< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Poging tot woningoverval samen met een mededader waarbij de verdachte heeft zich voorgedaan als pakketbezorger. Vormverzuim bij het gebruik van een bodycam door de politie ter identificatie van de verdachte. Beroep op vrijwillige terugtred verworpen. Opgelegd 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk. Schadevergoeding voor het slachtoffer, onder meer voor de aanschaf van een beveiligingscamera.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/046242-21

Datum uitspraak: 16 juli 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1]

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 juni 2021 (pro forma) en 2 juli 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.A.J. Verploegh naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 17 december 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of een goed naar zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- die [slachtoffer] in haar woning heeft vast gepakt en/of

- die [slachtoffer] met een elleboog tegen haar nek heeft geduwd en haar zo klem heeft gezet en/of

- die [slachtoffer] in een nekklem heeft genomen en/of;

- met pepperspray, althans een verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende stof heeft gespoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2020 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,

- die [slachtoffer] in haar woning heeft vast gepakt en/of

- die [slachtoffer] met een elleboog tegen haar nek heeft geduwd en haar zo klem heeft gezet en/of

- die [slachtoffer] in een nekklem heeft genomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 december 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer] vast te pakken en/of

- die [slachtoffer] met een elleboog tegen haar nek te duwen en haar zo klem te zetten en/of

- die [slachtoffer] in een nekklem te nemen en/of;

- met pepperspray, althans een verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende stof te spuiten;

2

hij op of omstreeks 17 februari 2021 te 's-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet , te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

- een hoeveelheid (van ongeveer 5 gram) cocaïne en/of

- een hoeveelheid (van ongeveer 25 gram) versnijdingsmiddel en/of

- een weegschaal,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 februari 2021 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De bewijsbeslissing

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Volgens de officier van justitie is er geen sprake is van enig vormverzuim met betrekking tot het gebruik van een bodycam door de politie. Er is niet heimelijk gefilmd in de woning van de verdachte en de verbalisanten zijn met toestemming van de moeder van verdachte in de hal van de woning gaan staan. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met constatering van het verzuim. Volgens de officier van justitie is geen sprake geweest van schending van de privacy van de verdachte. Er is slechts kortdurend in de hal van de woning gefilmd. Er is geen enkel nadeel veroorzaakt door het filmen van de verdachte. Dit had immers ook op de openbare weg kunnen plaatsvinden, aldus de officier van justitie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een vormverzuim en dat dit bewijsuitsluiting tot gevolg moet hebben. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Twee politieagenten zijn met een bodycam naar de woning van de verdachte gegaan, met het doel om opnames te maken van de verdachte. In de woning hebben zij daadwerkelijk opnames van de verdachte gemaakt, die vervolgens zijn vergeleken met de beelden van de plaats-delict. Deze inzet van de bodycam was niet in overeenstemming met het “Inzetkader Bodycams bij operationeel gebruik”. Daarin staat dat bodycams moeten worden uitgeschakeld op het moment dat sprake is van een dreigende schending van de privacy. De politie heeft het huisrecht en de privacy van de verdachte geschonden. De opname met de bodycam is derhalve onrechtmatig verkregen. Dit moet leiden tot bewijsuitsluiting van de opname en al hetgeen daaruit is voortgevloeid. Bewijsuitsluiting is noodzakelijk om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen en om te stimuleren dat de politie in overeenstemming met de regels handelt. Dit betekent dat vrijspraak moet volgen van het ten laste gelegde, aldus de raadsman.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1

Bewijsuitsluiting?

Toepasselijke regelgeving voor de inzet van bodycams door de politie De politie heeft de inzet van bodycams genormeerd in het “Inzetkader Bodycams bij operationeel gebruik”. Dit document (hierna: het Inzetkader) is ook extern gepubliceerd. De rechtbank zal de hierin vervatte voorschriften tot uitgangspunt nemen bij de vraag of sprake is van een vormverzuim bij de inzet van een bodycam in deze zaak.

Volgens het Inzetkader zijn bodycams als hulpmiddel voor niet-stelselmatige observatie toegestaan op publiek toegankelijke plaatsen. Het is in beginsel niet toegestaan om opnamen te maken op niet-publiek toegankelijke plaatsen, tenzij de omstandigheden (zoals bijvoorbeeld de veiligheidssituatie, acute hulpverlening, een aanhouding op heterdaad) het niet toelaten om te stoppen met filmen op een dergelijke plaats. Het Inzetkader schrijft voor dat de betreffende politieambtenaar in dit soort situaties altijd een bewuste afweging maakt om opnamen te maken, aan de hand van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Achteraf moet goed kunnen worden uitgelegd waarom opnamen zijn gemaakt op de niet-publiek toegankelijke plaats. Mocht toch gefilmd zijn op een niet-publiek toegankelijke plaats, dan dient achteraf voor een zorgvuldige beoordeling te worden gezorgd en dienen de opnamen die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de politietaak te worden vernietigd. Dit is anders indien de aldaar aanwezige gefilmde personen uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming geven om de opnamen te gebruiken.

Volgens het Inzetkader moeten bodycams openlijk en duidelijk zichtbaar worden gedragen. Burgers moeten kunnen weten dat zij gefilmd kunnen worden door de politie. Het Inzetkader schrijft voor dat de betreffende politieambtenaar op niet mis te verstane wijze kenbaar maakt dat opnamen (kunnen) worden gemaakt. Dit kan mondeling, dan wel door een duidelijk zichtbaar oplichtend signaal van de bodycam of een andere duidelijk zichtbare communicatie-uiting.

Inzet van een bodycam in deze zaak

Uit het dossier blijkt de volgende gang van zaken. De verdachte is in het onderzoek naar de onder 1 ten laste gelegde woningoverval naar voren gekomen uit de telefoongegevens van de medeverdachte [medeverdachte] . Nadat de politie constateerde dat er geen foto van de verdachte in de politiesystemen beschikbaar was, zijn twee politieambtenaren – na overleg met de officier van justitie – naar het adres van de verdachte gegaan om daar met een bodycam een beeldopname van hem te maken, teneinde deze naderhand te vergelijken met de camerabeelden waarop de daders van de woningoverval te zien zouden zijn.

De bodycam was bevestigd ter hoogte van de schouder van een van de politieambtenaren en straalde tijdens het filmen een rood oplichtend signaal uit. Nadat deze politieambtenaar, met filmende bodycam, had aangebeld, werd de deur geopend door de moeder van de verdachte. De politieambtenaar zei haar dat hij met haar zoon wilde praten. De moeder van de verdachte zei daarop dat de politieambtenaren wel even in het halletje voorbij de voordeur mochten wachten. Na enige tijd kwam de verdachte naar het halletje, waar de politieambtenaar met de bodycam kort met hem sprak over een niet aan het onderzoek gerelateerd onderwerp. Daarna zijn de politieambtenaren vertrokken. De verdachte is ruim twee en een halve minuut in beeld geweest. De beelden van de bodycam zijn nadien vergeleken met de beelden van de vermeende daders en daarop is de verdachte herkend. Vervolgens is hij buiten heterdaad aangehouden.

Vormverzuim

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie niet gehandeld in overeenstemming met het Inzetkader. In de eerste plaats was het niet toegestaan om met de bodycam opnamen te maken in de woning van de verdachte. Er was immers geen sprake van een situatie zoals bedoeld in het Inzetkader, waarin de omstandigheden het niet toelaten om te stoppen met filmen. In de tweede plaats was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van toestemming van de moeder van de verdachte om in de woning opnames te maken. De enkele omstandigheid dat zij de politieambtenaren heeft gevraagd binnen te komen, is daarvoor onvoldoende. Ook was niet voldoende duidelijk voor de verdachte en zijn moeder dat er werd gefilmd. Het is hun niet medegedeeld en zeker de verdachte die zich in zijn eigen woning onverwacht geconfronteerd zag met twee geüniformeerde politieambtenaren, kan een rood oplichtend lampje van de bodycam makkelijk over het hoofd hebben gezien. Van een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toestemming van de verdachte of diens moeder om de gemaakte beelden te gebruiken, is evenmin sprake. Daarmee doet zich dus een onherstelbaar vormverzuim voor, begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.

Gevolg van het vormverzuim

Door het vormverzuim is inbreuk gemaakt op het huisrecht en het recht op een persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dit zijn weliswaar wezenlijke rechten, maar het nadeel dat de verdachte van de inbreuk op die rechten heeft ondervonden, acht de rechtbank gering. Zijn recht op een eerlijk proces is niet geschonden. De verdachte is slechts enkele minuten gefilmd en de beelden zijn uitsluitend gebruikt om te vergelijken met andere beelden. Die vergelijking heeft vervolgens geleid tot de aanhouding van de verdachte en zijn vervolging voor de ten laste gelegde feiten, maar dat merkt de rechtbank niet aan als rechtens relevant nadeel. Enerzijds had de politie ook op een andere, legitieme manier beelden van de verdachte kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door hem uit te nodigen op het bureau of hem in de publieke ruimte te filmen. Anderzijds is het belang van de verdachte dat zijn (mogelijke) betrokkenheid bij een strafbaar feit niet wordt ontdekt, geen rechtens te respecteren belang. In zoverre bestaat dus geen aanleiding tot bewijsuitsluiting. De rechtbank acht bewijsuitsluiting evenmin noodzakelijk als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Zij heeft daarbij acht geslagen op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, op de geringe ernst van het verzuim, én op de omstandigheid dat er geen aanwijzingen zijn dat dit vormverzuim zich bij herhaling voordoet. De rechtbank zal volstaan met constatering van het verzuim.

3.3.2

Feit 1

De bewijsmiddelen

Op 17 december 2020 heeft [slachtoffer] (hierna: aangeefster) aangifte gedaan. Zij heeft het volgende verklaard. Op 17 december 2020, omstreeks 08.35 uur, bevond aangeefster zich in haar woning gelegen aan de [adres 2] te Den Haag en hoorde zij dat de deurbel ging. Door het kijkraampje zag aangeefster een man met een DHL-jasje aan staan met een doos in zijn handen. Op het moment dat zij de deur opendeed, zag ze dat er een tweede man naast de man stond. De man met het DHL-jasje stapte haar woning binnen en duwde met een van zijn ellebogen tegen haar keel aan. Aangeefster kwam hierbij vast te zitten tussen de trapleuning en de man. Vervolgens pakte de man aangeefster beet en draaide hij haar om. Hierbij legde hij een nekklem aan. De tweede man stond ook in de woning. De voordeur was op dat moment dicht. Aangeefster gilde naar haar dochters, die op dat moment boven waren, dat zij 112 moesten bellen. De mannen zijn hierop de woning uitgerend.

In een aanvullend gesprek met de politie heeft aangeefster verklaard dat er ook op 14 december 2020 om 08.30 uur bij haar was aangebeld. Aangeefster deed toen de deur open op een kier en zag een man staan die haar vroeg of hij wat mocht vragen. Omdat aangeefster het raar vond om zo vroeg een onbekende aan de deur te hebben, heeft zij de deur dichtgegooid.

De verbalisant die na het incident ter plaatse kwam, heeft gerelateerd dat hij rode striemen in de nek van aangeefster zag.

De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard. Op 14 december 2020 heeft de verdachte gehoord dat in de woning van aangeefster wat te halen viel. Op 17 december 2020 werd hij door een persoon met de auto opgehaald. In de auto is gesproken over wat er bij de woning van aangeefster ging gebeuren. In de auto heeft de verdachte een DHL-T-shirt aangedaan. De verdachte heeft bij de woning van aangeefster aangebeld en deed zich voor als DHL-bezorger met een doos in zijn handen. De verdachte is de woning van aangeefster binnengestapt en heeft haar naar achteren geduwd. De andere persoon bevond zich achter de verdachte in de woning. Aangeefster begon te schreeuwen.

Uit de historische verkeersgegevens van het [telefoonnummer] , toebehorende aan [medeverdachte] , is gebleken dat op 17 december 2020 om 08:09 uur naar het telefoonnummer van de verdachte is gebeld met een gespreksduur van 1 seconde. Dezelfde dag om 08:21 uur werd met het telefoonnummer van de verdachte gebeld naar het telefoonnummer van [medeverdachte] . Dit gesprek duurde 21 seconden. Voorts is uit de historische verkeersgegevens gebleken dat met het telefoonnummer van de verdachte in de periode van 4 november 2020 tot en met 17 december 2020 41 keer telefonisch contact is geweest met het telefoonnummer van [medeverdachte] ..

Na het uitlezen van de telefoon van de verdachte is gebleken dat op 14 december 2020 om 23:16 uur met deze telefoon via Google Maps is gezocht naar het adres van aangeefster.

De beoordeling door de rechtbank

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, zoals hierna bewezen wordt verklaard. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte en/of zijn mededader met pepperspray, of een verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende stof heeft gespoten. Aangeefster heeft verklaard dat zij een knal hoorde en dat zij kort daarna voelde dat een prikkelende lucht haar ogen en neus aantastte. Uit het dossier blijkt niet wat deze prikkelende lucht kan hebben veroorzaakt, terwijl het horen van een knal naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer past bij het spuiten met pepperspray of een andere stof. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.3.3

Feit 2

De bewijsmiddelen

Op 17 februari 2021 is de woning van de verdachte, gelegen aan de [adres 1] te Den Haag, doorzocht. De politie heeft in de slaapkamer van de verdachte een witte substantie aangetroffen en in beslag genomen. Van de in beslag genomen substantie is een monster genomen dat voor onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut is verstuurd. Uit dit onderzoek is gebleken dat de witte substantie 4,8 gram cocaïne bevatte.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de aangetroffen witte substantie in zijn woning cocaïne betrof en dat dit voor eigen gebruik was.

De beoordeling door de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat in de slaapkamer van de verdachte ook versnijdingsmiddel en een weegschaal zijn aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij al jaren drugsgebruiker was en dat hij het versnijdingsmiddel gebruikte om voor zijn eigen gebruik cocaïne (verder) te versnijden. De weegschaal gebruikte hij om eigen gebruikshoeveelheden af te wegen. Deze verklaring acht de rechtbank niet onaannemelijk. De combinatie van aangetroffen voorwerpen past weliswaar ook bij de handel in verdovende middelen, maar leidt niet dwingend tot de gevolgtrekking dat de verdachte zich met (de voorbereiding van) die handel bezig moet hebben gehouden. De verdachte zal daarom van het onder 2 primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1. primair:

hij op 17 december 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of een goed naar zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer] , weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze diefstal te doen vergezellen van geweld tegen [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

- die [slachtoffer] in haar woning heeft vast gepakt en

- die [slachtoffer] met een elleboog tegen haar nek heeft geduwd en haar zo klem heeft gezet en

- die [slachtoffer] in een nekklem heeft genomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:

hij op 17 februari 2021 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot feit 1 op het standpunt gesteld dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de verdachte afhankelijk. De verdachte is op het moment dat hij de angst in de ogen van aangeefster zag, gestopt en weggegaan. Aldus is er sprake van vrijwillige terugtred. Daarmee vervalt de strafbaarheid van het bewezen verklaarde en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen, aldus de verdediging.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht bestaat poging niet indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat op het moment dat aangeefster in haar woning werd beetgepakt en bij haar een nekklem werd aangelegd, zij ging schreeuwen en naar haar dochters gilde dat zij het alarmnummer moesten bellen. De verdachte is daarna weggerend.

De verdachte heeft verklaard dat hij is vertrokken nadat aangeefster begon te schreeuwen en hij de angst in haar ogen zag. De rechtbank acht echter aannemelijk dat de verdachte zijn poging heeft gestaakt omdat het risico op betrapping voor hem te groot was geworden door het schreeuwen en vooral het gillen van aangeefster naar haar dochters. Dit moet worden aangemerkt als een omstandigheid die niet van de wil van de verdachte afhankelijk was. Het verweer wordt verworpen.

Voor het overige zijn er ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde is daarom volgens de wet strafbaar.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, middelencontrole, een contactverbod met aangeefster, een locatieverbod met elektronisch toezicht en een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding en financiën.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – ingeval de rechtbank tot strafoplegging zou komen – op het standpunt gesteld dat het vormverzuim tot strafvermindering zou moeten leiden. De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de afwezigheid van relevante documentatie, de proceshouding van de verdachte en het advies van de reclassering.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft samen met zijn mededader het slachtoffer in haar woning overvallen, terwijl haar twee dochters zich elders in de woning bevonden. Bij de verdachte en zijn mededader moet bekend zijn geweest dat de partner van het slachtoffer op het moment van de overval niet thuis was. De woning is op 14 december 2020 bekeken en de verdachte en zijn mededader hebben zich voorafgaand aan de overval omgekleed, waarbij de verdachte kleding van een pakketbezorger heeft aangetrokken. Voorts had hij een pakket bij zich dat zogenaamd bezorgd moest worden. Dit alles wijst erop dat – anders dan de verdachte heeft verklaard – sprake was van een grondig voorbereid en doortrapt plan. Het slachtoffer werd de woning ingeduwd en kwam vast te zitten tussen de trapleuning en een van de overvallers. Terwijl ze vastzat, werd bij haar een nekklem aangelegd. Het slachtoffer heeft hierdoor licht letsel aan haar nek opgelopen. Doordat het slachtoffer naar haar dochters gilde dat zij het alarmnummer moesten bellen, zijn de daders gestopt en zonder buit vertrokken.

De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat – juist in deze tijd – gesteld moet kunnen worden in dienstverleners die aan de deur komen, zoals een pakketbezorger. Hij heeft kennelijk alleen met het oog op zijn eigen financieel gewin gehandeld en heeft geen respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, haar woning en haar eigendommen. De eigen woning is bij uitstek een plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Het is algemeen bekend dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op de slachtoffers en dat blijkt ook hier uit de verklaring van het slachtoffer. Zo zijn de kinderen van het slachtoffer nog altijd angstig. De verdachte heeft weliswaar gezegd enorme spijt te hebben, maar heeft niet willen verklaren wie nog meer bij de overval was betrokken en waarom juist voor de woning van het slachtoffer is uitgekozen. Het slachtoffer en haar gezin tasten dan ook nog steeds in het duister waarom uitgerekend zij in hun woning is overvallen.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van ongeveer 5 gram cocaïne. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik daarvan een zeer verslavende werking heeft en ernstige lichamelijke en psychische schade toebrengt aan de gebruikers ervan.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 10 juni 2021 volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 18 februari 2021, 7 mei 2021 en 17 juni 2021. Het recidiverisico wordt als gemiddeld ingeschat. De verdachte heeft problemen op meerdere leefgebieden. De reclassering ziet een risico op het gebied van de financiën, het sociaal netwerk, het middelengebruik en de gokverslaving van de verdachte. Behandeling is volgens de reclassering dan ook geïndiceerd. De reclassering heeft geadviseerd tot oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, middelencontrole, een contactverbod met aangeefster, een locatieverbod en -gebod met elektronisch toezicht en een inspanningsverplichting ten aanzien van dagbesteding en financiën. Door de reclassering is geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Strafoplegging

Uit de aard en de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemende straf. Bij het bepalen van de duur van die straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is voor een voltooide woningoverval als uitgangspunt geformuleerd een gevangenisstraf van drie jaren als sprake is van licht geweld of bedreiging. Bij een poging tot een misdrijf wordt de maximale strafbedreiging met een derde verminderd, zodat het uitgangspunt een gevangenisstraf van twee jaren zou zijn. Factoren die volgens de oriëntatiepunten tot een hogere straf kunnen leiden, zijn onder meer een samenwerkingsverband en een professionele werkwijze. De rechtbank weegt als strafverhogende omstandigheden mee dat de overval in vereniging is gepleegd en dat sprake was van een planmatige aanpak, zoals hiervoor omschreven. De rechtbank acht daarom voor het bewezen verklaarde feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren passend. Dat is hoger dan de straf die de officier van justitie heeft geëist, omdat in die eis de ernst van het feit niet voldoende tot uitdrukking komt.

De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Gelet op de relatief jonge leeftijd van de verdachte en de bij hem vastgestelde problematiek, acht de rechtbank het van groot belang dat de verdachte na zijn detentie de behandeling en begeleiding krijgt die hij volgens de reclassering nodig heeft. Om dat te bewerkstelligen, zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, behoudens het locatiegebod, verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel. De duur van dat strafdeel bepaalt de rechtbank op negen maanden, zodat de verdachte een stevige stok achter de deur heeft.

De rechtbank overweegt dat bij een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden in beginsel voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) zou kunnen worden verleend na 24 maanden. In zoverre zou de oplegging van een voorwaardelijk deel van negen maanden in het nadeel kunnen zijn van de verdachte. Niettemin acht de rechtbank deze strafoplegging de juiste, nu een onvoorwaardelijk deel van 27 maanden passend is, een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden noodzakelijk is en omdat de regeling omtrent de v.i. per 1 juli 2021 niet langer als uitgangspunt heeft dat die v.i. ook wordt verleend.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van € 1.886,21, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.019,21 aan materiële schade en € 867,- aan immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de beveiligingskosten niet het rechtstreeks gevolg zijn van het delict, maar ter voorkoming van een toekomstig delict. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman opgemerkt dat in de vordering wordt verwezen naar vergelijkbare zaken, maar dat het in die zaken gaat om een bedreiging met een vuurwapen en een mes.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Uit de patiëntenkaart van de huisarts van 29 juni 2021 is gebleken dat na de gebeurtenis bij de benadeelde partij angstklachten zijn ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat op basis hiervan voldoende is komen vast te staan dat door het onder 1 bewezen verklaarde feit psychische schade is ontstaan. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 867,- aan immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar.

De gevorderde materiële schade, bestaande uit de kosten voor de aanschaf van een beveiligingscamera met bijbehorende smart speaker met scherm en het installeren van de beveiligingscamera, komt eveneens voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde kosten zijn met facturen onderbouwd. De benadeelde partij heeft als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit gevoelens van angst ervaren en heeft daarom ongeveer vijf weken na het feit het beveiligingssysteem aangeschaft. Deze kosten staan daarmee naar het oordeel van de rechtbank in rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit. De aanschaf van een dergelijk systeem kan immers bijdragen aan het psychisch herstel van het slachtoffer door het verminderen van gevoelens van angst. De rechtbank zal ook dit deel van de vordering, ter hoogte van € 1.019,21, toewijzen.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1.886,21, bestaande uit € 1.019,21 aan materiële schade en € 867,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 17 december 2020 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte hoofdelijk dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht, en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot hoofdelijke betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.886,21, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 45, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 9 (negen) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag (tel: 088-8041301), op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig acht, zich door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, laat behandelen voor zijn verslavingsproblematiek, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door de zorgverlener van deze instelling worden gegeven;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1979, met het gezin van die [slachtoffer] en met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2000, zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van twee kilometer rondom het adres [adres 2] te Den Haag, zolang het Openbaar Ministerie dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

- gedurende de proeftijd, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, meewerkt aan de controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen door middel van urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

- zich gedurende de proeftijd zal inzetten voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal inzetten voor het op orde maken en inzichtelijk maken van zijn financiën en zal meewerken aan financiële hulpverlening indien de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.886,21 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2020, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.886,21, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 december 2020 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 28 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. D. Gruijters, rechter,

mr. B.W. Mulder, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. van Beelen , griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2021.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020379845, van de politie eenheid Den Haag, district Den-Haag-Zuid, districtsrecherche Den-Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 445).

https://www.politie.nl/binaries/content/assets/politie/onderwerpen/bodycam/inzetkader-bodycams-versie-2.1-rubricering-openbaar-def.pdf

Proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 17 december 2020, p. 42.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2020, p. 48.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2020, p. 58.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2021.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2021, p. 254-256.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2021, p. 335.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 februari 2021, p. 266-267.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2021, p. 374-375.

Geschift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch instituut d.d. 22 maart 2021, p. 377.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature