkrachting, de bedreiging minder actueel maken. Juist het lange tijdsverloop is in het geval van eiser een belangrijke omstandigheid. Dit element had verweerder dan ook zwaarder moeten laten wegen. Ook de omstandigheid dat eiser in 22 jaar op grond van zijn gedragingen niet in contact is geweest met politie en justitie, had verweerder zwaarder moeten laten wegen. Daarbij had verweerder ook gewicht moeten toekennen aan de omstandigheid dat eiser in die lange tijd relaties is aangegaan met vrouwen en dat dit niet heeft geleid tot contact met politie en justitie. Dat eiser het plegen van het misdrijf waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden inmiddels ontkent, betekent niet zonder meer dat hij het bagatelliseert. Daar komt bij dat eiser in het gehoor van 3 juli 2020 heeft verklaard dat hij verkrachting een ernstig misdrijf vindt en dat hij afstand doet zijn eerder gedane verklaringen over de verkrachting van zijn zus en daarvan spijt heeft. In zoverre kan betoogd worden dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn afgelegde verklaringen in het verleden. Dat eiser de hem tegengeworpen ernstige verdenking thans ontkent, onderbouwt niet verweerders conclusie dat eiser na ruim 22 jaar nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het VEU bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord. Daar komt bij dat uit rechtsoverweging 58 van het arrest volgt dat bij een lang tijdsverloop weliswaar nog steeds sprake kan zijn van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, maar dan moeten de betrokken handelingen uitzonderlijk ernstig zijn. Gelet op de strekking van het arrest, te weten dat de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vv niet automatisch leidt tot het bestaan van een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, is het feit dat de handelingen onder voormelde verdragsbepaling vallen, niet in alle gevallen voldoende om ze reeds daarom als uitzonderlijk ernstig aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de specifieke handelingen van eiser dermate uitzonderlijk ernstig zijn, dat zij thans nog, ondanks het tijdsverloop, het ontbreken van strafbare feiten nadien, het aangaan van relaties met vrouwen en de verklaring dat verkrachting een ernstig misdrijf is, maken dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Dat eiser het hem verweten misdrijf inmiddels ontkent en dat nog steeds doet, is onvoldoende voor een ander oordeel. Het beroep van verweerder op de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020 leidt evenmin tot een ander oordeel, omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Hoewel het in die zaak ook ging om een verkrachting die ongeveer 22 jaar geleden had plaatsgevonden, had de vreemdeling in die zaak niet erkend dat verkrachting een ernstig misdrijf is en was hij ten tijde van de oplegging van het inreisverbod pas een jaar in Nederland waardoor verweerder niet wist of de vreemdeling tijdens zijn verblijf buiten Nederland strafbare feiten had gepleegd. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser nog steeds een actueel gevaar is voor de openbare orde slaagt.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande is sprake van een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht . De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 9 december 2020 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 24 maart 2021 met een waarde per punt van

€ 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; en,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.G. Vos, voorzitter, mr. A.J. Dondorp en

mr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

AWB 19/5432.

20200258/1/V3.

Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954,88, zoals laatst gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 Trb. 1967,76).

Uitspraak van 10 maart 2010, AWB 09/33411.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

ECLI:EU:C:2017:354.

Arrest van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296.

ECLI:NL:RBDHA:2019:5278.

ECLI:NL:RBDHA:2014:4159.

ECLI:NL:RVS:2014:2979.

ECLI:NL:RVS:2020:3017.

ECLI:NL:RVS:2020:820.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature