< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Twintig jaar gevangenisstraf voor oorlogsmisdrijf

Een 49-jarige Syriër is door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar voor zijn betrokkenheid bij de executie van een gevangen genomen militair van het Syrische leger in 2012.

Oorlogsmisdrijf

De man was de commandant van een kleine strijdgroep in de plaats Mohassan in Syrië en heeft zelf ook op het slachtoffer geschoten. Omdat de executie plaatsvond tijdens het gewapende conflict tussen het reguliere Syrische leger en verschillende rebellengroepen geldt dit als een oorlogsmisdrijf. Oorlogsmisdrijven zijn schendingen van het internationaal humanitair recht. Dat recht beschermt personen die niet of niet meer deelnemen aan vijandelijkheden in een gewapend conflict, zoals burgers en krijgsgevangenen.

Strafoplegging

De rechtbank kent in deze zaak enerzijds gewicht toe aan de omstandigheid dat de executie heeft plaatsgevonden in een land waar op dat moment een gewapend conflict plaatsvond, wat ook voor de verdachte grote gevolgen heeft gehad. De rechtbank weegt anderzijds mee dat de verdachte bij het uitvoeren van de executie een leidinggevende rol heeft gehad en dat hij is begonnen met het schieten op het slachtoffer.

Vrijspraak terroristische organisatie

De rechtbank vindt het aanwezige bewijs onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de strijdgroep in de periode dat de verdachte daarvan commandant was, was aan te merken als een terroristische organisatie. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van deelname aan een terroristische organisatie.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/748001-18

Datum uitspraak: 16 juli 2021

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[Naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

BRP-adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘Vught’ te Vught.

Onderzoeksnaam: 26Blackwell

INHOUDSOPGAVE

1. Het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting 4

2. De tenlastelegging 6

3. Rechtsmacht en bevoegdheid 7

3.1 Oorlogsmisdrijven 7

3.2 Deelneming aan een terroristische organisatie 7

4. Het vaststellen van de feiten 8

4.1 Inleiding 8

4.2 Het standpunt van de officier van justitie 8

4.3 Het standpunt van de verdediging 8

4.4 Het oordeel van de rechtbank 8

4.4.1 Het conflict in Syrië 8

4.4.1.1 De bewijsmiddelen 8

4.4.2 De gedragingen van de verdachte 11

4.4.2.1 De bewijsmiddelen 11

4.4.2.2 Tussenconclusies 16

5. Feit 1: Plegen van een oorlogsmisdrijf 19

5.1 Inleiding 19

5.2 Het standpunt van de officier van justitie 19

5.3 Het standpunt van de verdediging 19

5.4 De beoordeling van de tenlastelegging 19

5.4.1 Het juridisch kader 20

5.4.1.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht 20

5.4.1.2 De beschermde status van het slachtoffer 21

5.4.1.3 Het verbod op het gebruik van geweld, in het bijzonder het doden van personen die niet rechtsreeks aan de vijandelijkheden deelnemen 21

5.4.1.4 De nexus 21

5.4.2 Het oordeel van de rechtbank 22

5.4.2.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht: is sprake van een niet-internationaal gewapend conflict? 22

5.4.2.2 Wordt het slachtoffer beschermd door het internationaal humanitair recht, in het bijzonder gemeenschappelijk artikel 3 GC en zo ja, was de verdachte op de hoogte van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beschermde status van het slachtoffer? 23

5.4.2.3 Heeft de verdachte [slachtoffer] om het leven gebracht? 23

5.4.2.4 Is sprake van een nexus tussen de verweten gedraging van de verdachte en het hiervoor genoemde gewapend conflict? 23

5.4.2.5 Conclusie 23

5.4.3 De bewezenverklaring 23

6. Feit 2: Deelname aan een terroristische organisatie: Vrijspraak 25

6.1 Inleiding 25

6.2 Het standpunt van de officier van justitie 25

6.3 Het standpunt van de verdediging 26

6.4 De beoordeling 27

6.4.1 Het juridisch kader 27

6.4.1.1 Organisatie 27

6.4.1.2 Oogmerk plegen van terroristische misdrijven 28

6.4.1.3 Deelneming 28

6.4.2 Het oordeel van de rechtbank 29

6.4.2.1 Was Ghuraba’a Mohassan in de ten laste gelegde periode een organisatie? 29

6.4.2.2 Een (afgeleid) terroristisch oogmerk? En zo ja, deelneming? 30

6.4.2.3 Conclusie 34

7. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde 34

8. De strafbaarheid van de verdachte 34

9. De oplegging van de straf 34

9.1 De vordering van de officier van justitie 34

9.2 Het standpunt van de verdediging 34

9.3 Het oordeel van de rechtbank 35

10. De toepasselijke wetsartikelen 37

11. De beslissing 38

Bijlage I: Eindnoten 40

1 Het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting

Op 25 oktober 2016 deelde de Duitse politie informatie met de Nederlandse politie over een persoon die ‘[verdachte]’ en ‘[bijnaam verdachte]’ werd genoemd. Deze zou deel hebben uitgemaakt van het Vrije Syrische Leger en daarna van Jabhat al-Nusra en IS. Onderdeel van de informatie was een link naar een artikel in The Guardian van 30 juli 2012 met een interview met ene [bijnaam verdachte]. De Duitse autoriteiten vroegen het International Rechtshulp Centrum van de Landelijke Eenheid (IRC-LE) om deze man die in Nederland zou wonen, te identificeren. Het IRC-LE droeg de info over aan het Team Internationale Misdrijven (TIM) van de Dienst Landelijke Recherche. Het TIM kwam na onderzoek uit bij de verdachte. Op 26 juni 2017 werd het onderzoek ‘26Blackwell’ gestart.

Het artikel in The Guardian beschrijft hoe de betreffende [bijnaam verdachte] van het Vrije Syrische Leger was overgestapt naar Jabhat al-Nusra en commandant zou zijn van Ghuraba’a Mohassan, een strijdgroep uit Mohassan in Syrië. Bij aanvullend internetonderzoek naar de startinformatie werd een video van het bataljon Ghuraba'a Mohassan gevonden, met onder meer een foto van [bijnaam verdachte] uit de Duitse startinformatie. Ook werd een video van de executie van een Syrische militair genaamd [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) aangetroffen. Deze executie zou onder meer zijn uitgevoerd door het bataljon Ghuraba'a Mohassan.

In het kader van dit onderzoek is de verdachte op 5 maart 2018 als zodanig aangemerkt. Hij wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan deelname aan een terroristische organisatie en het plegen van een oorlogsmisdrijf. De verdachte is op 21 mei 2019 aangehouden.

Tijdens het opsporingsonderzoek zijn verschillende opsporingsmethoden toegepast. Zo zijn er telefoons afgetapt, is er gebruik gemaakt van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in de woning van de verdachte en is er een undercovertraject geweest. Door middel van rechtshulpverzoeken zijn getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het buitenland aan het dossier toegevoegd. Daarnaast heeft er onderzoek door de rechter-commissaris plaatsgevonden. Dit onderzoek bestond uit het benoemen van deskundigen die op hun beurt rapportages hebben opgemaakt. Verder is een groot aantal getuigen gehoord, deels in het buitenland, en een bedreigde getuige. Het hele onderzoek is neergelegd in een dossier van zo’n 8.000 bladzijdes en een hoeveelheid videomateriaal.

Het onderzoek ter terechtzitting is gehouden op de terechtzittingen van 2 september 2019, 18 november 2019, 10 februari 2020, 16 april 2020, 18 juni 2020, 14 september 2020, 3 december 2020, 2 maart 2021, 26 mei 2021 (alle pro forma-behandelingen), 15 juni 2021, 17 juni 2021 en 2 juli 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mrs. A. Seebregts en M. Levy (hierna gezamenlijk: de verdediging) naar voren is gebracht.

De rechtbank gaat in dit vonnis allereerst in op de vraag of Nederland rechtsmacht heeft over het ten laste gelegde oorlogsmisdrijf en op haar bevoegdheid om deze zaak te behandelen. Daarna gaat de rechtbank over tot een vaststelling van de feiten. In afzonderlijke hoofdstukken zal de rechtbank vervolgens ingaan op het oorlogsmisdrijf en de deelneming aan een terroristische organisatie. Daarbij zal telkens worden verwezen naar de eerder vastgestelde feiten. In eindnoten wordt verwezen naar literatuur en jurisprudentie. Bij elk hoofdstuk worden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergegeven.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Doden als oorlogsmisdrijf

hij op 10 juli 2012, althans in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 18 juli 2012, in of nabij Mohassan en/of Deir ez-Zor, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft geschonden:- gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève en/of het internationaal humanitair gewoonterecht, doordat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, jegens een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een persoon van de strijdkrachten die de wapens had neergelegd, en/of een persoon die buiten gevecht was gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, te weten [slachtoffer], een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging heeft gepleegd (en/of) (in het bijzonder) voornoemde persoon heeft gedood,

welke aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging en/of doden hierin bestond dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) in het lichaam van voornoemde persoon heeft/hebben geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2.

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (als leider)

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2013 in of nabij Mohassan en/of Deir ez-Zor, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie zoals Al-Qa’ida en/of Jabhat al Nusra en/of Ghuraba’a Mohassan, althans een aan voornoemde Organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep, althans (een) organisatie die de gewapende jihadstrijd voorstaat, welke Organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie), terwijl hij, verdachte, leider en/of oprichter en/of bestuurder was.

3 Rechtsmacht en bevoegdheid

De ten laste gelegde feiten hebben als pleegplaats Syrië in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2013. De verdachte kan in Nederland worden vervolgd voor deze feiten indien en voor zover Nederland rechtsmacht heeft over deze feiten.

De officier van justitie en de verdediging hebben geen standpunt ingenomen ten aanzien van de rechtsmacht en de bevoegdheid.

3.1

Oorlogsmisdrijven

Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a van de Wim heeft Nederland rechtsmacht over

een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf als omschreven in

voormelde wet, voor zover de verdachte zich (op het moment van de vervolging) in

Nederland bevindt. Ten tijde van zijn aanhouding bevond de verdachte zich in

Nederland, zodat er rechtsmacht bestaat over deze feiten.

De rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 van de Wim bevoegd kennis te nemen van het ten laste gelegde oorlogsmisdrijf.

3.2

Deelneming aan een terroristische organisatie

In artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) is opgenomen dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op eenieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit voor zover een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie tot het vestigen van rechtsmacht over dat feit verplicht. In artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit) wordt onder verwijzing van een reeks commune misdrijven uit het WvSr rechtsmacht op basis van (onder meer) het universaliteitsbeginsel gevestigd voor zover deze vallen onder de beschrijving van artikel 2 Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van rechtsmacht over gedragingen in de aanhef van feit 2 onder A tot en met D genoemde onderdelen, op grond van artikel 6 van het WvSr juncto artikel 2, eerste lid, onder e van het Besluit.

Voor wat betreft de gedragingen die zijn opgesomd in onderdeel E van de tenlastelegging is de rechtbank van oordeel – onder verwijzing naar onder meer jurisprudentie van het gerechtshof Den Haag – dat hierover geen rechtsmacht gevestigd kan worden op grond van artikel 6 van het WvSr juncto artikel 2, eerste lid, onder 3 van het Besluit. Ook op grond van andere bepalingen is dit niet mogelijk , zodat het Openbaar Ministerie voor dat onderdeel niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4 Het vaststellen van de feiten

4.1

Inleiding

De rechtbank zal in dit hoofdstuk tot feitelijke vaststellingen komen met betrekking tot het conflict in Syrië, de organisatie Jabhat al Nusra en Ghuraba’a Mohassan, en de ten laste gelegde gedragingen. Daarbij wordt nog niet ingegaan op de juridische kwalificatie die hieraan kan worden gegeven met uitzondering van het ten laste gelegde ‘medeplegen’.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen [slachtoffer] heeft gedood.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs is dat de verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer anderen [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte [slachtoffer] niet wilde doden, maar wilde ruilen tegen zijn gevangengenomen broer. Toen dit niet lukte heeft de verdachte zich niet gedistantieerd, maar zelf de leiding genomen over de executie omdat hij zichzelf anders verdacht zou maken. Daarnaast geldt dat de verdachte bewust naast het slachtoffer [slachtoffer] heeft geschoten en dat de verdachte mogelijk slechts één keer raak heeft geschoten toen [slachtoffer] al om het leven was gekomen. Deze handelingen leveren ook onvoldoende bewijs op dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen bij het doden van [slachtoffer]. Er stond immers al vast dat [slachtoffer] gedood zou worden, terwijl deze beslissing door iemand anders dan de verdachte is genomen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Het conflict in Syrië

4.4.1.1 De bewijsmiddelen

In het dossier bevindt zich een kennisdocument met de titel ‘Kennisbijlage 140a WvSr Jabhat al-Nusra/Jabhat Fatah al-Sham/Hay’at Tharir al-Sham’. In dit document, dat is opgesteld door dr. [deskundige] (hierna: [deskundige]) en is uitgebracht door de Dienst Landelijke Recherche, wordt ingegaan op het conflict in Syrië, de betrokkenen bij dit conflict en de organisatie Jabhat al-Nusra. Het kennisdocument is gebaseerd op openbare bronnen zoals rapportages van mensenrechtenorganisaties, nieuwsberichten en social media. De rechtbank stelt op basis van dit kennisdocument en voormelde open bronnen het volgende vast.

De opstand in Syrië

In het voorjaar van 2011 begon de opstand in Syrië met protesten om hervormingen af te dwingen bij het regime van president Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot een einde. Al kort na het begin van het protest werd het optreden van het regime van president Assad door een groot deel van de wereldgemeenschap scherp veroordeeld. Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-Moon stelde in de zomer van 2011 vast dat president Assad alle legitimiteit had verloren. Westerse staten drongen aan op zijn aftreden en vaardigden sancties uit tegen zijn regime. Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich in reactie op de gewelddadigheden van het regime gewapend te verzetten. Hierbij werden wraakacties uitgevoerd tegen regeringstroepen en werden wijken in grote steden en gebieden op het platteland veroverd. Het Syrische bewind trad hiertegen met nog hardere hand op. Bij luchtaanvallen die werden uitgevoerd door de Syrische luchtmacht vielen veel burgerslachtoffers. Inspecteurs van de Verenigde Naties hebben in de zomer van 2013 vastgesteld dat op 21 augustus 2013 in Damascus een aanval plaatsvond met het zenuwgas sarin. In de laatste maanden van 2013 zijn er aanwijzingen dat het Syrische regime de aanvallen met ‘barrel bombs’ heeft opgevoerd.

Mensenrechtenschendingen vonden plaats aan de kant van de regeringstroepen en paramilitaire milities, maar ook aan de kant van de gewapende opposities. De gewapende opposities maakten zich onder meer schuldig aan standrechtelijke executies, kidnapping en marteling van gevangengenomen regeringssoldaten, leden van de pro-Assad milities en personen die als informant van het Assadregime werden aangemerkt. Diverse strijdgroepen zouden zich schuldig hebben gemaakt aan het illegaal vasthouden van een groot aantal gedetineerden, aan marteling en executies. Eind 2012 rapporteert de Independent international commission of inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) dat de intensiteit van het geweld in 2012 is toegenomen, onder meer naar nieuwe gebieden. In het rapport worden verschillende aanslagen genoemd in onder meer de regio Deir ez-Zor. De schattingen van het aantal slachtoffers van de vijandelijkheden tot en met juli 2012 lopen uiteen van 7.928 personen tot 22.000 personen. In 2012 rapporteert de Hoge Commissaris voor vluchtelingen van de Verenigde Naties dat het aantal ontheemden in Syrië op 2 miljoen wordt geschat en meer dan een half miljoen burgers Syrië zijn ontvlucht.

Het Vrije Syrische Leger

Eén van de betrokken groepen opstandelingen was het Vrije Syrische Leger (al-jaysh al-suri al-hurr), een samenwerkingsverband van gewapende groeperingen die tegen de Syrische overheid vochten met als doel het ten val brengen van het regime van Assad en het vestigen van een democratie. Dit samenwerkingsverband is ontstaan in 2011 nadat een aantal militairen uit het Syrische leger was gedeserteerd. Het Vrije Syrische leger ontbrak het echter aan centrale leiding. De groepering heeft dit in de loop van 2012 geprobeerd te verbeteren door in de gebieden waarover zij controle hadden, een militaire raad op te richten die leiderschap claimde over de groepen die in het desbetreffende gebied vochten.

Jihadistische strijdgroepen

Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam de invloed van jihadistische groepen steeds meer toe. Islamisme werd de hoofdstroming van de verzetsbeweging. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen het ten val brengen van het regime van Assad, maar tevens de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd. Aan het einde van 2012 leken de islamitische en jihadistische groeperingen de overhand te hebben gekregen ten koste van het Vrije Syrische Leger. In 2012 werd de aanwezigheid van Al-Qa’idastrijders in Syrië door commandanten van het Vrije Syrische Leger bevestigd. Medio 2012 gaven commandanten van het Vrije Syrische Leger voorts aan dat de invloed van jihadistische groepen steeds sterker werd en dat zij meer terrein wonnen en dat deze groeperingen in tegenstelling tot het Vrije Syrische Leger geen problemen leken te hebben om hun strijd tegen het Syrische regime te financieren. Ondanks verschillen in toekomstvisie ten aanzien van de staatsvorm leken (delen van) het Vrije Syrische Leger in de zomer van 2012 nog niet afwijzend te staan tegenover samenwerking met jihadistische groepen in de strijd tegen het Assad-regime. De toestroom aan geld en wapens leek gematigde islamisten en zelfs seculiere strijders aan te moedigen zich aan te sluiten bij de jihadi-salafistische groepen. In een rapport van juli 2013 van de IICISAR is opgenomen dat het voortdurende geweld in Syrië de radicalisering van de anti-regeringsstrijders heeft versneld. Hierdoor werden radicale groepen, met name Jabhat al-Nusra, in staat gesteld hun invloed uit te breiden.

Jabhat al-Nusra

In januari 2012 maakte Jabhat al-Nusra (voluit: ‘Jabhat al-Nusra li-ahl al-Sham min muiahidin al-Sham fi sahat al-jihad’(Hulpfront voor het Syrische Volk van(uit) de Mujahideen van (Groot-) Syrië in de jihad arena’s)) haar oprichting door middel van een videoboodschap bekend. Aan het hoofd van Jabhat al-Nusra stond Abu Mohammed al-Jawlani. Het doel van deze strijdgroep was ook niet alleen het ten val brengen van het regime van Assad, maar ook het doden van de soldaten van Assad en de shabiha (pro-regime milities) en de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd. In april 2013 bevestigde [leider 1] de band met Al-Qa’ida en legde de eed van trouw af aan Al-Qa’ida leider Al-Zawahiri.

Jabhat al-Nusra beschikte over een adviesraad (majlis al-shura) die aan het hoofd van de organisatie stond en zowel strategisch beleid als religieuze regels vaststelde. De raad

beschikte over vertegenwoordigers in de diverse gebieden die Jabhat al-Nusra in Syrië in handen had. Een aantal leden van de adviesraad waren vertrouwelingen van of lid van Al-Qa’ida. Jabhat al-Nusra beschikte over een militaire tak (Jaish Nusra, het leger van al-Nusra), bestaande uit commandotroepen. Daarnaast beschikte Jabhat al-Nusra over een eigen politiekorps, as-shurta al-islamiyya, een islamitische politie die onder meer lijfstraffen en executies uitvoerde die door de shari’ah rechtbanken in het door hun bezette gebied werden uitgevoerd. Om lid te worden van Jabhat al-Nusra was een getuigschrift (tazkiya) vereist, waarin een getuige bevestiging gaf van de eerzame reputatie van het aspirant-lid. De referent moest in kunnen staan voor de religieuze toewijding en militaire vaardigheden. Nieuwe rekruten ondergingen een training in een trainingskamp bestaande uit een religieus programma en een militair programma.

De militaire operaties van Jabhat al-Nusra zagen zowel op het regime van Assad als op de alawitische en sjiitische burgerbevolking. In de eerste helft van 2012 claimde Jabhat al-Nusra verschillende aanslagen in Syrië, waaronder zelfmoordaanslagen en aanslagen door middel van zogenaamde IED’s (Improvised Explosive Devices). In april en mei 2013 werden onder meer mortieren en raketten afgevuurd op sjiitische enclaves. De IICISAR rapporteerde in 2014 over openbare executies in Tal Abyad door Jabhat al-Nusra in 2013 en dat dergelijke executies uitgevoerd werden om hun aanwezigheid in de regio te waarborgen en angst in te boezemen bij de burgerpopulatie.

4.4.2

De gedragingen van de verdachte

4.4.2.1 De bewijsmiddelen

De executievideo’s

Door de politie is op 13 juli 2017 op YouTube een video aangetroffen die op 18 juli 2012 werd geplaatst (hierna: video 1). De uit het Arabisch vertaalde titel van de video is 'Execution of lieutenant Colonel / [slachtoffer] by the hands of the free Army "Syria" + 18'. Onder de video staat: ‘The elimination of the Shabih Lieutenant Colonel [slachtoffer] by the hands of the heroes of Battalion Ghuraba’a Mohassan. This Shabih was shelling the civilians with the artillery in the Dair Al-Zor airport. He received from God what he deserves.’ De politie heeft geverbaliseerd dat op de beelden een man te zien is die met een ontbloot bovenlijf en een bebloede linkerhelft van het gezicht in de richting van een rivier loopt. Vervolgens worden verschillende schoten gelost en is te zien is dat de gewonde man in het water ligt. Hij lijkt overleden te zijn.

Op 16 november 2017 is door de politie op YouTube een video aangetroffen die lijkt op de hiervoor beschreven beelden (hierna: video 2). Vergelijkend onderzoek aan video 1 en video 2 heeft bij de politie tot de conclusie geleid dat het twee verschillende versies van dezelfde video zijn, waarbij in video 2 meer zichtbaar is doordat er in tegenstelling tot video 1 niet is ingezoomd.

De politie heeft een zogenaamd OSINT-rapport (open source intelligence) opgemaakt over de man met ontbloot bovenlijf die op de executievideo’s is te zien en die [slachtoffer] zou zijn. In het rapport staat vermeld dat op een Arabische site die aan het regime gelieerde martelaren aanprijst is te vinden dat [slachtoffer] is geboren in [geboorteplaats slachtoffer] in [geboortejaar slachtoffer], dat hij getrouwd is, dat hij de rang van luitenant-kolonel heeft en dat hij martelaar is in Deir ez-Zor, Mohassan, 10 juli 2012.

Via geolocating is de locatie bepaald waar de video’s zijn opgenomen. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de locatie zich bevindt nabij de plaats Al-Muhasan (de rechtbank begrijpt: Mohassan) in het Syrische gouvernement Deir ez-Zor. Verder is geverbaliseerd dat ten westen van de vermoedelijke executielocatie zich een waterzuiveringsinstallatie bevindt die binnen de wijk [wijk 1] valt. Dit betreft de wijk waar de verdachte gedurende de revolutie verbleef.

Ten overstaan van de Duitse politie heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een Syriër die woonachtig is in Duitsland, verklaard dat hij één van de makers was van de executievideo’s. In Duitsland is op 12 september 2019 een doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] verricht, waarbij verschillende gegevensdragers in beslag zijn genomen. Op 22 juli 2020 heeft de Duitse politie een CD-ROM verstrekt aan de Nederlandse politie met daarop onder meer videobestand [videobestand 1] (hierna: video 3).

Video 3 betreft een video van 9 minuten en 26 seconden en ziet gedeeltelijk op hetzelfde incident als te zien is in video’s 1 en 2. De gesproken teksten zijn in de Arabische taal en zijn door een beëdigd tolk in het proces-verbaal van de Nederlandse politie vertaald. De video start met een fragment in een auto waarbij twee mannen in beeld zijn, waarvan één van de mannen voorover zit en op zijn rug en schouders touwen lijkt te hebben. De tweede man in beeld is door de Duitse politie geïdentificeerd als [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Vervolgens draait de camera en is te zien dat de voorovergebogen man verschillende (open) wonden en beurse plekken op zijn gezicht en lichaam heeft. Aan de rechterzijde van zijn gezicht heeft hij zwellingen en een dicht oog. De politie herkent deze man als zijnde [slachtoffer], welke te zien is op video’s 1 en 2. Op de beelden is te zien dat, naast degene die filmt, zeven personen in de auto zitten en verschillende vuurwapens in de auto aanwezig zijn. De bestuurder van de auto wordt door de verbalisant herkend als de verdachte.

Na minuut 02:15 komt de auto tot stilstand en stappen de verdachte en passagiers uit de auto. Vervolgens is een man in beeld met een vuurwapen. Deze man is door de Duitse politie geïdentificeerd als zijnde [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] zegt: “De verlossing komt je zo tegemoet.” De verdachte zegt: “Neem hem mee breng hem daarheen.” Dan verdwijnt de verdachte uit beeld. [Betrokkene 2] zegt: “Naar achter het huis… neem hem naar achter het huis lopen maar.” Op de beelden is te zien dat de verdachte in zijn rechterhand een revolver vasthoudt. De groep mannen loopt vervolgens een pad af, waarbij de verdachte vooroploopt.

Bij minuut 03:14 is te horen:

[Betrokkene 2]: “Naar hel en de aller slechtste lotsbestemming.”

Bij minuut 03:18:

X: “Een officier van het leger van Al-Assad wordt naar zijn onvermijdelijke lot toe geleid.”

X: “Luitenantkolonel [slachtoffer] van divisie zeventien ... die nu door

[Betrokkene 2]: [fluisterend] “Commandant van een luchtverdedigingscompagnie”

[Betrokkene 1] (Rb: [betrokkene 1]): “Deir ez-Zor, de plaats Mohassan tien zeven tweeduizendtwaalf.”

X: “Bataljon Ghurabaa Mouhassan.”

[Betrokkene 2]: [fluisterend] “En Bataljon lz AI-Din AI-Qassam.”

X: “en Bataljon lz AI-Din AI-Qassam ... naar zijn onvermijdelijke lot wordt toe geleid.”

[Betrokkene 1]: “Naar zijn onvermijdelijke lot.”

Bij minuut 04:03:

[Betrokkene 2]: “Allahu akbar.”

[Betrokkene 1]: “De lot van elke verrader van iedereen die burgers bombardeert.”

Bij minuut 04:43:

De verdachte: “[slachtoffer] ...”

X: “Met gods hulp is luitenantkolonel [slachtoffer] gevangengenomen uit de gelederen van de verraderlijke divisie zeventien die een pion is van Bashar Al-Assad en Israël.”

Na minuut 05:52 zegt [betrokkene 1]:

“Deir ez-Zor, de plaats Mohassan tien zeven tweeduizendtwaalf,

voltrok zich met Zijn hulp (Hij zij verheven) de gevangenneming van de luitenant-kolonel [slachtoffer] uit de gelederen van divisie zeventien die burgers aan het bombarderen was.”

De groep komt vervolgens aan bij het water en slaat van het pad af. Na minuut 06:50 is te zien dat de verdachte een plek aanwijst bij het water en in de richting van [slachtoffer] kijkt. Te horen is dat de verdachte zegt: “Jij … Daar…”. Te zien is dat de verdachte zijn revolver voor zijn mond brengt, alsof hij naar de anderen gebaart dat ze stil moeten zijn. Vervolgens richt de verdachte zich tot [slachtoffer]. [Betrokkene 2] richt zijn vuurwapen op [slachtoffer]. De politie verbaliseert dat het na minuut 07:05 lijkt alsof de verdachte [betrokkene 2], die zijn vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht, een teken geeft dat hij nog niets mag doen. Vervolgens stelt de verdachte [slachtoffer] verschillende vragen en stopt [betrokkene 2] met het richten van zijn vuurwapen op [slachtoffer].

De verdachte: “Het hele Syrische volk beklaagt zich bij Allah”

[Slachtoffer]: “Ik heb bij god niemand vermoord ... ik heb bij god niemand vermoord.”

De verdachte: “Jouw bloed ... jouw bloed jongen is niet meer waard ... is niet meer waard dan het bloed. Jouw bloed is niet dierbaarder dan het bloed van ... het volk dat vermoord wordt.”

[Betrokkene 1] (Rb: [betrokkene 1]): “Luitenantkolonel [slachtoffer] uit de gelederen van divisie zeventien.”

[Slachtoffer]: “Ik heb niemand vermoord.”

De verdachte: “Jullie hebben Bashar gevolgd en geen rekening gehouden met deze dag.”

[Betrokkene 1]: “Met Zijn hulp (Hij zij verheven) de gevangenneming van de luitenantkolonel.”

X: “De gevangene luitenantkolonel [slachtoffer].”

[Betrokkene 1]: “[slachtoffer] door bataljon Ghurabaa Mouhassan en bataljon lz AI-Din AI-Qassam en hij zal de beloning van elke verrader iedereen die weerloze burgers bombardeerde de beloning van iedereen die Bashar Al-Assad steunt.”

De verdachte: “Til je hoofd op ... wat wat vind je van deze losbestemming ... wat vind je ervan? Bashar heeft jullie erin laten verstrikken ... door hem ben jij hier terecht gekomen... wat vind je hiervan?”

X: “Hoeveel geld heb je ons aangeboden om jou vrij te laten?”

De verdachte: “Hoeveel is het laatste bedrag dat jij zei ik betaal het, hoeveel?”

[Slachtoffer]: ”Vijftien.”

De verdachte: “Hoeveel?”

[Slachtoffer]: “Vijftien ... miljoen.”

De verdachte: “Vijftien waaat?”

[Slachtoffer]: “Vijftien miljoen.”

De verdachte: “Vijftien miljoen is mij geen zier waard het is mij geen druppel bloed waard van van van van het bloed eh van de kinderen die gedood zijn in in Deir ez Zor of in Homs of in al-Haula of in welke plaats ook.”

X: “Laten jullie hem hier?”

[Slachtoffer]: “Ik heb niemand vermoord, bij God ik heb niemand vermoord.”

X: “Vooruit, in Gods naam.”

Na minuut 08:19 is te zien hoe de verdachte de revolver in zijn rechterhand op [slachtoffer] richt. Na minuut 08:20 is volgens de verbalisant te horen en te zien dat de verdachte het eerste schot lost in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] buigt zijn hoofd en het water spat achter hem op. Daarna worden verschillende schoten gelost. Ook [betrokkene 2] schiet met zijn vuurwapen. Na het derde schot is te zien dat [slachtoffer] op zijn knieën valt. [Slachtoffer] rolt om en komt op zijn rug aan de waterkant te liggen. Na minuut 08:27 is in beeld dat [slachtoffer] roerloos aan de waterkant ligt. Daarna worden er meerdere schoten gelost, waaronder meermaals op het hoofd van [slachtoffer]. Na minuut 08:44 uur is onder meer te horen:

X: “Dit is het einde van elke verrader en van elke moordenaar en van elke misdadiger die het voorzien heeft op [1 woord onverstaanbaar omdat A hier begint te spreken] onschuldige Syriërs.”

De verdachte (de rechtbank begrijpt ‘X’ en niet ‘de verdachte’, gelet op pagina 104 van map D): “De terechtstelling van de verrader luitenant-kolonel [slachtoffer] door bataljon Ghuraba Muhassan en bataljon lz AI-Din al-Qassam ... dit is de beloning van elke verrader van iedereen die burgers aanvalt en burgerwoningen bombardeert.”

X: “Laten we hem verplaatsen, onreine laten we hem maar verplaatsen wegens

de stank van ontbinding.”

Na minuut 09:25 wordt de opname gestopt.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft onderzoek naar de executievideo (video 1 en 3) verricht en geconcludeerd dat in totaal 26 schoten zijn gelost, waarbij een revolver en één of meerdere kalasjnikovs zijn gebruikt. Gelet op de effecten van de schoten van de revolver, vermoedt de ballistisch expert dat het een double action revolver betreft waarmee .38 Special patronen worden verschoten. De meeste revolvers van dit type kunnen maximaal zes patronen bevatten. In het NFI-rapport is opgenomen dat zichtbaar en/of hoorbaar is dat er vijfmaal geschoten wordt met de revolver (schot 1, 11, 12, 16 en 17).

Het eerste schot werd gelost door de man met de revolver in de richting van het hoofd van het slachtoffer en heeft het slachtoffer vermoedelijk gepasseerd. Daarna worden negen schoten gelost door een man met ‘kalasjnikov 1’ (de rechtbank begrijpt: in handen van [betrokkene 2]). Het slachtoffer wordt geraakt door een deel van deze schoten. Na schot 10 toont het lichaam van het slachtoffer uitsluitend fysische effecten van kogelinslagen en is het aannemelijk dat vanaf dat moment en mogelijk al eerder sprake is van verlies van hersenfunctie en/of ruggenmergfunctie. De man met ‘kalasjnikov 1’ verplaatst zich naar links en verdwijnt uit beeld. Het lichaam toont geen zichtbare ademhaling of andersoortige beweging.

Schot 11 en 12, gelost met de revolver, passeren het slachtoffer. Het NFI heeft gerapporteerd dat schot 14 en 15 samenvallen, en dat de beelden van schot 14 het beste passen bij een schot uit de revolver, gevolgd door een schot van een kalasjnikov. Eén van beide kogels raakt de buik van het slachtoffer. De kogel van schot nummer 16, gelost met de revolver, raakt het slachtoffer rechts in de borst. Het slachtoffer toont alleszins geen zichtbare tekenen van leven. Schot 17, gelost met de revolver, passeert het slachtoffer. Na schot 17 is te zien dat de trekker van de revolver wordt overgehaald, zonder dat schoten worden gelost.

De daaropvolgende schoten worden met een kalasjnikov gelost in de richting van het hoofd en bovenlichaam van het slachtoffer en lijken in het hoofd, bovenlichaam en/of de grond vlakbij het hoofd van het slachtoffer in te slaan. Bij een deel van de schoten is beweging van het lichaam waarneembaar, met name ter hoogte van het hoofd. Het lichaam toont geen zichtbare ademhaling of andersoortige beweging.

In de executievideo (video 3) zijn twee kalasjnikovs te zien en één persoon met een revolver, te weten de verdachte.

De verdachte heeft verklaard dat hij van 1991 tot 2011 beroepsmilitair was. Op 8 augustus 2011 is hij gedeserteerd; vanaf die tijd zat hij in verschillende huizen ondergedoken in Mohassan. Rond april 2012 heeft hij daar samen met acht à negen andere mannen de groep Ghuraba’a Mohassan gevormd. Ghuraba’a Mohassan behoorde tot het Vrije Syrische Leger en viel onder de Militaire Raad, aldus de verdachte.

Met betrekking tot het slachtoffer [slachtoffer] heeft de verdachte verklaard dat hij de avond voor de executie heeft gehoord dat [slachtoffer] was opgepakt en gevangengenomen door mensen uit een dorp zo’n 300 kilometer bij Mohassan vandaan. Vervolgens is hij overgedragen aan de brigade van [betrokkene 2], te weten bataljon Iz Al-Din al-Qassam. [Betrokkene 2] was de commandant van Iz Al-Din al-Qassam en Iz Al-Din al-Qassam was onderdeel van het Vrije Syrische Leger. De verdachte heeft toen gehoord dat [betrokkene 2] het plan had om deze [slachtoffer] te doden.

De volgende ochtend rond 05.00 uur is hij naar de school gegaan en daar heeft hij [betrokkene 2] gesproken. [Betrokkene 2] vertelde de verdachte alles over [slachtoffer] en dat hij het plan had om [slachtoffer] te doden bij de oever van de rivier. De verdachte is vervolgens met [betrokkene 2] en een aantal andere mannen naar de oever van de rivier gereden, waarbij de verdachte het voertuig heeft bestuurd. [Slachtoffer] is bij de oever in het water gaan staan en de verdachte heeft een kort gesprek gevoerd met [slachtoffer] en heeft schoten gelost in de richting van [slachtoffer]. De verdachte herkent zichzelf als de persoon met de revolver, die te zien is op de video 3.

4.4.2.2 Tussenconclusies

De rechtbank stelt op basis van voormelde bewijsmiddelen het volgende vast.

Video 3 is gemaakt nabij de Syrische plaats Mohassan in het Syrische gouvernement Deir ez-Zor, aan de oever van de Eufraat. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen voorts vast dat de persoon die in de video beschoten wordt, [slachtoffer] betreft. In deze video zijn acht personen te zien die in een auto zitten, waaronder [slachtoffer]. De verdachte bestuurt deze auto. De auto komt tot stilstand, de groep stapt uit en loopt vervolgens gezamenlijk een pad af naar de oever van de Eufraat. De groep beschikt over twee kalasjnikovs, de verdachte heeft een revolver vast. [Slachtoffer] was een gevangengenomen militair van het Syrische leger.

Nadat de verdachte aan de oever van de Eufraat het laatste gesprek heeft gevoerd met [slachtoffer], lost de verdachte het eerste schot in de richting van [slachtoffer] met een revolver. In totaal worden met de revolver en één of meer kalasjnikovs zesentwintig schoten gelost op of in de richting van [slachtoffer]. Het NFI heeft gerapporteerd dat zichtbaar en/of hoorbaar is dat de revolver vijfmaal schiet (schot 1, 11, 12, 16 en 17) en dat de beelden van schot 14 het beste passen bij een schot uit de revolver. Na schot 17 wordt de trekker van de revolver wel overgehaald maar is zichtbaar dat geen kogels meer gelost worden. Dit beeld past bij een revolver waarmee zes kogels kunnen worden verschoten en reeds verschoten zijn. Gelet op voornoemde bevindingen acht de rechtbank het waarschijnlijk en aannemelijk dat ook schot 14 met de revolver is gelost. De rechtbank stelt aldus vast dat zes schoten zijn gelost met de revolver, waarvan in ieder geval één schot [slachtoffer] heeft geraakt.

De rechtbank acht de stelling van de verdediging dat nog een persoon met een revolver bij de executie aanwezig was, onaannemelijk. De rechtbank heeft geconstateerd dat slechts één persoon in de executievideo te zien is met een revolver, te weten de verdachte. Voor het overige zijn er geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat er nog een persoon aanwezig was met een revolver. De verdachte heeft ook niet kunnen aangeven wie de andere persoon was in de executievideo met een tweede revolver. De rechtbank gaat er daarom ook vanuit dat de verdachte de (enige) persoon met de revolver is in de executievideo. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van het NFI. De rechtbank acht daarom ook de verklaring van de verdachte dat hij slechts drie patronen in zijn revolver had, onaannemelijk.

[Slachtoffer] vertoont na afloop van de beschietingen geen tekenen van leven. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 10 juli 2012 in Syrië door middel van kogels om het leven is gebracht. Niet vast staat dat de verdachte met één van de schoten met de revolver [slachtoffer] heeft geraakt toen [slachtoffer] nog leefde. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte ‘alleen’ verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van [slachtoffer].

De rechtbank stelt op basis van de verklaring van de verdachte voorts vast dat de verdachte in deze periode betrokken was bij de strijdgroep Ghuraba’a Mohassan, bestaande uit gedeserteerde beroepsmilitairen. Ghuraba’a Mohassan beschikte over wapens en was betrokken bij het Vrije Syrische Leger en de Militaire Raad. Ghuraba’a Mohassan was actief in en nabij Mohassan, in de provincie Deir ez-Zor.

Medeplegen

Vervolgens ligt de vraag aan de rechtbank voor of de verdachte door middel van het ten laste gelegde ‘medeplegen’ verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van [slachtoffer].

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de volgende feiten en omstandigheden een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen worden afgeleid. [Slachtoffer] wordt door de groep gewapend begeleid naar de plek van de uit te voeren executie, eerst met een auto die door de verdachte wordt bestuurd en later lopend naar de oever van de Eufraat. Daarbij geven de verdachte en [betrokkene 2] aanwijzingen in welke richting de groep naar de rivier de Eufraat moet lopen en vervolgens lopen [betrokkene 2] en de verdachte enige tijd voorop. Door andere personen uit de groep wordt [slachtoffer] gefilmd en gezegd dat hij zijn onvermijdelijke lot tegemoet gaat. De verdachte wijst aan de oever van de Eufraat de plek aan waar [slachtoffer] in het water moet gaan staan en brengt zijn revolver voor zijn mond alsof hij naar de groep gebaart dat ze stil moeten zijn. Vervolgens richt de verdachte zich weer tot [slachtoffer] en is te zien dat [betrokkene 2] zijn vuurwapen gericht houdt op [slachtoffer]. De verdachte draait zich vervolgens naar rechts en maakt een gebaar met zijn hoofd in de richting van [betrokkene 2], waarna [betrokkene 2] zijn wapen naar boven richt. De verdachte voert vervolgens het laatste gesprek met [slachtoffer]. Nadat de verdachte het eerste schot lost in de richting van [slachtoffer], lost [betrokkene 2] met een kalasjnikov meerdere schoten in de richting van [slachtoffer]. Aannemelijk is dat ook schoten zijn gelost door een andere persoon uit de groep met een kalasjnikov. De verdachte heeft immers zes van de zesentwintig schoten in de richting van [slachtoffer] gelost. Daarna is te zien op de beelden dat [betrokkene 2] negen schoten lost in de richting van [slachtoffer] maar dan uit beeld verdwijnt.

Uit het voorgaande kan afgeleid worden dat de verdachte samen met anderen bewust en nauw heeft samengewerkt bij de executie van [slachtoffer], waarbij de verdachte een leidende rol had. Van een onderschikte rol, zoals de verdachte heeft verklaard, is geenszins gebleken. Integendeel, er zijn veeleer aanwijzingen dat [betrokkene 2] een ondergeschikte rol had aan die van de verdachte. Immers blijkt op basis van de video dat de verdachte verschillende keren de handelingen van [betrokkene 2] stuurt en het voortouw neemt in de aanloop naar de executie, zonder dat daartoe instructies te horen of te zien zijn van de kant van [betrokkene 2].

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat uit de executievideo geen feiten en omstandigheden blijken waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte door de situatie werd gedwongen om te schieten vanwege gevaar voor zijn eigen leven. Zo is in de executievideo niets waar te nemen van enige discussie tussen de verdachte en [betrokkene 2] over het mogelijk overdragen van [slachtoffer] aan de verdachte ten behoeve van een gevangenenruil. [Betrokkene 1] zegt kort na het verlaten van de auto tegen [slachtoffer] “De verlossing komt je zo tegemoet”, hetgeen de verklaringen van de verdachte en [betrokkene 1] weerspreekt dat de verdachte toen (nog) van plan was om te proberen [slachtoffer] tegen zijn broer te kunnen ruilen. De overige waarnemingen in de executievideo passen ook bij een gerichte executie van [slachtoffer] waaraan de verdachte met zijn leidende rol een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

De rechtbank heeft samen met de officier van justitie en de verdediging geconstateerd dat de verdachte gedurende het onderzoek verschillende verklaringen over de executie heeft afgelegd die elkaar op essentiële onderdelen tegenspreken. De rechtbank maakt voor het bewijs dan ook alleen gebruik van de verklaring van de verdachte voor zover deze aannemelijk is gelet op de inhoud van de executievideo.

De rechtbank laat in het midden of de verdachte met opzet misgeschoten heeft, nu dat de hierboven vastgestelde strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet wegneemt. Dit geldt met name niet omdat de verdachte door als eerste te schieten, [betrokkene 2] en één of meer anderen heeft aangespoord dat ook te doen. De verdachte wist immers dat [betrokkene 2] [slachtoffer] wilde doden.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, aldus van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

5 Feit 1: Plegen van een oorlogsmisdrijf

5.1

Inleiding

De rechtbank heeft in hoofdstuk 4 vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. De rechtbank staat voor de vraag of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het oorlogsmisdrijf doden van een persoon die niet (langer) deelneemt aan de strijd, zoals verboden in het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 1949 (verder: GC). In Nederland is dit als oorlogsmisdrijf strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a van de Wim.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde oorlogsmisdrijf.

5.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vraag of het hiervoor door de rechtbank bewezen geachte medeplegen van het doden van [slachtoffer] een oorlogsmisdrijf oplevert, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Artikel 6 van de Wim, dat ziet op de strafbaarstelling van het plegen van oorlogsmisdrijven luidt voor zover van belang als volgt:

Hij die zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maakt aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, of jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enig andere oorzaak, van een van de volgende feiten:

a. aanslagen op het leven of lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling of marteling;

wordt gestraft met (…).

De rechtbank dient te beoordelen of op grond van de vastgestelde feiten sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict in de zin van gemeenschappelijk artikel 3 GC, of de verdachte een persoon heeft gedood die valt onder de bescherming van gemeenschappelijk artikel 3 GC en of sprake is van voldoende verband tussen de vastgestelde gedraging en het gewapend conflict (nexus) om te kunnen spreken van een oorlogsmisdrijf. Bij de beantwoording van deze deelvragen schetst de rechtbank telkens allereerst het juridisch kader dat zij toepast, vervolgens gaat zij in op de feiten en omstandigheden van het geval.

De rechtbank oriënteert zich voor de uitleg van de delictsbestanddelen van de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven op het internationale recht en de Elements of Crimes van het International Criminal Court (hierna: het ICC).

5.4.1

Het juridisch kader

5.4.1.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht

Oorlogsmisdrijven zijn schendingen van het internationaal humanitair recht. Het internationaal humanitair recht is van toepassing wanneer sprake is van een gewapend conflict op het grondgebied van één van de verdragsluitende partijen.

Bij de vraag of sprake is van een gewapend conflict kan een onderscheid worden gemaakt tussen internationaal gewapende conflicten en niet-internationaal gewapende conflicten. Gelet op het feit dat de tenlastelegging is toegespitst op een oorlogsmisdrijf gedurende een niet-internationaal gewapend conflict, zal de rechtbank zich bij het toetsingskader voor de vaststelling van het type gewapend conflict en beoordeling daarvan beperken tot het niet-internationaal gewapend conflict.

Het Joegoslavië Tribunaal (hierna: ICTY) heeft het begrip niet-internationaal gewapend conflict nader uitgewerkt en criteria geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of hier sprake van is. Volgens inmiddels vaste jurisprudentie is sprake van een niet-internationaal gewapend conflict indien er sprake is van aanhoudend gewapend geweld (protracted armed violence) en de betrokken gewapende groepering(en) voldoende georganiseerd zijn. Factoren die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de intensiteit van het geweld zijn het aantal, de duur en intensiteit van de confrontaties, de hoeveelheid en het type afgevuurde munitie, het type wapen en overig militair materieel dat wordt ingezet, het aantal slachtoffers, de omvang van de materiele schade en het aantal intern ontheemden. Ook kan betrokkenheid van de VN Veiligheidsraad een indicatie van de intensiteit van het conflict zijn.

Voor de vaststelling van de organisatiegraad van de gewapende groeperingen in dit kader zijn de volgende factoren van belang: het bestaan van een commandostructuur en disciplinaire regels en mechanismen binnen de groep; het bestaan van een hoofdkwartier; de omstandigheid dat de groep een bepaald territoir controleert; de mogelijkheid om de groep toegang tot wapens te geven en ander militair materiaal, rekrutering en militaire training; de mogelijkheid om militaire operaties te plannen, coördineren en uitvoeren, inclusief troepenbeweging en daarmee samenhangende logistiek; de mogelijkheid een uniforme militaire strategie te bepalen en het gebruik van militaire tactieken; en de mogelijkheid om met een stem te spreken en te onderhandelen en overeenkomsten af te sluiten zoals een staakt het vuren of een vredespact.

Als is vastgesteld dat sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict, is zoals gezegd het internationaal humanitair recht van toepassing tot het moment dat een vredesakkoord is gesloten of als de algehele militaire operaties geëindigd zijn.

Hiermee is het internationaal humanitair recht van toepassing op het gehele grondgebied van Syrië. Een afname van geweld of verminderde mate van organisatie binnen een gewapende groepering is blijkens de jurisprudentie van het ICTY geen indicatie dat geen sprake meer is van een niet-internationaal gewapend conflict.

5.4.1.2 De beschermde status van het slachtoffer

Het internationaal humanitair recht heeft tot doel om personen te beschermen die niet of niet (meer) deelnemen aan vijandelijkheden. In gemeenschappelijk artikel 3 GC worden zij omschreven als ‘personen die niet rechtsreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft nedergelegd, en zij die buiten gevecht zijn gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak’. De verdachte dient op de hoogte te zijn van de omstandigheden die geleid hebben tot de beschermde status van het slachtoffer.

5.4.1.3 Het verbod op het gebruik van geweld, in het bijzonder het doden van personen die niet rechtsreeks aan de vijandelijkheden deelnemen

De vier Verdragen van Genève bevatten regels die zien op de bescherming van personen die niet of niet meer deelnemen aan vijandelijkheden in een gewapend conflict. In gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, GC is - voor zover in deze zaak van belang - een verbod neergelegd op het gebruik van geweld, in het bijzonder onder meer doden van personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen. Gemeenschappelijk artikel 3 GC verbiedt niet het opleggen en tenuitvoerleggen van de doodstraf als vonnis, behalve als dit geschiedt zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijk waarborgen biedt. In regel 89 van de gewoonterecht studie van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (hierna: ICRC) is eveneens het verbod neergelegd op geweld tegen het leven van burgers en personen die hors de combat zijn, oftewel personen die niet of niet (meer) deelnemen aan de vijandelijkheden. Onder doden wordt in gemeenschappelijk artikel 3 GC gedoeld op het opzettelijk doden of het veroorzaken van de dood en ‘reckless’ doden of veroorzaken van de dood.

5.4.1.4 De nexus

Voor een bewezenverklaring van een oorlogsmisdrijf, dient tussen de verweten gedraging en het gewapende conflict sprake te zijn van voldoende samenhang, ook wel ‘nexus’ genoemd.

Uit de jurisprudentie van het ICTY volgt dat in het kader van de nexus niet is vereist dat de gedragingen plaatsvonden in de loop van de gevechten of binnen het gebied waar daadwerkelijk de strijd plaatsvindt, voor zover de misdrijven nauw samenhangen met de vijandelijkheden. Een verband is niet vereist, maar het conflict moet wel een wezenlijke rol hebben gespeeld in de mogelijkheid of beslissing om het misdrijf te plegen, de wijze waarop het misdrijf is begaan of het doel waarmee het misdrijf is begaan. De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor oorlogsmisdrijven is niet gelimiteerd tot de strijdende partijen en degenen die in nabije relatie staan met één van de partijen.

De nexus kan onder meer kan worden vastgesteld aan de hand van de status van het slachtoffer en de dader onder de Verdragen van Genève en de rol die zij hadden in de vijandelijkheden, of het misdrijf het (eind)doel van een militaire strategie bevordert en/of de handeling(en) zijn gepleegd als onderdeel van of in de context van de officiële taken van de dader. De dader moet op de hoogte zijn van de feitelijke omstandigheden die geleid hebben tot het gewapend conflict. Niet vereist is dat de verdachte een juridische analyse heeft gemaakt of er sprake was van een (niet-)internationaal gewapend conflict. Vastgesteld dient te worden of hij of zij zich bewust was van de feitelijke omstandigheden van het gewapend conflict. Concreet overweegt het ICC hiertoe dat de verdachte zich bewust moet zijn van de vijandelijkheden tussen (ten minste twee) entiteiten, en dat deze vijandelijkheden een bepaalde intensiteit hebben en de entiteiten georganiseerd zijn.

5.4.2

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling of het ten laste gelegde oorlogsmisdrijf wettig en overtuigen bewezen kan worden, dient de rechtbank de volgende vragen te beantwoorden:

1. Was er ten tijde van het ten laste gelegde feit een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië en Irak?

2. Wordt [slachtoffer] beschermd door gemeenschappelijk artikel 3 GC en zo ja, was de verdachte op de hoogte van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beschermde status van het slachtoffer?

3. Heeft de verdachte [slachtoffer] om het leven gebracht?

4. Is sprake van een nexus tussen de gewraakte gedraging van de verdachte en het hiervoor genoemde gewapende conflict?

5.4.2.1 De toepasselijkheid van het internationaal humanitair recht: is sprake van een niet-internationaal gewapend conflict?

In eerdere strafzaken is door deze rechtbank reeds vastgesteld dat vanaf 1 januari 2012 sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië tussen Syrische regeringsstrijdkrachten en de strijders van verschillende gewapende groepen.

Onder verwijzing naar deze jurisprudentie stelt de rechtbank andermaal vast dat op basis van de hiervoor in hoofdstuk 4 vastgestelde feiten in de periode vanaf juli 2012 in Syrië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict tussen het Syrische regeringsleger en verscheidende georganiseerde gewapende groepen waaronder Jabhat al-Nusra. Naar het oordeel van de rechtbank is - in elk geval in die periode - voldaan aan het vereiste van protracted armed violence. Er waren veelvuldig grootschalige militaire operaties tussen de betrokkenen, waarbij gebruik werd gemaakt van militaire wapens en explosieven. De schattingen van het aantal slachtoffers van de vijandelijkheden tot en met juli 2012 lopen uiteen van 7.928 personen tot 22.000 personen. In 2012 rapporteerde de Hoge Commissaris voor vluchtelingen van de Verenigde Naties dat het aantal ontheemden in Syrië op 2 miljoen werd geschat en meer dan een half miljoen burgers Syrië waren ontvlucht. Daarmee is voldaan aan het vereiste van een zekere mate van intensiteit van het conflict.

Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldaan - in elk geval voor wat betreft de gewapende groep Jabhat al-Nusra - aan het vereiste van voldoende organisatie. In de hiervoor genoemde periode had deze organisatie immers beschikking over militaire wapens waaronder raketten en kon zij grootschalige militaire operaties uitvoeren. De organisatie beschikte bovendien over een organisatiestructuur, bestaande uit onder meer een adviesraad en een politiekorps. Daarnaast waren er samenwerkingsverbanden met andere organisaties.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat in Syrië ten tijde van het laste gelegde feit sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict, kan worden geconstateerd dat de regels van het internationaal humanitair recht met betrekking tot niet-internationaal gewapende conflicten van toepassing waren. Dit betreft in ieder geval gemeenschappelijk artikel 3 GC en het verbod op geweld tegen het leven van burgers en personen die hors de combat zijn, een regel van het internationaal humanitair gewoonterecht.

5.4.2.2 Wordt het slachtoffer beschermd door het internationaal humanitair recht, in het bijzonder gemeenschappelijk artikel 3 GC en zo ja, was de verdachte op de hoogte van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beschermde status van het slachtoffer?

De rechtbank heeft in hoofdstuk 4 reeds vastgesteld dat [slachtoffer], de persoon in video 3, een gevangengenomen militair is. Aangezien hij niet meer deelnam aan de vijandelijkheden genoot hij bescherming onder het internationaal humanitair recht. De rechtbank stelt op basis van de verklaring van de verdachte en het feit dat in de video benoemd wordt dat [slachtoffer] een militair van het Syrische regime is, voorts vast dat de verdachte wist dat [slachtoffer] een gevangene was en niet meer deelnam aan de vijandelijkheden. Aldus was hij op de hoogte van de feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan de beschermde status van het slachtoffer.

5.4.2.3 Heeft de verdachte [slachtoffer] om het leven gebracht?

De rechtbank heeft in hoofdstuk 4 vastgesteld dat de verdachte op 10 juli 2012 tezamen en in vereniging met anderen de gevangen genomen militair [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood. Tevens is vastgesteld dat [slachtoffer] bescherming genoot onder het internationaal humanitair recht. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een schending van het verbod als opgenomen in gemeenschappelijk artikel 3, eerste lid, GC.

5.4.2.4 Is sprake van een nexus tussen de verweten gedraging van de verdachte en het hiervoor genoemde gewapend conflict?

De executie van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden in Syrië, waar in de ten laste gelegde periode een gewapend conflict gaande was. In de video wordt veelvuldig gerefereerd aan het feit dat [slachtoffer] een gevangengenomen militair is van het leger van Assad. In de video is te horen dat na afloop van de executie gezegd wordt dat luitenant-kolonel [slachtoffer] terecht is gesteld en dat dit de beloning is van elke verrader die burgers aanvalt en woningen bombardeert. Aldus is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nexus tussen de gedragingen van de verdachte en het conflict in Syrië.

Uit het dossier volgt dat de verdachte kennis had van de feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot het bestaan van het gewapend conflict. Immers is vastgesteld dat de verdachte als lid van de strijdgroep Ghuraba’a Mohassan actief betrokken was bij de gewapende strijd.

5.4.2.5 Conclusie

Op grond van al het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde oorlogsmisdrijf heeft begaan.

5.4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 10 juli 2012, althans in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 18 juli 2012, in of nabij Mohassan en/of Deir ez-Zor, althans in Syrië, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft geschonden:- gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève en/of het internationaal humanitair gewoonterecht, doordat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) in geval van een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië, jegens een persoon die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam, te weten een persoon van de strijdkrachten die de wapens had neergelegd, en/of een persoon die buiten gevecht was gesteld door ziekte, verwonding, gevangenschap of enige andere oorzaak, te weten [slachtoffer], een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging hebben gepleegd (en/of) (in het bijzonder) voornoemde persoon hebben gedood,

welke aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging en/of doden hierin bestond dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal met (een) vuurwapen(s) (een) kogel(s) in het lichaam van voornoemde persoon heeft/hebben geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

6 Feit 2: Deelname aan een terroristische organisatie: Vrijspraak

6.1

Inleiding

Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd – kort samengevat – dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 31 oktober 2013 in Syrië, al dan niet als leider, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Al-Qa’ida en/of Jabhat al-Nusra en/of Ghuraba’a Mohassan. De rechtbank richt zich bij de verdere bespreking enkel op Ghuraba’a Mohassan en Jabhat al-Nusra, aangezien Jabhat Al-Nusra ten tijde van het ten laste gelegde kan worden gezien als de Syrische tak van Al Qa’ida uit Irak.

Deelneming aan een (terroristische) criminele organisatie is strafbaar gesteld in de artikelen 140 en 140a WvSr. Aan de strafbaarstelling in artikel 140a WvSr van deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen terroristische misdrijven te plegen.

Om tot een bewezenverklaring te komen van dit feit dient de rechtbank vast te stellen dat Jabhat al-Nusra en/of Ghuraba’a Mohassan in de ten laste gelegde periode organisaties waren met een terroristisch oogmerk en dat sprake was van deelneming aan die organisatie(s) in de zin van artikel 140a WvSr. Tot slot moet komen vast te staan dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de(ze) organisatie(s) tot oogmerk had/hadden het plegen van terroristische misdrijven.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft deelgenomen aan en leider is geweest van de organisatie Ghuraba’a Mohassan. Volgens de officier van justitie kan via twee wegen wettig en overtuigend bewezen worden dat Ghuraba’a Mohassan het oogmerk had op het plegen van terroristische misdrijven, te weten:

1. Ghuraba’a Mohassan had zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra. Door het aansluiten bij Jabhat al-Nusra, de vlag van Jabhat al-Nusra te voeren, daden in hun naam uit te voeren en zichzelf te presenteren als bataljon van Jabhat al-Nusra, was Ghuraba’a Mohassan deel van Jabhat al-Nusra in de zin van 140a WvSr. Het is verder een feit van algemene bekendheid dat Jabhat al-Nusra een terroristische organisatie was in de ten laste gelegde periode.

2. Twee concrete misdrijven zijn door Ghuraba’a Mohassan gepleegd met een terroristisch oogmerk, te weten de bomaanslag op 6 juni 2012 op een voormalige tapijtfabriek in Mohassan waar het regeringsleger zat en de executie van [slachtoffer] op 10 juli 2012. Deze misdrijven zijn ook geclaimd door Jabhat al-Nusra. Voorts heeft Ghuraba’a Mohassan de ontvoering van kolonel [betrokkene 3] en het (claimen van het) neerschieten van de MIG medegepleegd in de periode dat zij zich hadden aangesloten bij Jabhat al-Nusra. Deze misdrijven zijn daarom gepleegd ter verwezenlijking van de doelen van Jabhat al-Nusra.

Het terroristisch oogmerk en het opzet van de verdachte op het terroristisch oogmerk kan volgens de officier van justitie ook uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de officier van justitie verwezen naar:

De promotievideo van Ghuraba’a Mohassan, waarin onder andere de vlaggen van Jabhat al-Nusra en het tawhid gebaar te zien zijn.

Het artikel in The Guardian, waarin wordt beschreven dat Ghuraba’a Mohassan zich aangesloten heeft bij Al-Qa’ida en met behulp van explosieven van Al-Qa’ida de bomaanslag van 6 juni 2012 heeft gepleegd. In het artikel draagt de verdachte de boodschap van Jabhat al-Nusra/Al-Qa’ida uit.

Het artikel van The Guardian en de promotievideo is door de zoon [zoon verdachte] van de verdachte op internet geplaatst, waarbij [zoon verdachte] in zijn post over het artikel in The Guardian naar zijn vader verwijst als commandant van Ghuraba’a Mohassan.

De video van voornoemde bomaanslag, waarin te zien is dat de aanslag wordt opgeëist door een bataljon van Jabhat al-Nusra. Op de muur van het gebouw is de tekst “Ghuraba’a Mohassan Jabhat al-Nusra” aangebracht.

De zoon [zoon verdachte] heeft op zijn Twitteraccount meermalen verwijzingen geplaatst naar zijn vader als commandant/leider van Ghuraba’a Mohassan en naar Jabhat al-Nusra. [Zoon verdachte] spreekt over de jihadveldslagen in Syrië. Hij spreekt ook over de “Mujahids van Ghuraba’a Mohassan” en over zijn vader als “Mujahid”.

In de executievideo is de verdachte in woord en daad aanwezig als leider van Ghuraba’a Mohassan.

In de video waarin het neerschieten van de MIG geclaimd wordt, staat de verdachte prominent vooraan naast [leider 2], de leider van de Militaire Raad.

De vrouw van de verdachte heeft tijdens de doorzoeking gezegd: “Wat er is gebeurd in Syrië en Jabhat al-Nusra hebben we achter ons gelaten”.

In juni 2017, terwijl de verdachte al in Nederland was, heeft hij steun betuigd aan een door de IS uitgevoerde aanslag op het parlement van Iran.

Ten slotte heeft de officier van justitie ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3,], [getuige 4] en [getuige 5].

6.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit en daartoe het navolgende aangevoerd. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan en/of de leider was van Ghuraba’a Mohassan.

Volgens de raadsman kan echter niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte ooit volwaardig lid is geworden van Jabhat al-Nusra. Ook kan uit het enkele feit dat Ghuraba’a Mohassan op enig moment is gaan samenwerken met Jabhat al-Nusra niet geconcludeerd worden dat Ghuraba’a Mohassan heeft deelgenomen aan Jabhat al-Nusra. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2021, en naar een arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2019.

Voorts kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte en/of Ghuraba’a Mohassan betrokken zijn geweest bij specifieke terroristische misdrijven. Er is onvoldoende bewijs dat de verdachte en/of Ghuraba’a Mohassan enige rol heeft gespeeld bij het neerhalen van de MIG. Daarnaast is de vraag of het neerhalen van de MIG een strafbaar feit kan opleveren, aangezien dit een verdedigingsactie tegen het Syrische leger betrof.

Het ruilen van de kolonel [betrokkene 3] tegen de twee broers van de verdachte was uit een persoonlijk belang van de verdachte. Van enig terroristisch motief aan de zijde van Ghuraba’a Mohassan en/of Jabhat al-Nusra is niet gebleken. Het vorenstaande kan daarom niet bijdragen aan het bewijs voor deelneming aan een terroristische organisatie. Daarnaast is dit handelen van de verdachte niet strafbaar omdat hij zich met succes kan beroepen op overmacht in de zin van noodtoestand.

Het bericht op Facebook van de broer van de verdachte en het artikel in The Guardian zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dat de verdachte betrokken is geweest bij de bomaanslag op 6 juni 2012. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat uit het artikel in The Guardian wel degelijk volgt dat de verdachte betrokken is geweest bij voornoemde aanslag, wenst de verdediging, onder verwijzing naar het Vidgen- en Keskin-arrest van het EHRM, de auteur van het artikel alsnog te horen als getuige. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het verzoek van de journalist om niet te worden gehoord, dient te worden gehonoreerd, en/of dat de journalist zich met succes kan beroepen op zijn journalistieke verschoningsrecht, moet het artikel in The Guardian van het bewijs worden uitgesloten.

Daarnaast moet volgens de raadsman terughoudend worden omgegaan met de getuigenverklaringen. De getuigenverklaringen kunnen alleen voor het bewijs worden gebruikt indien deze verklaringen worden ondersteund door stevig steunbewijs. Als voorbeeld heeft de raadsman verwezen naar de verklaringen van de getuigen met betrekking tot de vlag van Jabhat al-Nusra op de voertuigen van Ghuraba’a Mohassan. Deze verklaringen worden op geen enkele wijze ondersteund door een ander bewijsmiddel. Met betrekking tot de executie van [slachtoffer] heeft de raadsman verwezen naar zijn standpunt met betrekking tot feit 1.

6.4

De beoordeling

6.4.1

Het juridisch kader

6.4.1.1 Organisatie

Met een organisatie in de zin van artikel 140a van het WvSr wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen.

Naarmate samenwerking inniger en duurzamer is, zal eerder aan het vereiste van een samenwerkingsverband met een zekere structuur zijn voldaan. Een dergelijk samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan omdat men gaandeweg ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is. Zo’n samenwerkingsverband is niet afhankelijk van regels, uitdrukkelijke afspraken of hiërarchische verhoudingen, maar kan heel wel duurzaam zijn en aan het werken aan een gemeenschappelijk doel een bepaalde structuur ontlenen. Indien sprake is van een lossere vorm van samenwerking – geen vaste deelnemers aan het samenwerkingsverband, de deelnemers kennen elkaar maar ten dele – dan zal met name het vereiste van het samenwerkingsverband kunnen meebrengen dat ook de onderlinge verhouding tussen de deelnemers of enkele daarvan aan het samenwerkingsverband enige structuur geeft. Het feit dat twee personen van een groep gedurende ongeveer dezelfde tijd in een gestructureerd verband hebben samengewerkt, wordt voldoende geacht om ook de overige personen van die groep te beschouwen als behorend tot de organisatie, zonder dat van hen een dergelijke structuur in de samenwerking wordt vastgesteld.

6.4.1.2 Oogmerk plegen van terroristische misdrijven

Voor een bewezenverklaring van artikel 140 van het WvSr is voorts vereist dat de organisatie het oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Met het oogmerk wordt primair gedoeld op het naaste doel: datgene dat men zich als direct gewild voorstelt. De criminele organisatie behoeft niet een louter misdadige hoofddoelstelling te hebben, zij kan ook – mede – een legaal doel hebben. De organisatie kan ook het oogmerk hebben om misdrijven te plegen indien deze misdrijven worden gepleegd ter verwezenlijking van een oorbaar of in de voorstelling van de organisatie edel einddoel. Artikel 140a WvSr, het artikel over de criminele terroristische organisatie, vereist verder een dubbel oogmerk: er moet een oogmerk zijn tot het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Voor een bewezenverklaring van het bestaan van een criminele terroristische organisatie moet het naaste doel dus zijn gelegen in het plegen van terroristische misdrijven.

Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

De wetgever heeft in artikel 83 van het WvSr bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk. In artikel 83a van het WvSr is dit omschreven als “het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”.

6.4.1.3 Deelneming

Vooropgesteld moet worden dat van deelneming aan een terroristische organisatie slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of bedoelde ondersteuning kan worden gesproken. Slechts sympathiseren met een organisatie in onvoldoende. Voorbeelden van deelnemingshandelingen zijn het verlenen van geldelijke bijdragen of andere stoffelijke steun aan de organisatie of het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie. Het is niet noodzakelijk dat een verdachte binnen de organisatie heeft meegedaan aan misdrijven die door andere deelnemers zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid).

Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van (terroristische) misdrijven. Enige vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde concrete terroristische misdrijven is niet vereist.

6.4.2

Het oordeel van de rechtbank

6.4.2.1 Was Ghuraba’a Mohassan in de ten laste gelegde periode een organisatie?

In paragraaf 4.4.2.2 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat Ghuraba’a Mohassan een strijdgroep was in de regio Deir ez-Zor die zich verzette tegen het Syrische leger in de regio. De verdachte heeft immers verklaard dat hij rond april 2012 samen met acht à negen mannen de groep Ghuraba’a Mohassan heeft gevormd. Ghuraba’a Mohassan had wapens en voertuigen, en behoorde tot het Vrije Syrische Leger. De groep had contact met en maakte op enig moment onderdeel uit van een samenwerkingsverband, te weten de Militaire Raad. Volgens de verdachte had hij binnen de groep het meeste respect, aangezien hij de oudste gedeserteerde militair was. Diverse getuigen hebben verklaard dat de verdachte de leider/commandant van Ghuraba’a Mohassan was, waaronder [leider 2] die destijds aan het hoofd stond van de Militaire Raad.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat na de bomaanslag op de tapijtfabriek op 6 juni 2012, toen het Syrische leger uit de regio vertrok, een aantal leden van Ghuraba’a Mohassan, te weten onder andere [betrokkene 4] en [betrokkene 5], zijn overgestapt naar Jabhat al-Nusra. Alleen de verdachte en twee anderen bleven bij Ghuraba’a Mohassan. Vanaf dat moment tot aan het vertrek van de verdachte uit Syrië was Ghuraba’a Mohassan volgens de verdachte een groep die de orde en de veiligheid handhaafde in Mohassan, waarbij Ghuraba’a Mohassan betrokken was bij onder meer (het coördineren van) het bemannen van controleposten. [Leider 2] heeft overeenkomstig verklaard.

Uit het voorgaande kan afgeleid worden dat ten aanzien van Ghuraba’a Mohassan in een zekere mate sprake was van een gestructureerde organisatie. De verdachte was medeoprichter en de leider/commandant Ghuraba’a Mohassan. De organisatie was onderdeel van het Vrije Syrische Leger en viel onder de Militaire Raad. De rechtbank concludeert dan ook dat Ghuraba’a Mohassan een organisatie was en dat de verdachte hiervan de leider was. De rechtbank gaat ervan uit dat Ghuraba’a Mohassan ook ná de bomaanslag nog een organisatie bleef. De verdachte heeft verklaard dat Ghuraba’a Mohassan na het vertrek van het Syrische leger uit de regio bleef bestaan en werkzaamheden uitvoerde in het belang van de orde en veiligheid. Dat een aantal personen naar Jabhat al-Nusra was overgelopen, maakt dat oordeel niet anders.

Was Jabhat al-Nusra in de ten laste gelegde periode een organisatie?

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst daarvoor naar hetgeen is opgenomen in hoofdstuk 4. Samengevat stelt de rechtbank vast dat sprake is van een georganiseerd en gestructureerd samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 en 140a WvSr. Jabhat al-Nusra is officieel opgericht in januari 2012, vormde een organisatie en beschikte over een leider. Verder was Jabhat al-Nusra zodanig georganiseerd dat zij grote aanslagen kon plegen en het veroverde gebied kon besturen en beheersen.

6.4.2.2 Een (afgeleid) terroristisch oogmerk? En zo ja, deelneming?

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of Ghuraba’a Mohassan een zelfstandig dan wel een (van Jabhat al-Nusra) afgeleid terroristisch oogmerk had in de ten laste gelegde periode en zo ja of sprake is geweest van deelneming door de verdachte.

De rechtbank overweegt daartoe als eerste dat de regio Deir ez-Zor, waar de verdachte verbleef, ten tijde van het ten laste gelegde een oorlogsgebied was. Hierbij waren vele strijdgroepen betrokken die zich alle verzetten tegen het regime van Assad maar met verschillende doelen; sommige strijdgroepen streefden een te vestigen democratie na, andere strijdgroepen juist het vestigen van een streng islamitische staat. Deze strijdgroepen wisselden soms na verloop van tijd van doel, gingen op in andere groepen of hielden weer op te bestaan. Bij de strijdgroepen was sprake van wisselende loyaliteiten en de samenwerking werd gezocht met andere strijdgroepen om zich met succes te kunnen verzetten tegen het regime van Assad.

In die regio is sprake van een eeuwenoude stammencultuur die onder andere wordt gekenmerkt door onderlinge conflicten, zowel intern als extern. Dit betekende dat in de ten laste gelegde periode het ene stamlid aangesloten kon zijn bij het Vrije Syrische Leger en een ander lid van dezelfde stam aangesloten kon zijn bij een jihadistische strijdgroep.

De rechtbank stelt vast dat de in deze zaak afgelegde voor de verdachte belastende getuigenverklaringen op onderdelen onderling tegenstrijdig zijn, op een later moment zijn teruggedraaid dan wel gewijzigd en dat veel getuigen hebben verklaard dat zij hun kennis enkel hebben ‘van horen zeggen’. Dit alles bemoeilijkt het verkrijgen van een duidelijk en helder overzicht van de aanwezigheid van verschillende strijdgroepen in de regio Deir Ez-Zor in 2012 en 2013, en vervolgens het ondubbelzinnig duiden van deze strijdgroepen ten aanzien van het doel (oogmerk) dat deze groepen voorstonden. De rechtbank zal daarom hierna beoordelen of in het dossier ander (objectief) bewijs aanwezig is om tot een vaststelling van een terroristisch oogmerk te komen. De rechtbank dient immers de vraag te beantwoorden of buiten gerede twijfel vastgesteld kan worden dat Ghuraba’a Mohassan een organisatie was met een zelfstandig terroristisch oogmerk, dan wel dat deze organisatie door een samenwerking met de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra een afgeleid terroristisch oogmerk had.

Terroristisch oogmerk Jabhat al-Nusra

Dat Jabhat al-Nusra in de ten laste legde periode een terroristische organisatie was staat naar het oordeel van de rechtbank zonder twijfel vast. Zij was de Syrische tak van Al Qa’ida in Irak. Bij haar oprichting in januari 2012 bleek al uit de oprichtingsvideo dat Jabhat al-Nusra een gewelddadig salafistische ideologie aanhing en zichzelf zagen als mujahideen. Zoals al eerder overwogen was hun uiteindelijke doel de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd. De aanslagen van Jabhat al-Nusra zagen zowel op het regime van Assad als op de alawitische en sjiitische burgerbevolking. Jabhat al-Nusra had daarmee het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven.

De rechtbank kan, ook al zijn er aanwijzingen, op basis van het dossier echter niet buiten gerede twijfel vaststellen dat Ghuraba’a Mohassan op enig moment een (afgeleid) terroristisch oogmerk had in de ten laste gelegde periode waaraan de verdachte toen ook heeft deelgenomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het artikel in The Guardian van 30 juli 2012

De belangrijkste aanwijzing voor een overstap van Ghuraba’a Mohassan naar Jabhat Al-Nusra en daarmee de aanwezigheid van een terroristisch oogmerk bij Ghuraba’a Mohassan waaraan de verdachte ook heeft deelgenomen is het artikel van 30 juli 2012 in The Guardian. In voornoemd artikel wordt in een interview met de verdachte beschreven dat hij na de bomaanslag op 6 juni 2012 is weggegaan van het Vrije Syrische Leger en trouw heeft gezworen aan Al-Qa’ida in Syrië, Jabhat Al-Nusra, en dat hij de jihadistische ideologie van Jabhat Al-Nusra heeft overgenomen en fungeert als leider van één van hun bataljons. De verdachte draagt in het artikel de boodschap van Jabhat al-Nusra/Al-Qa’ida uit.

De verdachte heeft over de inhoud van dit artikel verklaard dat hij inderdaad een dergelijk interview heeft gegeven aan een journalist van The Guardian, maar dat wat hij aan de journalist heeft verteld niet klopte. Reden daartoe was dat hij had ontdekt dat Ghuraba’a Mohassan met Jabhat Al-Nusra bij de bomaanslag op 6 juni 2012 had samengewerkt. Hij was daar zelf niet bij betrokken. Hij was destijds zwaargewond aan zijn arm en verbleef in het huis van de zus van zijn vrouw tijdens de bomaanslag, die voor hem een verrassing was. Na de bomaanslag heeft hij Jabhat Al-Nusra een terroristische organisatie genoemd. Hij kwam daardoor in de problemen met Jabhat Al-Nusra. De leden van Ghuraba’a Mohassan die inmiddels waren overgestapt, hebben hem toen geadviseerd om trouw te zweren aan Jabhat Al-Nusra en hebben hem gewezen op de journalist van The Guardian die iemand van Jabhat Al-Nusra wilde interviewen. Ze zeiden dat hij het conflict met Jabhat Al-Nusra misschien kon oplossen door positieve dingen over Jabhat Al-Nusra te zeggen. De verdachte heeft dat gedaan maar uiteindelijk heeft dit niet geleid tot een oplossing.

Hoewel de verklaring van de verdachte in eerste instantie ongeloofwaardig overkomt, kan de rechtbank gelet op hetgeen hierboven (6.4.2.2. begin) is overwogen niet uitsluiten dat tijdens het interview inderdaad sprake was (enig) opportunisme aan de zijde van de verdachte. Daarnaast geldt - en is van nog groter belang - dat hoewel zich wel ondersteunend bewijs voor de inhoud van het artikel in The Guardian in het dossier bevindt, bij dit bewijs kanttekeningen zijn te maken en bovendien ook sterke contra-indicaties in het dossier aanwezig zijn dat de organisatie Ghuraba’a Mohassan op het moment dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen daadwerkelijk een (afgeleid) terroristisch oogmerk had. De rechtbank overweegt daartoe verder als volgt.

De executie van [slachtoffer]

Zoals onder feit 1 uitgebreid is overwogen heeft de verdachte samen met anderen op 10 juli 2012 de luitenant-kolonel [slachtoffer] geëxecuteerd. Deze executie vond dus ruim een maand ná de bomaanslag plaats en enkele weken voor de publicatie van het interview in The Guardian. In de video met betrekking tot deze executie worden echter alleen de strijdgroepen Ghuraba’a Mohassan en bataljon Iz Al-Din Al-Qassam genoemd. Als deze executie, zoals de officier van justitie aanvoert, (mede) zou zijn gepleegd onder de vlag van Jabhat al-Nusra is het naar het oordeel van de rechtbank veel waarschijnlijker dat in de executievideo ook de naam van Jabhat al-Nusra zou worden genoemd, maar dit is niet het geval. Voorts zijn in de executievideo geen feiten en omstandigheden waar te nemen die wijzen op het uitdragen van de salafistische ideologieën van Jabhat al-Nusra. Integendeel, de video bevat juist verwijzingen naar het Vrije Syrische Leger en aanwijzingen dat de executie een wraakactie was tegen het regime naar aanleiding van het bloedbad in Al Houla. Verder is van belang dat in een andere video, waarin [slachtoffer] wordt ondervraagd door een aantal mannen, waaronder [betrokkene 2] die behoort tot het bataljon Iz Al-Din Al-Qassam, tegen [slachtoffer] wordt gezegd dat hij andere soldaten van het Syrische leger moet adviseren over te stappen naar het Vrije Syrische leger. Ook hierin ziet de rechtbank een sterke contra-indicatie dat deze executie door of in samenwerking met Jabhat al-Nusra is uitgevoerd.

De rechtbank acht het op grond van het bovenstaande veel waarschijnlijker dat de executie is uitgevoerd als wraakactie op het door het Syrische regime veroorzaakte bloedbad in Al Houla. De executie werd weliswaar in september 2012 op de website [website 1] in een communiqué door Jabhat al-Nusra geclaimd maar uit het dossier blijkt dat Jabhat al-Nusra vaker aanslagen claimde die door andere groeperingen werden gepleegd, zodat hieraan tegenover de hierboven genoemde contra-indicaties onvoldoende gewicht kan worden toegekend.

De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat de executie van [slachtoffer], waaraan de verdachte weliswaar heeft deelgenomen, met een terroristisch oogmerk is gepleegd. De executie kan zodoende niet als steunbewijs bijdragen voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

De ‘promotievideo’ 18 oktober 2013

De rechtbank overweegt ten aanzien van de video door de officier van justitie aangeduid als ‘promotievideo’, geplaatst door de zoon van de verdachte, als volgt. Deze video werd op 19 oktober 2013 gepubliceerd onder de titel: 'Free Syrian Army. Battalion Ghuraba'a of Mohassan. Implemented by the reporters of Battalion ghuraba'a of Mohassan'. Het betreft een serie achter elkaar geplaatste foto’s van voornamelijk gewapende mannen, waaronder de verdachte, die achter elkaar zijn gezet met op de achtergrond gezang waarbij tussendoor (kanon)schoten en explosies te horen zijn. De video, die door de officier van justitie als promotievideo is aangeduid, maakt op de rechtbank een weinig professionele indruk. Niet vastgesteld kan worden door wie deze video is gemaakt. Wel kan uit de gedetailleerde eigenschappen van de video opgemaakt worden dat het medium is gemaakt op 18 oktober 2013 te 16:31 uur, dus ver na de oprichting van Ghuraba’a Mohassan en de van belang zijnde gebeurtenissen in dit dossier. De verdachte was rond deze periode al uit Syrië vertrokken.

De rechtbank stelt vast dat de video geen officiële publicatie van Jabhat al-Nusra betreft en dat er contra-indicaties zijn dat de video ook daadwerkelijk gemaakt is onder gezag van Jabhat al-Nusra. In de video zijn immers zowel elementen van het Vrije Syrische Leger als van Jabhat al-Nusra te zien, zoals de vlaggen van beide strijdgroepen. Ook zijn in de video handelingen waar te nemen die niet te rijmen vallen met Jabhat al-Nusra, zoals roken en drinken. De verdachte komt meermalen in beeld op de foto’s, maar niet in combinatie met elementen van Jabhat al-Nusra.

Eénmaal is in de video een man, niet zijnde de verdachte, te zien die een tawhid gebaar maakt, maar verder wordt in de video de jihadistische strijd niet verheerlijkt of anderszins een terroristische ideologie uitgedragen. De verdachte komt meermalen in beeld op de foto’s, maar niet met kenmerken als vlaggen of gebaren van Jabhat al-Nusra.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat, indien deze video al gemaakt zou zijn ter promotie van Ghuraba’a Mohassan, gelet op het tijdstip van het maken van deze video en gelet op zijn inhoud niet als steunbewijs gebruikt kan worden voor een (afgeleid) terroristisch oogmerk van Ghuraba’a Mohassan ten tijde van het ten laste gelegde. De video kan daarom ook niet als steunbewijs bijdragen voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

De bomaanslag op 6 juni 2012

Met betrekking tot de bomaanslag op de tapijtfabriek overweegt de rechtbank dat in de video de aanslag wordt opgeëist door Jabhat al-Nusra. Op de muur van het gebouw in de video is verder de tekst “Ghuraba’a Mohassan Jabhat al-Nusra” aangebracht. Uit het voorgaande kan afgeleid worden dat er sterke aanwijzingen zijn dat sprake was van een samenwerking tussen Jabhat al-Nusra en Ghuraba’a Mohassan bij deze bomaanslag die tot doel had het Syrische leger te dwingen weg te gaan uit de regio Deir Ez-Zor en daarmee ook een (afgeleid) terroristisch oogmerk.

Wat daar ook van zij, de verdachte heeft ontkend daarbij betrokken te zijn geweest en heeft verklaard dat leden van Ghuraba’a Mohassan die daarna zijn overgestapt naar Jabhat al-Nusra de bomaanslag hebben gepleegd. De verdachte heeft daarover verder verklaard dat hij medio mei 2012 ernstig gewond is geraakt aan zijn arm door een schotwond. Als gevolg daarvan is hij in juni 2012 tien dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis en is hij aan zijn verwonding geopereerd. Dat hij in die periode zwaargewond was staat niet ter discussie en niet onaannemelijk is dat de verdachte door zijn verwonding toen niet bij de bomaanslag door leden van Ghuraba’a Mohassan is betrokken. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het tegendeel. De video van de bomaanslag kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet als steunbewijs bijdragen voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

Het neerhalen van de MIG op 2 november 2012

Met betrekking tot het neerhalen van de MIG overweegt de rechtbank dat geen bewijs in het dossier aanwezig is dat de verdachte of Ghuraba’a Mohassan enige betrokkenheid of een concrete rol van enige betekenis heeft gehad bij het neerhalen van de MIG. Zo verklaren verschillende getuigen dat een ander bataljon verantwoordelijk was voor het neerhalen van de MIG. De verdachte stond weliswaar prominent naast [leider 2], voorzitter van de Militaire Raad, toen deze in een video het neerhalen van de MIG in een speech heeft geclaimd, maar dit is onvoldoende om de betrokkenheid van de verdachte of Ghuraba’a Mohassan vast te stellen. Ook is niet gebleken dat de MIG is neergehaald in samenwerking of onder de vlag van Jabhat al-Nusra. Het neerhalen van de MIG kan daarom niet als steunbewijs bijdragen voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

Ruilen kolonel [betrokkene 3] tegen broers verdachte in januari-februari 2013

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte kolonel [betrokkene 3] van het Syrische regime gevangen heeft gehouden en op een gegeven moment heeft geruild tegen zijn twee broers die door het regime gevangen waren genomen. De verdachte heeft [betrokkene 3] als ruilmiddel gebruikt om zijn broers vrij te krijgen. Dit betreft een persoonlijk belang en motief. Van enige betrokkenheid van Ghuraba’a Mohassan hierbij, al dan niet met een terroristisch oogmerk is niet gebleken. Het ruilen van kolonel [betrokkene 3] kan daarom niet als steunbewijs bijdragen voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

Twitteractiviteiten zoon van de verdachte

Met betrekking tot de diverse berichten op het Twitteraccount van [zoon verdachte], de zoon van de verdachte, overweegt de rechtbank als volgt. [Zoon verdachte] heeft meermalen, met name in juni 2013, verwijzingen geplaatst naar zijn vader als commandant/leider van Ghuraba’a Mohassan en naar Jabhat al-Nusra. Hij spreekt voorts over de jihadveldslagen in Syrië, over de “Mujahids van Ghuraba’a Mohassan” en over zijn vader als ‘Mujahid’. Deze berichten zijn belastend in die zin dat kennelijk volgens [zoon verdachte] Ghuraba’a Mohassan een onderdeel van Jabhat al-Nusra was en dat Ghuraba’a Mohassan sympathie voor de ideologieën van Jabhat al-Nusra had. Deze berichten zijn echter geplaatst in de periode dat [zoon verdachte] met zijn moeder, broertjes en zusjes in Turkije in een vluchtelingenkamp verbleef en de verdachte nog in Syrië was. Onbekend is of [zoon verdachte] in die periode (intensief) contact had met de verdachte en of hij tot in details op de hoogte was van het handelen van zijn vader in Syrië. [Zoon verdachte] was ten tijde van het plaatsen van de berichten een kind, te weten twaalf jaar oud. De rechtbank acht dit bewijs, hoe belastend ook, door voornoemde kanttekeningen onvoldoende overtuigend om als steunbewijs bij te dragen voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

Dit geldt tot slot ook voor de enkele opmerking van de vrouw van de verdachte tijdens de doorzoeking in 2019 en voor het feit dat de verdachte in juni 2017 met een opmerking op internet steun heeft betuigd aan een door IS uitgevoerde aanslag op het parlement van Iran. De opmerking tijdens de doorzoeking is voor meerdere uitleg vatbaar. Van de steunbetuiging kan van alles worden gevonden, maar vond plaats ruim buiten de ten laste gelegde periode. Beide opmerkingen kunnen daarom niet in overtuigende mate bijdragen als steunbewijs voor deelneming van de verdachte aan een terroristische organisatie.

6.4.2.3 Conclusie

Op grond van de besproken bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat, hoewel er sterke aanwijzingen zijn, niet - ook niet in onderling verband en samenhang beschouwd - buiten gerede twijfel vastgesteld kan worden dat voor zover Ghuraba’a Mohassan op enig moment een organisatie was met een (afgeleid) terroristisch oogmerk dat de verdachte daar toen aan heeft deelgenomen.

De rechtbank zal daarom de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijspreken. Gelet hierop behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om de journalist van The Guardian als getuige te horen geen bespreking meer.

7 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

8 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

9 De oplegging van de straf

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt opgelegd ten aanzien van beide feiten een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren met aftrek van voorarrest.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – voor zover van belang – zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele bewezenverklaring rekening moet worden gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij is van belang dat het voorarrest bij een verdenking als in deze zaak extra zwaar is en dat de dochter van de verdachte aanvankelijk een levensbedreigende ziekte had ten tijde van het voorarrest van de verdachte. Verder heeft de verdediging gevraagd rekening te houden met recente wijziging omtrent de regeling van de Voorwaardelijke Invrijheidsstelling (hierna: VI). Bij een eis van 27 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de verdachte bij de nieuwe VI-regeling immers 7 jaar langer vast moeten zitten dan onder de oude VI-regeling.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft uit wraak samen met anderen een oorlogsmisdrijf gepleegd door [slachtoffer], een gevangen genomen militair van het Syrische regime, nabij de plaats Mohassan in Syrië, te executeren.

Deze handelingen vonden plaats gedurende het gewapend conflict in Syrië, waarbij van onder meer van de kant van het regime van Assad veelvuldig schendingen plaatsvonden van mensenrechten en het oorlogsrecht. Internationaal is dit het regime op veel kritiek komen te staan. Dit heeft ertoe geleid dat vele militairen deserteerden uit het Syrische leger, waaronder de verdachte, hetgeen in Syrië bedreigd is met de doodstraf. Verschillende strijdgroepen gevormd door gedeserteerde militairen hebben zich verzet tegen het Syrische regime. De (oorlogs)misdrijven die gepleegd werden aan de kant van het Syrische regime hebben er ook voor gezorgd dat bij velen een zekere mate van begrip is voor het (gewapende) verzet tegen het regime. Het gegeven dat het regime van Assad ook vele verwijten kan worden gemaakt, kan echter nooit een vrijbrief zijn voor oppositiegroeperingen om militairen die buiten gevecht gesteld zijn, zonder proces terecht te stellen. Zelfs niet wanneer de mensenrechten van deze oppositiegroeperingen zelf worden geschonden.

Het verbod op het doden van burgers en personen die niet (meer) deelnemen aan de strijd, hors de combat, gedurende een gewapend conflict ziet op het recht op leven en de bescherming van de lichamelijke integriteit. Het verbod is dwingend recht, een regel die als zo fundamenteel voor de internationale rechtsorde wordt beschouwd, dat afwijking van de regel niet mogelijk is en de regel voorrang heeft boven andere regels van internationaal recht. Het executeren van een gevangengenomen tegenstander door de verdachte en [betrokkene 2] is niet alleen aan te merken als moord, maar ook als een flagrante schending van de geschreven en ongeschreven regels van het internationaal humanitair recht en universele rechten van de mens. De executie geeft blijk van veronachtzaming voor de fundamentele basisnormen die gelden gedurende een gewapend conflict. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.

Strafblad

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van 18 mei 2020 van de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk voor (soortgelijke) misdrijven is veroordeeld.

Op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank enkel het opleggen van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op het oorlogsmisdrijf ‘doden’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a van de Wim is als maximale straf gesteld een levenslange gevangenisstraf, of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.

De onderhavige feiten en omstandigheden zijn voor een Nederlandse strafzaak uniek te noemen en de rechtbank kent dan ook geen oriëntatiepunten voor het oorlogsmisdrijf ‘doden’, noch andere Nederlandse strafzaken die nagenoeg één op één vergelijkbaar zijn. Bekend zijn strafzaken betreffende oorlogsmisdrijven waarbij personen indirect verantwoordelijk waren voor het doden van meerdere slachtoffers (Guus K. en Frans van A.). Hen zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd van 19 respectievelijk 17 jaar. In een Congolese strafzaak werd 20 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd aan een leidinggevende die opdracht had gegeven tot het doden van vijf personen.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat in Nederland voor moord eenzelfde straf kan worden opgelegd als voor het oorlogsmisdrijf ‘doden’ en dat bij liquidatiezaken door rechtbanken en hoven als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaar wordt genomen voor een enkelvoudige liquidatie (op klaarlichte dag en op de openbare weg). De rechtbank kent in deze zaak gewicht toe aan de bijzondere omstandigheden dat de executie heeft plaatsgevonden in een land waar op dat moment een niet-internationaal gewapend conflict plaatsvond, wat ook voor de verdachte grote gevolgen heeft gehad. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 tot 20 jaar in een zaak als deze als uitgangspunt kan worden genomen.

Strafverzwarende omstandigheden

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte bij het uitvoeren van de executie een leidinggevende rol heeft aangenomen en dat hij is begonnen met het schieten op het slachtoffer.

Strafmatigende omstandigheden?

Anders dan de verdediging verzoekt, weegt de rechtbank niet mee dat de nieuwe VI-regeling, zoals deze geldt onder de Wet Straffen en Beschermen en die in werking is getreden op 1 juli 2021, een kortere VI-duur tot gevolg zou hebben dan onder de oude regeling. Dat een veroordeelde onder de oude VI-regeling bij langdurig opgelegde gevangenisstraffen per definitie slechts twee derde van zijn straf zou uit moeten zitten gaat immers niet op. Dit was, net zoals het nu is bij de nieuwe VI-regeling, afhankelijk van verschillende factoren, zoals het gedrag van de verdachte tijdens zijn detentie, de vraag of hij zich aan de voorwaarden houdt die aan de lange proeftijd worden gesteld en zijn vreemdelingenstatus. De VI kan worden herroepen, uitgesteld en er kan zelfs afstel van de VI plaatsvinden. De rechtbank legt daarom een straf op die naar haar oordeel recht doet aan het feit zonder acht te slaan op een eventuele VI-periode, omdat op dit moment niet is te zeggen of de verdachte daarvoor in aanmerking zal komen.

De redelijke termijn

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. Het klopt dat de verdachte langer dan 16 maanden in voorarrest zit ten tijde van de uitspraak in deze zaak, te weten: bijna 26 maanden. Het betreft echter een ingewikkelde zaak met een omvangrijk vooronderzoek waarbij veel getuigen, ook in het buitenland, moesten worden gehoord. Tijdens het vooronderzoek is steeds de nodige voortvarendheid betracht en kort na het horen van de laatste getuige is de zaak op zitting inhoudelijk behandeld. De rechtbank houdt dan ook geen rekening in strafmatigende zin met het feit dat de verdachte langer dan 16 maanden in voorarrest heeft gezeten.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van strafmatigende omstandigheden.

Conclusie

De rechtbank acht gelet op al het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest dan ook passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist vanwege het feit dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47 van het Wetboek van Strafrecht;

6 van de Wet internationale misdrijven.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens

golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot

het onder onderdeel E van feit 2 ten laste gelegde;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten

laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplegen van schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Geneve, bestaande uit het doden van een persoon die buiten gevecht gesteld was door gevangenschap, begaan in een niet-internationaal gewapend conflict.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan

hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem

opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mr. E.C. Kole, rechter,

mr. J. Holleman, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F. Kok en W.H. Ng, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2021.

Bijlage I: Eindnoten

Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaanslagen, New York 12 december 1997, Trb. 1998, 84 (Nederlandse vertaling Trb. 1999, 16).

Gerechtshof Den Haag 12 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3573.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar pagina’s, betreft dit de pagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer LEFRA19006, van de Landelijke Recherche, Team Internationale Misdrijven, gedateerd 2 juni 2020, met bijlagen, tenzij anders vermeld.

Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Kennisbijlage 140a WvSr Jabhat al-Nusra/Jabhat Fatah al-Sham/Hay’at Tharir al-Sham’ van 2 augustus 2018, opgemaakt door dr. [deskundige], bijgevoegd bij proces-verbaal nummer 180806-2, map E, pagina 141 e.v, hoofdstuk 1.

Geschrift, te weten een rapport van de Independent international commission of inquiry of the Syrian Arab Republic, opgemaakt op 16 augustus 2012, documentcode A/HRC/21/50.

Geschrift, te weten een rapport van de High Commissioner for Refugees van de Verenigde Naties (UNHCR), UNHCR Global Report 2012, Syrian Arab Republic, opgemaakt in juni 2013.

Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Kennisbijlage 140a WvSr Jabhat al-Nusra/Jabhat Fatah al-Sham/Hay’at Tharir al-Sham’ van 2 augustus 2018, opgemaakt door dr. [deskundige], bijgevoegd bij proces-verbaal nummer 180806-2, map E, pagina 141 e.v, hoofdstuk 1.

Geschrift, te weten een kennisdocument met de titel ‘Kennisbijlage 140a WvSr Jabhat al-Nusra/Jabhat Fatah al-Sham/Hay’at Tharir al-Sham’ van 2 augustus 2018, opgemaakt door dr. [deskundige], bijgevoegd bij proces-verbaal nummer 180806-2, map E, pagina 141 e.v, hoofdstuk 3.

Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2018, proces-verbaalnummer LERFA17012-00137, p. 232 (Internet Bevindingen).

Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2018, proces-verbaalnummer LERFA17012-00137, p. 230-231 (Internet Bevindingen).

Proces-verbaal van bevindingen van 19 december 2918, proces-verbaalnummer LERFA17012-01038, p. 237-244 (Zaaksdossier 6 WIM).

Proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2020, proces-verbaalnummer LEFRA17012-001097, p. 398-528 (Nazending).

Het deskundigenverslag, op 28 januari 2021 opgemaakt en ondertekend door W. Kerkhoff, D.L. van der Vloed, ir. B. Hoogeboom en drs. D.J. Rijken, deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut op het gebied van respectievelijk wapens en munitie, spraak- en audio-onderzoek, beeldonderzoek en biometrie en forensische pathologie (p. 1-14, met bijlagen).

Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 17 juni 2021.

Eigen verklaring ter terechtzitting van 16 juni 2021.

Eigen verklaring ter terechtzitting van 17 juni 2021.

Zie expliciet hierover in deze zin: Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, Memorie van Toelichting, p. 5.

Zie gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, 1949.

ICTY, Prosecutor v. Tadić, Appeals Chamber Decision, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, paragraaf 70.

ICTY, Prosecutor v. Haradinaj, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 49.

ICTY, Prosecutor v. Haradinaj et al, Trial Chamber Judgement, IT-04-84-T, 3 april 2008, paragraaf 60.

ICTY, The Prosecutor v. Dusko Tadić, IT-94-1-AR72, Appeals Chamber, Decision, 2 October 1995, paragraaf 67, 70; ICTY, Prosecutor v. Gotovina, Trial Chamber Judgement, IT-06-90-T, 15 april 2011, paragraaf 1694.

Rechtbank Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430, Gerechtshof Den Haag; Gerechtshof Den Haag 26 Jabhat al Nusrauari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:103.

ICTY, Prosecutor v. Gotovina, Trial Chamber Judgement, IT-06-90-T, 15 april 2011, paragraaf 1694.

ICRC, Commentary on Common Article 3, in ‘Commentary on the First Geneva Convention’, Cambridge: Cambridge University Press 2016, p. 205.

Regel 89 van de gewoonterechtstudie van het ICRC.

ICRC, Commentary on Common Article 3, in ‘Commentary on the First Geneva Convention’, Cambridge: Cambridge University Press 2016, p. 207.

ICTY, Prosecutor v. Tadić a/k/a “Dule”, Appeals Chamber Decision, IT-94-1-AR72, 2 oktober 1995, paragraaf 70.

ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 57 en 58.

ICTR, Prosecutor v. Akayesu, Appeals Chamber Judgement, ICTR 96-4-A, 1 juni 2001, paragraaf 444.

ICC Ntaganda case, Trial Chamber: Judgment (8 July 2019), paragraaf 732.

ICC Ntaganda case, Trial Chamber: Judgment (8 July 2019), paragraaf 733; zie van eerder datum ook ICTY, Prosecutor v. Kunarac, Appeals Chamber Judgement, IT-96-23 en IT-96-23/1, 12 juni 2002, paragraaf 59.

Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365 en Rechtbank Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430.

Rechtbank Rotterdam 11 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2057; Hoge Raad 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12.

Gerechtshof Den Haag, 9 mei 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4676 en Gerechtshof ‘s- Hertogenbosch, 21 april 2007, ECLI:NL:GHSHE:2017:1760.

Military Garrison Court of Ituri at Bunia, Appeals Chamber, Democratic Republic of the Congo, Bongi Massaba case, 4 november 2006.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1918.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature