E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2021:800
Rechtbank Den Haag, NL20.6998

Inhoudsindicatie:

Prejudiciële vragen medische uitzettingsbeletselen en medische behandeling als aspect van privéleven.

Eiser heeft een zeldzame vorm van bloedkanker. Hij wordt in Nederland reeds gedurende geruime tijd in het kader van pijnbestrijding behandeld met medicinale cannabis. In het land van herkomst van eiser is medicinale cannabis niet beschikbaar. Uit de informatie van de behandelaars blijkt dat eiser intense pijnen heeft die door de huidige behandeling net draaglijk zijn en dat voor alternatieve pijnstillende medicatie een contra-indicatie bestaat. BMA geeft aan dat de werking van medicinale cannabis als geneesmiddel niet kan worden vastgesteld en niet kan worden vastgesteld dat een medische noodsituatie zal ontstaan als deze wijze van pijnbestrijding niet kan worden voortgezet. De rechtbank zal, afhankelijk van de beantwoording van de vragen door het Hof, in een latere fase van de procedure een medisch deskundige benoemen om zich te laten informeren over de te verwachten medische gevolgen van het stopzetten van pijnbestrijding met medicinale cannabis. De behandelaars van eiser zijn vanwege de behandelrelatie geen objectieve deskundigen, terwijl BMA niet hoeft na te gaan of alternatieve medicatie die in beginsel adequaat is als pijnbestrijding ook daadwerkelijk voor eiser als volwaardig alternatief kan gelden.

De rechtbank acht het noodzakelijk alvorens over te gaan tot het benoemen van een of meerdere medisch deskundigen uitleg te verkrijgen van het Hof over de reikwijdte van de bescherming die artikelen 1, 4 en 19 van het Handvest van de Grondrechten biedt aan ernstig zieke vreemdelingen. De rechtbank legt aan het Hof de vraag voor of de wijze waarop in de nationale rechtspraktijk wordt beoordeeld of sprake is van medische uitzettingsbeletselen verenigbaar is met het Unierecht. Uit de jurisprudentie van het EHRM en van het Hof wordt dit onvoldoende duidelijk. De rechtbank wenst te vernemen of een achteruitgang in de gezondheid is vereist om een medische noodsituatie aan te nemen of dat een intensivering van ernstig lijden bij een ongewijzigd ziektebeeld ook onder artikel 4 Handvest kan vallen. Voorts wil de rechtbank alvorens een medisch deskundige te benoemen om te laten beoordelen welke medische gevolgen op welke termijn zijn te verwachten als de pijnbestrijding wordt gestaakt, weten van het Hof of een rechtspraktijk waarin een vaste termijn (van drie maanden) is bepaald waarbinnen medische gevolgen zich moeten verwezenlijken om bij de beoordeling te worden betrokken verenigbaar is het met het Unierecht en met name het absolute karakter van artikel 4 Handvest. Het Hof wordt bovendien gevraagd of de feitelijke gevolgen van de enkele terugkeer/uitzetting moeten worden betrokken bij de beoordeling of sprake zal zijn van een medische noodsituatie na terugkeer of dat het volstaat, zoals in de nationale rechtspraktijk is voorzien, dit enkel te betrekken bij de vraag of en onder welke voorwaarden de vreemdeling kan reizen. Tot slot acht de rechtbank een nadere uitleg van artikel 7 van het Handvest noodzakelijk om uitspraak te kunnen doen. De rechtbank vraagt het Hof om te verduidelijken of het ondergaan van een medische behandeling beschermingswaardig privéleven kan opleveren. De vraag die dan rijst is of het ondergaan van een medische behandeling moet worden betrokken bij het beoordelen of een reguliere verblijfsvergunning moet worden verleend of dat privéleven moet worden beoordeeld bij de vraag of sprake is van medische uitzettingsbeletselen. Voor de vreemdeling is dit relevant omdat een verblijfsvergunning op medische gronden een juridisch sterker verblijfsrecht oplevert dan (tijdelijk) uitstel van vertrek vanwege medische uitzettingsbeletselen.

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen te beantwoorden:

I Kan een aanzienlijke toename van intensiteit van pijn door het uitblijven van een medische behandeling bij een ongewijzigd ziektebeeld een situatie opleveren die in strijd is met artikel 19, tweede lid, Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest indien geen uitstel van de vertrekplicht die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn wordt toegestaan ?

II Is het bepalen van een vaste termijn waarbinnen de gevolgen van het uitblijven van een medische behandeling zich moeten verwezenlijken om medische beletselen voor een terugkeerplicht die voortvloeit uit de Terugkeerrichtlijn aan te moeten nemen verenigbaar met artikel 4 Handvest gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest ? Indien het bepalen van een vaste termijn niet in strijd is met het recht van de Unie, is het een lidstaat dan toegestaan een algemene termijn te bepalen die voor alle mogelijke medische aandoeningen en alle mogelijke medische gevolgen gelijkluidend is?

III Is het bepalen dat de gevolgen van de feitelijke uitzetting uitsluitend beoordeeld dienen te worden bij de vraag of en onder welke voorwaarden de vreemdeling kan reizen verenigbaar met artikel 19, tweede lid, Handvest gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest en de Terugkeerrichtlijn.

IV Vereist artikel 7 Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest en tegen de achtergrond van de Terugkeerrichtlijn, dat de medische gesteldheid van de vreemdeling en de behandeling die hij hiervoor in de lidstaat ondergaat dient te worden beoordeeld bij de vraag of privé-leven tot verblijfsaanvaarding moet leiden? Vereist artikel 19, tweede lid, Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 Handvest en artikel 4 Handvest en tegen de achtergrond van de Terugkeerrichtlijn dat bij de beoordeling of medische problemen uitzettingsbeletselen kunnen opleveren privé-leven en familieleven zoals bedoeld in artikel 7 Handvest betrokken dienen te worden ?

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie